Ethisch ondernemen zit in de lift

Een bedrijf moet winst maken. Het is een uitspraak die even onaanvechtbaar lijkt als de zwaartekracht. Toch maakt een nieuw denken opgang. ‘Ethisch ondernemen’ is een poging om de puur economische logica te koppelen aan morele en maatschappelijke verantwoordelijkheden. Wij zochten voor u de achtergronden en de beperkingen op van deze jonge, economische mode.
Dat de kwestie actueel is, werd de voorbije maanden haast dagelijks bewezen. Indien vetverwerkers en veevoederproducenten iets meer wakker hadden gelegen van de belangen van dieren en mensen, dan zaten we nu niet met een niet eindigende reeks dioxineschandalen opgezadeld. Indien de Amerikaanse multinational Monsanto niet zo bezeten was door de toekomstige bonanza van de genetisch gemanipuleerde voedselproducten, dan zou het meer voorzichtigheid betrachten bij de introductie ervan. Hoe weinig we weten over de potentiële gevolgen van deze planten, bleek in mei jongstleden toen een onderzoeker aan de Cornell-universiteit vaststelde dat haast de helft van de larven van de koningsvlinder binnen de achtenveertig uur sterven als ze gevoed worden met cichoreibladen die besmet zijn met stuifmeel van de genetisch gemanipuleerde Bt-maïs. Een zelfde verhaal gaat op voor Coca Cola dat op één maand tijd driemaal negatief in het nieuws kwam: eerst door erg laattijdig te reageren toen mensen bij bosjes onwel werden van de frisdank, daarna omdat het bedrijf vervuild bronwater verkocht in Polen en even later toen bleek dat de multinational zijn klanten onder druk zet om de producten van de concurrentie te benadelen. Ook de Italiaanse kledijproducent Benetton bleek -ondanks de breed uitgesmeerde betrokkenheid bij het leed van de wereld- voor een prikje kinderen tewerk te stellen in Turkije. Van de grote sportschoenen- en speelgoedproducenten zoals Nike, Reebok, Adidas of Mattel, de maker van de Barbiepopjes wisten we al een tijdje dat ze het onderste uit de kan halen bij hun rechteloze werknemers in Azië. Het zijn evenzoveel -negatieve- voorbeelden die aangeven dat het, soms letterlijk, van levensbelang kan zijn dat ondernemers verder kijken dan enkel winst op korte termijn.

AANDEELHOUDERS EN ANDEREN

‘Ethisch ondernemen’, de term gaat in de jaren negentig veel over de tong. Er circuleren natuurlijk nogal wat definities van het begrip, maar doorgaans bedoelt men ermee dat ondernemingen, uit eigen beweging, nog andere doelstellingen mee aan boord nemen dan winstmaximalisatie. Of nog: dat bedrijven niet enkel rekening houden met de belangen van hun aandeelhouders maar ook met de belangen van hun werknemers, het milieu, de toekomstige generaties, de buurtbewoners, de klanten, de leveranciers, de gemeenschap waarin ze functioneren…, kortom met de zogenaamde ‘stakeholders’. De meeste bedrijven doen dat al ten dele, al was het maar omdat talloze wetten hen dat opleggen. De term ‘ethisch ondernemen’ wordt meestal gereserveerd voor bedrijven die meer doen dan het gemiddelde -bedrijven dus die innoverend zijn in hun ecologisch, sociaal of moreel beleid. Dat vindt ook Herwig Peeters van Ethibel, een organisatie die bedrijven ethisch screent en onder meer advies verleent over het opnemen van aandelen in ethische beleggingsfondsen. Een bedrijf verdient het label ethisch in vergelijking met hoe andere bedrijven zich op dat moment gedragen. Op die manier krijgt het concept ethisch ondernemen iets relatiefs én iets dynamisch. Wat in de jaren zeventig vooruitstrevend milieubeleid heette, zou nu waarschijnlijk heel erg conservatief zijn. Peeters: ‘De maatschappelijke eisen veranderen gestaag. Die evolutie stopt nooit. Daarom is een tweede criterium voor ons dat een ethisch bedrijf communiceert met zijn stakeholders, of wat wij de maatschappelijke aandeelhouders noemen. Het is dankzij zo’n dialoog dat een bedrijf mee kan evolueren met de maatschappelijke eisen.’ En dus het etiket ‘ethisch’ kan blijven opeisen. De logica is evident. Vermits de maatschappij via haar inbreng (onderwijs, stabiliteit, infrastructuur, moraliteit) het ondernemen mogelijk maakt, is het niet meer dan normaal dat zo’n bedrijf ook luistert naar die ‘maatschappelijke aandeelhouders’. De mate waarin het daar effectief tijd en energie in steekt, is dan de beste garantie op ethisch ondernemen. Als criterium is dat ietwat abstracter dan een bedrijfscode waarin kinderarbeid of milieuvervuiling worden afgezworen: het gaat meer om een basishouding waarbij je niet vanuit de eigen machtspositie je wil oplegt, maar rekening houdt met wat je omgeving wil. Ook dat is meetbaar. Een sociale audit wil precies een proces van reflectie over het eigen ethisch gedrag meten, evalueren en bijsturen.

Herwig Peeters stelt vast dat gewone financiële analisten meer en meer de ethische dimensie mee aan boord nemen: ‘Ze ondervinden dat bedrijven die sociaal en ecologisch goed scoren op de lange termijn ook financieel de beste beleggingen zijn. Zo heeft men ook al vastgesteld dat jobkwaliteit een heel goede financiële indicator is: bedrijven die veel jobs creëren, meer bepaald inhoudelijk interessante jobs, doen het op termijn ook economisch goed.’

KLANT IS KONING

Het klassieke argument is dat de goed geïnformeerde consument zelf het beste product kan kiezen en zo het bedrijf in de goede richting dwingen. Zeker als het om de kwaliteit of de prijs van de geleverde producten en diensten gaat, heeft de consument inderdaad invloed. Toch is het duidelijk dat de consument die kwaliteit soms niet of slechts te laat kan beoordelen. De dioxinestory is daarvan de perfecte illustratie: de verbruiker kan aan het besmette vlees niks zien of ruiken -hij zal er eventueel slechts jaren later kanker door krijgen- en hangt van de wetenschap af om te weten of het vlees in orde is of niet. Maar de markt faalt nog op een heel andere manier. De kwaliteit van een product kan prima zijn maar wel tot stand zijn gekomen via onrecht, uitbuiting of milieuvernietiging. Illegaal gekapt hout is daarom geen slecht hout. Kledij gemaakt door Chinese politieke gevangenen is daarom geen slechte kledij. De consument kan zich bij zijn koopgedrag door morele overwegingen laten beïnvloeden indien hij de nodige informatie heeft -in een resem marktonderzoeken verklaren tussen de tien en vijftig procent van de verbruikers dat ze best wel ethisch willen consumeren- en als hij geld genoeg heeft -want vaak zijn ethische producten duurder dan andere. Maar dikwijls is niet aan die voorwaarden voldaan: de informatie over de productiewijze stroomt niet door en een belangrijk deel van de verbruikers is niet geïnteresseerd in duurdere ‘ethische’ of ‘schone’ producten. Vanuit die wetenschap kunnen bedrijven een berekend risico nemen: ze kunnen hun Vietnamese werknemers slecht betalen. Kraait er geen haan naar, dan is het kassa kassa. Komen de onfrisse praktijken toch aan het licht en verliest het bedrijf daardoor een deel van de ethische consumenten, dan weegt dat verlies nog altijd niet op tegen de extra winst van de lagere lonen.

Bedrijven kunnen zich gedragen als slalomskiërs die de wetten in de verschillende landen van de wereld zien als poortjes die ze met zo weinig mogelijk inspanning moeten zien te passeren en als het even kan er nu en dan zelfs eentje over te slaan in de hoop dat de scheidsrechters (de regeringen, de consumenten) het niet eens zien. In zo’n geval is de ethische opstelling minimaal: een zo beperkt mogelijke toepassing van de wetten. Ethisch ondernemen veronderstelt echter dat een bedrijf er niet (alle) kantjes afrijdt en er integendeel eigen waarden op na houdt. Een heel concreet voorbeeld daarvan zou zijn dat een bedrijf in een land waar de regering zelf toegeeft dat het minimumloon feitelijk geen goed leven toelaat, spontaan of na overleg met zijn personeel, een hoger loon uitbetaalt dan het minimumloon.

WIJ ZIJN VAN NA DE OORLOG

De economie, het productie- en distributiesysteem van mensengemeenschappen, is in de loop van de geschiedenis bijna altijd doordrongen geweest van religie, metafysica en ethiek. Eeuwenlang offerden mensen aan de goden om een goede oogst af te smeken. Interest heette woeker en was dus des duivels. Sommige indianenvolkeren ontpopten zich als ecologisten avant-la-lettre omdat hun wereldbeeld hen leerde dat ze respect moesten hebben voor de natuur die ze hadden gekregen. Het is pas met de opkomst van het kapitalisme dat de economie zich zou ‘bevrijden’ van heel wat morele en sociale belemmeringen. Karl Polanyi beschreef in zijn monumentale boek ‘The great transformation’ hoe in de negentiende eeuw het bizarre idee ontstond dat de vrije markt een zelfregulerend systeem is dat diende te worden bevrijd van alle mogelijke maatschappelijke belemmeringen. Alleen een beperkt aantal basiswetten -zoals het eigendomsrecht- zonder de welke ook de markt niet kan functioneren, waren nodig. Dat betekende concreet dat de natuur en de menselijke arbeid in koopwaren werden omgezet. ‘Het is duidelijk dat een dergelijk systeem de ontwrichting van de menselijke relaties veroorzaakt en zijn natuurlijke omgeving met vernieling moet bedreigen,’ schreef Polanyi daarover nu bijna zestig jaar geleden. Polanyi werkte aan zijn boek tijdens de Tweede Wereldoorlog: voor hem was het duidelijk dat de monumentale crisis van de jaren dertig en de daaropvolgende oorlog het eindresultaat waren van deze zelfregulerende markt, van deze eerste poging in de geschiedenis van de mens om een economisch systeem los te koppelen van het maatschappelijke weefsel. Polanyi riep in zijn boek op de economie opnieuw ondergeschikt te maken aan de maatschappij. Dat is ook wat zou gebeuren na de Tweede Wereldoorlog. Arbeid en geld waren niet langer uitsluitend onderhevig aan het marktmechanisme, terwijl lonen en rentes gedurende decennia door de regeringen bepaald werden in functie van het maatschappelijk welzijn. Er kwam een sociale wetgeving met minimumlonen, sociaal overleg, vakbondsmacht en een fiscaliteit die de bedrijven ertoe dwong een deel van hun winst ter beschikking te stellen van de gemeenschap. Na 1975 werd opnieuw de omgekeerde beweging ingezet: de markt werd opnieuw vrijer gemaakt. Sinds de jaren tachtig is, vooral in de rijke landen, echter ook een ecologische correctie op gang gebracht met een resem milieuwetten.

Die sociale en ecologische correctie heeft uiteraard alles met ethiek te maken en de onderneming die ervoor kiest die wetten loyaal na te leven, is zeker ethisch bezig. Maar de echter ethische ondernemer gaat verder. Zo is er The Body Shop, die strijdt tegen proeven met dieren en die zich in sommige van zijn productievestigingen hogere milieu-eisen oplegt dan wettelijk vereist. Er is ijsjesproducent Ben & Jerry’s die een deel van zijn winst besteedt aan goede doelen. Er zijn de wereldwinkels die enkel producten verkopen die aan bepaalde sociale en ecologische voorwaarden voldoen. Er zijn de biologische landbouwers. Wie de geplogenheden in de bio-sector een beetje kent, weet dat je niet in die sector stapt om rijk te worden. Integendeel. Nogal wat mensen werken er keihard voor erg weinig geld. Herwig Peeters geeft nog andere voorbeelden: ‘Een snoepproducent die naar zero-energieverbruik streeft, een schoonmaakbedrijf dat laaggeschoolden opleidt en veel verantwoordelijkheid geeft, een koekjesproducent die zijn werknemers heel veel inspraak geeft bij het opstellen van hun uurrooster.’

WAAROM NU?

Ethisch ondernemen is nu in de mode en dat heeft alles te maken met het feit dat de staten een deel van hun impact op het economisch gebeuren hebben verloren of -onder invloed van de ideologische omwenteling van Reagan en Thatcher- zelf hebben afgebouwd. De evolutie die geforceerd werd in de jaren zeventig en een hoge vlucht kende in de jaren tachtig, is zelfversterkend: de staten die niet meestapten en te veel regels en te hoge taksen oplegden aan de grote bedrijven, werden bestraft met kapitaalvlucht of delokalisatie. De snel groeiende ongelijkheid en uitsluiting deden echter bij sommige ondernemers het besef ontstaan dat ondernemingen zelf meer verantwoordelijkheid zouden moeten opnemen: hetzij uit eerlijke overtuiging, hetzij om al te grote ontevredenheid en een daaruit voortvloeiende vraag naar nieuwe regels -maar dan op internationaal niveau- te voorkomen.

Een heel andere bron voor het succes van het ethische ondernemen is dat het imago voor wereldwijd opererende ondernemingen van onschatbare waarde is geworden. Dat imago wordt niet uitsluitend bepaald door de kwaliteit van de producten in enge zin maar ook door de associaties die het product oproept. Omdat het imago op verzadigde markten inderdaad een grote rol speelt bij het verwerven van marktaandelen, maken de bedrijven er steeds meer werk van via hun publiciteitscampagnes. De Franse filosoof Jean Baudrillard stelde dat producten een sociale of culturele tekenwaarde hebben, ze worden verbonden met een bepaalde status, erkenning, stijl, ja zelfs levensbeschouwing. Het gevaar is reëel dat daarmee de bedrijven nu ook het meest edele terrein van de mens -zijn waarden- proberen te gebruiken bij het versjacheren van hun producten. Je kan het echter even goed anders stellen: dat de waarden, de ethiek, opnieuw de commercie doordringen. Als een imago zo belangrijk is, dan worden bedrijven immers ook veel kwetsbaarder voor consumentendruk. Dat verbreedt dan de basis voor ‘ethisch consumeren’.

Als verbruikers rekening houden met sociale of ecologische aspecten bij hun koopgedrag, maakt dat bedrijven extragevoelig voor de ethische dimensie van hun optreden. Ethisch consumeren wordt dan de pendant van ethisch produceren. Voor een bedrijf als Shell wordt het dan slecht nieuws als zijn naam synoniem wordt van milieuvervuiling -het simpelweg dumpen van een booreiland in de zee- of van het vertrappelen van mensenrechten -de jarenlange samenwerking met de militaire regimes van Nigeria die onder andere Ken Saro Wiwa terechtstelden. Op zo’n moment moet Shell wakker schieten en verklaren dat het iedereen die met Shell te maken heeft wil consulteren en zich voortaan zal toeleggen op hernieuwbare energiebronnen. Bananenproducent Chiquita vindt het erg als er vlekken komen op zijn blauwwitte meisjesimago. Dat blijkt uit de advertenties waarin het bedrijf meldt wel degelijk bezig te zijn met welzijn van het personeel op zijn plantages. Chiquita zoekt ook contact en overleg met ngo’s zoals de Wereldwinkels die hun praktijken in Midden-Amerika aan de kaak stellen.

Tenslotte is er ook de persoonlijke factor. Carlos Boidin van het reclamebedrijfje Imagine verwoordt dat als volgt: ‘Toen we in 1991 begonnen met maatschappelijk verantwoord ondernemen, was dat omdat we de scheiding tussen ons privé-leven en ons leven in het bedrijf niet langer wilden. We wilden in ons beroepsleven dezelfde waarden vorm geven als elders. Eerst deden we dat door een dag van de week gratis te werken voor non-profitorganisaties. Nu proberen we dat in onze eigenlijke kernactiviteiten vorm te geven.’

EEN SCHOON VOORBEELD

De economie kent vandaag geen grenzen meer. Ethisch ondernemen moet daarom ook door de bril van de Noord-Zuid verhouding bekeken worden. Wetgeving en consumentendruk, de twee factoren die in veel gevallen ondernemingen tot moreel handelen stimuleren, zijn in de internationale context een stuk zwakker. Bijgevolg is er meer ruimte voor ethisch initiatief van ondernemingen op allerlei terreinen: arbeidsomstandigheden in brede zin, mensenrechten, milieu, respect voor culturele eigenheid, respect voor de belangen van zwakkere staten in het kader van onderhandelingen over wereldhandel.

De Schone Kleren Campagne -een Europese ngo-actie die de arbeidsomstandigheden in de kledingproductie in de lageloonlanden wil registreren en verbeteren- ondervond dat het niet altijd makkelijk is zicht te krijgen op vragen als ‘Wat verdienen de vaak heel jonge mensen die onze kleren maken? In welke omstandigheden werken ze?’ De grote merken hebben immers nog maar weinig eigen fabrieken hebben en besteden de productie uit aan onderaannemers. Die ondoorzichtigheid heeft niet belet dat de Schone Kleren Campagne de grote merken bij herhaling in verlegenheid heeft gebracht: de kleren bleken niet altijd zo schoon als ze eruit zien, ze worden gemaakt door kinderen, er worden erg lage lonen betaald, vakbondswerking wordt niet toegestaan. Om hun goede wil te tonen, stelden de bedrijven gedragscodes op, een geheel van regels waaraan ze zeggen zich te zullen houden. De campagne moest echter vaststellen dat die codes vaak niet gekend zijn door de werknemers zelf en gebrekkig worden nageleefd. De Schone Kleren Campagne streeft daarom een keurmerk na dat enkel die winkels krijgen die onafhankelijke controle op de naleving van een zevental sociale basisnormen -recht op vereniging, een leefbaar loon, geen kinderarbeid, …- toelaten. Om tal van redenen is dat keurmerk nog altijd niet echt van de grond gekomen. Wel zijn er meer en meer kledingbedrijven die zeggen de SA 8000-norm te willen realiseren. Deze Social Accountability 8000-norm omvat procedures die mistoestanden bij leveranciers moeten voorkomen. De norm werd ontwikkeld door het Britse ‘Council on Economic Priorities’, in overleg met onder meer een Zwitsers auditbedrijf dat al jarenlang de gekende ISO-kwaliteitsnormen controleert en certifieert. Frieda Deconinck van Wereldsolidariteit: ‘Positief aan de SA 8000-norm is dat hij gebaseerd is op de behoorlijk strenge basisnormen van de Internationale Arbeidsorganisatie. Alleen vinden we dat er weinig dynamiek in zit omdat vakbonden en ngo’s niet in de procedure betrokken worden. Terwijl wij juist vinden dat de betrokkenheid van deze ‘stakeholders’ de beste garantie is voor een goed resultaat en een voortdurend proces. Dat willen de bedrijven juist vermijden: het mag wel iets kosten maar het moet wel snel gaan.’

Herwig Peeters van Ethibel relativeert die kritiek enigszins: ‘De auditeurs zijn wel degelijk verplicht ngo’s te raadplegen. Nee, ik denk dat de SA 8000-norm heel serieus is. De bedrijven stellen nu al vast dat ze mijlenver verwijderd zijn van die norm en dat het hen tien tot vijftien jaar zal kosten om dat certificaat te verwerven.’

Heeft Frieda Deconinck ondervonden dat bedrijven uit eigen beweging sociale initiatieven namen? ‘Mijn ervaring is dat de bedrijven noodgedwongen volgen. In de kledingsector zijn de winstmarges relatief klein: bedrijven kunnen het zich niet permitteren de ethische consumenten -ook al zijn die beperkt in aantal- te verliezen. Sommige bedrijven beslissen voorop te gaan lopen in iets dat toch een trend zal worden. Anderen daarentegen proberen nog altijd hun verantwoordelijkheid af te wentelen door de afstand tussen henzelf en de producent te vergroten. Dat gaat echter niet op, vind ik. Een bedrijf als Benetton dat zijn directe toeleveraars zo’n scherpe prijzen en tijdschema’s oplegt dat die verplicht zijn nog eens uit te besteden aan nog kleinere bedrijven of gezinnen, blijft in feite toch verantwoordelijk voor de mistoestanden die zo ontstaan.’

Soms wordt naar mensenrechten verwezen als een terrein bij uitstek waarop bedrijven zich ethisch kunnen profileren. Bedrijven worden op verschillende manieren met de mensenrechten geconfronteerd. Direct, wanneer het bijvoorbeeld gaat om de vrijheid van vereniging in hun eigen onderneming. Indirect, wanneer het gaat om de situatie bij hun onderaannemers of wanneer het gaat om de houding van een bedrijf tegenover een staat die zijn burgers zwaar onderdrukt. Hoe moet een onderneming zich opstellen tegenover een regime als dat van Birma, China of Colombia? Stilzwijgend doorwerken in de hoop dat een goed draaiende onderneming de mensen tenminste wat materieel voordeel oplevert of toch de macht benutten die ondernemingen blijken te hebben? Het is duidelijk dat de bedrijfswereld hier vaak twee maten en twee gewichten hanteert. Als gaat om de reuzenmarkt China, zwijgt men liever over mensenrechten; voor Cuba daarentegen, is men een stuk strenger. Evidente mensenrechtenstrijders zijn de bedrijven alvast niet. Dat bleek onlangs nog in de Verenigde Staten. De regeringen van de deelstaten Maryland en Massachusetts wilden selectieve aankoopwetten instellen en meer bepaald niet langer goederen kopen van bedrijven die zaken doen met respectievelijk Nigeria en Birma, twee staten met een vreselijk mensenrechtenrapport. Honderden bedrijven hebben zich verenigd om klacht in te dienen tegen deze wetten en lijken gelijk te halen bij de rechters. Dus: in de plaats van zichzelf te ontpoppen als verdedigers van de mensenrechten, rijden deze bedrijven burgerbewegingen en lokale regeringen, die iets willen doen tegen mensenrechtenmisbruiken, in de wielen.

DE DOODSTRAF VOOR BEDRIJVEN

Ondernemingen komen nog altijd in de eerste plaats op voor hun eigen belangen. Dat doen natuurlijk de meeste mensen en organisaties, maar multinationals zijn heel machtige actoren die maar aan heel weinig mensen verantwoording moeten afleggen. Het verschil tussen Zambia en Goldman Sachs is dat Zambia een Afrikaans land is dat een inkomen van 2.2 miljard BEF per jaar onder 25 miljoen burgers moet verdelen, terwijl Goldman Sachs een investeringsbank is die 2.6 miljard dollar onder 161 mensen moet verdelen. Bovendien zijn grote bedrijven actoren zonder gevoel. De boeddhistische meester David Loy zegt het zo: ‘Een bedrijf kan niet lachen of wenen, het kan niet van de wereld genieten of eronder lijden, en vooral: het kan niet liefhebben.’ Toch zijn het rechtspersonen die zich, net als wij allen, in het maatschappelijke leven bewegen. Juist het feit dat hun lichaam een juridische constructie is, dat ze niet ‘geaard’ zijn, maakt hen zo gevaarlijk, vindt Loy. Sommigen vinden dan ook dat het geen zin heeft ondernemingen te demoniseren omdat ze groei, macht en rijkdom nastreven. Zo schrijft Kalle Lasn: ‘Bedrijven voeren enkel genetische bevelen uit, zij doen waarvoor ze geprogrammeerd werden door de mens. Ondernemingen proberen te veranderen, is daarom gekkenwerk. Het is wel zinvol hen te herprogrammeren, hun juridische structuur te veranderen.’ Concreet zou dat bijvoorbeeld betekenen dat aandeelhouders gedeeltelijk aansprakelijk worden voor de schade en de misdrijven die bedrijven aanrichten. Op die manier zouden bedrijven opnieuw geaard worden, zouden straffen opnieuw wezens met gevoel treffen. Verder zou op bepaalde ernstige misdrijven onverbiddelijk een soort ‘bedrijfsdoodstraf’ moeten staan: het opheffen van het charter van de onderneming. Zonder duidelijke sancties dreigen alle beschouwingen over ethiek immers louter fraaie ideeën voor bedrijfsbrochures te blijven. Als individuen er al niet in slagen om zonder wettelijke kaders eerlijk en sociaal te zijn, waarom zouden grote economische structuren daartoe dan wel in staat zijn?


kader1

Kan ethisch ondernemen de wereld veranderen?

Vergeet het, zeggen sommige mensen uit de bedrijfswereld zelf. ‘Uiteindelijk hebben de aandeelhouders bij ons het laatste woord. Verwacht dus geen wonderen. De bedrijven volgen wat de consument wil. Als die ethischer denkt, zullen wij dat ook doen,’ verwoordt iemand van een grote telecom-multinational zijn visie. ‘Stel: er doet zich een commerciële kans voor waar je ethische vraagtekens kan bij plaatsen. Wij zullen die kans niet laten liggen want anders gaat een concurrent ermee aan de haal. Dat kunnen we ons niet permitteren.’ Daarmee is gezegd dat zelfregulering -het opstellen en naleven van een individuele gedragscode door bedrijven- niet volstaat. Daarom pleiten sommigen voor vormen van zelfregulering op een hoger niveau. August Van Put, voorzitter van de HBK-spaarbank, gelooft bijvoorbeeld in sectoriële gedragscodes: codes die alle bedrijven van een bepaalde sector onderschrijven en naleven. Al geeft Van Put wel toe dat zoiets een zaak van lange termijn wordt, zeker voor internationaal werkende sectoren. Ook de naleving van zoiets als de SA 8000-norm overstijgt de puur individuele zelfregulering, en kan op termijn en mits voldoende consumentendruk evolueren tot een soort sectoriële code op internationaal niveau.

kader 2

Kan ethisch ondernemen de wereld veranderen?

Jazeker, zeggen sommigen, ook in ngo-kringen. De mix van consumentendruk, ngo-acties en de eigen overtuiging van bedrijfsleiding en personeel, kan misbruiken als kinderarbeid in de textielsector of dierenproeven in de cosmeticabranche uitbannen. Het antwoord is niet zwart-wit, niet alles of niets. Er zijn immers verschillen tussen bedrijven. Een individueel bedrijf dat zich socialer en milieuvriendelijker opstelt, is al een verandering van de wereld. Als het navolging krijgt van sommige van zijn concurrenten, is de verandering nog groter. Als de staat tussenkomt om dat soort ondernemingen fiscaal te ondersteunen, staan we nog een stap verder. Maar zelfs in de meest wenselijke scenario’s zal er op een aantal terreinen geen alternatief zijn voor wetgeving, nationaal en internationaal.
Ik ben proMO*

Nu je hier toch bent

Om de journalistiek van MO* toekomst te geven, is de steun van elke lezer meer dan ooit nodig. Vind je dat in deze tijden van populisme en nepnieuws een medium als MO* absoluut nodig is om de waarheid boven te spitten? Word proMO*.

Wil je bijdragen tot de mondiale (onderzoeks)journalistiek in het Nederlandstalig taalgebied? Dat kan, als proMO*.

Wil je er mee voor zorgen dat de journalistiek van MO* mogelijk blijft en, ondanks de besparingspolitiek, verder uitgebouwd wordt? Dat doe je, als proMO*.

Je bent proMO* voor € 4/maand of € 50/jaar.

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur