Etniciteit en militievorming

Etniciteit en geweld, ze plegen in één adem te worden genoemd. In deze bijdrage wil ik de stelling doorprikken dat de twee begrippen onlosmakelijk zijn verbonden. Daarmee wil ik ingaan tegen nogal wat recent onderzoek naar de conflicten in Centraal-Afrika.
Al te vaak gaat de analyse van de huidige gebeurtenissen niet verder dan een beschrijving en wordt de bredere geopolitieke, structurele en historische context verwaarloosd. Dat leidt tot en CNN-achtige stijl van ‘directe geschiedenis’ of tot de verwijzing naar een vermeende inbedding in een nationale of tribale geschiedenis, als verantwoording voor een identiteitsclaim. Dat biedt het eenvoudige, maar uiteindelijk misleidende voordeel dat cultuur – of moeten we zeggen: culturele differentiëring – zichzelf aandient als dé sleutel tot de werkelijkheid.

Wie beweert zich uitsluitend aan ‘de’ feiten te houden, produceert een analyse die duidelijk ideologisch bevooroordeeld is. Een betekenisvolle uiting van dat vooroordeel is de onwil om onder ogen te zien dat heel wat conflicten die in ‘het Zuiden’ woeden, vervlochten zijn met – en in vele gevallen product van - economische en politieke prioriteiten en belangen in ‘het Noorden’. Terwijl plaatselijke ‘culturele’ tegenstellingen de analyse lijken te beheersen, blijven de globale ‘economische’ ongelijkheden buiten kijf. Naar conflicten kijken door het prisma van de etnische identiteiten is slechts één perspectief. Het kan evenzeer verhelderend als verhullend werken. Deze benadering ophemelt in het nadeel van andere denkwijzen, zou wel eens een onwetenschappelijke agenda kunnen verbergen.

De gemene deler tussen Afghanistan, Somalia, Kasjmir, ex-Joegoslavië, Koerdistan, Rwanda en andere, is meer dan gewone waanzin, fanatisme of wreedheid. De kijk van Robert Kaplan in zijn boek ‘Journey to the end of the world’ is verleidelijk. Hij spiegelt zijn lezers een rijk voor van gestoorde geesten. Zodra je de grenzen van onze beschaving hebt overgestoken, en de buitenwereld is ingestapt, brengen de volkeren zinloos geweld voort. Het lijkt wel of het enige bindteken tussen Sierra Leone en Kosovo het verbijsterende aantal halvegaren is.

Onze uitgangspunten kunnen summier als volgt worden omschreven:
- In zwart Afrika is interne fragmentatie het eindresultaat, voortvloeiend uit de onmacht van staat en economie om een organisch geheel te ontwikkelen. De heropleving van etniciteit is een modern fenomeen, niet alleen een revival van het verleden. Etniciteit is tegelijkertijd een defensieve en een actieve reactie tegen politieke en economische ontbering en een daad van zelfbevestiging in culturele termen.

- In het gevecht om de schaarse bestaansmiddelen transformeren politieke ondernemers, uitgegroeid tot plaatselijke sterke mannen, etniciteit tot politiek tribalisme. Dat ligt in de lijn van de verwachtingen bij een deel van de bevolking. Wanneer de spanning stijgt, neemt ook de agressie toe. De overvloed aan wapens vertaalt zich in open conflicten, en in de opkomst van krijgsheren.

- De chaos installeert zich en neemt zelfs geïnstitutionaliseerde vormen aan. Je zou het kunnen omschrijven als de dynamiek van de complexiteit, waarin heel wat actoren proberen maximaal voordeel te halen uit de nieuwe kansen die zij krijgen. Zoals gewoonlijk in volledig ontwrichte systemen, is het ook een proces waarin heel wat van onze academische concepten niet langer passen.

