Eerlijke handel in koffie

Een vorige versie van dit artikel werd gepresenteerd op het 85ste seminarie van de European Association of Agricultural Economists over Agricultural Development and Rural Poverty under Globalization: Asymmetric Processes and Differentiated Outcomes in september 2004 in Firenze, Italië.
De laatste jaren is de prijs van koffiebonen op de internationale markt niet alleen dramatisch gedaald, maar ook weinig stabiel gebleken. Dit heeft belangrijke gevolgen voor de producenten en werknemers op de plantages in het Zuiden. Zij ondervonden tot hiertoe weinig voordelen van de globalisering in de wereldhandel. De marktketen van koffie wordt wereldwijd nog altijd gedomineerd door enkele multinationals. Producenten in het Zuiden hebben weinig invloed op de prijs die zij ontvangen. Daarenboven hebben producenten vaak zwaar geïnvesteerd (geld, tijd en kennis) in de productie van koffie en is het voor hen moeilijk om hun landbouwbedrijf te diversifiëren wegens de zeer specifieke investeringen die koffieplantages vergen. Fairtradeorganisaties trachten daarom de producenten in het Zuiden te steunen, voornamelijk door hun een ‘eerlijke’ prijs te garanderen en hun organisaties te ondersteunen.

In dit artikel bespreken we de eerlijke handel in koffie. We belichten vooral hoe contracten tussen producenten in het Zuiden en bedrijven in het Noorden kunnen bijdragen tot armoedebestrijding. Fairtradelabels geven een merknaam aan koffie waarvoor de producent een eerlijke prijs krijgt. Ze zijn daarom ook een voorbeeld van de wijze waarop marktstrategieën die veelvuldig worden toegepast door producenten en verwerkende bedrijven in het Noorden, zoals productdifferentiatie, certificering en publiciteit, de waarde van producten uit het Zuiden kunnen verhogen, meer bepaald door de ethische en kwaliteitsreputatie van het product te benadrukken. Door de globalisering en de steeds groeiende internationale handel is het dan ook mogelijk om voor deze koffie kopers te vinden die gevoelig zijn voor deze sociaal-economische en ethische kwesties, waarbij de koffie wordt aangeboden tegen een relatief aanvaardbare prijs.


Kleinschalige producenten in de koffieketen

De internationale handel in koffie verkeert sinds verscheidene jaren in een diepe crisis. De prijs van de koffie is volledig gekelderd. In 2003 was de prijs op de internationale markt maar een kwart in vergelijking met 1960. De prijzen van respectievelijk arabica- en robustakoffie (1) zijn sinds 1970 jaarlijks met gemiddeld drie en vijf procent gedaald. In 1995 en 1997 en in 2005 werden tijdelijke prijsverhogingen genoteerd. Terwijl het verbruik van koffie maar lichtjes steeg met ongeveer 1,5 procent per jaar, kende de wereldmarkt een overaanbod aan koffie. Dat overaanbod is vooral toe te schrijven aan drie oorzaken. Allereerst was er de sterke toename van de koffieproductie in Brazilië, waar de overheid de producenten ondersteunt voor een betere toegang tot informatie en de markt. Er zijn ook nieuwe productiegebieden in gebruik genomen en er wordt meer gewerkt met irrigatie en mechanische oogsttechnieken. Een tweede oorzaak van het overaanbod is de grote aanvoer uit Vietnam, dat onder invloed van internationale organisaties veel meer koffie is gaan produceren en daarenboven voordeel heeft door de lage arbeidskosten. Ten slotte speelde ook het verhoogde gebruik van robusta in koffiemengsels een belangrijke rol in de uitbreiding van het aanbod. Dit laatste is te danken aan veranderingen in de manier waarop de koffie wordt verwerkt tot mengelingen of blends. Door nieuwe technologieën is het mogelijk de bittere smaak van de robustakoffie af te zwakken. De productie in Vietnam steeg van verwaarloosbare hoeveelheden aan het begin van de jaren 1980 tot 41.000 ton aan het eind van dat decennium en tot meer dan 830.000 ton in 2003-2004. Het gezamenlijke aandeel van Brazilië, Vietnam en Colombia in de totale koffieproductie steeg van ongeveer dertig procent in 1970 tot 52 procent in 2004.

Sinds het afschaffen van het Internationale Koffieakkoord is de koffiehandel volledig vrij van prijscontrole en quota’s. Dat akkoord regelde tot 1989 de internationale koffiemarkt en zorgde zo voor een stabiele economische omgeving. Er werden afspraken gemaakt over de hoeveelheid koffie die maximaal kon worden geproduceerd, vooral door het vastleggen van exportquota’s voor landen waar koffie werd verbouwd en door het opleggen van een prijstranche waarbinnen de fluctuaties van de verkoopprijs van koffie konden worden geminimaliseerd. Maar in 1989 werden deze maatregelen ter garantie van de aanbod- en prijsstabiliteit dus afgeschaft.

De internationale marktketen van koffie wordt gedomineerd door een aantal multinationals zoals Kraft, Nestlé, Sara Lee en Procter & Gamble, die eigenaar zijn van grote koffiemerken. Onder invloed van de liberalisering van de wereldhandel in koffie zijn vele marketing boards verdwenen. Die boards werden door de overheid gecontroleerd en stonden in voor het opkopen van koffie bij de lokale boeren en voor de doorverkoop op de internationale markt. De verdwijning van de marketing boards had aanleiding kunnen geven tot nieuwe initiatieven en een eerlijkere handel, maar de inkomensongelijkheid tussen de producerende en consumerende landen is integendeel nog gestegen. Sinds het afschaffen van de prijscontrole van het koffieakkoord is het aandeel van de toegevoegde waarde dat in de consumerende landen blijft, gestegen van 53 procent in 1986 tot 72 procent in 1995 – en dit vooral ten nadele van de producenten en verwerkende bedrijven in het Zuiden. De producenten werden overgelaten aan de onvoorspelbaarheid van de internationale markten en hun onderhandelingsmacht werd nog sterker verminderd. Bepaalde grote spelers in de keten kunnen bijna een monopolistische macht uitoefenen.

Een van de problemen bij dit alles is de doorstroming van informatie tussen producent en consument: de producenten in het Zuiden hebben weinig toegang tot informatie over de markt en de evoluties in de consumptie en omgekeerd heeft de consument meestal geen benul van de omstandigheden waarin de koffie wordt geproduceerd. Het eindproduct – een pakje koffie in de supermarkt – vertelt de consument weinig over de identiteit van de producent. De marktketen van koffie is een complex web, waarbij koffie wordt verhandeld door verschillende tussenpersonen. Bovendien wordt koffie ook verwerkt. Koffie van verschillende oorsprong wordt vermengd tot melanges of blends. Voor de consumenten is de informatie over de oorsprong en de productiewijze van de koffiebonen veeleer van anekdotisch belang.

Omgekeerd kan de koffieproducent zich maar moeilijk aanpassen aan een veranderende vraag van de consument en/of aan veranderende marktomstandigheden. Na het planten van een koffiestruik duurt het nog drie jaar voor er koffie kan worden geoogst. De koffiebessen moeten jaarlijks worden geplukt om de plant gezond te houden. De producent kan dus niet zomaar beslissen om een jaar niet te oogsten en hij kan met de bessen weinig anders doen dan ze verkopen. Daarenboven is de toegang tot meststoffen, pesticiden en/of krediet in veel landen veel moeilijker geworden en zijn ook subsidies niet meer zo gemakkelijk te verkrijgen. Dit alles treft vooral de kleinschalige en niet-georganiseerde producenten.


Eerlijke handel met een keurmerk

Het idee om eerlijke handel te promoten dateert uit de jaren 1950 voor producten uit gebieden die getroffen waren door de oorlog. Eerlijke handel met ontwikkelingslanden ging vooral van start nadat de Conferentie van de Verenigde Nateis voor Handel en Ontwikkeling (UNCTAD) in 1968 het initiatief Trade not Aid lanceerde, dat aandrong op handel in plaats van hulp. Dit vormde voor NGO’s als SOS Wereldhandel in Nederland en Oxfam in het Verenigd Koninkrijk de aanzet om een campagne voor eerlijke handel te beginnen. Het eerste keurmerk van eerlijke handel kwam er in 1988 en fairtradekoffie is intussen te verkrijgen in meer dan twintig landen over de hele wereld.

Fair trade of eerlijke handel tracht de producenten een betere positie in de markt te bieden. Door een keurmerk toe te kennen aan de producten van eerlijke handel trachten fairtradeorganisaties als Max Havelaar de consument te informeren over de herkomst van de producten. Bovendien garandeert dit keurmerk de consument dat er een eerlijke prijs voor het product is betaald. We hebben er al op gewezen dat de koffiedrinker vaak niet weet waar de koffiebonen vandaan komen en zeker niet hoeveel de producent voor zijn koffiebessen heeft gekregen. Door gebrek aan informatie maakt de consument een keuze die misschien niet volledig aan zijn/haar voorkeur voldoet. Een label of keurmerk is precies bedoeld om specifieke bijkomende informatie te geven.

Maar een label kan meer betekenen dan enkel de informatie op het etiket. De overheid, bedrijven, producentenorganisaties en/of NGO’s kunnen labels ontwikkelen om extra informatie te bieden over het productieproces of een specifieke eigenschap van het product. Het label kan de consument ook bevestigen dat het product voldoet aan een aantal duurzaamheidscriteria op het vlak van economische, sociale en/of milieunormen. Een consument van een gelabeld product is dan ook bereid om meer te betalen voor de extra eigenschappen die het product bezit. Fairtradelabels geven de consument een aanwijzing van de kwaliteit bij het maken van zijn/haar keuze en duiden op een ethische en/of milieuvriendelijke eigenschap. Een keurmerk als Max Havelaar duidt op de certificering en de controle van de fairtradeproducten en garandeert dat de producent een eerlijke prijs heeft gekregen en aan een aantal andere voorwaarden voldoet. Het label overbrugt de informatiekloof tussen producent en consument. Het is belangrijk dat de consument vertouwen heeft in de waarde en de echtheid van het keurmerk. Daartoe is een onafhankelijke organisatie opgericht die aan monitoring en controle doet en die het recht op het gebruik van het label toekent: Fairtrade Labelling Organisation International (FLO).

FLO is de overkoepelende organisatie van fairtradekeurmerken en werd opgericht in 1997 als een samenwerkingsverband van zeven nationale organisaties. Net zomin als de nationale organisaties neemt FLO niet actief deel aan de handel in fairtradeproducten. FLO heeft één enkel fairtradelabel gecreëerd en heeft afspraken gemaakt over de normen waaraan producten moeten voldoen om voor het label in aanmerking te komen. Voor organisaties van kleinschalige producenten en voor werknemers op plantages zijn generieke fairtradenormen opgesteld, die garanderen dat de winsten van de eerlijke handel ten goede komen aan de kleinschalige boeren en/of de werknemers, dat de organisaties van kleinschalige boeren en/of werknemers zich kunnen ontplooien en ontwikkelen en dat fairtradeproducten bijdragen tot ontwikkeling die er anders niet was geweest.

De voorbije jaren zijn er andere certificeringinitiatieven ontstaan, zoals bijvoorbeeld Utz Kapeh en Rainforest Alliance. Deze richten zich op de mainstream markt, waar ze producten willen aanbieden die voldoet aan specifieke normen op het vlak van kwaliteit, ecologische aspecten (bescherming van het regenwoud) en respect voor de sociale minimumnormen van de Internationale Arbeidsorganisatie ILO. Deze initiatieven richten zich niet specifiek op kleine producenten en bieden geen prijsgarantie, ze zijn geen lid van FLO en profileren zich ook niet als fair trade. Maar een aantal koffiebedrijven stelt steeds luider dat deze en andere, veel vagere systemen toch een plaats verdienen. Ze pleiten voor een categorie van fair trade ‘met een kleine f’. Het FLO-label ‘met een grote F’ zou dan een plaats hebben naast al de andere labels die de minimumnormen respecteren. Met andere woorden, wie zich aan de regels houdt, is al fair trade aan het doen. Deze redenering kan leiden tot verwarring bij consumenten en tot een uitholling van het concept van eerlijke handel. Belgische beleidsmakers reageren door wetgevende initiatieven te starten, die misschien tegen het midden van 2007 kunnen leiden tot een wettelijke definitie en bescherming van het concept van fair trade.

Om gecertificeerd te worden door FLO moet een organisatie van kleinschalige koffieboeren een aanvraag indienen. Zij krijgt dan bezoek van FLO, waarbij onder andere wordt gecheckt of de kwaliteitseisen zijn vervuld. Koffiebranders in het Noorden die een contract hebben met één van de keurmerken, krijgen een lijst van goedgekeurde producentenorganisaties voorgelegd. Zij kunnen vervolgens een contract aangaan voor de aankoop van de fairtradekoffie via een importeur of handelaar die eveneens door FLO is gecertificeerd. Volgens het contract moet de producent een minimumprijs krijgen voor de koffie (2). De producent heeft ook recht op voorfinanciering van het contract tot zestig procent. De koffiebranders kunnen dan het fairtradelogo op de verpakking plaatsen waarvoor ze licentierechten betalen aan de nationale fairtradeorganisaties. Tot voor kort werd aan de producenten geen bijdrage gevraagd. Maar momenteel werkt FLO aan een licentiesysteem waarbij de producentorganisaties wel zullen bijdragen voor hun certificering. Figuur 1 geeft een overzicht van de product- en controlestroom voor fairtradeproducenten.

Figuur 1. Controle- en productstroom voor fairtradeproducten


(Graag Nederlandse tekst invoegen:

producent, handelaar, verwerking licentiehouders consument
producentengroep importeur
of organisatie


FLO nationaal initiatief, stroom van producten
bv. Max Havelaar rapportering
België controle, audit
geregistreerde partner


Groeiende consumptie van fairtradekoffie

In verschillende landen worden akkoorden afgesloten met coöperaties (zie tabel 1). Vermoedelijk hebben ongeveer 750.000 landbouwersgezinnen voordeel bij de premies voor duurzaam geproduceerde koffie. Toch moeten we ook hier een kanttekening maken bij de investeringen die nodig zijn om deze koffie van hoge kwaliteit te produceren, evenals bij de kosten die verbonden zijn aan de institutionele afspraken en contracten om de eerlijke handel te kunnen garanderen. Fairtradekoffie wordt verkocht op een nichemarkt, maar het is toch opmerkelijk dat de consumptie blijft stijgen in een stagnerende markt waar de grote merken moeite hebben om hun marktaandeel te behouden en voortdurend met elkaar in concurrentie treden (zie tabel 2).

Tabel 1: Aantal coöperaties in partnerlanden

Regio’s Aantal Regio’s Aantal
Centraal-Amerika 93 Afrika 27
Caraïben 9 Azië 5
Zuid-Amerika 63
Landen Aantal Landen Aantal
Costa Rica 1 Peru 17
El Salvador 3 Venezuela 3
Guatemala 16 Kameroen 1
Honduras 19 Kongo 2
Mexico 40 Ethiopië 3
Nicaragua 14 Rwanda 2
Dominicaanse Republiek 2 Tanzania 6
Haïti 7 Uganda 13
Bolivia 17 Oost-Timor 1
Brazilië 5 Indonesië 1
Colombia 19 Papoea-Nieuw-Guinea 2
Ecuador 2 Thailand 1

Bron: Fair trade Labelling Organisations International, 2004

Tabel 2: Volumes fairtradekoffie verhandeld tussen 1995 en 2004 (in ton geroosterde koffie)

Jaar Verkochte volumes Jaarlijkse verandering
1995 9 971
1996 10 883 9,1%
1997 11 370 4,5%
1998 11 663 2,6%
1999 11 819 1,3%
2000 12 818 8,5%
2001 14 387 12,2%
2002 15 780 9,7%
2003 19 872 25,9%
2004 24 223 21,9%

Bron: Max Havelaar Nederland voor 1998, andere data van Fair trade Labelling Organisation International

Op elf grote consumptiemarkten wordt meer dan 15,4 miljoen kg koffie met een fairtradekeurmerk verkocht. Daarenboven wordt nog eens 11,2 miljoen kg met een biogarantielabel verhandeld, waarvan 5,3 miljoen kg dubbel gecertificeerd is (biogarantie en fair trade). Toch maakt duurzaam geproduceerde koffie (fair trade, biogarantie en ecokoffie) minder dan twee procent van de consumptie in het Noorden uit. In het ene land wordt meer fairtradekoffie geconsumeerd dan in het andere. Grote markten van fairtradekoffie zijn Frankrijk, Duitsland, het Verenigd Koninkrijk, de Verenigde staten en Nederland (zie tabel 3).

Tabel 3. Belangrijkste consumenten van fairtradekoffie, 1995-2004 (in miljoen ton)

Landen 1995a 2004b 1995-2004 verandering
Verenigde Staten Nog niet gestart 6 577
Nederland 3 100 2 982 -3,8%
Verenigd Koninkrijk 427 3 339 +679,6%
Duitsland 3 984 2 981 -25,2%
Frankrijk Nog niet gestart 2 784
Zwitserland 1 389 1 462 +5,3%
België 472 865 83,3%

Bron: aMax Havelaar, Nederland; bFair trade Labelling Organisation International

De consument in het Noorden staat veelal niet stil bij de omstandigheden waarin een product wordt geproduceerd. Amper twee procent van de consumenten zou belang hechten aan het ethische aspect van het product en ook bewust zoeken naar en meer betalen voor verantwoord geproduceerde producten. Een grotere groep (twintig tot dertig procent) wordt beschreven als ‘semi-ethisch’ of armchair ethical consumers. Zij zullen fairtradeproducten kopen als die aanwezig zijn in de supermarkt en het prijsverschil niet groot is. Een nog grotere groep consumenten zijn would be ethical consumenten, die zeggen dat ze fair trade zullen verkiezen als ze daarvoor niet meer moeten betalen en ze de producten niet speciaal hoeven te zoeken. Fairtradeorganisaties hebben dan ook een speciale rol in het bewustmaken van de consumenten. De keuzes van ethisch bewuste consumenten zijn ingegeven door hun bezorgdheid voor armoede, de arbeidsvoorwaarden en het milieu in de ontwikkelingslanden. Ook supermarkten blijken meer en meer geïnteresseerd in eerlijke handel. Ze trachten de consument te overtuigen dat hun inkoopstrategie gebaseerd is op sociale principes.


Fair trade als institutionele organisatie

In de inleiding hebben we fairtradelabels beschreven als een marketingmechanisme waarbij certificering, keurmerken, reclame en distributie een bepaalde reputatie geven aan het product. Fairtradekoffie onderscheidt zich van reguliere koffie en dat wordt herkenbaar gemaakt door het label op de verpakking dat verwijst naar het ethische karakter. Belangrijk hierbij is dat de producenten een contract aangaan met de fairtradeorganisaties en zo toegang krijgen tot een betere markt.

Sinds de golf van liberalisering en globalisering heeft de handel in koffie sterke wijzigingen ondergaan. Kwaliteit en traceerbaarheid zijn alsmaar belangrijker geworden. Toch heeft de producent in het Zuiden maar beperkte mogelijkheden om hierop in te spelen door onder meer een tekort aan infrastructuur, een gebrek aan communicatiemiddelen en geen of een onberekenbare toegang tot elektriciteit en/of water. Het is daarom belangrijk dat fairtrade-initiatieven kunnen gezien worden als een vorm van institutionele vernieuwing die vertrekt vanuit ethische principes. Fair trade kan gelden als een vorm van wat in de institutionele economie een hybride organisatie wordt genoemd. De onderhandelingen worden niet gevoerd in een open markt en er is evenmin sprake van verticale integratie, maar de contracten zijn hybride tussenvormen, die een langduriger en constantere relatie bieden in vergelijking met het handelen in een open markt. Ze verminderen de tijd en moeite die nodig is voor individuele onderhandelingen en daardoor liggen ook de transactiekosten lager. Toch is het systeem ook minder vast dan bij verticale integratie, wat in dit geval zou betekenen dat de koffiebranders en/of -handelaars een eigen plantage zouden opstarten.

Fairtrade-initiatieven dragen niet alleen bij tot een verbeterde markttoegang, maar ook tot het opbouwen van capaciteit en collectieve actie in de coöperaties. Als een coöperatie goed werkt, kan ze bijdragen tot het verbeteren van de kwaliteit, capaciteitsopbouw, gegarandeerde markttoegang, samenwerking op de internationale markt en een leerproces voor export. FLO verkiest te onderhandelen met producentorganisaties. De transactiekosten worden verdeeld over een groter aantal boeren. Er zijn ook schaalvoordelen mogelijk bij het verstrekken van informatie over de normen waaraan de producten moeten voldoen, over productieprocessen of de marktwerking. Daarenboven verbetert zo de onderhandelingspositie van de boeren en verhoogt ook het vertrouwen in de boeren als onderhandelingspartners. Sociale controle tussen de verschillende boeren binnen de organisatie zorgt voor meer zekerheid in het naleven van de fairtradenormen.

