Financiële speculatie mee verantwoordelijk voor voedselcrisis

Leidt financiële speculatie tegenwoordig tot doden? Dat is waarschijnlijk. De toenemende interesse van de financiële wereld in de grondstoffenprijzen draagt bij tot de stijging van de energie- en voedselprijzen. Ook Belgische grootbanken spelen dat spel mee. De Wereldbank berekende dat de prijzencrisis de voorbije maanden honderd miljoen mensen in extreme armoede duwde.
‘De financiële markten hebben zich ontwikkeld tot een monster dat dringend terug op zijn plaats moet worden gezet.’ Deze uitspraak, uit mei 2008, komt van Horst Köhler, de huidige Duitse president, christendemocraat én voormalig directeur van het Internationaal Muntfonds. 
Ze geeft aan hoe dominant de financiële sector geworden is in de wereldeconomie. Elk moment van de dag zwiept een enorme geldwolk over de wereld. In seconden flitst het manna van het ene land naar het andere, van de ene sector naar de andere, op zoek naar het hoogste rendement. Het gezegde ‘Time is money’  krijgt hier een nieuwe dimensie: elke seconde dat je te laat of te vroeg een aandeel, een munt of een grondstof koopt, kan geld kosten.
Technologie maakte de snelheid mogelijk. De politiek schafte de meeste beperkingen op de bewegingsvrijheid van geld af en de storm is almaar aangezwollen omdat vooral de Amerikaanse centrale bank –de Federal Reserve– erg veel geld heeft geschapen. Sinds jaren gaat de Fed elke mogelijkheid van een economische recessie te lijf met “gratis geld”: om de investeringen en de consumptie op peil te houden, maakte de Amerikaanse centrale bank het goedkoop om geld te lenen.
Paul De Grauwe, professor internationale economie aan de KU Leuven: ‘Jarenlang zette Fedvoorzitter Alan Greenspan de rente op één procent, lager dan de inflatie. Geld was veel te lang veel te goedkoop.’ Niet alleen de consument en de bedrijven maar ook de enorme financiële industrie ging met dat geld aan de slag op zoek naar hoge rendementen. De sector maakte daarbij gebruik van zogenaamde “innovaties”, nieuwe financiële instrumenten die steeds complexer worden. Warren Buffett, een van’s wereld grootste beursinvesteerders, noemt deze afgeleide producten ‘financiële massavernietigingswapens’.

Van zeepbel naar zeepbel


De zoektocht naar rendement gebeurt met de koortsachtigheid en selectieve blindheid die de wereld intussen gewoon is geraakt van de geldmarkten. De wereldeconomie zweeft al vijftien jaar van zeepbel tot zeepbel en de risico’s voor het geldsysteem worden bij elke crisis groter.
Eerst was er een reeks regionale crisissen: geldmarkten stortten zich massaal op een bepaald land, trokken er dan weer even massaal weg en veroorzaakten zo een muntcrisis-annex-recessie. Dat gebeurde in Mexico, Thailand, Maleisië, Zuid-Korea, Indonesië, Brazilië, Rusland… Telkens moesten overheden allerhande tussenkomen om erger te voorkomen.
Daarna was er de hype met de aandelen van bedrijven in de informatie- en communicatietechnologie: de koersen bleven stijgen maar op een dag barstte ook de dotcomzeepbel. Toen al vertelde de ervaren bankier Alexandre Lamfalussy ons dat het om een fundamenteel probleem ging: de problemen ontstaan niet omdat beleggers te weinig informatie hebben maar omdat ze telkens reageren als een kudde en de informatie niet willen zien.
Om de gevolgen van de dotcomcrisis en de aanslagen van 9/11 te beperken, duwde Alan Greenspan het geldpedaal in. Dat maakte het probleem erger: nog meer geld ging immers op zoek naar rendement, nog meer consumenten kochten op krediet.
Het was wachten op de volgende zeepbel.
Die ontstond in het onroerend goed, vooral in de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk. Goedkope leningen dreven sowieso al de vraag naar en de prijs van woningen op. Maar in de VS werden arme gezinnen –waarvan voorspelbaar is dat ze grote moeite zouden hebben met de afbetaling van een hypotheek– als het ware in de val gelokt met formules waarbij ze de eerste jaren haast niets moeten afbetalen, waarna de afbetaling in de volgende jaren met sprongen toeneemt.
 Die zogenaamde “ninjahypotheken” –toegekend aan mensen met no income, no job, no assets– werden vervolgens “verpakt” in complexe beleggingsproducten waarmee zogezegd veel geld te verdienen was. Zelfs de allergrootste banken bezweken voor de sirenenzang maar uiteindelijk bleken de herverpakte snerthypotheken “financiële clusterbommen” die bij bank na bank tot enorme verliezen leiden sinds de woningprijzen dalen. ‘De prijs van de hebzucht’, schreef Luc Van der Kelen in Het Laatste Nieuws en inderdaad, het is de drang naar zeer hoge winstmarges die aanzet tot gekke risico’s. Keerzijde is intussen dat vooral in de VS honderdduizenden gezinnen hun hypotheek niet kunnen betalen en uit hun huis worden gezet.
Bij elk van deze crisissen belanden grote financiële instellingen door hun goklust in problemen maar de overheid kan hen niet failliet laten gaan omdat ze het hele systeem in hun val dreigen mee te sleuren. Socialisme voor de rijken, noemen sommige critici dat. Dat creëert een moreel dilemma. Door telkens tussen te komen, stelt de staat de gokkers gerust: wat ze ook uitspoken, de overheid zal hen redden.