1.’AFRIKAANSE STUDIES’ MET VRAAGTEKENS


Er bestaat een groeiende trend om de Afrikaanse realiteit te ontcijferen in een specifieke omgeving. Daarmee bedoel ik niet als een welbepaald geo-cultureel gebied, maar als een afzonderlijke wereld, als was het een ‘aparte’ categorie. Als een verre echo van Edward Saïds ‘oriëntalisme’ is een hernieuwde wetenschappelijke discipline aan het ontstaan: ‘Africanisme’ als een morele tranquilizer in politiek - academische kringen ontwikkelt voor politiek gebruik. Uiteraard kan geen enkel wetenschappelijk argument worden aangedragen tegen regiostudies of onderzoek op het microgebied. Problemen rijzen wanneer wetenschappen, die focussen op lokale of regionale problemen, de buitenwereld opzij duwen en de banden met de ruimere werkelijkheid verbreken, door details overdreven te benadrukken. Er zijn minstens twee onderling verbonden obstakels. In de wetenschappelijke wereld kennen we de ‘boom van de kennis’, die aanleiding gaf tot wetenschappelijke disciplines als sociologie – geschikt voor de studie van westerse maatschappijen – en antropologie, een onderdeel dat de primitieve volkeren moet bestuderen. Als gevolg van de feitelijke ongelijke machtsverhouding hield sociologie zich bezig met de mainstream, antropologie met de uitzondering.

Een tweede reden om Afrika in verwarring te behandelen als een aparte wereld vloeit voort uit een vooronderstelling van een andere aard. Dit uitsluitingmechanisme is van alle tijden. Telkens wanneer nieuwe gebeurtenissen opdagen die ervaren worden als een bedreiging voor de ‘normale’ orde, is er een neiging om ze te bestempelen als iets wat vreemd is aan de mensheid. Van de ‘heart of darkness’ tot Huntington’s twijfels over de vraag of er wel een Afrikaanse cultuur bestaat, groeide er een lange traditie in het Westen om de Afrikanen te verdringen naar de uithoeken van het culturele wereldpatrimonium. Etniciteit lijkt een natuurlijke eigenschap te zijn van de Afrikanen, en moderniteit niet meer dan een geïmporteerd vernis. ‘Terugkeer tot de vroegere stammenverhoudingen’ en ‘criminalisering’ zijn daarvan de logische gevolgen. Telkens wanneer deze maatschappijen verstoord worden, is het of ze terugkeren naar hun roots, alsof hun toekomst alleen kan worden bepaald door hun verleden.

2. HET IDENTITEITSPROBLEEM


De dynamiek van de culturele productie en die van de identiteitsvorming zijn het resultaat van plaatselijke en individuele ervaring. Maar dat proces staat niet los van het wereldsysteem.

Frelimo, de antikoloniale bevrijdingsbeweging in Mozambique, is ooit opgericht – tenminste in de geest van de Frelimoleiders – als een beweging die tevens gericht was tegen ‘het systeem’, in de betekenis die Immanuel Wallerstein er aan geeft. De oppositiegroepering Renamo kan worden bestempeld als de tegenmacht geboren uit de indammingpolitiek van het Westen. De ‘Kenya African National Union’ van Jomo Kenyatta kon omschreven worden als gekant tegen de toenmalige kolonisten in Kenia en tegen de Britse overheersing, maar in de lijn van het globale kapitalisme. Het ene nationalisme is het andere niet.

Identiteitsopbouw verloopt steeds in een sfeer van onderlinge concurrente. Gezien als lidmaatschap van een groep, is het een actief proces. Het betekend ‘ervaren willen worden als gelijkend op een andere, er zich mee identificeren’. Politieke leiders moeten een groepsprofiel promoten of zelfs een identiteit opdringen. Achter het vermeende eenvormige en onveranderlijke karakter van die groepen, vinden we pogingen om imaginaire gemeenschappen uit te denken en om de mensen met emotionele argumenten te overtuigen zich daarmee te identificeren. Je mag het spontane opduiken van een identiteit dus niet overschatten. Maar, het moet erkend dat er heel wat redenen zijn waarom mensen zich aansluiten bij een beweging, redenen die vaak niets van doen hebben met de officiële doctrine. Het volstaat niet de vijand te doodverven als een dwingende inlijvende beweging. Renamo, in Mozambique, had – en daar waren goede redenen voor – de reputatie een brutale bende te zijn, die met geweld aanhangers ronselde. Maar het verklaart niet waarom mensen bij Renamo bléven, zelfs wanneer ze konden vluchten naar veiliger oorden.

Culturele eenheid, tenslotte, is bijna altijd het product geweest van een eenmakingsproces, een ordenen van de maatschappij via centrale instellingen. Hierbij was het overleven van de instelling soms belangrijker dan het doel dat men officieel uitdroeg. In Afrika was dit alles een zeer oppervlakkig verschijnsel. Ten tijde van de strijd om onafhankelijkheid was een vorm van negatieve eenheid aan de oppervlakte wellicht het meest concrete ideologische standpunt dat bereikt was. Terwijl ze naar buiten toe dweepten met ‘nationale identiteit’, voerden de nieuwe regimes in de praktijk een beleid dat er in feite toe leidde regio’s en groepen tegen elkaar op te zetten. Het ‘anders zijn’ aanmoedigen leek een waarborg voor wie zich aan de macht vastklampte.

Etnisch burgerschap – als culturele identiteit en morele economie – is steeds een belangrijk begrip geweest. Toen het failliet van de staat en van het economische systeem duidelijk werd, keerden de mensen de officiële mythes verder de rug toe. Etnisch burgerschap en nationaal burgerschap konden niet langer meer naast elkaar bestaan: etnisch burgerschap bleef over als enig stramien. Wat er ook van zij, die evolutie mag niet verkeerd begrepen worden als een vlucht in het verleden. Het is een modern, dynamisch proces en heeft niets te maken met het verlangen om weer het oerwoud in te trekken of met een terugkeer naar een primitieve maatschappij.

3. HET ZICHZELF VERSLINDENDE SYSTEEM


De evolutie van het huidige wereldsysteem heeft zwart Afrika in de marginalisering gedrukt. Het continent als geheel is zogoed als afwezig als zelfstandig protagonist in de geavanceerde productiesectoren. Die zwakke positie heeft Afrika in de grijze zone gedreven tussen roofbouweconomie en criminele activiteit. De kloof tussen een toenemende verpauperde massa en een kleine hebzuchtige bovenlaag, wordt almaar groter. De verbeten strijd om de zeldzame bronnen van inkomsten maakt geweld een aantrekkelijke hefboom voor actie : Conflicten veroorzaken niet alleen verwoesting, ze scheppen ook nieuwe kansen. Frustratie omdat de toekomst er bijzonder somber uitziet, en angst om alles te verliezen, zijn allebei sterke drijfveren voor het gebruik van geweld. Het vooruitzicht dat de winnaar alles binnenhaalt is een bekende reden om te kiezen voor gewapende zelfverdediging.

Economische en politieke macht gaan hand in hand. Terwijl politieke topfuncties de sleutel zijn tot het economische rijk, ligt de weg naar de politieke hoofdkwartieren geplaveid met economische winst. De staat is geëvolueerd tot een bureaucratische-autoritaire kliek en cliëntelisme is het voornaamste bindmiddel van de maatschappij geworden. Deze staat loopt in de sporen van de vroegere koloniale administratie; elke vorm van morele economie, gegrond op vertrouwen en wederkerigheid, heeft hij vernietigd. Gebrek aan burgerzin wordt alleen maar aangemoedigd. Zolang ze er nog een minimum aan voordeel kunnen uithalen, zullen de mensen wellicht de staat en de vertegenwoordigers van zijn instellingen blijven gedogen. Toch is het zo dat de meeste Afrikaanse staten niet instaan voor hun eigen voortbestaan, maar zich gedragen als echte vampieren. Ze hollen hun eigen sociale basis uit, waarvan hun voortbestaan afhangt. De politieke top krimpt omdat de inkomsten verminderen. De staat, de uitdrukking bij uitstek van de nationale eenheid, wordt publieke vijand nummer één, die de sociale cohesie ondermijnt.

