Federalisten en unitaristen bakkeleien over institutionele toekomst van Congo

Het is een tijdje stil geweest rond de decentralisering van de Democratische Republiek Congo, het staatshervormingsproces dat meer democratie en goed bestuur zou moeten brengen in het land dat sinds decennia in bestuurlijke chaos verkeert. Volgens de grondwet van 18 februari 2006, die door de Congolese bevolking bij referendum goedgekeurd werd in 2005, had die decentralisering inmiddels een feit moeten zijn, maar om een aantal redenen bleef ze tot vandaag grotendeels dode letter.

  • CC Fetofs/Moyogo De huidige 11 provincies van Congo (links) en de 26 voorgestelde nieuwe provincies van het land (rechts). CC Fetofs/Moyogo

Sinds enige tijd staat de staatshervorming echter opnieuw volop in de Congolese mediabelangstelling. Niet dat er vorderingen gemaakt zijn wat de uitvoering ervan betreft, neen, de opflakkerende aandacht heeft vooral te maken met de ruzie die momenteel over het thema woedt tussen voor- en tegenstanders van de decentralisering, binnen de Congolese politieke klasse. Die ruzie is niet toevallig erg hevig in de ertsrijke provincie Katanga.

Découpage

De Congolese staatshervorming houdt in dat er zesentwintig provincies komen in de plaats van de huidige elf. Concreet betekent dit dat enkele provincies territoriaal moeten opgesplitst worden in kleinere bestuurseenheden (de zogenaamde découpage). Die nieuwe provincies zouden volgens de grondwet een aantal exclusieve politieke, administratieve, financiële en economische bevoegdheden krijgen. Met andere woorden, een aantal bevoegdheden zal worden overgeheveld van de centrale naar de provinciale regeringen.

Bovendien is er voorzien in een gedeeltelijke fiscale autonomie: 40 procent van de nationale inkomsten zouden aan de provincies worden toegewezen door onmiddellijke inhouding aan de bron. Op het lagere bestuurlijke niveau zouden de stad, de gemeente, de sector en de chefferie gedecentraliseerde territoriale entiteiten worden met autonomie inzake hun economische, personele, financiële en technische middelen. De grondwet voorziet echter ook in een semi-presidentieel systeem waardoor de president over heel wat macht blijft beschikken.

Dit pakket aan hervormingen moet de balkanisering van het land verhinderen. Tijdens de jarenlange burgeroorlog verloor de centrale overheid in Kinshasa immers het gezag over grote delen van Congo, die onder controle kwamen van allerlei milities. Decentraliseren van het beleid moet uiteindelijk, althans in theorie, de democratie dichter bij de bevolking brengen, de administratieve doeltreffendheid verhogen en lokale gemeenschappen meer bestuurlijke zelfstandigheid verschaffen.

Katanga

De uitvoering van de decentralisering werd de afgelopen jaren, en vooral in de aanloop naar de presidents- en parlementsverkiezingen van 2011, door de centrale overheid op de lange baan geschoven (de provincies hadden reeds in 2010 gesplitst moeten zijn). Het officiële standpunt luidde dat de middelen nodig om de nieuwe instellingen op te richten en in werking te stellen, niet beschikbaar zouden zijn. Ongetwijfeld een plausibele reden, maar zeker niet de enige. Niet iedereen in Congo is immers enthousiast over de op handen zijnde staatshervorming. Met name bepaalde politici in Katanga, de provincie die voor president Joseph Kabila electoraal en economisch van levensbelang is, kanten zich tegen de découpage. Kabila kon zich in de aanloop naar de verkiezingen van 2011 geen broederstrijd rond een mogelijke staatshervorming in Katanga permitteren. Katanga zal immers opgesplitst worden in vier nieuwe provincies die geografisch overeenkomen met de huidige districten Haut-Lomami, Tanganika, Lualaba en Haut-Katanga (het vijfde district Kolwezi zal bij Lualaba gevoegd worden).

Door de aanwezigheid van enorme bodemrijkdommen is Katanga de rijkste provincie van Congo. De industriële ontginning van mineralen en ertsen vindt vooral plaats in het zuiden, het gebied dat grotendeels overeenkomt met de districten Haut-Katanga en Kolwezi. Het noorden en het westen van de provincie zijn agrarisch en minder industrieel ontwikkeld (met bijvoorbeeld minder mijnbouw). Er bestaat dus een economische kloof tussen het “rijke” zuiden en het “arme” noordwesten. Vooral politieke leiders van de Katangese Luba, de etnische gemeenschap waartoe president Kabila behoort (zijn vader Laurent-Désiré Kabila was een Luba uit Noord-Katanga), zien een opsplitsing niet zitten omdat “hun” nieuwe provincies in het economisch achterophinkende noorden liggen: in Tanganika, maar zeker in Haut-Lomami, is de bevolking voor een groot deel Luba.

Politieke vertegenwoordigers van de gemeenschappen uit het westelijke Lualaba zijn daarentegen grote pleitbezorgers van de découpage: hun agrarisch district wordt immers uitgebreid met Kolwezi, waar momenteel de belangrijkste mijnontginningen van Congo plaatsvinden. Sommige elites van de Sanga, die een belangrijke etnische gemeenschap in het district Kolwezi vormen, hadden dan weer liever gezien dat “hun” district een aparte provincie werd of dat het aansloot bij het zuidelijke Haut-Katanga waar volken leven waarmee ze zich nauwer verwant voelen dan met die van Lualaba.

Wijze middenweg

De decentralisering staat nu echter opnieuw in de actualiteit. Tijdens een persconferentie op 28 januari in Lubumbashi, hoofdstad van Katanga, heeft minister van Binnenlandse Zaken Richard Muyej, de decentralisering verdedigd als de beste garantie voor de toekomst van Congo, als de wijze middenweg tussen enerzijds centraal bestuur dat de socio-economische ontwikkeling van het land heeft verhinderd, en anderzijds federalisme dat in het verleden tot excessen heeft geleid (Muyej verwees onder andere naar de afscheiding van Katanga en Zuid-Kasaï in het begin van de jaren zestig).

Om de sceptici enigszins gerust te stellen, voegde hij eraan toe dat de decentralisering op het ritme van elke provincie zal uitgevoerd worden, met andere woorden elke provincie kan met de découpage en oprichting van de nieuwe instellingen starten, wanneer de tijd rijp geacht wordt. Dat Muyej  deze uitspraken in Lubumbashi heeft gedaan, is geen toeval. Met zijn toespraak wijst hij immers indirect een aantal Katangese politici terecht die de découpage categoriek afwijzen en streven naar een autonoom Katanga.

Balkanisering

De felste tegenstander is ongetwijfeld Kyungu Wa Kumwanza, notoir lid van de Katangese Luba-gemeenschap, voorzitter van het provinciaal parlement, ex-gouverneur van Katanga, voorzitter van de federalistische partij UNAFEC (Union Nationale des Féderalistes du Congo), en één van de hoofdrolspelers in het etnisch conflict van het begin van de jaren negentig waarbij zogenaamde “authentieke” Katangezen zich keerden tegen de Kasaïens (inwijkelingen uit de naburige Kasaï-provincies, die door de decennialange arbeidsmigratie een zeer grote gemeenschap waren geworden in Katanga). Kyungu voert al jaren een verbeten strijd voor het behoud van “zijn” verenigd Katanga, een Katanga waar volgens hem alleen plaats is voor “autochtone” Katangezen.

In juli 2012 organiseerde hij nog een omstreden petitie over de invoering van het federalisme, een demarche die hem het verwijt opleverde de afscheiding van Katanga voor ogen te hebben en zo de balkanisering van Congo in de hand te werken. Een reactie op de persconferentie van de minister van Binnenlandse Zaken liet niet lang op zich wachten. In Le Luchois (15 – 22 februari), het Katangese weekblad dat zeer dicht aanleunt bij Kyungu, wordt ontkend dat er een separatistische agenda bestaat, en betoogd dat de découpage en de “tribale provincettes” de ontwikkeling van bepaalde streken in Katanga zullen vertragen. De auteurs bedoelen hier het noorden van de provincie, waar de Katangese Luba de meerderheid vormen. Bovendien wordt de minister ervan beschuldigd een unitarist te zijn die eigen belangen en ambities nastreeft, hij zou met name het gouverneurschap van de nieuwe provincie Lualaba nastreven.

Nieuwe vreemden

Niet alleen economische argumenten verhitten het debat: de découpage zal ook nieuwe “vreemden” creëren. Wie vandaag een Katangese “autochtoon” is, kan morgen een “allochtoon” worden in één van de nieuwe provincies. Met andere woorden politici als Kyungu die vandaag hun macht uitoefenen in Lubumbashi, nu hoofdstad van Katanga, maar straks enkel hoofdstad van de nieuwe provincie Haut-Katanga, zouden wel eens het slachtoffer kunnen worden van hun eigen xenofobe ideologie en verzocht kunnen worden op te krassen naar “hun eigen” provincies in het noorden.

De huidige gouverneur van Katanga Moïse Katumbi, zelf afkomstig uit het zuiden van Katanga, heeft zich inmiddels ook in het debat gemengd. Hij waarschuwt voor een te snel decentraliseringsproces: in een interview met journaliste Marie-France Cros (La Libre Belgique, 23/02/2013) pleit hij ervoor te wachten met de découpage van Katanga “tot het noorden rijk is”. Zo niet kan de découpage een oorlog veroorzaken, aldus nog Katumbi.

Het is duidelijk dat het debat in een gevaarlijke stroomversnelling zit en de gemoederen verhit geraken. Volgens l’Association Congolaise pour l’Acces à la Justice (ACAJ) worden verdedigers van de découpage steeds vaker met de dood bedreigd (recent nog een professor van de Universiteit van Lubumbashi die ervan beschuldigd wordt het beleid van minister Muyej te steunen). Bovendien is de veiligheidssituatie in bepaalde delen van Noord-Katanga problematisch: zogenaamde Mai-Mai-milities hebben er verschillende dorpen aangevallen en tientallen slachtoffers gemaakt onder de burgerbevolking. Eén van die groeperingen, de Mai-Mai Bakata Katanga, beweert de onafhankelijkheid van Katanga na te streven. Vooralsnog gaat men ervan uit dat deze organisaties op eigen houtje opereren. De situatie kan echter gevaarlijker worden, wanneer deze groeperingen geïnstrumentaliseerd zouden worden voor politieke doeleinden.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 2859   proMO*’s steunen ons vandaag al.

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur

  • Erik Gobbers bestudeert stedelijke socio-culturele verenigingen in Lubumbashi in het kader van zijn thesis aan de VUB, in samenwerking met een onderzoekscentrum van de Universiteit van Lubumbashi.