Garifuna's in Honduras

Garífuna’s noemen ze zich, de zwarten die leven aan de Caribische kust van Honduras. Ontstaan uit de vermenging van zwarte schipbreukelingen en indianen, zijn de garífuna’s een volk apart. Een volk dat zijn leven dankt aan de zon en de zee en zich voortbeweegt op het ritme van de tambores en de puntadans en onder het welwillend oog van hun voorouders. Hun eigen spiritualiteit en cultuur zorgden in het verleden telkens voor de nodige veerkracht om een creatief antwoord te vinden op het wisselende economische of politieke getij. Of ze ook het aanstormende toerisme zullen overleven, is echter niet zo zeker.
De busreis naar de Atlantische kust van Honduras is een heerlijke tocht langs een uitgestrekte toeristische folder. De geur en het ritme van de oceaan dringen binnen in mijn lijf en gedachten. De eerste flarden tropische muziek waaien door de raampjes naar binnen.

In het kuststadje Tela zou een zwarte vrouw me opwachten bij de bushalte. Wanneer ik uitstap, is er niemand te bespeuren die aan het opgegeven signalement voldoet. Na een telefoontje blijkt dat ik in La Ceiba had moeten zijn, enkele uren verderop. Chichí is duidelijk uit haar humeur van het lange wachten. Ik verontschuldig me. Ze werpt haar hoofd in haar nek en steekt een sigaret op. Met één hand ontsteekt ze de lucifer aan het doosje dat ze in dezelfde hand vasthoudt. Ze is groot van gestalte, stevig naar niet dik en draagt een witte pet op haar halflange kroeshaar. Ze zwijgt. ‘We zullen het geplande bezoek moeten wijzigen’, probeer ik voorzichtig het gesprek op gang te brengen. ‘Inderdaad’, is het antwoord. Ze heeft een zware, hese stem. Juana Arzú heet ze maar iedereen kent haar als Chichí. Deze veertigjarige garífunavrouw zal deze dagen mijn gids zijn langs de dorpjes aan de kust. Na een korte wandeling door de stad is het ijs gebroken. ‘Ik denk dat we goed zullen opschieten met elkaar’, is haar conclusie.

CARNAVAL IN LA CEIBA

La Ceiba viert feest. Het is het patroonsfeest van San Isidro, maar iedereen noemt het ‘carnaval’. Het stadscentrum is één groot opentropenfestival. De ene groep toetert op tegen de andere, de straten zijn gehuld in een oorverdovende kakofonie van Antilliaanse ritmes: reggae en son, salsa en merengue, cumbia en chachacha. De meest succesvolle groep is ‘Kazabe’: mannen met zonnebrillen en glitterende hemden die hun danseresje in fonkelend gouden bikini laten swingen op de tonen van de punta-rock, dé muziek van La Ceiba. Het succes van de groep kan niet meer stuk wanneer de schaars geklede jongedame mannen uitnodigt om de lenigheid van hun heupen te tonen. Het publiek laat zich joelend opwarmen. Chichí kan haar minachting voor het wulpse spektakel moeilijk verbergen. ‘Kijk hoe ze onze cultuur verkrachten’, vindt ze. Een klein groepje garífunakinderen danst hun eigen punta op het ritme van de tambores en de schelpen, maar de kinderen verdwijnen in het niet temidden van dit uitbundige feesttumult. De geur van gefrituurd vlees vermengt zich met de zoete lucht van suikerspin. Iemand voert met een karretje grote blokken ijs aan om het bier te koelen. Een stuwende slang van blanke, bruine en zwarte mensen, jong en oud, doorklieft de menigte en drumt het volk bijeen op de stoep. Iets voor middernacht houden we het voor bekeken. Wanneer we ter hoogte van het park komen, trekt Chichí me plots naar de overkant van de straat. Ik zie de uitdrukking van verbijstering op haar gezicht en volg zonder uitleg te vragen. Op de trappen van een bankgebouw zitten zeven zwarte jongens op een rij, bewaakt door politieagenten met hun AK-47 in aanslag. Zeventien agenten tel ik. De jongens zijn allemaal uit Nueva Armenia, het dorpje waar Chichí woont. Eén van de agenten sleurt een jongen aan zijn hemd mee, geeft hem een slag in zijn gezicht en enkele klappen met de kolf van zijn geweer. Chichí vraagt wat er aan de hand is. ‘Ze liepen te duwen in de menigte’, blaft de agent terug. ‘Omdat we zwarten zijn, behandelen ze ons zo’, sist Chichí. Pas wanneer we thuis zijn, barst ze in tranen uit. Als we het licht doven en ons te slapen leggen, vraag ik of ze zich nu rustig voelt. ‘Ja, in de handen van God’, antwoordt ze.

SCHELPJES EN ANDERE AFRODISIACA

Nueva Armenia was ooit een bloeiend centrum, toen het leven er nog draaide rond de activiteiten van de Standard Fruit Company. Een aanlegsteiger, een spoorweg en een station gaven het dorp allure. In de loop van de jaren is het elke suggestie van grandeur echter volledig kwijtgeraakt. Rondslingerend plastic en lege, platgetrapte drankbrikjes liggen nonchalant uitgewaaierd langs de weg. Boven een donkere poel rottend water zoemen dichte zwermen muggen. De garífunadorpen zijn best pittoresk en aantrekkelijk maar de werkelijkheid is er ook één van verval en conflict.

Ik zit op het erf voor het huis van Chichí. Een indrukwekkende mangoboom regent rijpe vruchten op het zinken dak. Een magere kerel in een halflange broek en op blote voeten cirkelt om me heen, als een insect zoekend naar de juiste plek om te prikken. Toto heet hij. Hij wil drie lempira’s van me. (Drie lempira’s: 10 BEF of 50 cent). Toto wil gaan drinken. Zijn hoofd tolt nog van de vorige dag maar hij wil zich opnieuw bezuipen. Chichí roept vanuit de keuken dat ik niets mag geven. ‘Ik kan het toch beter vragen dan het van haar te stelen’, verdedigt Toto zich, maar verdwijnt. Voor even. Norma, de dochter van Chichí, veegt het erf en danst punta, op de tonen van ‘Sopa de Caracol’. Iedereen danst hier de punta, van de ochtend tot de avond, van in de moederschoot tot in het graf. Norma is drieëntwintig en woont met haar dochtertje bij haar moeder. Samen runnen ze het kleine hotelletje dat Chichí uitbaat ten behoeve van de weinige rugzaktoeristen die langskomen. Chichí zelf is niet veel thuis. ‘Ik werk op de straat zoals anderen op het veld’, zegt ze. Ze coördineert de vrouwengroep die zowat het hele sociale leven van het dorp draagt. Onder leiding van Chichí worden de waterleiding en de riolering aangelegd. Zij houdt het parochiearchief bij en zorgt voor de schooluniformen. Chichí, de steunpilaar van Nueva Armenia. Ze droomt ervan ooit een diploma maatschappelijk werkster in de wacht te slepen om zo, met meer kennis van zaken, de gemeenschappen van dienst te kunnen zijn. Ze zette haar studies stop in het eerste jaar middelbaar onderwijs. Ze trouwde kort nadien en kreeg haar eerste kind op haar vijftiende, zoals de meeste vrouwen hier. Intussen is ze twee keer gescheiden. ‘Het was geen leven’, verontschuldigt ze zich. ‘Ik mocht het huis niet uit.’ Uit die twee relaties kreeg ze zes kinderen, waarvan alleen Norma bij haar woont. Een andere dochter is getrouwd en woont bij haar man. Een zoon groeit op bij haar broer, een dochter bij Chichí’s ouders en twee zoontjes bij de vrouw van haar tweede man. Een wat bizarre, maar bij garífuna’s geenszins uitzonderlijke situatie. Vroeger, zo lees ik in een antropologisch werkje, kenden de garífuna’s een gestructureerde vorm van polygamie, met duidelijke taken en plichten. Migratie en moderniserende invloeden hebben het systeem verstoord en voor enige chaos en anarchie gezorgd. Vandaag, zo maak ik op uit tal van contacten met vrouwen, bestaat een garífunagemeenschap eerder uit een verzameling van mannen, vrouwen en kinderen dan uit kerngezinnen. De liefde wordt vrij beleefd en relaties zijn van korte duur. De cultuur van dit Caribische volk drijft op sensualiteit en erotiek.

