Is er nog leven voor VN-topconferenties na Johannesburg?

Milieu- en ontwikkelingsgroepen die zich
in Johannesburg hebben verzameld naar aanleiding van de wereldtop voor
Duurzame Ontwikkeling zijn allerminst gerust in de goede afloop van de
conferentie. Bovendien vrezen zij dat de VS, Canada en Australië de
geloofwaardigheid van toekomstige VN-topconferenties op het spel zetten als
zij in Johannesburg hun agenda kunnen doordrukken.


De Verenigde Staten (VS), Canada en Australië krijgen van milieugroepen als
Greenpeace de weinig lovende bijnaam de ‘vuile drie’ opgespeld. De drie
willen dat de andere industrielanden net als zijzelf meer aandacht besteden
aan vrijwillige initiatieven om de milieu- en ontwikkelingsproblemen van de
aarde op te lossen. Dat komt neer op een uitholling van de eerder
afgesproken multilaterale maatregelen. Als de vuile drie hun zin krijgen,
is dat een overwinning van het unilateralisme, zegt Remi Parmentier,
politiek directeur van Greenpeace International. Zij willen vrijwillige
maatregelen en geen gereglementeerd kader. Maar daarmee gaan zij een heel
gevaarlijke weg op. Parmentier vindt dat regeringen op die manier hun
verantwoordelijkheid ontlopen. Regeringen worden verkozen om voor onze
toekomst te zorgen, zij mogen zich niet aan die plicht onttrekken en kunnen
niet zomaar doen wat de privé-sector verlangt.

In Johannesburg worden voor het eerst partnerschapinitiatieven voorgesteld
onder de naam ‘resultaten van het type 2’. Die initiatieven bestaan in een
akkoord tussen regeringen, niet-gouvernementele organisaties (ngo’s) en
bedrijven om specifieke problemen aan te pakken en meetbare resultaten te
bereiken voor duurzame ontwikkeling. Volgens de VN is dit tweede type van
resultaten voorzien omdat er nood is aan flexibiliteit, maar betekent dit
geenszins dat regeringen minder verplicht zouden zijn zich te engageren tot
resultaten van het type 1.

Type-1-resultaten zijn de door regeringen onderhandelde afspraken die
gewoonlijk voortvloeien uit VN-conferenties en die de noodzaak van een
multilaterale aanpak voor de oplossing van wereldwijde problemen
onderstrepen. Na de Aardtop van 1992 in Rio de Janeiro kwam zo Agenda 21 tot
stand. Dat slotdocument, door sommigen ‘de bijbel voor een toekomstig beleid
voor duurzame ontwikkeling’ genoemd, stelde heel duidelijk welke middelen de
industrielanden ter beschikking zouden stellen van de ontwikkelingslanden om
te garanderen dat economische vooruitgang in het Zuiden geen schade zou
berokkenen aan het leefmilieu. Maar tien jaar later is de frustratie in vele
kringen groot omdat de industrielanden er niet in zijn geslaagd hun deel van
het akkoord na te komen.

Goh Chien Yen van het Third World Network uit Maleisië wijst erop hoe absurd
het is om af te stappen van multilaterale maatregelen om te komen tot
duurzame ontwikkeling. Volgens hem zijn resultaten van het type 2 wel goed
als aanvulling op de multilaterale afspraken, maar mogen zij in geen geval
de hoofdmoot van de resultaten vormen. Hij herhaalt nog eens dat in
Johannesburg ernstige wereldwijde problemen op tafel liggen, zoals de
klimaatwijzigingen tengevolge van de opwarming van de aarde en het gebrek
aan toegang tot zuiver water voor meer dan een miljard mensen. Hogere
VN-functionarissen zijn het met hem eens. Ook zij vinden een multilaterale
aanpak van essentieel belang om de wereldwijde problemen aan te pakken. Een
partnerschap tussen alle hoofdrolspelers is belangrijk, maar als er alleen
belangstelling bestaat voor bilaterale activiteiten, betekent dit de
doodsteek voor het multilaterale systeem, aldus Jan Pronk, voormalig
Nederlands minister voor Milieuzaken en nu speciaal gezant van de algemeen
secretaris van de VN voor deze conferentie.

Vital Signs 2002, een studie van het World Watch Institute in Washington,
wijst erop dat de rijke landen veel minder hebben gedaan om de aarde te
redden dan ze in 1992 hebben beloofd. Volgens de Organisatie voor
Economische Samenwerking en Ontwikkeling OESO is de officiële
ontwikkelingshulp gedaald van ruim 71 miljard euro in 1992 tot bijna 53
miljard euro in 2000. Tijdens de Aardtop in Rio beloofden de rijke landen
nog elk jaar 0,7 procent van hun BNP aan ontwikkelingshulp te besteden. Maar
tot nu toe hebben alleen Nederland, Zweden en Noorwegen die belofte
gehouden. Australië, Canada en de VS bungelen daarentegen helemaal aan het
staartje. Australië haalde in 2000 0,27 procent, Canada 0,25 en de VS 0,10
procent van zijn BNP.

Milieu- en ontwikkelingsgroepen menen ook dat dit een van de belangrijkste
redenen is waarom de ‘vuile drie’ erop aandringen de financiering van
duurzame ontwikkeling te realiseren via type-2-maatregelen. De
type-2-resultaten bevatten geen minimumcriteria voor duurzame ontwikkeling,
zegt Erica Schutze van een Zuid-Afrikaanse ngo die ijvert voor milieu en
ontwikkeling. Haar bezorgdheid lijkt terecht, omdat VN-documenten over
type-2-resultaten inderdaad vermelden dat het om vrijwillige initiatieven
gaat en dat er geen formele procedure voor bestaat. Bovendien zullen de
partnerschappen die daaruit ontstaan autonome structuren zijn, met een eigen
systeem van verantwoording. Volgens de actiegroepen zou dit de VS alleen
maar sterken in de mening dat multinationale ondernemingen de drijvende
kracht achter duurzame ontwikkeling moeten zijn.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 3181   proMO*’s steunen ons vandaag al. 

Word proMO* of Doe een gift