Onze tijd wordt tegelijkertijd gekenmerkt door globalisering en door toenemende fragmentatie. Homogeniserende, gelijkmakende tendensen die inherent zijn aan de globalisering, lijken een voortgezette of zelfs intensere heterogeniteit in te houden op het culturele vlak. In het Westen worden uiteenlopende tendensen – tussen regio’s, generaties, levenswijzen – samen gehouden door nationale of supranationale instellingen en in het bijzonder door – al is het dan ongelijk verdeelde – rijkdom. In zwart Afrika zijn culturele breuken niet alleen dieper, maar er is nauwelijks gedeelde hoop of perspectief, er zijn geen sterke gemeenschappelijke structuren waarmee men zich identificeert. Op die wijze vallen maatschappijen uit elkaar, en opsplitsing is tegelijk een manier om te leven en te overleven. Als zowel staat als maatschappij onder druk staan, is er dan nog een globaal tegengewicht?

In de visie van Gramsci hadden de zogenaamde ‘organische intellectuelen’ de historische plicht om de versplinterende oppositie om te vormen tot één (inter)nationale stroming. Het was een verenigd front, dat werkte met een perspectief op lange termijn voor de mensheid als geheel. Gezien de concrete levensomstandigheden in Afrika overheerst het principe van Keynes : ‘Op lange termijn zijn we allemaal dood’. Brede programma’s voor economische reconstructie worden bekeken met stijgend sceptisme, zoniet met sarcasme. De mensen werden al te vaak ontgoocheld. Nationale politieke partijen, die eens te meer de hemel op aarde beloven voor iedereen, worden gezien als een nationale grap. Mensen die onverschillig staan tegenover de staat, die ontgoocheld zijn in globale politieke of economische modellen, zijn resistent voor Gramsci-achtige mobilisatieschema’s. Een discours van eenduidige meningen, met simpele conclusies, transparante organisatieschema’s die een duidelijk afgebakende vijand bieden, wakkert wél het engagement aan. Wat nog belangrijker is: de nieuwe strategie lijkt praktische oplossingen te bieden voor de problemen van alledag. In zekere zin recupereren de mensen een programma dat ruimte laat voor individuele verzuchtingen. Ook de middelen zijn eenvoudig en werden decennia door de staat voorgehouden: geweld. Eens de dynamiek van gewelddadige confrontatie in gang is gezet, kan ze gemakkelijk ontsnappen aan elke vorm van controle.

4. DE CULTUUR VAN HET GEWELD


Geen enkele maatschappij – tenzij een dode – is vrij van conflict of geweld. Wat we net hebben beschreven is iets heel anders: het is het verschrompelen van een maatschappij tot vijandige groepen, met geweld als voornaamste instrument van interactie. Geweld doet dienst als communicatie tussen de groepen, en niet als mechanisme voor de opbouw van een andere orde. Dat is wat we zouden kunnen beschrijven met de woorden van M. Deutsch als de installatie van een ‘destructief conflict’, dat niet uitloopt op een nieuw en ‘beter’ (?) evenwicht.

In een evenwichtige maatschappij zijn groepen onderling verbonden door structurele belangen, die duurzame allianties aanmoedigen. Er wordt gepoogd conflicten op zo’n manier te regelen dat iedereen er voordeel uit haalt, of tenminste dat de schade beperkt wordt. De staat is de opperste arbiter inzake beheer of onderdrukking van conflicten. Via een ingewikkeld systeem van dominerende en repressieve maatregelen worden conflicten bedwongen binnen de grenzen van een overlevingsstrategie. In de meeste landen van zwart Afrika boden de maatschappijen eerder al weerstand aan de staat, wegens de koloniale ervaring. Sinds de dekolonisering is Afrika steeds verder gemarginaliseerd binnen het wereldsysteem, een situatie die verergerd is door de versnelling van de globalisering. Veel mogelijkheden om een compromispolitiek te voeren waren er uiteindelijk niet meer. Die zwakke staten, die gebouwd zijn op onderontwikkeling en een verpauperde bevolking, konden slechts de versnippering en radicalisering van de politieke oppositie in de hand werken. Hoe schaarser de middelen, des te gemakkelijker er naar geweld wordt gegrepen als uiteindelijke strategie.

Wanneer geweld en fysieke strijd eenmaal aanvaard zijn als een vorm van oplossing, bestaat het risico dat het een zichzelf genererend systeem wordt. Louter om te overleven, is een verbeten politieke en persoonlijke opstelling, waarin bevolkingsgroepen zich vaak agressief gedragen om reële of ingebeelde vernieling te voorkomen, vaak de enige uitkomst. In deze tijden waarin emotie en dubbelzinnige situaties domineren, vertegenwoordigen politieke leiders (niet programma’s) zowel persoonlijke als groepsbelangen. Aan de basis grijpen sommigen elke gelegenheid om zichzelf veilig te stellen door bij zulke groepen aan te sluiten. Eenmaal gevormd, kunnen die, zelfs als ze een minderheid zijn, de overige bevolking controleren en terroriseren. Lichte wapens, vooral handwapens, zijn overvloedig aanwezig en goedkoop. Met slechts enkele honderd man kan een militie hele regio’s destabiliseren en is het hek van de dam. Op enkele psychoten na, zijn mensen geen geboren moordenaars. Ze worden het. Wanneer een bepaalde grens is overschreden, zijn er zogoed als geen limieten meer. Zowel voor individu’s als voor groepen is doden in het begin over het algemeen een zwaar probleem maar na enige tijd wordt het een levenswijze. Moraliteit is afhankelijk van een gegeven situatie en onder bepaalde omstandigheden kan ze grondig veranderen. Dan ontstaat er een ‘nieuwe identiteit’.

De cultuur van het geweld is tegelijk product en stuwende kracht van een nieuwe oorlogseconomie. In een groot deel van tropisch Afrika heeft de teleurgang van de staatsmacht de afgelopen jaren geleid tot de opkomst van netwerken voor lange– afstandshandel in hoogwaardige goederen, zoals geweren, andere wapens en drugs, die tegelijk bron en instrument zijn van politiek-militaire conflicten. We zijn blijkbaar vergeten hoe er tijdens bepaalde periodes uit de geschiedenis van het kapitalisme slechts een heel dunne grens bestond tussen handel en diefstal, tussen oplichters en zakenlui, tussen kolonialisme en criminaliteit. De weerslag van de implosie in de voormalige Sovjet-Unie herinnert er ons aan dat politiek en maffia hand in hand gaan wanneer de onrust is geïnstitutionaliseerd. Vrede en wettelijkheid zijn morele of politieke richtlijnen voor velen van ons, maar die opvatting wordt niet noodzakelijk gedeeld door wie voordeel haalt uit conflicten en uit de wet van de jungle.

Je zou een onderscheid kunnen maken tussen wat ironisch voor twee vervloekingen staat: extreme armoede en exporteerbare rijkdom. Als armoede de regel is, dan kan de oorlogseconomie gezien worden in termen van roofbouw. Met het einde van de koude oorlog, en het opdrogen van de middelen die afkomstig waren van een externe broodheer, bleef er alleen nog de bevolking over om uit te persen. In het geval van Sudan is een andere bron de internationale hulp, waardoor de Europese humanitaire hulpverlening met een enorm dilemma zit opgezadeld: helpen we de hongerende bevolking, of peppen we de militaire capaciteit op van een oorlogsmachine?

In andere gevallen is natuurlijke rijkdom één van de voornaamste oorzaken waarom oorlogsvoerende partijen er niet in slagen zich te verzoenen. Angola is misschien het duidelijkste voorbeeld, maar hetzelfde geldt voor Liberia en Sierra Leone. W. Reno gebruikte het woord ‘schaduwstaat’ om het complexe netwerk te beschrijven van locale afpersers, ‘politiekers’ uit de diaspora en de internationale zakenwereld. Op den duur word je geconfronteerd met een systeem van cliëntelisme dat gebruik maakt van de oorlogseconomie om zijn politiek-militaire macht op te voeren of gewoon als een overlevingsstrategie voor de mensen aan de basis. Je kunt de discrepanties betreuren tussen deze praktijken en de idealen van een ‘volksoorlog’. Maar je mag niet vergeten wie er allemaal achter de schermen blijft: de beschaafde bedrijfsmensen uit het Noorden. Om Bertold Brecht te parafraseren: ‘Zij die in het licht staan, kan men zien, die in het Noorden ziet men niet ‘.