Grondstoffen als reddingsboei


De grondstoffen zijn goed op weg om de volgende zeepbel te worden. Er zijn zeker objectieve redenen waarom de prijzen van olie, tarwe of soja dit voorjaar sterk stegen. Voor olie en aardgas –voor zowat alle grondstroffen trouwens– drijven de boomende economieën van opkomende reuzen zoals China, India, Brazilië en Indonesië de vraag en dus de prijzen op. En toch, vraag en aanbod van ruwe olie zijn ongeveer gelijk. Volgens het Internationaal Energieagentschap (IEA) bedroegen beiden 86,8 miljoen barrel per dag in april 2008.
De olieprijs steeg het voorbije anderhalf jaar veel meer dan in 2003 en 2006, terwijl de vraag minder sterk toenam. Vraag en aanbod stijgen al 25 jaar gelijkmatig. Tussen 2003 en 2006 verdubbelde de prijs van dertig naar zestig dollar per vat, terwijl de vraag in die periode met zeven miljoen vaten per dag toenam. De voorbije anderhalf jaar nam de vraag “slechts” met twee miljoen vaten per dag toe en steeg de prijs van zestig naar 147 dollar.
Bovendien strekt de dekking van de oliestocks 53,4 dagen ver, volgens het IEA ‘bóven het gemiddelde van de voorbije vijf jaar’. Er zijn ook weinig tekenen van schaarste zoals rijen aanschuivende wagens. ‘140 dollar per vat is niet verantwoord. Dat zakt terug ineen’, voorspelt professor De Grauwe. Dat proces lijkt overigens al bezig.
Voor landbouwgrondstoffen is de situatie anders. De prijzen van rijst, tarwe, soja en maïs stegen sterk –zij het dat die van tarwe en rijst intussen alweer zijn gedaald– maar de graanvoorraden liggen effectief op het laagste niveau in jaren. ‘Zeven van de voorbije acht jaar is er meer graan verbruikt dan geproduceerd. De echte graanreserves daalden van 285 miljoen ton in 2000 naar 22 miljoen ton nu. ‘Dat is 1,05 percent van het wereldgebruik terwijl vijf procent nodig is om enigszins beschermd te zijn tegen slechte oogsten’, weet Jef Vandeputte van Commodity Consultants.
De krimp van de stocks ligt niet aan lage productie –2007 en 2008 zijn recordjaren– maar aan de groeiende vraag. Zo wordt er meer vlees gegeten in de opkomende landen en een kilogram vlees produceren vergt zes tot acht kilo granen. Vandeputte: ‘Dat ging geleidelijk, waardoor de markt zich kon aanpassen.
Dat was niet zo met de bruuske beslissing in de VS, de EU, Brazilië en Indonesië om voedingsgewassen als biobrandstof te gebruiken. In de VS ging in 2000 nog 4,7 procent van de maïsproductie naar ethanol, in 2007 was het al 17,2 procent.’ Vandeputte ziet daarin de belangrijkste oorzaak van de hoge prijzen.
Toch gebeurden ook op de landbouwmarkten rare zaken die financiële speculatie suggereren. De katoenprijs steeg in februari met vijftig procent terwijl de voorraadschuren vol zaten.

Pensioenfondsen die massaal tarwe kopen


Hoe kan de geldwereld de prijs van olie of tarwe beïnvloeden? Dat is mogelijk omdat financiële instellingen die er niet aan denken om olie of maïs echt te kopen, grote spelers zijn geworden op de futuresmarkten van die grondstoffen. Futures zijn contracten waardoor een koper er zich toe verbindt om op een bepaald tijdstip een hoeveelheid van een grondstof aan een bepaalde prijs te zullen kopen.
De verkoper aanvaardt aan die prijs te zullen leveren. Futures laten toe dat producenten zich indekken tegen prijsschommelingen: de boer die zaait in maart, heeft graag dan al zekerheid over de prijs die hij in september zal krijgen. De nuttige rol van de traditionele speculant is dat hij die futures aan die prijs koopt omdat hij hoopt dat tegen september de prijs hoger zal liggen, waardoor hij dus kan verkopen met winst.
Nu melden zich evenwel ook pensioenfondsen, hefboomfondsen en banken massaal als koper op de futuresmarkten: ze wakkeren de vraag aan, jagen zo de toekomstige prijzen de lucht in en uiteindelijk ook de actuele prijzen. Indien het verschil tussen futures en dagprijs immers te groot wordt, slaan oliebedrijven bijvoorbeeld olie op om die te kunnen verkopen aan de interessantere futuresprijs en drijven zo de dagprijs op.
Michael Masters, twaalf jaar manager van een hefboomfonds, zei het zo op een hoorzitting voor de Amerikaanse senaat in mei 2008: ‘Waarom blijft de vraag naar grondstoffen stijgen terwijl de prijs door het dak gaat? Omdat een nieuwe categorie spelers zich meldt op de markt van de grondstoffenfutures: institutionele beleggers zoals pensioenfondsen, hefboomfondsen, allerlei beleggingsfondsen… Samen zijn deze beleggers nu al goed voor een groter deel van de grondstoffenfutures dan de traditionele spelers.’ Masters noemt de institutionele beleggers ‘indexspeculanten’ omdat ze gokken op de stijging van grondstoffenprijzen en hun bijhorende index.  
Tussen 2003 en 2008 stegen de investeringen van indexspeculanten in grondstoffenfutures volgens Masters van dertien miljard dollar naar 260 miljard dollar. Drie van de vier Belgische grootbanken bieden hun klanten dergelijke beleggingsinstrumenten aan (zie kader). Masters: ‘Deze groep heeft nu via de futuresmarkt 1,1 miljard vaten ruwe olie opgestapeld, acht maal zoveel als de VS de voorbije vijf jaar hebben toegevoegd aan hun strategische voorraad. Met 1,3 miljard schepels tarwe kunnen ze elke VS-burger twee jaar van brood, pasta en gebakken voorzien. Het specifieke aan deze groep is dat ze meer beleggen naarmate de prijzen stijgen.’ Logisch vermits het om een beleggingsproduct gaat: de “kudde” wordt aangetrokken door grondstoffenindices die in waarde sterk toenemen, terwijl aandelen of huizen moeilijke tijden kennen.
Sceptici trekken de rol van de indexspeculanten in twijfel. Ze wijzen erop dat granen als rijst of durumtarwe, waarvoor geen futures bestaan, ook prijsstijgingen kenden. ‘Dat klopt’, zegt de Amerikaanse professor Michael Greenberger van de Universiteit van Maryland aan MO*. Greenberger volgt de materie al jaren. ‘Als speculatie de meeste prijzen heeft aangevuurd, ontstaat er evenwel een inktvlekeffect dat ook grondstoffen zonder futuresmarkten beïnvloedt.’
 Ook autoriteiten zoals Paul De Grauwe of de Amerikaanse belegger-filantroop George Soros menen dat speculatie zeker niet alleen verantwoordelijk is voor de prijsstijgingen, maar er wel toe bijdraagt. Ergo: de zoektocht van de financiële magiërs naar goede beleggingen beïnvloedt dus de prijs die u en ik betalen voor olie, tarwe of soja.

Zelfs indien indexspeculanten voedselprijzen maar een paar procenten opdrijven, is het al waanzin. Het brengt de globalisering in gevaarlijk vaarwater: hoe leg je immers uit dat bankiers straatarme mensen doen hongeren?
Achterpoortjes


Vraag is hoezeer speculatie de prijs opdrijft. Het Amerikaanse Congres buigt zich al een paar jaar over speculatie op Amerikaanse grondstoffenmarkten. Dat is relevant voor de rest van de wereld omdat graan- en energieprijzen grotendeels op Amerikaanse beurzen worden bepaald.
In juni 2006 stelde een rapport van de senaatscommissie voor Homeland Security dat ‘alleen al in de gereguleerde markt zestig miljard dollar aan speculatief kapitaal in oliefutures is gestroomd. Dat schept een bijkomende vraag naar olie die de prijs evenzeer opdrijft als een bijkomende vraag in de fysieke markt… Hoewel het effect van speculatie moeilijk te becijferen valt, is er genoeg bewijs dat de speculatiegolf de olieprijzen heeft verhoogd. Verschillende analisten schatten dat speculatie goed is voor een derde van de huidige olieprijs.’ Die bedroeg toen zeventig dollar. Ter vergelijking: alleen al de 52 eerste dagen van 2008 stroomde 55 miljard dollar de markten voor grondstoffenfutures binnen.
In commissies van de Amerikaanse senaat zijn ook gevallen van regelrechte prijsmanipulatie door speculatie bestudeerd. Die zijn mogelijk gemaakt omdat de Commodity Futures Trading Commission (CFTC), die de handel in grondstoffencontracten controleert, een deel van de markt niet langer kan of wil reguleren.
De CFTC moet er ondermeer op toezien dat  marktspelers niet zo’n dominante positie innemen dat ze de markt kunnen manipuleren. Toch liet de commissie toe dat er verschillende achterpoortjes ontstonden. Professor Michael Greenberger, ooit directeur bij het CFTC, zegt aan MO* dat de commissie ertoe neigt haar eigen autoriteit uit te hollen. ‘Ze staat sterk onder invloed van diegenen die ze hoort te controleren.’
Zo werd eind 2000 het “Enron-achterpoortje” gecreëerd. Dat liet toe dat voortaan ook handel in energiefutures werd gedreven op markten zonder toezicht van de CFCT. ‘Die route ontstond toen senator Gramm, voorzitter van de senaatscommissie Financiën, er net voor het parlementair reces in slaagde een wet op de modernisering van de handel in grondstoffenfutures te laten opnemen in een programmawet van 262 pagina’s.
De nieuwe regeling wordt naar Enron genoemd omdat Wendy Gramm, de vrouw van senator Gramm, in de bestuursraad van Enron zetelde. Het is dankzij die wet dat Enron via zijn eigen online handelsfaciliteit de prijs van elektriciteit in 2001 in het westen van de VS wist te verdubbelen.’ Enron was de grootste donor van de verkiezingscampagne van president George W. Bush en ging een paar jaar later kapot aan massieve fraude. Het “Enron-achterpoortje” slaat niet op landbouwfutures waar het toezicht sterker blijft, al signaleert Michael Masters ook daar mazen in de wet.
Een rapport van de senaatscommissie voor Homeland Security van juni 2007 over speculatie in aardgas toonde aan hoe het hefboomfonds Amaranth dankzij het zogenaamde “Londen-achterpoortje” de aardgasprijs kon manipuleren omdat het via de ongereguleerde beurs Intercontinental Exchange (ICE) zowat veertig procent van alle aardgasfutures in handen had. Toezichtscommissie CFTC liet toe dat de ICE, die zogezegd vanuit Londen opereert, zijn terminals in de VS plaatste en er dezelfde producten verhandelde als de gecontroleerde beurzen. Pikant detail: de ICE werd mee opgericht door Goldman Sachs, de bank waar de huidige minister van financiën Henry Paulson jarenlang voorzitter van was.
De ICE heeft ook grote invloed op de oliemarkt. Onder invloed van de parlementaire hoorzittingen en bijhorende commotie heeft de CFTC de “Londen-vluchtroute” al gesloten.  Greenberger verwacht dat het Congres de komende maanden nog andere initiatieven neemt om financiële speculatie op grondstoffen tegen te gaan. ‘Eind mei beweerde de CFTC nog dat er geen enkel bewijs was van excessieve speculatie. Nu gaan ze de markt van de oliefutures nader onderzoeken.’
Heel wat mensen, ook insiders, geloven dus dat de financiële wereld de grondstoffenprijzen meer heeft doen stijgen dan op grond van de fundamentals (objectieve gronden die de prijs beïnvloeden, zoals vraag en aanbod, jvd) nodig was. Dat lijkt een technische opmerking, maar ze raakt miljoenen mensenlevens. Van hoge olieprijzen kan men nog beweren dat ze de vergroening van de economie bevorderen, maar hoge voedselprijzen doden mensen in ontwikkelingslanden. Dat hebben de Verenigde Naties duidelijk gemaakt. Zelfs indien indexspeculanten voedselprijzen maar een paar procenten opdrijven, is het al waanzin. Het brengt de globalisering in gevaarlijk vaarwater: hoe leg je immers uit dat bankiers straatarme mensen doen hongeren?

Regels nodig


Voor de grondstoffenmarkten liggen de antwoorden voor de hand: het bannen van institutionele beleggers uit de markt van grondstoffenfutures, meer toezicht en transparantie, sluiten van achterpoortjes. Maar de vraag is algemener. Meer en meer berokkent de geldsector schade: de almaar uitdeinende hypotheekcrisis weegt zwaar op de reële economie.
De manier om dergelijke crisissen te voorkomen, is de banksector meer regels opleggen. Martin Wolf, hoofdeconomist van de Financial Times: ‘We hebben geen keuze dan te proberen de financiële sector te reguleren. Een financiële sector die enorme beloningen creëert voor insiders en herhaalde crisissen voor honderden miljoenen onschuldige omstaanders, is  politiek onaanvaardbaar. Wie wil dat een marktgeleide mondialisering lukt, zal erkennen dat dit de achilleshiel ervan is. Effectieve actie is nu nodig, voor een nog grotere mondiale crisis uitbreekt.’  
Probleem is dat regels opleggen aan de geldsector moeilijk is. Ten eerste omdat de banksector rijk is en dus een machtige lobby heeft. De Financial Times berekende dat in de VS de ‘winst van de financiële bedrijven sprong van vijf procent van de totale bedrijfswinst in 1982, naar 41 procent in 2007’.
Regulering is ook moeilijk omdat in de VS en elders ministers van Financiën en centrale bankiers dikwijls uit de bankwereld komen en hun ex-collega’s niet graag “kansen” ontzeggen. Professor De Grauwe: ‘Alan Greenspan had grenzeloze bewondering voor de financiële innovaties van zijn ex-collega’s en wou die niets in de weg leggen. Als centrale bankier is hij evenwel niet enkel verantwoordelijk voor de welvaart van de financiële sector maar ook voor de welvaart van de hele bevolking.’ De financiële sector moet de wereld dienen, niet omgekeerd, maar of de politiek daartoe de nodige maatregelen kan nemen, zal moeten blijken.

Drie van de vier Belgische grootbanken speculeren op voedsel


 KBC Life MI Security Food Prices is een beleggingsfonds waarvan het rendement verbonden is aan de prijsevolutie van een korf van zes landbouwgrondstoffen: cacao, koffie, tarwe, suiker, maïs en soja. ‘Neemt de waarde van die belegging toe naarmate de prijzen stijgen?’ vraag ik aan de KBC-Fund Phone. ‘Zo simpel is het’, antwoordt de dame me vriendelijk. KBC besliste ondertussen om geen nieuwe voedselfondsen meer te starten


Dexia Fund Commodities is een beleggingsinstrument dat gelieerd is aan de gekende Goldman Sachs Commodities Light index, een korf van 25 grondstoffen (energie, metalen, akkerbouw en veeteelt). ‘Het richt zich op beleggers die willen profiteren van een beheer dat meerwaarden nastreeft op lange termijn via een blootstelling in grondstoffen… In een moeilijk klimaat voor de meeste andere activaklassen haalde de markt van de grondstoffen in 2007 een rendement met twee cijfers’, staat te lezen in de prospectus.
Aan de beleggerstelefoon van Fortis verneem ik dat de bank geen grondstoffenfondsen aanbiedt. Ze verwijzen me door naar het recent door Fortis overgenomen ABN Amro. ‘Op www.abnamrozertifikate.de kan je onder Rohstoffe heel wat fondsen vinden.’ Inderdaad, zo is er het Jim Rogers International Agricultural Commodity Index Open End Zertifikat, het Rici Enhanced Agricultural Index Zertifikat of het Brent Crude Oil Zertifikat.
ING biedt naar eigen zeggen geen beleggingsinstrumenten aan die inzetten op de stijgende grondstoffenprijzen.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 2643   proMO*’s steunen ons vandaag al.

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur