Enkele zekerheden over voedselzekerheid

We hebben een kanjer van een hongerprobleem. Veertig jaar geleden al waren er 850 miljoen mensen met chronische honger. Dit aantal is nauwelijks gedaald. In 2009 sprak men over één miljard mensen, terwijl de laatste cijfers 875 miljoen mensen aangeven. Helaas is die recente daling vooral een gevolg van een nieuwe berekeningswijze door de FAO en veel minder van effectieve vooruitgang. Er is een permanente voedselcrisis, maar niemand ziet ze, geen krant schrijft erover. Chronische honger is niet nieuw en dus is het geen nieuws.

  • Griet Hendrickx Molly (rechts) is het gezicht van de campagne 2013 van Broederlijk Delen, die in het teken staat van het aanpakken van de honger in Noord-Oeganda. Griet Hendrickx

Eenzijdige beeldvorming

De beeldvorming over honger is eenzijdig en toont vluchtelingenkampen, voedselbedelingen en uitgehongerde kinderen. Deze beelden tonen eigenlijk een hongersnood, dikwijls verbonden aan een natuurramp en/of een gewapend conflict. Bijna een miljard personen lijdt chronisch honger en de overgrote meerderheid (meer dan 90%) van hen zit niet in een vluchtelingenkamp, krijgt geen voedselhulp en is geen slachtoffer van een natuurramp of een conflict. Hun penibele situatie is geen gevolg van uitzonderlijke, extreme gebeurtenissen. Honger is voor hen een structureel probleem met structurele oorzaken.  

Foute voorstellingen leiden tot foute oplossingen. Honger reduceren tot hongersnood verengt het probleem tot rampen en conflicten, die je moeilijk kan voorkomen. Het versterkt ook het beeld dat de hoeveelheid voedsel het probleem is. Meer voedsel produceren is dan dé oplossing tegen honger, los van het feit waar, hoe of wie dit produceert.

Dat is een soort theoretische redenering die onverwacht veel bijval krijgt. Maak eens dezelfde analyse voor drinkwater. Veel regio’s op aarde kampen met drinkwaterschaarste. Mensen moeten steeds grotere inspanningen leveren om dagelijks aan voldoende en veilig drinkwater te geraken. Geen zinnig mens zou voorstellen om deze problematiek aan te pakken door elders meer drinkwater te produceren.

Als het om voedselzekerheid gaat, wordt een analoge ‘oplossing’ plots mainstream voor diverse actoren. Heel wat multilaterale instellingen, financieringsinstellingen, overheden, wetenschappers, actoren in de landbouwindustrie stellen unisono dat een tekort aan voedsel in regio A perfect kan opgelost worden met meer productie in regio B, ook al is dit aan de andere kant van de wereld. Alsof voedsel een soort zuurstof is die vanzelf door de wind wordt verspreid naar regio’s waar ze gratis kan worden ingeademd.

Honger is een structureel armoedeprobleem

Toch is het al decennia duidelijk dat er wereldwijd meer dan voldoende voedsel wordt geproduceerd om iedereen dagelijks te voeden en dat honger structurele oorzaken heeft die sterk verbonden zijn met rurale armoede. Op de Wereldvoedselconferentie in 1974 werd dit al met zoveel woorden gezegd. Veertig jaar later lijden 875 miljoen mensen chronisch honger, terwijl we meer voedsel produceren dan ooit tevoren. 98 procent van de mensen met honger woont in ontwikkelingslanden. Drie vierde van hen woont op het platteland en de meesten trachten daar zelf voedsel te produceren. Ze produceren te weinig om zelfvoorzienend te zijn en verdienen te weinig om eten te kopen. Armoede verhindert hen om te investeren in een noodzakelijke toename van hun voedselproductie. De achterliggende oorzaken van die rurale armoede zijn divers en niet echt nieuw.

Structurele aanpassingsprogramma’s in de jaren ’80 van vorige eeuw waren nefast voor het landbouwbeleid in vele landen. Voor allerlei vormen van ondersteuning, dienstverlening en vorming, maar ook voor infrastructuurwerken waren er geen middelen meer.

De meeste overheden blinken ook vandaag niet uit in aandacht voor rurale gebieden. De uitgaven voor landbouwonderzoek en -ontwikkeling blijven veel te laag in ontwikkelingslanden. Goedkoop voedsel in de stad is belangrijker voor politieke rust en stabiliteit dan leefbare en rechtvaardige prijzen voor de boeren. De politieke elite investeert meer in de steden met hun politiek mondige bevolking dan in het platteland, dat zo politiek uitgesloten wordt.

De landbouwpolitiek van westerse landen en van opkomende economieën is vaak nefast voor rurale ontwikkeling in het Zuiden. Of het nu om Braziliaanse kippen, Europese uien of Amerikaans graan gaat, maakt niet veel uit. Lokale producenten kunnen niet concurreren met gesubsidieerde import en moeten noodgedwongen stoppen. Landen worden  afhankelijk van voedselimport. Het verhaal is klassiek en de voorbeelden liggen voor het rapen.

Het totale volume officieel ontwikkelingsgeld dat naar landbouw gaat, verminderde met twee derde tussen 1980 en 2002, terwijl het geheel van de hulp toenam. Het aandeel van landbouwgeld in het ontwikkelingsbudget liep terug van 17 procent in 1980 tot 3,7 procent in 2002.

Hernieuwde aandacht voor landbouw

Deze laatste trend is recent omgebogen. Een hernieuwde aandacht voor landbouw en ontwikkeling ontstond rond 2008. Voor het eerst in 25 jaar had de Wereldbank in haar jaarrapport (Agriculture for Development) aandacht voor landbouw. Het belang van kleinschalige landbouw werd er benadrukt als cruciale weg om uit de armoede te geraken. Tegen de achtergrond van sterk gestegen voedselprijzen, werd op de G8-top in L’Aquila (2009) 22 miljard beloofd voor nieuwe investeringen in landbouw. Frankrijk organiseerde in 2011 een G20-top over landbouw en zelfs filantropen als Bill Gates vertellen nu dat kleine boeren het antwoord op honger bieden. Honger staat dus terug op de internationale agenda.

Investeren in landbouw is in, maar de vraag vandaag is in welk voedsel- en landbouwsysteem er wordt geïnvesteerd. De huidige crisis werd ook veroorzaakt door keuzes uit het verleden. Vandaag zijn de gevolgen van die keuzes duidelijk. We starten niet met een schone lei, maar worden pijnlijk geconfronteerd met de gevolgen van een landouw-voedingssysteem dat tegen allerlei sociale, ecologische en economische grenzen aanbotst.

Landbouw kan niet voorbij aan klimaatverandering

De bijdrage van de industriële landbouw aan de klimaatverandering is enorm. Direct door de uitstoot van broeikasgassen en indirect door verandering van landgebruik. In Azië en Latijns-Amerika zijn enorme oppervlaktes regenwoud en savanne vernield om plaats te maken voor landbouw. Wijziging in landgebruik maakte van Indonesië de derde grootste uitstoter van CO2.

Maar landbouw wordt ook sterk geconfronteerd met de negatieve gevolgen van het veranderende klimaat. De veranderingen beïnvloeden op ongeziene en vaak onvoorspelbare wijze natuurlijke hulpbronnen als water, biodiversiteit en ecosystemen, en dus ook de landbouw. In ontwikkelingslanden worden opbrengstdalingen tussen 9 en 21 procent voorspeld. 

Door haar grote afhankelijkheid van landbouw en dus ook van natuurlijke hulpbronnen is de bevolking in het Zuiden dikwijls erg kwetsbaar voor klimaatschokken. Daar komt nog bij dat veel landen slechts een geringe capaciteit hebben om zich voor te bereiden of aan te passen. Hun overheidsapparaat werkt niet naar behoren of is soms helemaal afwezig, hun infrastructuur is ondermaats, hun toegang tot technologie en kennis beperkt.

Een beleid rond voedselzekerheid moet dus rekening houden met klimaatverandering. De voedselproductie moet enerzijds duurzamer gemaakt worden, zodat ze minder broeikasgassen produceert. Anderzijds moet landbouw ook beter bestand worden tegen klimaatschokken zoals hogere temperaturen, droogte of orkanen. 

Niet iedereen wint met hogere voedselprijzen

Decennialang bleven de voedselprijzen op de wereldmarkt dalen, tot ze rond 2000 een historisch dieptepunt bereikten. Daarna stegen ze geleidelijk gedurende een aantal jaren, maar vanaf 2006 ging het plots snel, met prijspieken in 2008 en 2011. In verschillende steden in het Zuiden ontstonden onlusten en miljoenen mensen extra kwamen in de hongerstatistieken terecht.

Er is een brede consensus over de oorzaken van deze prijsopstoten. Mislukte oogsten, het beleid rond biobrandstoffen in de VS en Europa en een groeiende vraag naar olie, meststoffen en vlees in een aantal groeilanden zetten druk op de prijzen. Nieuwe spelers speculeerden massaal op de markt voor voedselcontracten en er waren onvoldoende voorraden om in te zetten als buffer tegen de prijsstijgingen. Ten slotte verboden enkele landen tijdelijk de export van voedsel. 

Over de gevolgen van de hogere voedselprijzen is niet iedereen het eens. Lage prijzen werden als nadelig beschouwd voor de landbouwers in het Zuiden én het Noorden. Toch waarschuwen ngo’s vandaag voor de gevolgen van hoge voedselprijzen en voor toenemende prijsinstabiliteit. Het is immers niet de arme kleine landbouwer met weinig mogelijkheden die geniet van de hogere prijzen.

Op wereldvlak zijn 131 van de 196 landen netto-importeur van voedsel. 42 van de 58 lage-inkomenslanden zitten in deze situatie. Hogere voedselprijzen pakken negatief uit voor hen. Bovendien kan het gebeuren dat een land als geheel wel baat heeft bij hogere prijzen, maar dat enkel grote, rijke boeren daarvan kunnen profiteren. Terwijl een beperkt aantal boeren meer verdient aan de hogere prijzen, nemen armoede en ongelijkheid in zo’n geval dus toch toe.

Op micro-economisch vlak maken de netto-kopers verlies bij hogere prijzen, terwijl netto-verkopers er voordeel bij doen. In de steden is zowat iedereen netto-koper van voedsel, maar ook kleinschalige boeren en landarbeiders op het platteland, zijn dat meestal. Wie wel beter wordt van de prijsstijgingen, zijn producenten van meststoffen en tussenhandelaars in graan. Onderzoek van Grain toonde aan dat zij tijdens de voedselcrisis hun winst op één jaar tijd zagen stijgen met 30 tot 141 procent. Goldman Sachs maakte in 2012 bijna 300 miljoen euro winst door te speculeren op voedsel. Grondstoffenhandelaar Glencore verklaarde vorige zomer dat de catastrofale droogte in de VS een goede zaak is voor het bedrijf.

Het probleem is niet beperkt tot hoge voedselprijzen. Vandaag gaat men ervanuit dat de voedselprijzen niet constant hoog, maar wel instabiel zullen blijven. De band tussen de voedselproductie en de olieprijs, de toenemende vraag naar biobrandstoffen, speculatie en meer frequent voorkomende extreme weersomstandigheden zorgen hiervoor. Dit maakt het voor alle landbouwers enorm moeilijk om over investeringen te beslissen.

Biobrandstoffen maken het vooral erger

Europa en de VS namen de afgelopen jaren verschillende initiatieven om hernieuwbare energie in het algemeen en biobrandstoffen in het bijzonder te promoten. De impact ervan op het gebruik van gewassen en landbouwgrond is niet te onderschatten. In Duitsland is 30 procent van het koolzaadareaal bestemd voor biodiesel, terwijl 20 procent van de Europese vraag naar biobrandstoffen wordt geïmporte

rd. Maïs is veruit het belangrijkste landbouwgewas in de VS. Van alle maïs die er wordt geteeld, wordt 40 procent gebruikt om brandstof te maken, 40 procent als veevoeder en 20 procent als voedsel voor mensen. Het aandeel van de VS in de wereldgraanexport is op vijf jaar tijd met 20 procent gedaald door de vraag naar bio-ethanol. De teelt van biobrandstoffen concurreert dus met die van voedingsgewassen. Concurrentie voor grond, maar ook voor water en investeringen.

Biobrandstoffen hadden de ambitie om minder broeikasgassen uit te stoten. Een claim die intussen totaal ongeloofwaardig is. Ten slotte speelt de teelt van biobrandstoffen een rol in de problematiek van landroof, waar vooral de Afrikaanse bevolking het slachtoffer van is. Biobrandstoffen voor de export komen uit een grootschalig gemechaniseerd landbouwsysteem, met de gekende ecologische nadelen. 

De FAO waarschuwde in 2008 dat het huidige beleid en de subsidies voor biobrandstoffen dringend moeten herzien worden om de voedselzekerheid te vrijwaren, arme boeren te beschermen, rurale ontwikkeling te steunen en ecologische duurzaamheid te verzekeren. De Europese Commissie heeft recent haar streefcijfers voor biobrandstoffen uit voedselgewassen naar beneden bijgesteld. Too little, too late.

Toekomst

Voedselonzekerheid aanpakken zonder stil te staan bij bovenstaande elementen, is kortzichtig. En toch is dit hetgeen vaak gebeurt. Het eenzijdige productie- en aanbodverhaal blijft populair en verwijst dikwijls naar de 9 miljard mensen die in 2050 zullen moeten gevoed worden, met als conclusie dat er veel meer voedsel geproduceerd moet worden. Hoe, waar of door wie dit dan gebeurt is van secundair belang. Er volgt dus een pleidooi voor meer van hetzelfde. Meer landbouwgrond, meer kapitaal, meer meststoffen, water, pesticiden, monoculturen, ggo’s, enzovoort. De groene revolutie in het kwadraat, met nieuwere en duurdere technieken. Maar intussen is 37% van het land in China gedegradeerd, gaat wereldwijd 70% van al het water (dat overal schaarser wordt) naar landbouw en gaat de biodiversiteit vrijwel overal in een razend tempo achteruit. Het klassieke landbouwsysteem (dat hierin niet verschilt van vele andere economische actoren) is gebouwd op de veronderstelling dat grondstoffen oneindig zijn en dat de aarde alle afvalstoffen kan blijven opvangen.

Tijdens het recente Wereld Economisch Forum in Davos, stelde de voedingsindustrie haar ‘New Vision for Agriculture’ voor. In een document waarin gejongleerd wordt met termen als ‘innovatieve middelen’, ‘oordeelkundig gebruik van monoculturen’ en ‘technische uitdagingen’, komt de aap uit de mouw wanneer aan het eind de drie doelstellingen worden opgelijst. Dan blijkt dat deze nieuwe visie een landbouwmodel zal opleveren dat net evenveel broeikasgassen zal uitstoten als vandaag het geval is. E, dat de ecologische impact van landbouw wordt herleid tot de hoeveelheid broeikasgassen per ton productie.

Dit hoeft niet te verbazen in een document waarin de kaalslag van de Braziliaanse Cerrado als succesverhaal wordt opgevoerd. Het is met dit soort greenwash dat de Syngenta’s, Cargills of Wal-Marts van deze wereld ons zand in de ogen trachten te strooien.  In dezelfde lijn is er het initiatief  “New Alliance for Food Security and Nutrition in Africa” waar de G8-landen en enkele multilaterale instellingen de agro-business uitnodigde om mee de pen vast te houden bij het uitwerken van een strategie voor armoedereductie in zes Afrikaanse landen. Dat de voornaamste actoren (Afrikaanse familiale boeren) hierin op geen enkele manier betrokken werden is pijnlijk.  Ja, er is honger, landbouw is mee verantwoordelijk voor klimaatverandering en armoede in rurale gebieden is een probleem, maar dit zal allemaal worden opgelost door de visionaire aanpak van de voedingsindustrie. Meer produceren, een beetje minder broeikasgassen per ton productie en voor de rest groei.

Alles wordt opgehangen aan de stelling dat groei in de landbouwsector automatisch armoede zou terugdringen. De Wereldbank maakte in 2008 wel  een cruciale nuance bij deze vaststelling: armoedereductie volgt niet vanzelf op investeringen en groei in de landbouwsector. In Bolivië en Brazilië, waar die groei geconcentreerd bleef in exportgerichte sectoren en in grote kapitaalsintensieve bedrijven, leidde dit niet tot meer werkgelegenheid en nauwelijks tot het terugdringen van de armoede, aldus de Wereldbank.

En toch moet het warm water niet opnieuw worden uitgevonden. Het kan vreemd lijken, maar 70 procent van de mensen eet voedsel dat niet uit de industriële voedselketen komt. Bijna de helft van de wereldbevolking is betrokken bij voedselproductie. Terwijl het duidelijk is dat dit in vele gevallen niet efficiënt, productief en ook niet altijd duurzaam gebeurt, staat het ook vast dat er geen toekomst is zonder deze mensen erbij te betrekken. Geen enkele activiteit creëert meer werkgelegenheid dan kleinschalige landbouw. Werkgelegenheid zorgt voor inkomens en koopkracht, en dit is wat ontbreekt in rurale gebieden.

Een pleidooi voor investeren in kleinschalige landbouw heeft niets te maken met het in stand houden van een soort overlevingslandbouw. Productieverhogingen zijn nodig, daarover bestaat geen twijfel. Vooral in Afrika is de productie absoluut ondermaats, ook wanneer rekening wordt gehouden met moeilijkere klimatologische omstandigheden. Maar een duurzame productieverhoging is mogelijk, zoals ook blijkt uit het gerenommeerde IAASTD-rapport (Agriculture at a Crossroads, 2008). Dat stelt duidelijk dat landbouw maar een toekomst heeft in een context die aandacht heeft voor ecologische grenzen en sociale ongelijkheid. Het beschouwt de voortzetting van het huidige systeem, dat aan deze zaken geen aandacht schenkt, als niet-wenselijk.

Het IAASTD-rapport stond zeker niet alleen. Een lange reeks van wetenschappelijk onderzoek, veldstudies en ervaringen toont aan dat duurzame productieverhogingen mogelijk zijn door te investeren in kleinschalige landbouw. In dat verband wordt agro-ecologie naar voren geschoven als systeem om meer te produceren met minder milieuhinder. Agro-ecologie is door zijn ingebouwde diversiteit ook veel minder kwetsbaar voor klimaatschokken. Het hoeft bijgevolg niet te verbazen dat lokale en regionale boerenbewegingen pleiten voor een transitie naar agro-ecologie.

Het gaat uiteindelijk om landbouwers

Hoe voedsel geproduceerd wordt is één aspect. Ook productievere en duurzamere methodes zijn op zich geen garantie om mensen uit de armoede en honger te krijgen. Honger is niet zozeer een technisch maar vooral een politiek probleem. Landbouwers moeten toegang hebben tot markten, ze moeten aan krediet geraken, rechtszekerheid hebben over hun land en over toegang tot water. Hun opleiding moet hen de kennis bieden die ze nodig hebben in hun situatie. Dumping van landbouwproducten op hun markt moet tegengehouden worden. Overheden moeten ten slotte ook investeren in sociale bescherming voor bepaalde doelgroepen. Er moet met andere woorden een beleid rond voedselzekerheid zijn dat prioriteit geeft aan kleinschalige landbouw, met als doel de massa kleine landbouwers een betere toekomst te bieden.

Voedselzekerheid gaat meer over mensen dan over voedsel. Meer over landbouwers dan over landbouwgewassen. Kleinschalige boeren moeten vertegenwoordigd worden en een stem in het beleid krijgen. Ngo’s hier en elders ijveren al heel lang voor de erkenning en versterking van boerenorganisaties als belangrijke actoren in het beleid rond landbouw en voedselzekerheid. Zonder sterke lokale en regionale boerenorganisaties is een transitie naar een duurzaam voedselzekerheidsbeleid niet haalbaar. De steun van Broederlijk Delen aan boerenorganisaties in Oeganda die zelf duurzame landbouw promoten, ligt helemaal in deze lijn. De campagne van 2013 wil dit positieve alternatief dan ook naar voor schuiven. 

Jo Dalemans is Beleidsmedewerker Rurale Ontwikkeling bij Broederlijk Delen.

Maak MO* mee mogelijk.

Word proMO* net als 3196   andere lezers en maak MO* mee mogelijk. Zo blijven al onze verhalen gratis online beschikbaar voor iédereen.

Ik word proMO*    Ik doe liever een gift