Zo’n vijfentwintig jaar geleden zei wijlen Nkwame Nkrumah: ‘Alle militaire en politieke problemen zijn economisch’. Ongetwijfeld had hij het niet over criminalisering van de economie, versplinterende politieke bewegingen en krijgsheren. Zwakke staten en patrimoniale regimes produceren uiteindelijk ‘niches’ voor plaatselijke sterke mannen. Zolang er voldoende inkomsten zijn, kan het centrum een tegengewicht vormen voor die tendensen. Zolang er voldoende middelen zijn, zijn de individuele cliënten zo bekommerd om hun persoonlijke situatie dat een gemeenschappelijk front zeldzaam is. Individu’s mogen dan al volledig verpletterd zijn, de sociaal-politieke geleding als dusdanig blijft bestaan. Zodra de broodheer niet meer in staat is om voor een ononderbroken geldstroom te zorgen, worden de kaarten herschud. Zelfstandige inkomsten en dito machtsbases worden levensnoodzakelijk; paladijnen proberen zich om te vormen tot plaatselijke sterke mannen. Eén van de uitwegen bij de zoektocht naar steun is de etnische gevoeligheden te bespelen. Dat is de manipulatie van de lagere politie, de opkomst van politiek tribalisme.

De sterke mannen, in hun koortsachtige zoektocht naar middelen en macht steunen niet alleen op volgelingen, maar ook op geweld. Wanneer ze opereren in een sfeer van hevige competitie en wederzijds wantrouwen, is een strategie van preventieve aanval een ‘rationele’ methode. Zij die hun leiders volgen, uit overtuiging, uit vrees of uit persoonlijk voordeel, raken vaak in een impasse. Zodra ze de weg inslaan van geweld en vernieling, is het – zelfs gewoon om te overleven – onmogelijk rechtsomkeer te maken. En waarschijnlijk wensen ze dat na enige tijd zelfs niet meer: wanorde, of tenminste wanorde buiten hun directe leefomgeving, biedt hen kansen, het gewelddadige discours wordt een normale communicatiewijze. Om het met Chabal en Daloze te zeggen: ‘Krijgsheren zijn oorlogszakenlui, dat wil zeggen: geweld is het voornaamste instrument van hun activiteit’. Dat is niet alleen waar voor de milities, of voor ruimere politieke gewapende bewegingen, het is ook het geval voor wie officiële ambten bekleedt. Gouverneurs beschermen zwartemarktactiviteiten, plaatselijke politiekers halen winst uit langdurige ‘lage-intensiteits’ conflicten, legergeneraals raken betrokken in massale smokkeloperaties, anderen zijn geëngageerd in mijnbouwactiviteiten in vreemde landen.

Dit is chaos op zijn best. Er ontstaat een veelheid aan interacties tussen een almaar toenemend aantal actoren. (Westerse) waarnemers staan er volkomen verdwaasd bij : Je vindt nieuwe coalities, recente opsplitsingen, interne en externe vleugels, eindeloze onderhandelingen en nieuwe vijandschappen, plotse ideologische zwenkingen en ‘onlogische’ bindingen. En bovenal: een onophoudelijke trend naar onstabiliteit. Lichte verstoringen hebben zware gevolgen en de analyse van gisteren wordt telkens weer weggespoeld door onvoorspelbare nieuwe gebeurtenissen. Waarschijnlijk zal een nieuwe orde opstaan, maar niet volgens de lijnen die wij ons hadden voorgesteld, noch voor wie geloofde in het moderniseringsprincipe, noch voor wie er een tegenstander van was. Vanuit een moreel oogpunt gezien kunnen we hopen op snelle en zelfs politiek correcte oplossingen voor onze chaos. In werkelijkheid is geen enkele ontwikkeling of uitkomst voorspelbaar. Recente gebeurtenissen in Sierra Leone of Liberia, waar de opstandelingen uiteindelijk zijn opgenomen in de regering, bewijzen dat hoge morele standaards niet meer zijn dan zuivere decoratie.