Nueva Armenia is een doolhof van hutten en huisjes, eerder dan een geordende eenheid van straten en wijken. Langs de weg spelen groepjes mannen bingo of domino. Vrouwen vlechten, in dambordpatroon, staartjes op de hoofden van hun dochtertjes. ‘Goedendag’, zeg ik, wanneer ik hen passeer. ‘Okay máma’, antwoorden ze onverschillig en gaan door met vlechten. Chichí houdt halt voor één van de hutten. ‘Hier woont een sterke vrouw’, zegt ze. Met die schaarse toelichting stap ik het donkere vertrek binnen. De vrouw, Teresa heet ze, bekijkt me met een verwondering zoals, stel ik me voor, de eerste Arawak-indianen de zwarten bekeken toen die op San Vicente aanspoelden. ‘Wat ben jij mooi’, zegt ze traag. Om me wat beter te kunnen bekijken, grijpt ze me bij de kin en draait mijn gezicht in de richting van de lichtstraal die door het deurgat binnenvalt. Ze betast mijn armen. ‘Spijtig dat ik een vrouw ben’, fluistert ze. ‘Anders zou ik je vragen met me te trouwen en me mee te nemen naar je land.’ Ik vraag of ze dan niet getrouwd is. ‘Jawel. In een ver verleden.’ Maar ze heeft haar man al lang geleden de bons gegeven want ‘dat was een brutale vent en een dronkaard’. Intussen is hij al lang dood, zegt ze op een toon alsof het zijn eigen schuld is. Ik vraag hoe oud ze is. ‘Zes acht.’ Achtenzestig dus. De vrouw straalt een vitaliteit uit die contrasteert met haar oude lijf en in haar ogen heeft ze een merkwaardige glans. Ze leest de verwondering op mijn gezicht. ‘Ik ben nog sterk en jeugdig’, bevestigt ze. ‘Dat komt omdat ik op tijd mijn borrel rum neem en mijn conditie op peil houd met mijn kruiden.’ Ze is curandera dus, medicijnvrouw. Ik wil graag weten waarvoor de mensen haar zoal opzoeken. ‘Hier komen vrouwen met menstruatiestoornissen. Mannen die impotent zijn breng ik op krachten. Koppels met vruchtbaarheidsproblemen geef ik raad.’ Ze is trots op haar kennis. Ik vraag of ze ook middeltjes heeft om zwangerschappen te voorkomen. Die heeft ze ook. Net zoals ze ook remedies heeft tegen hoofdpijn, hoest, buikkrampen en bloedarmoede. Al die kennis heeft haar moeder haar, nadat ze stierf, in een droom geopenbaard. Uit een nis in het palmbladerendak haalt ze een bundel zorgvuldig bij elkaar gebonden kruiden tevoorschijn. Ze vouwt de bundel open op haar schoot en legt uit waartoe alles dient. ‘Hier heb ik nog iets bijzonders’, zegt ze tenslotte en haalt een boomvrucht te voorschijn, een dikke pit in een vezelachtig omhulsel. Calahuala is de naam van de vrucht. ‘Die is voor jou. Daar moet je kleine stukjes afsnijden, die met rum overgieten en een tijdje laten trekken’. Ik vraag wat me te wachten staat als ik van dat goedje drink. ‘Dat is een goed middel tegen artritis’, zegt ze. ‘Maar het helpt vooral voor de liefde.’ Ik stop de pit zorgvuldig weg en vraag of ze ook guifitty maakt. Chichí kijkt me verbaasd aan, alsof ik verboden terrein betreed. Waar heb ik over guifitty gehoord? Ik zeg dat ik erover gelezen heb. Het is dé drank van de garífuna’s, zelfs voor wie migreerde naar de VS. Natuurlijk maakt Teresa guiffity. Ze haalt een fles te voorschijn en laat me proeven. Het is een cognackleurige, met kruiden op smaak gebrachte rum. Het drankje heeft een bittere maar zachte smaak. ‘Dit is de drank die ons overeind houdt. Zin in een bord cocosmelksoep met vis?’ vraagt Teresa, die nu echt wel ingenomen lijkt met het bezoek. Ik sla het aanbod niet af. Ze zet een pot op het vuur en terwijl het goedje op temperatuur komt, geeft de vrouw een sessie punta ten beste. Op haar blote voeten danst ze keurige stapjes, terwijl haar buik vloeiende draaibewegingen maakt op haar oude benen en haar schouders sierlijk op en neer gaan volgens het ritme van het deuntje dat ze neuriet. ‘Ay máma’, roept ze uit en kust me op de wang. Intussen is de soep klaar. Ik lepel het smeuïge, zoete gerecht op en vraag me af welke kruiden ze er misschien wel in vermengd heeft. ‘Ik wil nog een cadeautje meegeven’, zegt Teresa bij het afscheid. Ze speurt de randen van de zoldering af en haalt uit weer een ander nisje iets kostbaars te voorschijn. Een gaaf en glad, roze caracolschelpje. ‘Een prachtexemplaar’, vindt ze zelf ook. ‘Als je dit omhangt, zal er nog meer liefde je verdere levensweg begeleiden’.

DANSEN MET DE GEESTEN

De kruidengeneeskunde van Teresa balanceert op de rand van de magie. De garífuna’s leven dagelijks op het kruispunt van de tastbare wereld en de wereld van de ‘gubida’, zoals zij de geesten van hun voorouders noemen. De intense verwevenheid van het natuurlijke en het bovennatuurlijke, krijgt bij hen een uitdrukking in hun ‘dügü’, een geheel van filosofische en religieuze opvattingen, uitgedrukt in rituelen, muziek, dans en verhalen, vergelijkbaar met voodoo of santería.

Aan de bisschop van Trujillo -die het bij tal van gelegenheden, in de strijd om de grond of in het aanklagen van groeiende armoede, heeft opgenomen voor de garífuna’s- vraag ik hoe de katholieke kerk nu aankijkt tegen het dügügeloof en de bijbehorende rituelen, die ze vroeger drastisch verbood. Mgr. Virgilio López: ‘Die praktijken werden inderdaad beschouwd als duivels, maar sinds enkele jaren is er binnen de kerk een openheid gegroeid voor de Afro-Amerikaanse cultuur en is er sprake van echte inculturatie van het katholieke geloof in de garífunawereld. Negentig procent van de garífuna’s zijn trouwens katholiek en laten hun kinderen dopen.’ Alleen op het vlak van huwelijksmoraal en gezinspastoraat ligt het moeilijk, vindt de bisschop. Huwelijken binnen de kerk blijven schaars en relaties zijn oppervlakkig. Maar verder combineren de garífuna’s probleemloos de beide geloofsopvattingen. ‘Er zijn ook talrijke aanknopingspunten. De cultus voor de overledenen is in beide religies heel belangrijk. Hun gubida, die tussenbeide komen in het leven van de mensen, kan je vergelijken met de heiligen bij ons. Precies om die gemeenschappelijke elementen kennen sekten bij de garífuna’s slechts een matig succes. Binnen een sekte staat een garífuna in de kou met zijn traditionele geloof. Misvieringen in de dorpjes zijn nu geanimeerde bijeenkomsten, opgeluisterd met garífunamuziek en -dans.’

