Experts over de nieuwe generatie Jihadi's

Opvallend in de berichtgeving over het recente terreuralarm in België was de afwezigheid van goedgeïnformeerde terrorisme-experts binnen parlementaire en academische kringen. Nochtans heeft het publieke debat baat bij weldoordachte analyses die de “dreiging” in een ruimer kader plaatsen –zoals het nieuwe terrorismeboek dat professor Rik Coolsaet deze maand publiceert. MO* zet de belangrijkste conclusies van het boek op een rijtje.
De vraag of de recente terreurdreiging in Brussel reëel was, blijft vooralsnog onbeantwoord. ‘België is in tegenstelling tot de VS, Groot-Brittannië of Israël zeker geen prioritair doelwit voor moslimterroristen’, weet terrorismespecialist Alain Grignard van de federale politie. ‘Maar alles hangt af van de conjunctuur. Na de heisa rond de Mohammedkarikaturen werden Denen plots wel een schietschijf. Als onze troepen in Afghanistan plots heel wat moslims doden, kan de wind snel keren.’
Moslimdoden
In België is zoals elders in Europa het aantal jihadi-terroristen gering, in verhouding met de naar schatting 400.000 moslims die er wonen. Sinds de jaren tachtig hebben de Belgische politiediensten zo’n acht grote terreurnetwerken opgerold en zijn er zowat zestig verdachten aangehouden. De bekendste jihadi-terrorist is wellicht Nizar Trabelsi, die vlak na 11 september werd gearresteerd. De Tunesische voetballer had banden met Al Qaida en zou later bekennen dat hij een zelfmoordaanslag beraamde op de militaire basis in Kleine Brogel. Belgische terroristen zouden ook onderdak hebben gegeven aan medeplichtigen of daders van de aanslagen in Madrid, Casablanca en Rabat.
‘Westerse media en regeringsfunctionarissen beweren nog altijd routineus dat “wij” of de “westerse beschaving” het hoofddoelwit zijn van “islamitische-islamistische moslimterreur”’, relativeert Rik Coolsaet, professor Internationale Betrekkingen aan de Universiteit Gent en directeur van Egmont, het Koninklijk Instituut voor Internationale Betrekkingen in Brussel. Onder zijn redactie verschijnt in februari het nieuwe boek Jihadi Terrorism and the Radicalisation Challenge in Europe. In deze neerslag van lezingen, interventies en informele gesprekken van internationaal gerenommeerde terreurexperts, worden vraagtekens gezet bij de meest hardnekkige clichés rond zogenaamde ‘moslimterroristen’.
‘Het aantal slachtoffers dat jihadi-terrorisme sinds begin jaren negentig maakt, ligt in moslimlanden veertig keer hoger dan in westerse landen. In april 2004 verklaarde de Britse veiligheidsdienst MI5 dat het totale aantal terreurdoden in de UK sinds 1960 amper drie procent bedroeg van het aantal verkeersdoden in dezelfde periode. Het gros van de terreurslachtoffers was dan nog op het conto te schrijven van de aanslagen in Noord-Ierland. Zeggen dat jihadi’s het op ons gemunt hebben, getuigt van weinig empathie. Hoe moet zo’n uitspraak niet aankomen in Algiers, in Casablanca, in Bagdad of Riyad?’
Algerijnse revolutie
In december 2007 vallen in de Algerijnse hoofdstad Algiers bij een dubbele zelfmoordaanslag naar schatting 45 doden en bijna 200 gewonden. Ondermeer het kantoor van de VN-vluchtelingenorganisatie UNHCR is getroffen. De aanslagen worden opgeëist door de groepering Al Qaida in de Islamitische Maghreb. De keuze van de symbolische datum is ook Belgische journalisten niet ontgaan. Het Belang van Limburg kopt daags nadien: ‘Weer een bloedige elfde’.
Hugh Roberts van de International Crisis Group bevestigt in het boek van Coolsaet dat de plegers van de aanslag aanleunen bij Al Qaida als vaandeldrager. Daarom ook noemt deze terreurbeweging, vroeger Salafistengroep voor Prediking en Strijd (GSPC), zich nu Al Qaida in de Islamitisch Maghreb (AQIM). Daarom ook kopieert AQIM sinds kort de modus operandi van Al Qaida: zelfmoordaanslagen -een aanpak die ze ook in januari nog enkele keren herhaalden, weliswaar met minder bloedige gevolgen. Maar de reden waarom AQIM zich beroept op Al Qaida, heeft weinig uitstaans met ideologische of religieuze overtuigingen, beweert Roberts, maar alles met binnenlandse aangelegenheden. GSPC ontstond toen Hassan Hattab zich met zijn volgelingen afscheurde van de GIA en bleef vechten voor een Algerijnse “revolutie”. Toen het zijn opvolgers begon te dagen dat GSPC de Algerijnse machthebbers niet van hun voetstuk zou kunnen stoten, zocht het aansluiting bij Al Qaida. ‘Een teken van zwakheid eerder dan van kracht’, concludeert Roberts. De terroristen hadden alle andere opties verspeeld en gingen noodgedwongen op zoek naar een reden tot voortbestaan. De wereldwijde jihad bood een uitweg.
Kwikbolletjes
Jihadi-terrorisme is niet fundamenteel anders dan oudere vormen van terrorisme, beweert Martha Crenshaw van de Wesleyan University in Connecticut, de ouderdomsdeken onder de Amerikaanse terrorisme-experts. Jihadi’s zijn geen gebrainwashte fanatici met als enige doel het ontwortelen van de Westerse waarden. Volgens Crenshaw had bijvoorbeeld Bin Laden met zijn terreuracties ook heel concrete doelstellingen voor ogen, namelijk de terugtrekking van troepen uit Irak en Afghanistan. ‘Ayman Al-Zawahiri schreef in juli 2005 een brief aan Al-Zarqawi waarin hij opriep de Sjiitische burgerbevolking te ontzien, uit schrik de sympathie van de Iraakse bevolking te verliezen. Groepen die zogezegd strijden in de naam van een religieuze doctrine zijn soms extremer in hun discours dan in hun prioriteiten’.
Maar sinds de ontmanteling van de trainingskampen in Afghanistan –waar de voorgangers van de Algerijnse GSPC, de GIA, ook opgeleid werden– is het fenomeen van jihadi-terrorisme opnieuw fors gewijzigd. Experts vergelijken de nieuwe situatie met een gebroken thermometer waarvan de kwikbolletjes verspreid liggen over de grond. De lokale terreurcellen in Westerse en in moslimlanden zijn stuk voor stuk giftig, maar hebben meestal geen onderlinge banden meer, laat staan een machtige koepelorganisatie die aanslagen à la 11 september mogelijk zou maken.
Marginale groepjes
In westerse landen zijn jihadi-terroristen vaak gewone jongeren die hun informatie zoeken via internet en weinig uitstaans hebben met de goed opgeleide commando’s van voorheen. Soms worden ze ingelijfd door een lokale goeroe –à la limite een oud-strijder uit Afghanistan–  in een salafistisch en dualistisch denken over samenleving en islam. Maar evengoed troepen jongeren spontaan samen en fabriceren ze hun eigen cut and paste islam, gevoed door internet, chatrooms of online predikers. ‘Het zijn niet noodzakelijk werkloze, verbitterde en verpauperde westerlingen die zich tegen hun ‘adoptieland’ keren’, weet Olivier Roy van het Franse onderzoeksinstituut Centre National de la Recherche Scientifique (CNRS). Weinig sociale contacten, vervreemding en het gebrek aan alternatieve ideologieën sinds de val van de Muur, verklaren mede de radicalisering van heel wat westerse jongeren, meent hij. ‘Jihadi-groepen recruteren jongeren die dertig jaar geleden misschien toegetreden zouden zijn tot extreem-linkse of extreem-rechtse groeperingen.’ Ze zijn op zoek naar een warm nest dat hen identiteit, levenszin en vriendschap geeft en grijpen de “goede zaak” niet zelden aan om de spons te halen over een verleden in de kleine criminaliteit.
‘Als het waar is dat Trabelsi wilde ontsnappen en zijn kompanen op lange termijn een aanslag beraamden’, concludeert Rik Coolsaet, ‘dan bevestigt dit ons beeld over de huidige generatie jihadi-terroristen: een bende amateurs die banden heeft met de georganiseerde criminaliteit en die zich beroept op Al Qaida om zichzelf in de kijker te werken. Jihadi-terrorisme is vandaag grotendeels het werk van lokale marginale groepjes, die mijlenver afstaan van de dagdagelijkse problemen van migranten- of moslimgemeenschap.’
Rik Coolsaet (red.), Jihadi Terrorism and the Radicalisation Challenge in Europe. London, Ashgate, 2008

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift

Word proMO* of Doe een gift