Extreme armoede in Minst Ontwikkelde Landen neemt toe

De helft van de bevolking van de Minst Ontwikkelde Landen (MOL) leeft in extreme armoede. In de Aziatische landen uit de groep neemt de armoede af, maar in de armste landen van Afrika verdient een steeds groter deel van de bevolking te weinig om rond te komen. Dat blijkt uit een rapport van de VN-conferentie over Handel en Ontwikkeling (Unctad) dat vandaag (dinsdag) wordt gepubliceerd. De Unctad stelt dat de MOL door de globalisering steeds vaster komen te zitten in de internationale armoedeklem.

De Minst Ontwikkelde Landen - een groep van 49 ontwikkelingslanden die door de VN op basis van hun laag bruto binnenlands product, slechte onderwijs- en gezondheidsindicatoren en economische kwetsbaarheid erkend worden als bijzonder hulpbehoevend - tellen samen ongeveer 611 miljoen inwoners. Tussen 1995 en 1999, de periode die door de Unctad werd bestudeerd, moesten 495 miljoen van die mensen rondkomen met minder dan twee dollar per dag. Binnen die groep van arme inwoners konden 307 miljoen mensen zelfs over niet meer dan één dollar per dag beschikken - de grens waaronder de VN van extreme armoede beginnen te spreken.

In de Aziatische MOL daalde het aantal extreem arme inwoners van 36 procent in de tweede helft van de jaren 60 tot 23 procent eind de jaren 90. Maar in Afrika steeg dat aandeel in dezelfde periode tot 65 procent van de bevolking. Doordat de groep meer Afrikaanse dan Aziatische landen telt, verslechteren ook de statistieken voor het geheel van de Minst Ontwikkelde Landen. Eind de jaren 90 trof de extreme armoede ongeveer 50 procent van de bevolking van alle MOL samen, tegenover 48 procent dertig jaar geleden.

Volgens de Unctad is er een nauw verband tussen het voorkomen van extreme armoede en de afhankelijkheid van de uitvoer van onverwerkte grondstoffen. In MOL, die voornamelijk grondstoffen uitvoeren, bedraagt het aandeel van de extreem arme bevolking gemiddeld 69 procent; in arme landen waar de dienstensector de belangrijkste deviezenbron is, daalt dat aandeel tot 43 procent.

Zoals het proces nu verloopt, maakt de globalisering de dingen alleen maar erger voor de Minst Ontwikkelde Landen, stellen de auteurs van het Unctad-rapport. De regels en machtsverhoudingen die de internationale handel en de financiële stromen beheersen, duwen de arme landen steeds dieper in de armoedeval. Vooral de MOL, die afhankelijk zijn van een klein aantal exportgrondstoffen, zitten gevangen in een vicieuze cirkel van grillige en overwegend negatieve prijsontwikkelingen, een aangroeiende schuldenberg en ontoereikende buitenlandse hulp.

Maar de toestand is volgens de Unctad niet hopeloos. Als de arme landen kunnen gaan profiteren van een vriendelijkere internationale omgeving en erin slagen een volgehouden economische groei te realiseren, kan de extreme armoede er snel afnemen. Extreme armoede kan veel vlugger verdwijnen dan lang werd aangenomen, stellen de Unctad-experts. Uit de meest recente modellen blijkt dat in een land waar het gemiddelde besteedbare inkomen per inwoner stijgt van 400 naar 800 dollar per jaar, het aandeel van de bevolking dat in extreme armoede leeft van 65 naar minder dan 20 procent zal zakken.

De Unctad breekt een lans voor meer ontwikkelingshulp en verdergaande schuldkwijtschelding, een hervorming van het internationale grondstoffenbeleid en de uitwerking van een nieuwe internationale economische politiek die rekening houdt met het verband tussen de marginalisering van de armste landen en de toenemende polarisering van de wereldeconomie.


Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift

Word proMO* of Doe een gift