5. COMPLEXE POLITIEKE GEBEURTENISSEN


‘De jaren rond 1989 zagen meer militaire operaties in meer delen van Europa, Azië en Afrika… dan wie ook zich kan herinneren…. Omdat het dikwijls onduidelijk was wie tegen wie vocht en waarom… deze activiteiten pasten onder geen enkele klassieke definitie van het woord ‘oorlog’, internationale of burgeroorlog… de eeuw eindigde in een globale wanorde, van onduidelijke aard’, zegt Hobsbawn als eindconclusie van de 20ste eeuw. Toch hebben Goodhand en Hulme een zeer nuttige opsomming gemaakt om deze conflicten te omschrijven:

conflicten binnenin en over de staatsgrenzen heen
strijd om de macht en om de schaarse rijkdommen
langdurige periode van open geweld
gevecht tussen gemeenschappen om basisnoden als veiligheid, erkenning en aanvaarding
onderlinge strijd van milities en andere gewapende groepen zonder onderscheiden politiek programma.
Dat noemen ze ‘complexe politieke gebeurtenissen’. Ze zijn, om de formule te gebruiken van de Argentijnse socioloog Guillermo O‘Donnell, het resultaat van ‘verwoede atomisering’. In Kivu heb je twee populaire biermerken, Primus en Amstel, verkocht in twee verschillende flessen: één is kort en breed, de ander is smal. Primus en Amstel zijn ook vermomde benamingen voor Bahutu en Watutsi. Het conflict tussen beide heeft niet van doen met hun lichaamsbouw, maar des te meer met de onmogelijkheid om gewoon om het even welk bier te kopen, om toegang te hebben tot zelfs heel eenvoudige consumptiegoederen, om op een minimale manier in zijn levensonderhoud te voorzien. Politieke leiders profiteren van het algemeen ongenoegen, politiek tribalisme is het eindresultaat. Er is noch een lineair noch een oorzakelijk verband tussen het functioneren van het wereldsysteem en de botsingen tussen de ‘identiteiten’. Het is te gemakkelijk de verantwoordelijkheid weg te denken van de Afrikaanse elites, die de mentaliteit van agressief egoïsme hebben aangewakkerd. Anderzijds is het overdreven benadrukken van de Afrikaanse dimensie niet gestoeld op stevige wetenschappelijke gronden.

En zo zitten we met de slotvraag: waarom is de strijd gestreden onder het vaandel van ‘identiteit’? Het is voldoende duidelijk denk ik, dat die identiteit moet worden gezien in zijn context. Wat de deelnemers ook beschouwen als hun groepsidentiteit houdt geen verband met een mythische identiteit waarnaar ze op zoek zijn. En in een latere fase leidt het ook helemaal niet onvermijdelijk tot een staat. Wat we zien gebeuren heeft weinig te maken met ‘de’ traditie. We mogen de naakte Maji-Maji niet verwarren met de oude krijgers : De eersten zijn gewapend met kalasjnikovs en hun hiërarchische structuren gaan regelrecht in tegen de traditie. Alle rebellen zien zaktelefoons als het bewijs bij uitstek dat God bestaat en sommigen hebben internetsites. Ze hunkeren naar de moderne wereld en tegelijk zijn ze teruggedrongen in de onderontwikkeling. Ze zijn gedwongen hun ‘Janusgezicht’ te tonen, tegelijk voor- en achteruit te kijken. Ze zijn nevenproducten van een ontwrichte moderniteit. Het controleren van plaatselijke politieke en economische macht is maar en schrale troost. De resultaten zullen mager zijn, vergeleken bij de voordelen die de rijke wereld er uit zal halen. Misschien is hun kijk op het Westen niet meer dan een ‘imaginaire constructie’; maar ze leggen zich niet langer meer bij hun toestand, ze zien die niet als normaal of als het gevolg van natuurlijke omstandigheden. Ze voelen zich uitgestoten door de wereld, door de staat, door de politieke klasse. ‘Identiteit’ is hun laatste toevlucht, en een pragmatisch antwoord op volslagen vervreemding. Uiteindelijk is het mimetisme : Het is niet hun bedoeling het systeem op zijn kop te zetten, ze willen er deel van uitmaken, maar het ontbreekt hen daarvoor aan geschikte instrumenten.

Ruddy Doom is hoogleraar en hoofd van de vakgroep Derde Wereld, Universiteit Gent. Uit het Engels vertaald door Liesbet Walckiers.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 3190   proMO*’s steunen ons vandaag al. 

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur