Fabien Eboussi Boulaga: van welk hout wij pijlen maken

De Kameroense professor Boulaga vertelt honderduit over de waarde van Griekse filosofie voor Afrika, over de taalstrijd in Kameroen en over het einde van het fetisjisme. Over zichzelf praat hij liever niet. De enige keer dat ik de grijzende professor even emotioneel zie worden, is op het einde van een gastcollege op het Antwerpse RUCA. ‘Wij willen geen Redders van het Vaderland meer. Bespaar ons de slogans. Behoed ons voor de ideologie van een Afrikaanse renaissance.’
Een interview met Fabien Eboussi Boulaga is een behoedzame poging om achter de rustige nuchterheid van de professor te peilen naar de gevoelens en twijfels van de Afrikaanse burger. Dat lukte, soms.

Brengt u goed nieuws uit Afrika?

Goed nieuws moet je niet zoeken op de voorpagina’s van de kranten. Het dagelijkse leven in Afrika is iets anders dan wat de media belangrijk vinden. In Kameroen bieden vele mensen weerwerk tegen de leegte die door de staat gelaten wordt. Ze organiseren zich om te overleven, om voor hun kinderen de toekomst te verzekeren, om ze te verzorgen, ze te doen studeren en ze desnoods naar het buitenland te kunnen sturen. De mensen vechten, vaak met ongelijke wapens, tegen de tegenslagen en de problemen. Spreken over optimisme of pessimisme is aan hen niet besteed. Wie strijdt, stelt zich zulke vragen niet.

En een universiteitsprofessor in de hoofdstad Yaounde?

Ik paste mij aan de levensomstandigheden aan. Toen ik ondervond dat ik wegens mijn kritische houding aan de staatsuniversiteit ‘gevolgd’ werd, ben ik van universiteit veranderd. Zo kwam ik ongewild terecht aan de katholieke universiteit in Yaounde en kon ik een kleine vereniging oprichten voor de democratie in mijn land. In zekere zin werd ik door de repressie bevrijd van de sleur aan de staatsuniversiteit om creatiever werk te verrichten: sessies organiseren over democratie, met mensen nadenken over politiek. Voordien kon ik mij nooit zo duidelijk uitspreken.

Is er dan geen vrijheid van meningsuiting in Kameroen?

Er was een tijd dat iedereen praatte over vrijheid en democratie. Je kon zeggen wat je wilde, ideeën waren toch niet veel waard. Maar mettertijd werden die ideeën duurder want gevaarlijker. Ik begon in kranten te publiceren, maar dat bleef niet zonder gevolgen. Ik kreeg een jaar lang geen salaris uitbetaald. Mijn ‘financieel dossier’ -zo heette dat- geraakte zoek. Ik werd maandenlang aan het lijntje gehouden. Zonder salaris. Ineens was er ook geen geld meer om naar een colloquium te gaan in Dakar. Ik moest die reis met mijn eigen zakgeld betalen. De rector overwoog mij op vervroegd emeritaat te sturen.

Doceerde u politiek gevoelige vakken?

Ik gaf voornamelijk Griekse filosofie.

Is Plato zo bedreigend voor een Afrikaanse regering?

Plato of Aristoteles wellicht niet, maar vanuit mijn klassieke vorming heb ik altijd geschreven over de ontwikkeling van Afrika. Mijn eerste werk heette ‘Christendom als ziekte en medicijn’. Later verscheen ‘De crisis van de muntu’, een reflectie over de betekenis van het Afrikaan zijn. Nog later een bezinning over wat een Afrikaan kan aanvangen met het christendom, zonder de ballast van de kolonisering en de evangelisering: ‘Christendom zonder fetisjen’. De jongste jaren hield ik mij meer met politieke zaken bezig. Over de nationale conferenties in Afrika: ‘Wordt vervolgd’ en mijn laatste boek: ‘De overgangsdemocratie in Kameroen’. Toch allemaal dingen die belangrijk zijn voor de samenleving, dacht ik zo.

Hielp uw klassieke bagage daarbij?

De Griekse filosofie leert je denken als een mens die deel uitmaakt van een wereldwijde geschiedenis, een geschiedenis waarin ook Afrika een rol speelt. Ik leerde problemen te bekijken vanuit het lijden van mensen. Ik ging reageren op de actualiteit als een mens die gevormd werd om na te denken, als een mens die weigert om het leven lijdzaam te ondergaan.

Met Grieks gedachtegoed en een Afrikaans hart?

Voor mij gaat dat perfect samen. In Harvard, waar ik nu voor een tijdje doceer, leef ik niet anders als in Yaounde. Het spel van de ontmoetingen tussen mensen is er misschien iets anders. In Yaounde moet ik veel meer onderhandelen met het leven, met de vrienden en de familie, om te komen tot een evenwicht waarin niet al te grote verrassingen meer zitten. Maar er is geen spanning tussen mijn leven als intellectueel en de wereld rondom mij in Yaounde. Ik weet niet hoe het met anderen zit, maar ik voel mij niet thuis in de beschrijving van Afrikanen die overdag kwantummechanica doceren en ’s nachts naar de tovenaar zouden trekken om voor hun zieke kind te gaan offeren. Ik voel mij niet gedwongen om mij tot bovenaardse krachten te wenden. Ik geloof dat hetzelfde geldt voor veel gewone mensen in mijn land. Zelfs in de dorpen zijn de mysterieuze krachten uit de mode. Ga maar kijken, houd een enquête. De traditionele genezers leven enkel nog van mensen die geen dokter kunnen betalen. De meeste anderen gaan naar een gewone dokter. Tovenarij? Komaan.

Net vóór het jaar 2000 zijn alle fetisjen uit Afrika verdwenen?

Een groot deel van het leven speelt zich af –onder druk van de levensomstandigheden en de bestaansmiddelen- op het vlak van de rationaliteit. Het irrationele dringt enkel binnen als er wanorde is in het leven. Als men zichzelf om een of andere reden niet meer in de hand kan houden. Onveiligheid, onzekerheid kunnen daartoe aanleiding geven.

Net wat u zegt. Haalt de wanorde vandaag in Afrika niet de bovenhand?

Hm. Hm. Op economisch en politiek vlak worden een heleboel zaken fout aangepakt of op hun beloop gelaten. Dat veroorzaakt zeker wanorde, dat is allesbehalve rationeel. Mensen proberen te overleven met kunst- en vliegwerk. Ze maken van alle hout pijlen. Ze gebruiken daarvoor zowel het moderne als het traditionele arsenaal van mogelijkheden. Toch is de toevlucht tot de traditionele religiositeit niet de voornaamste graadmeter van de onmacht om de grote problemen in Afrika te lijf te gaan. Daarvoor moet je kijken naar het geweld dat ontstaat uit jaloezie. In Kameroen zijn er steeds meer grondgeschillen. Vreemdelingen pikken jouw grond in en lokken zo geweld uit. Vroeger zou men zoiets getolereerd hebben. Banditisme regeert de steden. Het irrationele breekt overal door.

Behoren de stammen- en taalproblemen ook tot die nieuwe irrationaliteit?

Ja, al zijn dat voornamelijk problemen van de politieke elites. Het interesseert de gewone mensen niet. Ik geloof niet dat Franstalig Kameroen een verborgen project heeft om de rest van het land (zeg maar: de Engelstaligen) te onderdrukken. De ‘taalstrijd’ is in Kameroen zowel gecreëerd door een Franstalige als door een Engelstalige elite, die haar gram wilde halen. Sommigen hebben er profijt bij gehaald. Toen de Engelstalige kandidaat, John Fru Ndi, in 1992 de verkiezingen won, hoopten veel francofonen dat met de inbreng en steun van hun Engelstalige medeburgers de moeilijkste politieke knopen zouden worden ontward. Het democratiseringsproces zou erdoor versneld worden, in eenieders belang. Dat draaide wel even anders uit.

Staat president Paul Biya, alias ‘de Leeuw’, boven dat gewoel?

Paul Biya is helemaal geen leeuw! Dat beeld is een leugen die in de westerse media verspreid is. Kijk naar de vruchten van zijn bewind. Niet Biya maar het Internationaal Muntfonds en de Wereldbank bepalen de Kameroense economische politiek. Wij maken geen keuzes meer en discussiëren niet langer over een nationaal project. Nationale eenheid bestaat niet meer. De etnische spanningen nemen toe. De openbare diensten werden overgenomen door buitenlanders. Wie de balans opmaakt van een dergelijk bewind, van een president die zich zo moet plooien naar de wensen van het buitenland, die komt toch niet uit bij een leeuw, wel?

Het volk heeft die president een half jaar geleden wel herkozen.

Als de man die de verkiezingen organiseert, ze ook wint, noem je dat dan een democratie? Willen verkiezingen betekenis hebben, dan veronderstelt dat een sociaal contract met burgers die bekwaam zijn om hun leiders te kiezen of ze -indien nodig- weg te stemmen. Het zijn niet de verkiezingen die de democratie maken. De democratie maakt zinvolle verkiezingen wel mogelijk. Maar bij ons wordt de minister van Binnenlandse Zaken betaald door de president om de bij voorbaat succes belovende verkiezingen te organiseren.

Wat stelt u daar dan tegenover?

Dat men naar de Kameroeners luistert om te horen wat er moet worden gedaan. Dan krijg je Kameroense antwoorden waarover kan worden gepalaverd in functie van de financiële mogelijkheden en van de openbare orde. Je schept pas nieuwe kansen door eerst naar de dringende zaken te kijken en van daaruit voorstellen te formuleren.

Is dat meer dan een droom voor het derde millennium?

Die droom -zoals u dat noemt- lijkt mij realistischer dan de nachtmerrie die wij nu krijgen voorgeschoteld. Laat ons beginnen met eenvoudige maatregelen, bijvoorbeeld in het onderwijs, bij de radio, voor de landbouw. Maatregelen die de levensomstandigheden van veel mensen zouden kunnen veranderen. Totnogtoe worden eenvoudige maatregelen geblokkeerd door de lamlendigheid en de centralisatiedrang van de administratie. En dat is zelfs geen berekende onwil. Noem het de routine van hen die profijt halen uit hun machtspositie. Het komt ze goed uit dat het systeem is zoals het is.

Niet alleen de machthebbers, ook het volk lijkt voor dit systeem te kiezen.

De bevolking maakt deel uit van het systeem. Kameroeners zijn geen burgers. Dat is het probleem. De bevolking is gestructureerd zoals de administratie. Hetzelfde zie je in de kerken. Het gelovige volk is een kudde met enkele herders, geen volk dat zich organiseert. Al nam de kerkelijke hiërarchie wel enkele kritische standpunten in tegenover de regering. In de daaropvolgende tijd verdwenen telkens religieuzen en vielen er doden. Intimidatie van de gruwelijkste soort. De kerk reageerde in de mate van het mogelijke, binnen bepaalde limieten. De kerk heeft ook maar de kracht van haar volk.

Die kerk kent u van binnenuit, u was tot uw drieënveertigste jezuïet?

Dat was een gelukkige tijd, waarin ik gegroeid ben en gezocht heb. Ik verliet het klooster op een blije, vrije manier. Zonder rancune. Ik ben een jezuïet ‘in partibus infidelibus’, zoals dat in het jargon heette. Een jezuïet in de wereld van de heidenen. Ach, indien de Kameroense jezuïeten toentertijd niet zo katholiek waren geweest, was ik misschien gebleven. Na lang nadenken verliet ik het klooster. Ik heb er later nooit spijt over gehad. Ik zie mijn leven als een voortdurende zoektocht. Wat ik nu doe, verschilt niet veel van wat ik vroeger wilde. Ik wilde recht vooruitgaan. Leerde God niet dat wij -net als Abraham- onze tenten moeten opbreken en vertrekken om zijn wil te doen?

Hoe weet u zo zeker dat God dat op uw drieënveertigste aan u vroeg?

Ik ben maar trouw aan God in de mate dat ik mijn eigen verantwoordelijkheid opneem. God wil dat wij worden zoals Hij. Dat wij autonoom leven, dat wij verantwoordelijk zijn voor wat wij doen en anderen respecteren in hun geluk, vrijheid en verantwoordelijkheid. In mijn jezuïetentijd leerde ik dat het op de eerste plaats levende mensen zijn die Gods glorie vormen. Wie denkt dat hij op de goede weg zit, die moet het inderdaad niet elders zoeken … Maar soms is het voor ons, Afrikanen, in geweten onmogelijk om te blijven meedraaien in de kerkelijke instituten. Ik veroordeel niemand. Maar het kloosterleven maakte sommige Afrikanen ‘contraproductief’, het vernielde het project waarvoor zij eigenlijk gemaakt waren. Ik wilde geen dubbelspel spelen. Ik leerde te zeggen waar ik voor stond, wat ik wilde doen, wat ik wilde bereiken. Ik wilde hypocrisie vermijden. Ik had niets te winnen of te verliezen.

Die kloostertijd is nu voorgoed voorbij?

Ik heb geen ander verleden. Deze ervaring maakt deel uit van mijn levensgeschiedenis. Het is dus niet voorbij. Ken je Edith Piafs ‘Non, je ne regrette rien’? Mooi zo. Zo weet u nu wel genoeg van mij.

U praat niet zo graag praat over uzelf?

Neen, omdat ik dat niet interessant vind. Ik denk dat ik niets buitengewoons te vertellen heb. Wie over zichzelf praat, construeert altijd een verleden. Je leeft dan niet in je woorden, je deelt jezelf op. Naderhand herschep je de dingen, liefst in je eigen voordeel. Als een dichter of een romanschrijver zich opdeelt in zijn artistieke creaties, dan begrijp ik dat. Maar ik begrijp niet waarom zoveel anderen hun privé-leven zo gemakkelijk blootleggen. Mijn leven is gewoon. Moet ik u vertellen dat ik reuma heb? Misschien wel hoe ik leef ondanks mijn reuma. Dat is pas interessant. Maar vraag mij geen details over mijn gebroken been, over mijn gewrichtspijn.

U bent nu bijna vijfenzestig. Wat wilde u, ondanks uw reuma, nog realiseren?

Ik voel niet de behoefte om mij optimaal te organiseren voor de weinige tijd die mij rest. Ik doe wat ik denk te moeten doen, alsof het leven nooit zou eindigen. Maar de dingen waarmee ik bezig ben, zullen nooit af zijn. Verder hoop ik dat mijn dochter sterk genoeg zal worden om zich soepel aan te passen aan een voortdurend veranderende wereld.

Zegt u toch nog even hoe ze heet.

Shanda. Een Indiase naam. ‘Shanda’ betekent ‘levenslust’. Ik vond die naam in een boek over Sanskriet. Ja, een boek dat ik overhield aan mijn jezuïetentijd.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 2623   proMO*’s steunen ons vandaag al.

Word proMO* of Doe een gift