'Eerlijk voedsel' als alternatief

Tegen de achtergrond van een toenemende kritiek op GMO-ontwikkelingen onderzoekt deze bijdrage mogelijke alternatieven.
In een eerste deel wordt de houding van verschillende kerndoelgroepen tegenover de GMO-evolutie beschreven. Hieruit komt een beeld naar voren dat vooral gekenmerkt is door grote heterogeniteit. Het positieve beeld dat de GMO-industrie en haar wetenschappers ophangt, wordt sterk gesteund door de overheid. Sociale wetenschappers laten een meer kritisch geluid horen en milieu- en ontwikkelings-NGO’s evolueren naar een steeds meer uitgesproken afwijzende houding. Dit beeld vindt men ook terug in ontwikkelingslanden. Brazilië wordt als voorbeeld naar voren gehaald. Men wordt daar geconfronteerd met een snel evoluerende GMO-industrie, een zelfverzekerde en stimulerende overheid, indicaties van risicodelokalisatie en een niet geïnformeerde en weifelende bevolking.

In de “weg vooruit” houdt deze bijdrage een pleidooi voor meer en indringende educatie die niet alleen basisinformatie levert, maar ook leidt tot betrokkenheid, kennis en actie. Daar wordt ingegaan op de vraag in welke mate “eerlijk voedsel” een constructief antwoord is op de GMO-kritiek. “Eerlijk voedsel” houdt zowel componenten in van sociale als van milieukwaliteit en wordt geflankeerd door beleidsbegrippen als chemische hygiëne en het voorzichtigheidsbeginsel. Daarnaast zal een beweging naar “eerlijk voedsel” ook meer democratische initiatieven en een ethiek van het ‘samen delen’ en het ‘genoeg’ noodzaken.

GMO’s en duurzame ontwikkeling


Er worden door NGO’s en basisbewegingen nogal wat vragen gesteld bij het uiterst positieve beeld dat de recombinant-DNA-industrie, de wetenschappers die in deze sector werken en de vaak sterk flankerende overheid ophangen over de mogelijkheden om met deze nieuwe methoden honger te bestrijden, milieuproblemen op te lossen of betere geneesmiddelen te maken. De argumenten die worden aangehaald zijn verschillend van aard, inhoud en overtuigingskracht:

- aangetoonde en aantoonbare risico’s van GMO-ontwikkelingen neemt men niet ernstig; de klassieke risicoanalyse is gekenmerkt door te grote wetenschappelijke onzekerheid en voldoet daardoor steeds minder;

- men stelt het maatschappelijk belang van deze nieuwe ontwikkeling, ook in een kennismaatschappij, steeds vaker in vraag. Dit heeft wel eens te maken met de (gedeeltelijk) valse argumenten die de verdedigers van de technologie hanteren: GMO’s gaan regionale voedseltekorten niet oplossen en dragen evenmin wezenlijk bij tot voedselzekerheid; GMO’s worden niet gebruikt om de hoge pesticidendruk op de ecosystemen te verlichten, maar maken integendeel deel uit van systemen die de totale pesticidenlast verhogen, enzovoort.

Maar veel meer nog heeft de kritische maatschappelijke houding te maken met de vraag hoe deze ontwikkelingen wel constructief kunnen bijdragen tot duurzame ontwikkeling. Een kernprobleem voor de geloofwaardigheid van GMO-ontwikkelingen is dat het antwoord op deze vraag steeds vager en minder duidelijk wordt.

Daardoor komt de vraag naar de alternatieven op de voorgrond. Hoe zet men in een globaliserende context, waarvan de nieuwe GMO-technieken deel uitmaken, een landbouwsysteem op de sporen dat meer aandacht opbrengt voor de mens, de aarde, de volgende generaties, de gezondheid, de levenskwaliteit? Deze bijdrage analyseert geselecteerde elementen van de mogelijke antwoorden op deze vraag. Men gaat eerst na welke de basiskenmerken en de problemen zijn van de ontwikkeling waarvoor men alternatieven moet bieden. Aan de hand van enkele voorbeelden, wordt vervolgens nagegaan langs welke lijnen de ombuigsystemen zich aandienen.

Een opgedrongen ontwikkeling


Naarmate de discussie over de GMO-toepassingen vordert, vraagt men zich af wie de belanghebbenden bij deze ontwikkelingen zijn.

De boeren zijn geen vragende partij, want de nieuwe technologie vergroot de afhankelijkheid van de toeleveringssector. Steeds meer landen zien hun landbouwsector evolueren in een richting die het milieu niet of alvast minder aantast, die sociaal rechtvaardiger is en die vooral door meer diversificatie van functies is gekenmerkt. GMO’s zoals zaden met het terminatorgen hebben daarin geen essentiële plaats.
De consumenten zijn geen vragende partij, want zij zijn de miskende risico’s in de agro-industrie grondig beu. Op hormonen in vlees en gekke koeien reageren ze door minder vlees te kopen. Dioxines en PCB’s in eieren en kippen beantwoordt men door schuivend stemgedrag. Hoewel de consumentengroep van biologisch geteelde groenten beperkt is, neemt ze snel toe. Niemand vraagt naar zo goed als smaakloze Flaor Sawr tomaten, zelfs wanneer die langer houdbaar zijn. Weinig consumenten wachten op zaad met meer olie, of op melk met recombinant bovine groeihormoon (bovine somatotropine). Deze producten hebben geen voordeel voor de gezondheid en beantwoorden evenmin aan een sociale nood. De vraag naar “eerlijk” kwalitatief hoogstaand voedsel, dat zowel een biologisch als maatschappelijk correct aspect heeft, neemt toe. Er zijn geen consumentenorganisaties waargenomen die een oplossing bepleiten waarvan genetisch gewijzigd voedsel een wezenlijk onderdeel uitmaakt.
De verdedigers van de milieubelangen komen van een kale reis terug. Tien jaar geleden nog hoopten ze dat GMO’s belangrijke milieuproblemen zouden kunnen terugdringen of oplossen. Nu stellen ze vast dat transgene Bt aardappelen het foute antwoord bieden op de pestcontrole van de coloradokever en dat het intellectueel nochtans aantrekkelijke mechanisme voorzien in de biodiversiteitsconventie, niet werkt. Bij milieuorganisaties groeit de scepsis en begint het aanvoelen te overwegen dat het gebruik van GMO’s zonder maatschappelijke en milieucorrecties naar een “armageddon van de biotechnologie” (Knear, 1999) leidt.
Wetenschappers, als groep, nemen een veel meer hybride houding aan. Zij die zich met hun onderzoek in de nieuwe ontwikkelingen hebben ingeschreven zijn de best gedocumenteerde en sterkste verdedigers van deze ontwikkeling. Nochtans is bij herhaling gebleken dat wanneer deze reductionisten hun technologische laboratoriumomgeving verlaten om zich op het terrein van de maatschappelijke discussie te begeven, zij meteen ook hun objectiviteit achterwege laten. Niet zelden laten ze zich dan verleiden tot uitspraken die alleen maar aantonen dat het enthousiasme voor de nieuwe technieken slechtziend tot blind maakt voor de eventuele gevaren, en zelfs kan stimuleren tot geheimhouding. Het paradigma dat ze zo succesvol in hun laboratorium hanteren, is ontoereikend voor een opbouwende maatschappelijke discussie. Daarnaast is er de toenemende kritiek van vooral onderzoekers uit de sociale wetenschappen. Vooral wanneer het gaat over toepassingen van GMO’s (en veel minder over fundamenteel genetisch onderzoek) stelt men binnen het veld van de wetenschap een groeiende diversiteit aan opinies en een verminderde consensus vast.
De industrie die investeert in de ontwikkeling van deze GMO’s is, alvast in het openbaar, evenwel een éénduidig positieve mening toegedaan. GMO’s zijn niets anders dan een actuele benadering van selectiemechanismen in de landbouw die we nu meer dan 5000 jaar toepassen; mogelijke risico’s zijn naar best vermogen onder controle; de nieuwe toepassingen komen als geroepen om grote maatschappelijke problemen het hoofd te bieden; de vrijemarkteconomie biedt deze nieuwe dienst aan tot algehele voldoening van consumenten, werknemers en aandeelhouders. Maar tegelijk werkt deze industrie in grote stilte en met geheimhouding aan veruit de meeste ontwikkelingen. Ze weigert informatie over GMO’s op de labels van de producten die ze slijt en gooit belangrijke sommen aan tegen grootschalige propaganda die een politiek en sociaal aanvaardbaar klimaat voor de ontwikkelingen en de producten moet garanderen. De kern van deze activiteit is geconcentreerd in een beperkt aantal bedrijven die zowel de genetisch veranderde planten als dieren controleren. Dit roept niet onmiddellijk het beeld van een open, maar eerder van een totalitair gecontroleerde markt op.
De GMO-industrie wordt in geïndustrialiseerde landen sterk geflankeerd door een overheid die in deze ontwikkelingen vooral een sterke component van de kennismaatschappij ziet. Dit geldt ondermeer voor de Europese Unie. Het onderzoeksgeld dat de Unie ter beschikking stelt moet het de lidstaten mogelijk maken hun marktpositie te verbeteren ten opzichte van de sterke competitie uit Noord-Amerika en ook steeds meer uit Azië en Australië. In Vlaanderen is het beleid erop gericht om de recombinant DNA-industrie, als belangrijke component van de derde industriële revolutie, geen strobreed in de weg te leggen. Toelatingen voor proeven worden vlot verschaft, controle op laboratoria en op veldproeven is minimaal tot afwezig, deelname aan de internationale discussie diplomatisch-terughoudend, de stimulering van een maatschappelijke discussie niet bestaande.
Het maatschappelijk plaatje rond de GMO’s vindt men terug op dezelfde kwalitatieve manier, maar gekenmerkt door een grotere variatie in ontwikkelingslanden. In landen als Argentinië en Mexico neemt het areaal van met GMO’s bebouwde gronden snel toe. Voor China schat men dat tijdens de eerste jaren van de 21ste eeuw een derde van het basisvoedsel rijst genetisch gewijzigd zal zijn. Dit zijn evenwel slechts de resultaten van een (deels) lokale onderzoeksactiviteit. Gedurende de periode van juni 1996 tot september 1999 stonden de Braziliaanse autoriteiten meer dan 600 veldproeven met transgene organismen toe. Hoewel de Braziliaanse overheid ervan uitgaat over een uitstekend controlesysteem op deze activiteiten te beschikken willen waarnemers daaraan twijfelen. Een beperkte toelatingsraad met alleen reductionistische wetenschappers uit de fundamenteel wetenschappelijke disciplines, garandeert wellicht niet de gewenste reikwijdte en diepgang om gemiddeld 200 veldproeven per jaar grondig te beoordelen en te controleren. Bovendien weerspiegelt dit cijfer ook een herlokalisatie van veldproeven vanuit landen waar de nodige vergunningen steeds moeilijker te bekomen zijn. Bij dit cijfer moet men ook de niet toegelaten veldproeven rekenen, waarvan vooral in het noorden van Brazilië het bestaan werd aangetoond. Hun aantal wordt minstens evengroot als dit van de toegestane proeven geschat (Lemos de Freitas, 1999).
Deze snelle evolutie en het optimisme van de overheid die meent de zaak onder controle te hebben contrasteren fel met de reële situatie bij de bevolking. In 1998 voerde het “National Technical Biosafety Committee – CTNBio” een pilootstudie uit om te peilen naar de perceptie van de GMO-biotechnologie bij het brede publiek in drie belangrijke steden in het zuiden. Hieruit bleek ondermeer dat:

- 47% van de stedelingen nog nooit had gehoord over biotechnologie;

- slechts 3% geloofde dat het toezicht van de Braziliaanse overheid op de biotechnologische ontwikkelingen efficiënt is.

Deze resultaten zijn symptomatisch voor een land waar de GMO-industrie sterk opzet, de overheid van meer zelfvertrouwen blijk geeft dan ze objectief kan onderbouwen, de milieu- en ontwikkelingsorganisaties uiterst kritisch tot negatief staan tegenover de ontwikkelingen en de wetenschappers een steeds grotere diversiteit in mening vertonen.

De weg vooruit. Een pleidooi voor “eerlijk voedsel”


Blijkbaar hebben de meeste maatschappelijke groepen niet alleen niet gevraagd om de huidige GMO-evolutie, maar groeit de diversiteit in opinies en worden, naarmate het debat voortduurt, vooral de negatieve kanten van deze ontwikkeling duidelijker. Daardoor klinkt de vraag naar mogelijke alternatieven steeds luider. Hoe kunnen we begrippen als duurzaam omgaan met de aarde, respect opbrengen voor biodiversiteit, een maatschappelijk wenselijke evolutie voor buren en consumenten, inbouwen in de voedselproductie van de toekomst ?

Omtrent GMO’s lijkt een belangrijke educatieve demarche essentieel. Zeker in ontwikkelingslanden die zich in deze nieuwe technologische evolutie inschrijven is er een manifest gebrek aan zelfs de meest elementaire basisinformatie. Deze basiskennis moet bijdragen tot een bewustwording van de problematiek. In vele geïndustrialiseerde landen als België komt dit proces op gang. Zo vroegen in augustus 1999 Oxfam, Velt, Wervel en de Vogelbescherming aandacht voor veldproeven van GMO’s in Vlaanderen. “De Standaard” (Van Dooren, 1999) opende een discussieforum over de problematiek, nadat een maand eerder Le Monde Diplomatique (Dufour, 1999) in een hoofdartikel aandacht vroeg voor GMO’s onder de titel “Les savants fous de l’agro-alimentaire”.

Met deze bewustmakingsactiviteiten maakt men de weg vrij voor meer doelgerichte acties. In landen als Groot-Brittannië, IJsland, Nederland en Duitsland waar de GMO- discussie reeds verder gevorderd is, heeft men de eerste GMO-vrije winkel- en distributieketens zien ontstaan. De Zuid-Braziliaanse deelstaat Minas Gerais verklaarde zich GMO-vrij. Dit betekent niet alleen dat er geen GMO-veldproeven gebeuren maar ook dat nergens GMO-voedsel te koop is.

Het is evenwel de vraag of deze spontane, gedecentraliseerde acties in de beste Ghandiaanse traditie, die door de NGO’s wordt gehuldigd, zullen volstaan om het tij te doen keren in een GMO-wereld die gedreven wordt door te veel belovende vooruitzichten om ondanks wetenschappelijke onzekerheid over de risico’s en verregaande verschillen in meningen van deskundigen, zich naar het voorzichtigheidsprincipe te schikken. Het lijkt de moeite om naast de kritische houding tegenover de toepassing van GMO’s bij de voedselproductie ook een pleidooi te ontwikkelen voor “eerlijk voedsel”.

“Eerlijk voedsel” vindt niet alleen zijn oorsprong in de negatieve ervaringen van consumenten met hormonen behandelde koeien, antibiotica etende varkens, kippen gekweekt in onwaardige omstandigheden, met zware metalen verontreinigde mosselen, gekke koeien en met dioxine en PCB’s gecontamineerde eieren en mayonaise. “Eerlijk voedsel” heeft vooral een positieve conotatie die zich zowel in een wetenschappelijk als een maatschappelijke context situeert. Wetenschappelijk betekent het een voedselproductie die meer rekening houdt met milieuvereisten: de gronden niet uitput of overbevraagt, lage inputs van water, energie, pesticiden en meststoffen, zonder voedingsvreemde contaminanten, gekweekt met waardebesef ten aanzien van plant en dier. Bij “eerlijk voedsel” zijn dit belangrijke ijkmaten van de kwaliteitsbeoordeling naast de traditioneel gebruikte parameters. Het is interessant te noteren dat in vele ontwikkelingslanden deze kwaliteitscriteria nog aanwezig zijn, zij het dat ze met de snel om zich heen grijpende aanleg van bijvoorbeeld crutaceeënboerderijen en niet-seizoengebonden ananasoogsten snel dreigen te verdwijnen.

“Eerlijk voedsel” heeft ook een sociale dimensie. Het gaat over voedselproductie die een duurzame landbouw op lange termijn garandeert, over een redelijk inkomen voor de landbouwer, over een distributieketen die zo kort mogelijk is en betrouwbaar tegen de achtergrond van de vermelde kwaliteitskenmerken, over het beantwoorden aan de vraag van een geïnformeerde en bewuste consument.

“Eerlijk voedsel” past ook in een kader van flankerende maatregelen, die niet alleen hierop van toepassing zijn. “Chemische hygiëne” is er één van. In snel tempo voegen we artificiële, door de mens gemaakte stoffen aan het milieu toe. In België beschikken we over meer dan 400 verschillende toegelaten stoffen om een paar duizend combinaties van commerciële pesticiden op de markt aan te bieden. Dit is evident veel meer dan men nodig heeft om efficiënt pesten te bestrijden, het milieu en de gezondheid te vrijwaren. Vooral sinds de Tweede Wereldoorlog laten we in een hoog tempo nieuwe scheikundige stoffen in het milieu vrij, waarvan zeer vele een beperkt tot vrijwel onbestaand maatschappelijk nut hebben. Het is aantoonbaar dat we door een meer restrictieve houding een belangrijk voordeel voor gezondheid en milieu kunnen realiseren. Het instellen van een “chemische hygiëne” kan wellicht in evenveel gezondheidsvoordeel uitmonden als het invoeren van de “microbiële hygiëne” nu meer dan 100 jaar geleden.

Een tweede flankerende maatregel betreft het vestigen van beleidsbeslissingen op het “voorzichtigheidsprincipe”. Wanneer het gaat over GMO’s bevindt men zich in een discussie die gekenmerkt wordt door grote wetenschappelijke onzekerheid bij het voorspellen van zowel de ecologische als de maatschappelijke risico’s. Bovendien is het een ontwikkeling die dreigt ernstige en onomkeerbare schade aan het milieu toe te brengen. Daardoor voldoet men aan alle voorwaarden om het voorzichtigheidsprincipe toe te passen wat, vrij vertaald, inhoudt dat men handelt overeenkomstig de slechtst denkbare situatie. Deze houding wordt sterk tegengewerkt door de propaganda van de GMO-industrie daarin bijgestaan door de wetenschappers die in de toepassing van deze technologie betrokken zijn.

Besluit


Biotechnologie is een nieuwe stap in de industrialisering van de landbouw en de voedselproductie. Het is vooral een stap die vanuit de GMO-industrie en de onmiddellijk betrokken wetenschappers, daarbij geflankeerd door een stimulerende overheid aantrekkelijker en risicolozer wordt voorgesteld dan hij in werkelijkheid is. Deze werkelijkheid is ondermeer gekenmerkt door onvolledig begrepen, maar bestaande risico’s, een niet bestaand maatschappelijk afwegingskader en een groeiend GMO misbruik in ontwikkelingslanden.

Het verdient aanbeveling om na te gaan in welke mate het concept “eerlijke voeding” geen alternatief biedt voor de huidige “agro-industrie”. Dit concept verwijst naar kwalitatief hoogstaand voedsel, geproduceerd en verdeeld met respect voor mens en milieu in Noord en Zuid. Deze evolutie kan worden begeleid door een overheid die, eerder dan zich aangetrokken te voelen tot biotechnologische avonturen van een futuristische, globale kennismaatschappij, zich laat leiden door principes als chemische hygiëne en het voorzichtigheidsbeginsel.

Een dergelijke evolutie vereist wellicht echter méér. Men moet de bereidheid hebben om de GMO-kennis in handen van een tiental bedrijven en de daarmee gepaard gaande gecentraliseerde en gecommandeerde economie te vervangen door een wijd gamma van gedecentraliseerde, democratische en economische initiatieven. Men moet de bereidheid hebben om de ethiek van de competitie te vervangen door de ethiek van het samen delen. En men moet de bereidheid hebben om het kwaliteitsarme altijd meer, te vervangen door een kwaliteitsvolle maatschappij en wereldbeeld van het voldoende.

De auteur is professor aan het departement Menselijke Ecologie van de Vrije Universiteit in Brussel.

Referenties


ABRATES (1999). Posição de Sector Sementeiro Frente aos Organismos

Geneticamente Modificados (OGMs). XI Congresso Brasiliero de Sementes.

http://www.mct.gov.br/ctnbiotec/midia/midia02.htm (26 Oct 1999).

Dufour F. (1999). Les savants fous de l’agro-alimentaire. Le Monde Diplomatique, Juillet 1999.

Knear B. (1999). Farmageddon. Food and the Culture of Biotechnology. New Society Publishers, Gabriola Island, Canada.

Lemos de Freitas J.F. (1999). Genetically modified organisms in the Brazilian context. Paper Human Ecology course. Human Ecology Department, VUB, Brussels, Belgium.

Tripp R. (1999). The debate on Genetically Modified Organisms: relevance for the South Overseas Development Institute, London, UK.

http://www.oneworld.org/odi/index.htm (09 Nov 1999).

Van Dooren P. (1999). Gentechnologen moeten dringend het plein op. De Standaard, 10, 19 aug 1999.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift

Word proMO* of Doe een gift