Orhan Pamuk: 'Eenzaamheid is bedreigend'

Half november trilde Turkije op zijn grondvesten door aanslagen op synagogen en Britse doelwitten in Istanbul. Meteen werd de aandacht gericht op het moeilijke debat tussen de soms fundamentalistische islam en de streng seculiere staat in Turkije, kandidaat-lidstaat van de EU en voorbeeldig lid van de Navo. De Turkse schrijver Orhan Pamuk geeft zijn eigen visie op Turkije, politieke islam en de dominante rol van de gemeenschap.

Orhan Pamuk is de auteur van Sneeuw, Ik heet Karmozijn, Het Nieuwe Leven, De Witte Vesting, Het Zwarte Boek, Het Huis van de Stilte.


Ik groeide op in de jaren zestig in Istanbul. Het Turkse nationalisme stond toen heel sterk. Grieken, Armeniërs en Koerden deden er alles aan om hun etniciteit te verbergen. Ze vreesden de reactie van de Turkse staat als ze zouden afwijken van het dogma dat we allemaal Turken waren. Ze hadden die ideologie overigens voor een deel ook tot hun eigen overtuiging gemaakt. Veel Koerden schaamden zich in het openbaar voor hun Koerdische afkomst, zeker degenen die de ambitie hadden om meer te zijn dan sjouwers.

Etniciteit speelt vandaag een grote rol in Turkije. Zelf zou ik veel liever zien dat mensen en samenlevingen hun energie in andere zaken steken, maar ik verzet me in elk geval tegen de repressie van etniciteit. Dat komt er toch altijd op neer dat de sterkste de zwakste een identiteit oplegt. Als iemand per se vreugde wil vinden in het feit dat hij een Koerd of een Turk is, dan moet dat kunnen, zolang ik er maar niet mee word lastiggevallen.

De hedendaagse diversiteit in Istanbul verschilt fundamenteel van de middeleeuwse verdraagzaamheid, waarin etnische identiteit een zaak was die je in je eigen gemeenschap beleefde, maar die niet noodzakelijk een zichtbare rol speelde in het gemeenschappelijke leven - al was het maar omdat er geen democratisch platform was waar mensen of groepen elkaar ontmoetten of bekampten. Het machtscentrum werd vroeger zonder contestatie bezet door de staat en geen enkele minderheid haalde het in zijn hoofd om die macht op basis van etnische argumenten of waarden uit te dagen.

Vergelijk het met Tito’s Joegoslavë. Dat leek ook prachtig, een land waar al die lelijke nationalismen uitgeroeid of tenminste succesvol onderdrukt waren. Dé vraag is hoe je van zo’n repressieve situatie kunt groeien naar een open samenleving, waar iedereen zijn eigenheid en zijn eigen waarden niet alleen binnenshuis beleeft, maar ook publiekelijk belijdt en opeist.
Volgens sommigen is religie een manier om etnische verschillen te overstijgen. De heropbloei van de islam in Turkije zou zo het conflict tussen Turken en Koerden kunnen bezweren. Misschien klopt dat, maar tegelijk is religie ook een scheidswand tussen moslims, joden en christenen. Trouwens, ook binnen de islam in Turkije zijn er verschillende tendensen, die wel eens hard met elkaar in botsing komen.
Religieuze verschillen tussen alevitische en soennitische moslims zijn al meer dan eens de aanleiding geweest voor politieke moorden. Het is altijd een gevaarlijke zaak om religie te propageren als middel om een land één te maken. Religie verbindt mensen misschien op een bepaalde plaats en voor een beperkte periode, maar op de lange duur werkt de vermenging van politiek en religie eerder verdeeldheid en conflict in de hand.

Ik wil in mijn verhalen niet vervallen in de simplistische sjabloon waarin moslimvrouwen altijd de rol van verdrukte personages toebedeeld krijgen. De realiteit is complexer. Een traditionalistische samenleving is sowieso grotendeels op repressieve controle gebaseerd. In zo’n samenleving is het dragen van een hoofddoek voor meisjes en vrouwen een manier en een voorwaarde om deel te nemen aan het openbare leven. Er is nauwelijks ruimte voor vrouwen om op een andere manier aan het publieke leven te participeren.
Het gekke is dat de druk op vrouwen om een hoofddoek, en op een bepaald moment zelfs een sluier, te dragen alleen maar toeneemt als die traditionele samenleving desintegreert en overgaat in een moderne maatschappij. Op dat moment verliezen mannen immers helemaal het gevoel centraal te staan in een stabiele omgeving. Vrouwen willen meer naar buiten komen, juist op een moment dat mannen dat minder vertrouwen en minder aankunnen.
De Turkse situatie maakt het geheel nog complexer. Een vrouw die een baan zoekt, moet haar hoofddoek dragen om haar man gerust te stellen dat ze de grenzen kent en zal respecteren, maar de kemalistische staat verbiedt het dragen van die hoofddoek juist in alle openbare plaatsen.

Al die overwegingen en afwegingen ten spijt is mijn eindoordeel over de hoofddoek dat het een repressief instrument in de handen van mannen is. In Turkije woedt een strijd tussen op het Westen gerichte republikeinen en religieuze fundamentalisten, maar de echte slachtoffers van deze strijd zijn de vrouwen, die door de mannen van alle strekkingen gebruikt worden als pionnen in hun machtsspel.

De meisjes in mijn jongste roman Sneeuw zijn geen willoze pionnen. Zij maken hun eigen keuzes, ze vechten er hard voor en ze zijn bereid er de ultieme consequenties van te nemen. Maar aangezien ze geen macht hebben in de gemeenschapsstructuren, hebben ze uiteindelijk toch ook geen macht over hun eigen leven. Ze verzetten zich inderdaad, maar ze moeten dat doen door te slalommen tussen de regels van een patriarchale maatschappij. Zij maken de regels niet zelf.
Anderzijds leven deze meisjes wel in een semi-moderne maatschappij, waarin hun zelfbewustzijn te zeer ontwikkeld is om nog te passen in de oude structuren en gewoonten. Hun gebrek aan controle over de publieke ruimte compenseren ze dan door een doorgedreven claim op controle over hun eigen lichaam. Daarom zegt het strijdbare personage Hande: ‘Voor een heleboel meisjes in onze situatie betekent zelfmoord dat we over ons eigen lichaam kunnen beschikken. Ze zien zelfmoord als een verlangen naar onschuld en puurheid.’

De jongens in Sneeuw zijn minder gedreven door verzet en emancipatie, eerder door onzekerheid en de behoefte aan radicaliteit, geworteld in de scherpe verdeeldheid van de samenleving. Naargelang de klemtoon die de ervaring van uitsluiting krijgt economisch, etnisch, ideologisch kan dat radicalisme ook verschillende gedaanten aannemen. Het kan een radicaal Koerdisch nationalisme worden, of een radicaal marxisme, of een radicale politieke islam. Ik bezocht bijvoorbeeld het stadje Kars -het decor voor het verhaal van Sneeuw- voor het eerst in de jaren zeventig en de stad liet een hele droeve indruk na bij mij.
Dat kwam op de eerste plaats door de armoede, al volstaat armoede niet om triestheid te creëren. Het is het besef van rijkdom dat van armoede een ondraaglijke en droevige toestand maakt. Het ergste en meest ondraaglijke is als je ooit zelf rijk geweest bent, en dan vervalt tot armoede. De Karsenaren hebben hun glorie zien vervagen, terwijl ze de rijkdom in Ankara en Istanbul, maar vooral in het Westen zo gigantisch hebben zien toenemen. Het gemiddelde jaarinkomen in Turkije is 3000 dollar, in Europa 30.000 dollar. In Kars is dat slechts 500 dollar.

In principe is islam een zaak van de individuele gelovige en zijn verhouding tot Allah. In de realiteit die ik in Turkije rondom mij zie, is islam echter een zeer sociale aangelegenheid. De religieuze praktijk en rituelen worden niet beoordeeld op hun betekenis voor de relatie van de gelovige met God, maar op hun betekenis voor de verhouding van het individu tot de gemeenschap. Wie zegt dat hij in God gelooft, lijkt op het eerste gezicht te knielen voor God, maar in feite knielt hij voor de gemeenschap.

Een twijfelende kosmopoliet zoals Ka, het hoofdpersonage uit Sneeuw, is bedreigend, niet zozeer omdat hij twijfelt aan zijn godsgeloof, maar omdat hij niet volledig en authentiek tot de gemeenschap kan behoren. Het verwijt dat hij krijgt is: ‘Hij gelooft niet in God, dus hij is niet zoals wij’. In feite is het andersom: hij is niet zoals de rest, en daarom wordt hij een atheïst genoemd. Nochtans zou hij graag een religieus iemand zijn, hij zou graag zijn zoals iedereen en opgenomen worden in hun gemeenschap. Voor Ka is dat echter onmogelijk, hij is een Kafka die fundamenteel afgesloten is van de massa.
De meeste Turken zijn communautair, gemeenschapswezens. In Istanbul kom je veel Ka’s tegen, in Kars niet. Wie opgevoed is in een seculiere omgeving, wie “vergiftigd” werd door westerse gedachten en individualistische waarden, die kan niet meer opgaan in de collectiviteit. Ka lijdt daaronder. Het aantal Turken dat worstelt met de problemen van Ka groeit aanzienlijk, dat zie je vooral in Istanbul. Alleen leidt dat niet tot een echte atomisering van de samenleving, maar tot het creëren van nieuwe gemeenschappen.
Hoezeer Turken ook individualiseren, toch zullen ze elkaar telkens weer opzoeken en op basis van herkenning en gedeelde belangen, interessen of ervaringen het primaat van de gemeenschappelijkheid boven de radicale individualiteit herstellen. Zelfs in Istanbul word je maar ten volle erkend als mens als je vrienden hebt, als je, met andere woorden, tot een of andere gemeenschap behoort. Een absoluut individu is in Turkije hetzelfde als het ware kwaad, ook al zou die persoon heel veel doen om de armen te helpen.

Ik denk niet dat de meerderheid van de mensen in Istanbul geniet van haar individualiteit. Daarvoor is de familiestructuur nog veel te stevig, met alle bescherming én controle die daaraan verbonden is. Bovendien ontbreekt het ons in Istanbul nog te veel aan mogelijkheden om met kunst in contact te komen. Er zijn veel te weinig musea, theaters en filmzalen waar je eventueel alleen naartoe kunt gaan en waar je individueel geconfronteerd wordt met de artistieke creativiteit en standpunten van een kunstenaar. Kunst ondermijnt het absolute van de gemeenschap, maar ze creëert ook de ruimte om te zeggen wat je in de gemeenschap niet kunt zeggen.

Ka en zijn geliefde Ipek zijn twijfelende figuren. Zij bevinden zich ergens in het midden tussen onzekerheid en emancipatie. Twijfelen aan jezelf en, nog belangrijker, zelfkritiek zijn de basis van een volwassen samenleving. En dan bedoel ik niet op de eerste plaats de zelfkritiek die individuen moeten hanteren. De instellingen van een maatschappij moeten in staat zijn zichzelf te evalueren met een kritische afstandelijkheid, om op die manier de graad van reële democratie te verhogen.
De Turkse staat moet bijvoorbeeld eens eindelijk in staat zijn zich eerlijk af te vragen of er al dan niet een genocide op de Armeniërs heeft plaatsgevonden. Hebben wij de Koerden al dan niet onrecht aangedaan, hebben wij al dan niet gepoogd alles wat Koerdisch was uit te bannen en te verturksen? Heeft de Turkse staat er de voorbije vijftig jaar alles aan gedaan om de minderheden eerst onzichtbaar te maken en ze uiteindelijk volledig te absorberen in de Turkse meerderheid?
Turkije zal pas een volledige democratie zijn als al deze vragen duidelijk en openlijk gesteld kunnen worden -en niet alleen door iemand als ik, die dankzij zijn internationale bekendheid een soort immuniteit verworven heeft. Als een gewone burger kan zeggen dat de Armeense genocide heeft plaatsgevonden zonder daarvoor in de gevangenis te belanden, dan zijn we op de goede weg.

Het lidmaatschap van de EU zou een belangrijke steun zijn voor die ontwikkeling. Ik ben persoonlijk overtuigd van de waarde van de Europese beschaving, haar waarden en Verlichting en humanisme. Maar mijn pleidooi voor een toetreding tot de EU is niet gebaseerd op een verlangen om aan te sluiten bij die waarden en geschiedenis, het is veel pragmatischer. Door lid te worden van de EU zal Turkije een echte democratie moeten worden, een open samenleving, een rechtsstaat ook waar de economie op een hedendaagse manier georganiseerd wordt.

Ook dat laatste is belangrijk, want vandaag is er nog altijd zoveel corruptie en worden er zoveel zaakjes onder de tafel geregeld, dat er van echte ontwikkeling gewoon geen sprake kan zijn. De EU zou daarom de vraag vanuit Turkije wat positiever moeten benaderen.

Linkse groepen in Europa zijn vaak tegen dat Turkse lidmaatschap omwille van de manier waarop de mensenrechten geschonden worden, met name in de Koerdische regio. Die groepen hebben het volste recht om de aandacht te trekken op de mensenrechten. En het klopt dat Turkije op dat vlak nog veel werk heeft. Maar als ze op basis hiervan de toetreding van Turkije proberen te blokkeren, dan moeten ze zich wel eens afvragen of ze daardoor niet juist de conservatieve krachten in Turkije versterken niet meteen de grote verdedigers van mensenrechten of van het recht van bijvoorbeeld de Koerden op een eigen taal en zelfbestuur.

De nadruk op het belang van mensenrechten moet niet verminderd worden, maar moet gebruikt worden om de dialoog te versterken in plaats van hem af te breken. In het andere geval versterkt men het pessimisme, de xenofobie, de antiwesterse houding en het religieuze fundamentalisme.

De glans en aantrekkingskracht van de radicale islam, de belofte op een andere en betere wereld voor iedereen, heeft er onder andere voor gezorgd dat de islamitische partij van Erdogan bij de laatste verkiezingen zo’n klinkende overwinning boekte. Erdogan was eerst een fundamentalist, die later verklaarde dat hij een islamist was, om tenslotte te stellen dat hij een moslimdemocraat is. Vierendertig procent van de mensen gaven hun stem aan hem, om nu vast te stellen dat hij gemene zaak maakt met de Amerikaanse regering Bush.
Zijn bereidheid om voor een handvol dollars soldaten te sturen naar Irak om de Amerikaanse bezetting daar te verdedigen, is het meest effectieve tegengif tegen de mystiek die het islamitisch fundamentalisme rond zichzelf creëert. De aantrekkelijkheid van de politieke islam is kapotgemaakt, de belofte is gebroken, de glans is verdoft.

Turkije is een onvolwassen democratie en een land waar de politieke vorming van de publieke opinie nog altijd veel ruimte laat voor naïviteit en populisme. Als de beloften van partij A niet waargemaakt worden, dan probeert men gewoon partij B, of C, of D. En telkens wordt het publiek bedrogen waar het bij staat. Als democratie niet gedragen wordt door een geïnformeerde en gevormde publieke opinie, dan is het gewoon een uitstekende manier om mensen te bedriegen.
En in een land als Turkije, waar de problemen en tegenstellingen zo groot en onoverkomelijk lijken, worden de verwachtingen in de politiek vergelijkbaar groot. Dat geeft dan aanleiding tot een politieke heilsverwachting, waarbij alle hoop van de natie geïnvesteerd wordt in één antwoord, één man, één waarheid. Daarom is de teleurstelling in arme landen ook altijd groter dan in de rijke wereld. Politici roepen dat ze de meest onmogelijke verwachtingen toch zullen waarmaken, ook al weten ze vooraf dat dat niet waar kan zijn. Met een buitenlandse schuld van 60 miljard dollar is het duidelijk dat Turkije niet met een eenvoudig recept op korte tijd rijk kan worden. Zelfs als de economie op een verstandige manier georganiseerd wordt, zal het jaren duren eer het land uit de problemen zal zijn.
(interview en uitwerking: Gie Goris)


Randinformatie

BOMMEN AAN DE BOSPORUS
Orhan Pamuk woont in Istanbul. De stad zit schrijlings op twee continenten, zegt elke toeristische gids, twee werelden bepalen haar gelaat. De brug over de Bosporus symboliseert in die visie de rol die Istanbul en Turkije te spelen hebben in de wereld: het verbinden van twee volkomen verschillende culturen en geschiedenissen. Pamuk gelooft niet in bruggen. ‘De Turkse identiteit moet niet kiezen tussen Europa of Azië, tussen secularisatie en islam, tussen Oost en West’, zegt hij. ‘Wij zijn onszelf, en dat is al complex genoeg.’

De bomaanslagen in Istanbul tegen joodse synagogen en Britse doelwitten hebben -gelukkig- geen grote verschuivingen in de Turkse publieke opinie teweeggebracht. In eerste instantie dacht iedereen dat deze verschrikkelijke daden van terrorisme te maken hadden met de aanvankelijk twijfelende, maar uiteindelijk positieve houding van de Turkse overheid ten aanzien van de oorlog in Irak. De aanslagen hebben het relatief vreedzame imago van de Turkse politieke islam wel geschaad.

Ook premier Erdogan kwam onder vuur te liggen, omwille van de donkergroene (islamistische) kleur van zijn ideologische verleden. Hij heeft zich uit die benarde positie kunnen redden door -schoorvoetend- toe te geven dat de aanslagen wel degelijk met islam te maken hadden, en dat hij ze zonder terughoudendheid afkeurde.

‘De echte schok van de bomaanslagen kwam toen bleek dat de daders Turken waren, iets wat niemand voor mogelijk had gehouden. Later werd duidelijk dat de daders meer bepaald Turkse Koerden waren, afkomstig uit een klein stadje in het Noordoosten. Turkse en westerse media beschreven de daders als jong, kwaad, Koerdisch en gedreven door een vreemde metafysische belangstelling. Zowel hun thuisbasis als de jongeren zelf lijken met andere woorden erg op de situaties die ik in Sneeuw beschreven heb. Meer nog: uit deze bomaanslagen blijkt dat het verzet, dat zich nu presenteert als politieke islam, in feite een slecht vermomd radicaal nationalisme is. Ook dat schreef ik neer in Sneeuw.’

Sneeuw, de jongste roman van Orhan Pamuk, is een spannend verhaal waarin Pamuk het complexe web aan motieven en tendensen ontrafelt die samen leiden tot de Turkse politieke islam. In de roman wordt niet duidelijk of Pamuk positief of negatief staat tegenover Turkse islamisten. ‘Dat vind ik een compliment’, glimlacht hij. ‘Een roman moet je in de huid en in de gedachten van de anderen laten binnendringen, en je zo in staat stellen tot een humaner oordeel.’ (gg)

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 2848   proMO*’s steunen ons vandaag al.

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur