Elite leeft met de rug naar Angola

De hoofdstad van Angola lijkt een hedendaags eldorado voor de kleine elite die hippe discotheken frequenteert en bonkige terreinwagens door eindeloze files stuurt. Chinese arbeiders bouwen wegen, spoorlijnen en voetbalstadions in het hele land, maar in de overvolle krottenwijken overleven miljoenen mensen op een schijntje. Zullen asfalt en beton alleen genoeg zijn om Angola een nieuw aanschijn te geven, voor alle Angolezen?
  • Stefaan Anrys Zullen asfalt en beton alleen genoeg zijn om Angola een nieuw aanschijn te geven. Stefaan Anrys
In een beduimeld schriftje dat ik bij een flatgebouw in Zuid-Kwanza vind, lees ik: ‘Angola is een groot en mooi land. Het maakt deel uit van het Afrikaanse continent. Door zijn uitgestrektheid is het een van de grootste landen van Afrika.’ José Marty, die wellicht een stevige schrobbering heeft gekregen omdat hij zijn schoolschrift heeft verloren, beschrijft hoe zijn geliefde land behalve ‘grote visvoorraden ook rivieren en bodemrijkdommen op overschot heeft’.
José heeft gelijk. Angola heeft een kustlijn van ruim 1600 kilometer, rivieren waarop je elektriciteitscentrales zou kunnen bouwen die zelfs het naburige Zuid-Afrika van stroom kunnen voorzien, zeer vruchtbare grond en véél ruimte (1.247.000 km2, of zoveel als Spanje, Portugal, Frankrijk én de Benelux bij elkaar) voor de 18 miljoen inwoners. Bovendien brengen diamant, olie, bauxiet, goud en andere waardevolle grondstoffen geld in het laatje. Veel geld.
Anders dan in Nigeria worden de offshore olievelden van Angola niet geplaagd door sabotage-acties van rebellen en dus hebben internationale olieconcerns de jongste jaren extra veel interesse betoond. Buitenlanders komen ook af op de vele bouwcontracten en de lucratieve import. Zelfs een zo belangrijk basisproduct als melk wordt in Angola ingevoerd door Nestlé, onder de merknaam Nido.
Het land heeft zoveel olie te bieden en heeft dankzij zijn recente boom ook zoveel levensmiddelen en bouwmaterialen nodig, dat Europeanen, Chinezen, Amerikanen, Brazilianen, Russen, Indiërs en Libanezen elkaar verdringen in de overvolle havens van Luanda en Lobito. Tot voor de crisis kon een schip tot een jaar lang liggen wachten vooraleer het mocht aanmeren en uitladen, weet de Belg Olivier Claerhout van het logistiekbedrijf TLC.
Ook China is tuk op Angola, want het heeft de olie broodnodig om zijn eigen economie draaiende te houden. De handel tussen China en Afrika is het laatste decennium vertienvoudigd en is intussen goed voor meer dan 100 miljard dollar. Volgens de lokale vertegenwoordiger van de Wereldbank, Ricardo Gazel, heeft Angola een krediet openstaan bij de Chinese Export-Import Bank (Eximbank) van 4,5 miljard dollar. In ruil wil China onder meer petroleum. In 2007 importeerde China zelfs meer olie uit Angola (11,2 miljard dollar) dan de VS (10,2 miljard dollar).
Ondanks de wereldwijde crisis, die vanaf 2008 de olieprijs, het aantal vaten en daardoor ook de Chinees-Angolese handel deed teruglopen, blijft Angola een robuuste Afrikaanse economie, die tot voor de crisis met liefst 20 procent op jaarbasis groeide, en in 2008 nog een sterke groei van ongeveer 15 procent liet optekenen, een unicum in Afrika en in de wereld.

Een witte ervaring


‘Het Angolese volk is genereus en werklustig’, kopieerde José Marty in zijn schriftje. ‘Het grijpt kansen en vormt zijn rijkdommen om zodoende zijn levensomstandigheden te verbeteren’. Helaas neemt José zijn wensen voor werkelijkheid. Van de ongeveer 18 miljoen Angolezen leeft meer dan twee derde van minder dan twee dollar per dag en meer dan de helft moet het met 1,25 dollar of minder stellen. Angola scoort uitermate slecht voor ongelijkheid. Het heeft bijvoorbeeld een Gini-coëfficënt van 58,6 (0 staat voor perfecte gelijkheid, 100 voor absolute ongelijkheid).
Een maandsalaris van 700 dollar is voor Luandezen een normaal inkomen, terwijl je in de hoofdstad voor 300 dollar per maand amper eten kunt kopen voor een gezin van zes. De portemonnee is iets later leeg als je niet in de supermarkt koopt, maar dan nog. Terwijl het gros van de mensen bijklust om te proberen rond te komen, geniet een kleine elite van alle sensaties, zoals een affiche voor een casino belooft. In de zeilclub op Het Eiland in Luanda liggen peperdure jachten aangemeerd en wanneer ik ’s avonds ga dansen in Miami Beach, hoor ik dat de club ernaast 300 dollar entreegeld vraagt, omdat er een white experience plaatsvindt: een uit het Westen overgewaaid dansevenement waarbij alle fuifgangers in het wit gekleed moeten zijn.
Angola is een land van uitersten. ‘Een van de funeste effecten van onze economische boom zijn de gedwongen verhuizingen’, weet Felizardo Epalanga van de ngo Open Society. ‘Onlangs nog zijn de bewoners van de buitenwijken “Irak” en “Bagdad” op straat gezet en hun huizen vernietigd voor de aanleg van nieuwe wegen of wooncomplexen. Niemand uit de arme musseques of krottenwijken heeft een compensatie gekregen, beweert hij. ‘Je mag blij zijn als de staat je een tent geeft.’
Jacob Massinga, een fotograaf uit Luanda, deelde vroeger ook al in de brokken. ‘Ik had net grond gekocht en had al twee verdiepingen gebouwd, toen ik moest verhuizen. Nu moet ik van mijn karige loon dit huurhuis betalen. Mijn klacht is nooit behandeld en mijn dossier ligt nog op de rechtbank.’ In zijn lemen huurhuis in een buitenwijk zie ik twee kamers, een peertje en een televisie waarop een Braziliaanse telenovela speelt. Als straks het regenseizoen aanbreekt, staat de straat voor zijn deur wekenlang blank.

Veilig en overvol luanda


De burgeroorlog (1975-2002) heeft nooit echt lelijk huisgehouden in Luanda, maar tijdens de onlusten zijn wel massaal veel Angolezen naar de hoofdstad gevlucht, omdat die een bolwerk was van de regeringspartij MPLA en dus beter verdedigd werd tegen de rebellen van Unita. Maar na de dood van Unita-leider Jonas Savimbi en de vrede die daarop volgde, zijn vele Angolezen nooit naar de provincie teruggekeerd, bij gebrek aan huis, familie, banen of voorzieningen daar.
Vandaar de verkeerschaos in Luanda en de krapte aan betaalbare woningen, waardoor heel wat mensen nog altijd in de musseques wonen. ‘Er is geen stromend water, geen elektriciteit en dus ’s avonds geen licht’, zegt Leonardo Manuel Mário van de ngo Solidariedade para o Desenvolvimento da Infancia (SDI). ‘Dat werkt criminaliteit in de hand. En omdat de mensen water moeten drinken uit tanks, waarin het vaak lang staat, breekt ook vaak dysenterie uit.’
Volgens het VN-ontwikkelingsprogramma UNDP ligt de gemiddelde levensverwachting in Angola op 47 jaar en beschikt slechts één op twee Angolezen over veilig drinkwater. Zowat 31 procent van de kinderen onder de vijf lijdt aan ondervoeding. Angola staat op de 143ste plaats van de Human Development Index, op een lijst van 182 landen. En dat ondanks een hoog gemiddeld inkomen per inwoner.

Onfrisse frisdrank


De burgeroorlog heeft ook mensen rijk gemaakt. Zo sloegen partijbonzen van de ooit marxistische MPLA en bevriende zakenlui munt uit de zwarte markt of candonga, die reeds onder het socialisme en tijdens de burgeroorlog een alternatief bood voor de gerantsoeneerde en gesubsidieerde goederen.
President Dos Santos –die ook verwikkeld was in het Franse wapenschandaal Angolagate– is naar verluidt op één na de man met de meeste bezittingen van Brazilië en zijn dochter Isabel, eigenares van onder meer een van de twee enige gsm-maatschappijen in Angola, gaat over de tong als een van de rijkste vrouwen van Portugal.
Het staatsbedrijf Sonangol beslist soeverein welke grote oliebedrijven uit de trog mogen mee-eten en internationale olieconcerns hebben de blocks voor de kusten van Angola netjes onder elkaar verdeeld. De politieke kaste heeft zich de laatste jaren alleen maar verrijkt, beweert een wel erg cynische ambassadeur uit Europa. ‘Ontwikkeling komt niet voor in het woordenboek van de elite. De Angolese regering is enkel bekommerd om haar zelfbehoud en persoonlijke verrijking.’
Angola zakt dit jaar nog op Transparency Internationals corruptielijst, van de 158ste naar de 162ste plaats (op een totaal van 180 landen). Het krijgt in 2009 een score van 1,9 (1 is het corruptst en 10 het minst corrupt). Die corruptie slaat zowel op de miljoenen dollars die geruisloos uit de staatskas verdwijnen of zelfs nooit in de boeken terechtkomen als op het uitdelen van kleine steekpenningen om voor te kunnen gaan bij een bankkantoor of in een gemeentehuis.
Wanneer een politieman mij in Luanda tegenhoudt en mijn visum controleert, beweert hij dat ook zijn chef mijn paspoort moet zien vooraleer ik kan gaan. Helaas is die even weg en moet ik wachten. Na wat aandringen vraagt hij of ik geen gasosa, frisdrank, voor ’m heb? Daarmee vraagt hij zeker geen kleingeld om wat te drinken te kopen, maar wel een steekpenning van zo’n 1000 kwanza (8 euro). Met een eerlijk ik-ben-op-weg-naar-de-bank-en-heb-geen-kwanza-op-zak kom ik nog goed weg.

Maskers af


Aangezien buitenlanders ook weten dat het makkelijker zakendoen is als je machtige connecties hebt, heeft de rush op Luanda de zittende elite nog corrupter en arroganter gemaakt. Zelfs het Internationaal Muntfonds zegde eind september een nieuwe lening toe. Dat bewijst enerzijds dat voor de Angolezen, zeker nu door de crisis de Chinese interesse voor hun grondstoffen taant, westers geld toch aanlokkelijk blijft. Anderzijds laat het zien dat goed bestuur ook voor het IMF een rekbaar begrip is. Angola heeft zich immers niet plots bekeerd tot goed bestuur en democratie, en het gebrek daaraan was precies de reden waarom westerse donoren zich jaren geleden van het land afkeerden.
‘In Angola vallen alle maskers af’, reageert een Europese diplomate. ‘Wil je hier zakendoen, dan moet je niet aankomen met mooie principes. Of waarom dacht je dat Hillary Clinton zo weinig hamerde op goed bestuur toen ze tijdens haar reis door Afrika Angola aandeed? Dat zouden die trotse Angolezen niet zomaar pikken.’ Die trots heeft volgens Machteld Cattrysse, een Vlaamse werkzaam op de Nederlandse ambassade in Luanda, ook zijn goede kanten. ‘In Angola kun je als zakenman de Angolezen aan de macht niet zomaar platwalsen. Alles verloopt volgens lokaal bepaalde spelregels, weliswaar stevig in handen gehouden door de elite, waarin politiek en economisch establishment met elkaar verweven zijn.’
Miljoenen dollars verdwijnen in de zakken van een elite die geen verantwoording hoeft af te leggen aan de bevolking. Wie iets wil opbouwen, springt algauw mee in het bad en is met handen en voeten gebonden door cliëntelisme. Bijna iedereen die ik in Angola ontmoet en die enige standing en wat geld heeft, blijkt machtige vrienden te hebben binnen de MPLA. Tot mijn verbazing zie ik op een avond de minister van Binnenlandse Zaken binnenwandelen in ons pension en de bazin hartelijk kussen. ‘Dat is mijn broer’, vertrouwt ze me achteraf toe.
Wanneer ik na mijn uitje in Miami Beach een van de fuifgangers thuis afzet, sleept die mij haast zijn terras af. ‘Ik wil best met jou over politiek praten, maar alleen binnen. Hier kan iedereen ons horen en dan krijgt mijn vrouw problemen.’ En met een paniekerige stem wijst hij naar de voet van zijn flatgebouw, waar de gouverneur van Luanda zou wonen. ‘Ik ben net teruggekeerd uit Portugal en ik vind die hele corruptie ook verwerpelijk, maar wat wil je dat ik doe? De moeder van mijn vrouw is hier parlementslid voor de MPLA. Mijn vrouw en ik hebben net een baby gekregen en zonder onze connecties zou ik dit appartement nooit kunnen betalen. Ik wil geen problemen met mijn buren, snap je?’

De weg naar tomboco


Paulo Lourenço, minister-adviseur op de Portugese ambassade in Luanda, is naar eigen zeggen optimistisch. De Angolese elite beseft volgens hem de noodzaak om een verantwoord beleid te voeren én werk te maken van de ontwikkeling van Angola. ‘Al is het maar omdat Angola de ambitie heeft om een grotere rol in de regio en in de wereld te spelen. Door zijn omvang, economie en geografische ligging, maar ook omdat het steeds meer erkend wordt als een regionale en internationale gesprekspartner, zal Angola zich verplicht voelen om de internationale spelregels te volgen, inclusief die voor goed bestuur.
Wanneer ik privé met Angolezen praat, blijken ze zich daar terdege van bewust. Je mag ook niet vergeten, en dat zeg ik zonder enig paternalisme, dat de Angolese elite in het buitenland opgeleid en uiterst bekwaam is.’
Angola ontwikkelen kan volgens mijn wereldwijze chauffeur enkel door banen in het binnenland te scheppen. Zo niet zullen weinig Angolezen uit de ‘vieze, vuile en drukke’ hoofdstad weg willen. Andre Rodrigues is zelf uit de provincie Uige afkomstig, maar woont al jaren in Luanda. Terwijl hij als een volleerd rallypiloot over de slechte zandwegen richting M’banza Congo raast, schudt hij wat ideetjes uit zijn mouw. ‘De eerste stad waar we zijn doorgereden, N’Zeto, bulkt van de vis. Je zou er een sardienenfabriek kunnen opzetten of aan zoutwinning doen. In Tomboco wordt ananas geteeld, sinaasappels, mandarijntjes. Je vindt er ook maniok , pindanootjes, bananen. Daar zou je toch een fabriek mee kunnen opstarten, voor frisdrank of vruchtensap!’ Vandaag zijn echter alle ogen op de haven van Soyo gericht en blijft de rest van de provincie Zaire verweesd achter, haar glorieuze geschiedenis als zetel van het oude Kongorijk ten spijt.
In Zuid-Kwanza en Benguela is het veel vlotter rijden dan in Zaire, op de door Chinezen geasfalteerde autowegen. We zien ze aan het werk op de oude spoorlijn van Benguela naar Lobito. Die is nu even buiten gebruik, wegens werkzaamheden. Vrouwen met veelkleurige omslagdoeken verkopen maniok, tomaten, uien, ananas, papaja: al het goede van de Angolese bodem. De spoorlijn waarop de vrouwen zitten kan de ontwikkeling van de provincie aanzwengelen en dat heeft Luanda goed begrepen.
Chinezen zijn beton aan het gieten voor de nieuwe lijn en de ruwbouw van het nieuwe station van Catumbela staat er al. Ook het veel grotere station van Benguela staat in de steigers, maar de bouw lig nu stil, omdat de Chinezen zich met het voetbalstadion vlakbij moeten bezighouden. Volgend jaar wordt immers in Angola om de Afrikaanse voetbalbeker gespeeld en het land wil er dan extra goed voorkomen. Het geld dat de Chinezen in Angola pompen moet gebruikt worden voor Chinese aannemers, die hun eigen personeel inzetten, met hun eigen graafmachines en hun eigen cement, zand en verfborstels, maar in Catumbela zie ik toch Angolezen aan de slag, zij aan zij met Aziatische werkmakkers.

Olie overspoelt landbouw


De frenetieke activiteit in oliehavens en boorplatformen staat in schril contrast met wat in andere sectoren gebeurt. Petroleum is goed voor ruim de helft van ’s lands bruto nationaal product en nagenoeg alle export heeft met olie te maken. In 2007 voerde Angola voor 44,4 miljard dollar uit, waarvan 43 miljard dollar aan petroleum(producten), plus 1,2 miljard aan diamanten. Landbouw maakt nog geen tien procent uit van het bnp.
‘Vandaag importeert Angola nog tachtig procent van alle voedsel, terwijl zowat 65 procent van de boeren op overlevingslandbouw teert’, zegt Marco Polo Germano de Morães. Deze jonge Braziliaan adviseert de Angolese viceminister van Landbouw. In 2009 besteedde de overheid volgens de adviseur slechts 1,01 procent van haar begroting aan landbouw. Voor 2010 werd de ambitie een beetje opgetrokken, tot een nog steeds magere 1,84 procent. ‘Dat is nog altijd weinig en zeker minder dan wat Angola uittrekt voor transport (7,63%) of defensie en veiligheid (11,28%). Maar ik  denk dat de regering nu wel beseft dat Angola niet eeuwig van diamanten en petroleum kan leven en moet diversifiëren.’
Het is natuurlijk pas zeven jaar geleden dat de vrede werd getekend en het land moest daarna nog ontmijnd, heropgebouwd en herbevolkt worden. Zo’n vier miljoen ontheemden en ruim 400.000 vluchtelingen moesten opnieuw een plek krijgen na de bijna dertigjarige burgeroorlog. Sinds 2002 is de landbouwproductie gestaag gestegen en in 2006 bedroeg die groei zelfs 9,8 procent. Tegen 2013 hoopt Angola zijn bewerkte landbouwgrond tot vier miljoen ha uit te breiden.
Marco Polo: ‘Angola heeft het potentieel om op termijn in zijn eigen voedselbehoeften te voorzien en zijn surplus zelfs te exporteren. Maar vandaag ontbreken de investeringen en de expertise. Angola telt nauwelijks 190 landbouwspecialisten, terwijl bijvoorbeeld Embrapa, het Braziliaanse overheidsbedrijf voor landbouwkundig onderzoek, 2125 onderzoekers telt. De Angolese overheid heeft wel als doel om over tien jaar goed driehonderd extra landbouwspecialisten op te leiden en binnen vier jaar zestien nationale landbouwonderzoekscentra uit te bouwen.’

Robuust op eenzame hoogte


Waarom moet Brazilië Angola eigenlijk leren boeren, vraag ik op de man af. Doen de grote multinationals in Brazilië niet meer kwaad dan goed voor de kleine boer? ‘De Voedsel- en Landbouworganisatie van de VN (FAO) heeft ons gevraagd om Angola met raad en daad bij te staan, omdat Brazilië ongeveer dezelfde topografie en dezelfde klimatologische omstandigheden heeft als Angola. Bovendien spreken we dezelfde taal en kunnen we goede geloofsbrieven voorleggen. Embrapa heeft in dertig jaar een revolutie veroorzaakt in de Braziliaanse landbouw.’ Volgens de FAO heeft Angola, na Brazilië, India en de DR Congo het grootste landbouwpotentieel in termen van bewerkbare grond.
Een van de teelten waar Angola veel van verwacht is koffie. Voor de burgeroorlog was het land immers de op twee na grootste producent ter wereld. Vandaag zijn veel plantages echter vernield en verlaten. ‘Sinds de gedweëe Ovimbundu zich na de onafhankelijkheid tegen de fazendahouders hebben gekeerd, is er niemand meer om de harde handenarbeid te verrichten op onze heuvelachtige koffievelden’, zegt de bejaarde Josefa Armada Nunes (75), wier koffieplantages er verlaten bij liggen.
‘Zonder mechanisatie en meststoffen maakt koffie in Angola inderdaad geen kans meer’, zegt Samuel Barata, de directeur van het onderzoekscentrum voor koffieteelt in Gabela, vroeger dé koffieregio bij uitstek. Zo te zien aan zijn koloniale woning op het domein zijn de glorietijden van de koloniale koffieteelt nog slechts een vage herinnering.
‘Maar met de nodige investeringen zouden wij opnieuw wereldleider kunnen worden. Op deze hoogte valt er jaarlijks zo’n 1200 mm regen, zodat we Robusta kunnen kweken die de smaak van een Arabica bijna evenaart, zonder diens gevoeligheid voor ziekten en plagen.’ Als om Barata’s woorden kracht bij te zetten, gaan de hemelsluizen open. De donkergroene koffieblaren glimmen in de regen wanneer we het terrein afrijden.
Ik ben proMO*

Nu je hier toch bent

Om de journalistiek van MO* toekomst te geven, is de steun van elke lezer meer dan ooit nodig. Vind je dat in deze tijden van populisme en nepnieuws een medium als MO* absoluut nodig is om de waarheid boven te spitten? Word proMO*.

Wil je bijdragen tot de mondiale (onderzoeks)journalistiek in het Nederlandstalig taalgebied? Dat kan, als proMO*.

Wil je er mee voor zorgen dat de journalistiek van MO* mogelijk blijft en, ondanks de besparingspolitiek, verder uitgebouwd wordt? Dat doe je, als proMO*.

Je bent proMO* voor € 4/maand of € 50/jaar.

Word proMO* of Doe een gift