Belangrijk is ook de rol die fair trade speelt bij het verlagen van de marktrisico’s voor de boeren. Na het afschaffen van de marketing boards en de internationale grondstoffenakkoorden kent de prijs van koffie een sterke schommeling op de internationale markten. Handelaars hebben de mogelijkheid om koffie te verhandelen op termijnmarkten en kunnen daarmee prijsrisico’s verminderen. Deze termijnmarkten zijn echter niet toegankelijk voor kleinschalige boeren uit het Zuiden. Fairtradeorganisaties garanderen een minimumprijs.

Toch moeten we ons afvragen hoe eerlijk fair trade wel is. Economen argumenteren dat het moeilijk is om te bepalen wat een eerlijke prijs eigenlijk is en dat het ook moeilijk te eisen valt dat mensen een prijs betalen voor een product met het argument dat het de levensstandaard in het Zuiden verhoogt. De marktprijs is een indicator van de marktwerking en een prijs daalt als gevolg van een overaanbod. In dit opzicht stimuleert fair trade de boeren niet om hun productie te diversifiëren naar andere gewassen dan koffie, om te investeren in marktkennis en/of om hun productie op te waarderen. Bovendien wordt soms gesteld dat fair trade een weinig efficiënte manier is om welvaart over te dragen van consument naar producent en dat het overslaan van tussenhandelaars geen oplossing biedt voor alle problemen in de traditionele marktketens. Het eerste argument is vooral gebaseerd op enkele voorbeelden die berekenden dat maar een heel beperkt percentage van de fairtradepremie bij de producenten terechtkomt. Toch zijn deze analyses en berekeningen erg anekdotisch en maar gebaseerd op gegevens voor één jaar en één land. Opvallend is wel dat de discussie over de verdeling van de toegevoegde waarde binnen de marktketen telkens terugkomt.


Ter afsluiting

Fairtradelabels hebben vooral de bedoeling om kleinschalige boeren in het Zuiden toegang te verlenen tot een betere en stabielere markt. Hiertoe gebruiken fairtradeorganisaties dezelfde marktstrategieën als in het Noorden, namelijk productdifferentiatie, certificering, bekendmaking en reclame. Toch blijft fair trade een kleine markt die maar een beperkte groep consumenten aanspreekt. Die consumenten voelen zich betrokken bij de situatie van de producenten in het Zuiden en willen extra betalen om deze producenten te ondersteunen. Volgens sommige grotere koffiebedrijven helpt fair trade niet om het overaanbod op de wereldmarkt op te lossen. Het tegenargument van fair trade is niet alleen dat de producenten in het Zuiden recht hebben op een eerlijke vergoeding, maar ook dat fairtradeproducten van goede kwaliteit zijn. Het fairtradelabel is daarom meer dan een keurmerk voor ethische reputatie en staat ook voor een goede kwaliteit.

De gevalstudie van fairtradekoffie toont aan dat de marktketens voor traditionele commerciële gewassen complexe structuren met veel mogelijke problemen zijn. In hoeverre eerlijke handel een oplossing biedt voor deze problemen op een grotere schaal is nog een open vraag, maar toch zijn fairtrade-initiatieven waardevol als experiment en hebben ze ook een belangrijke voorbeeldfunctie.

Noten

(1) Commerciële koffie is Coffea arabica of Coffea canephora of respectievelijk arabica- en robustakoffie. Arabicabonen worden algemeen beschouwd als een betere kwaliteit en worden daarom aan hogere prijzen verkocht in vergelijking met robustabonen. Historisch wordt arabica voornamelijk verbouwd in Latijns-Amerika, Ethiopië en Kenia, terwijl Brazilië, Vietnam en Oeganda de voornaamste producenten van robusta zijn.
(2) Gecertificeerde producentenorganisaties krijgen een prijs die ten minste de productiekosten dekt: “Buyers shall pay producer organizations at least the Fair trade minimum price as set by FLO (Fair trade Labelling Organizations International). The Fair trade minimum prices vary according to the type and origin of the coffee. In addition to the Fair trade minimum price the buyers shall pay a Fair trade premium as set by FLO at 5 US$-cents per pound of coffee. For certified organic coffee an additional premium of 15 US$-cents per pound green coffee will be due, on top of the Fair trade minimum price or market reference price respectively determined under point 4.4.” Punt 4.4 in het document over de generieke fairtradenormen bepaalt dat als de marktprijs hoger is dan de fairtradepremie, de marktprijs geldt. De marktprijs is gebaseerd op de New York C-contracten voor arabica en Londen LCE-contracten voor robusta.

Literatuur

BOUGHERARA D. en GROLLEAU G., Can Ecolabelling Mitigate Market Failure? An Analysis Applied to Agro-Food Products, in Willie Lockeretz, ed., Ecolabels and the Greening of the Food Market. Proceedings of a Conference, Boston, Massachusetts Tufts University

BROWNE A., HARRIS Ph., HOFNY-COLLINS A., PASIECZNIK N. en WALLACE R., (2000), Organic Production and Ethical Trade: Definition, Practice and Links, Food Policy, 25 (1): 69-89, 2000

DANKERS C. en LUI P., Environmental and Social Standards, Certification and Labelling for Cash Crops, Commodity and Trade Division of the Food and Agriculture Organization of the United Nations, Rome, 2003

FAO, Statistical Database 2005, www.fao.org

FLO, Draft FLO-Cert Producer Certification Fees, 2005, www.fairtrade.net

GIOVANNUCCI D. en KOEKOEK J., The State of Sustainable Coffee: A Study of Twelve
Major Markets, An IISD – UNCTAD – ICO Book, 2003

GOLAN E;, KUCHLER J. en MITCHELL L., Economics of Food Labelling, Agricultural Economic Report No. 793, Economic Research Services - U.S. Department of Agriculture, Washington, 2000

HILLOCKS R.? (2001), Coffee: Is It Still a Viable Cash Crop for Smallholders in Africa? Outlook on Agriculture, 30 (3): 205-212. (2001)

KYDD J., Agriculture and Rural Livelihoods: Is Globalisation Opening or Blocking Paths Out of Rural Poverty? Agricultural Research and Extension Network, Agren, Network Paper No. 121. London, Overseas Development Institute, 2002

KYDD J., Trade Liberalisation, Institutions and Agriculture, Centre for Development and Poverty, Imperial College at Wye, Wye, 2002

Max Havelaar, Max Havelaar: Het keurmerk voor eerlijke handel. Criteria, certificering en controle september 2002, www.maxhavelaar.be

MENARD C., The economics of hybrid organizations, Journal of institutional and theoretical economics, 160(3):1-32 (2004)

OXFAM, Mugged. Poverty In Your Coffee Cup, Oxfam International, 2002, www.maketrade.fair.com

PONTE S., The ‘Latte Revolution’? Regulation, Markets and Consumption in the Global Coffee Chain, World Development, 30 (7): 1099-1122 (2002)

RENARD, M. (2001), The Interstices of Globalization: The Example of Fair Coffee, Sociologia Ruralis, 39 (4): 484-500 (2001)

TALBOT J., Where Does Your Coffee Dollar Go? The Division of Income and Surplus Along the Coffee Commodity Chain, Studies in Comparative International Development, 32 (1): 56-91 (1997)

TECHNOSERVE, Business Solutions to the Coffee Crisis, December 2, 2003. www.technoserve.org

TOLLENS Eric, Fair Trade: An Illusion? Working paper 2003/84, Department of Agricultural and Environmental Economics, KU Leuven, 2003

VERHAEGEN I. en VAN HUYLENBROECK G., Hybrid governance structures for quality products: A transaction cost perspective, Aachen, Shaker Verslag, 2002

ZEHNER D. (2002), An Economic Assessment of “Fair Trade” in Coffee, Chazen Web Journal of International Business, Herfst 2002 www.gsb.columbia.edu/chazenjournal

Marijke D’haese is docente bij de Groep Ontwikkelingseconomie van de Universiteit van Wageningen in Nederland.
marijke.dhaese@wur.nl
Jan Vannoppen is woordvoerder en hoofd van de dienst advocacy bij Vredeseilanden. jan.vannoppen@vredeseilanden.be
Guido Van Huylenbroeck is professor bij de Vakgroep Landbouweconomie aan de Universiteit van Gent.
guido.vanhuylenbroeck@ugent.be

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift

Word proMO* of Doe een gift