Hoe katholiek ze ook zijn, om te bemiddelen tussen de aardse werkelijkheid en de etherische sferen van de geesten doen de garífuna’s eerder een beroep op hun ‘buyei’ dan op de pastoors. Deze ‘aardse middelaars’ kunnen in direct contact treden met de onzichtbare werkelijkheid. Chichí brengt me bij een vrouw die buyei is. Señora Inés zit weggezakt in haar zetel, moe van het harde werken op het veld maar ze is bereid om wat te vertellen. We nemen plaats op de patio, in het zwakke licht van de straatlantaarn. ‘Vroeger geloofde ik niet in de geesten’, geeft Inés toe.’Maar ik werd zwaar ziek, zeven maanden lang. Koorts. Mijn hoofd tolde en het was alsof er een zwaar gewicht op mijn schouders drukte. Een oudere buyei legde me uit dat dit het teken was dat de geesten me riepen. Als ik niet op hun vraag zou ingaan, zou ik één voor één mijn kinderen verliezen. Ik had al tien bevallingen gehad maar slechts vijf kinderen bleven in leven. Ik kon niet anders dan aanvaarden.’ Ik vraag Inés waarvoor de mensen haar raadplegen. ‘Voor ziekten van het lichaam of wanneer kwaad het huis of de patio treft’, legt de buyei uit. ‘Soms ook wanneer er problemen zijn in de familie of in het dorp. Het gebeurt dat mensen mijn hulp vragen om anderen kwaad te berokkenen. Op zo’n vraag weiger ik in te gaan. Voor je plezier moet je het niet doen’, zegt Inés. ‘Na elke behandeling ben ik bekaf. De geesten werken namelijk in jou, met jouw bloed. Het is ook een zware verantwoordelijkheid. Als een genezing mislukt, krijg je dikwijls nog de schuld. De buyei kan haar werk doen, maar het is God die uiteindelijk beslist. Wij werken slechts met de wil van God.’ Er zijn verschillende soorten rituelen, maar het belangrijkste en omvangrijkste, legt deze vrouw uit, is het eigenlijke ‘dügüritueel’. Dit ritueel neemt heel wat tijd in beslag: er wordt een nieuwe hut gebouwd; in een speciale viering worden de geesten verwelkomd en wanneer tenslotte alle genodigden aanwezig zijn, vindt het eigenlijke ‘dansritueel met de geesten’ plaats, want dat betekent het dügüritueel eigenlijk.

In barrio Cristales, in Trujillo, ben ik getuige van een dügü. De nieuwe hut is klaar. De verse palmbladeren schitteren in de zon. De ceremonie van vandaag bestaat uit het ontvangen van de geesten in het nieuwe huis. De grote viering vindt pas over een maand plaats, wanneer de familieleden uit de VS zijn overgekomen. Echt deelnemen kunnen we niet. Dat mag alleen wanneer de buyei, na consultatie van de geesten, de toestemming heeft gegeven. We namen vooraf wel een kijkje binnen in de hut en zien nu toe vanop het erf van de buren. Met tambores wordt er rond het huis gedanst. Dan gaat iedereen naar binnen en zingen vrouwenstemmen afgewisseld met mannenstemmen eentonige versregels. Er wordt gedronken en gegeten rond een groot vuur dat binnen in de hut brandt. Stemmen praten op gedempte, ingetogen toon. ‘Als je deelneemt zonder toestemming, kan er alleen maar onheil van komen’, meent Chichí. Ze raadt me ten stelligste af dat te doen. Ze herinnert zich hoe de geesten haar tijdens zo’n ritueel vastgrepen en van een verhoging op de grond gooiden. ‘Het deed wonderlijk genoeg geen pijn’, herinnert ze zich. ‘Soms laten ze iemand ineens op het dak springen. Soms komen ze op je schouders zitten en dansen de hele tijd met je in het rond.’ Een vrouw die mee toekijkt, vult aan: ‘Mij hebben de geesten in een dügü al eens in het Engels aangesproken. Ik ken die taal helemaal niet maar antwoordde hen feilloos in het Engels. Hetzelfde gebeurt met jongeren uit de stad die geen Garífuna kennen. In een dügü doen de geesten hen hun taal spreken.’ Het klinkt zo overtuigend dat ik het inderdaad beter vind het ritueel aan bevoegden over te laten en zelf schroomvol op afstand te blijven.

De afgelopen tijd is het aantal dügürituelen opvallend toegenomen. Vanuit buurland Belize, waar men kampt met een ernstig tekort aan buyei’s, komt men naar de garífunadorpjes in Honduras op zoek naar zulke mannen of vrouwen die hen kunnen helpen bij de rituelen. Het groeiende bewustzijn van de eigen identiteit is daar zeker een verklaring voor. Maar wellicht zetten toenemende ziektes, vooral aids, en groeiende verdeeldheid over grond en geld de garífuna’s er ook toe aan met de rituelen de hulp van de voorouders in te roepen voor de ongrijpbare plagen van de moderne tijd.

‘SLAVEN ZULLEN ZE VAN ONS MAKEN’

Het is nog vroeg in de ochtend wanneer we in Triumfo de la Cruz aankomen. We droppen onze rugzakken bij de plaatselijke radiozender en kijken toe hoe het dorp langzaam op gang komt. Vrouwen lopen voorbij met bundels hout op hun hoofd. Mannen fietsen ongehaast op hun mountainbike, schijnbaar nergens naartoe. Voor het winkeltje naast de radiozender zitten oude mannen op een bank: te drinken, te suffen, te ruzieën, wellicht al sinds gisteravond. Drie kinderen spelen in het zand met een geamputeerde barbie.

Een nieuwsbericht in de krant kopt: ‘Zwarten op voet van oorlog.’ In Triumfo de la Cruz weet men wel waarom. Het is één van de vele garífunadorpen die vanwege hun aantrekkelijke stranden verwikkeld zijn geraakt in ernstige grondproblemen. Deze dagen wordt er in het parlement druk gedebatteerd over het territorium van de garífuna’s. De hele discussie draait om de hervorming van artikel 107 van de grondwet. Dat stelt dat de Hondurese kustlijn tot veertig kilometer landinwaarts niet verkocht kan worden aan buitenlanders. Dat artikel staat echter haaks op de plannen van de pas aangetreden president Carlos Flores, die van de uitbouw van het toerisme één van de prioriteiten van zijn beleid heeft gemaakt. Hij ziet hierin de weg om een snelle economische groei te garanderen. Honduras zelf beschikt echter niet over de nodige miljoenen om de grootschalige toeristische projecten te realiseren en wil voor buitenlandse investeerders alle hindernissen wegnemen. De wijziging van artikel 107 zou de doodsteek betekenen voor de garífunadorpjes, die precies binnen die strook van veertig kilometer gelegen zijn.

Samen met Chichí ga ik op zoek naar mensen die ons kunnen vertellen wat er in Triumfo aan de hand is. Onder een palmboom vinden we het archief van het dorp. Gregorio Alvarez is drieënnegentig maar nog bijzonder helder. Hij is één van de stamvaders van het dorp en heeft zich sinds het prille begin ingezet voor het behoud van de stranden van Triumfo. De oude man wil eerst weten waar ik vandaan kom. Hij kent immers de wereld. Tijdens de Tweede Wereldoorlog werkte hij, zoals vele garífuna’s in die tijd, voor de Amerikaanse marine en ging ingeblikt vlees ophalen in Argentinië om het naar Europa en enkele landen aan de Stille Oceaan te brengen. Na de oorlog sleepte hij telkens nieuwe scheepvaartcontracten in de wacht bij Amerikaanse rederijen. Tussendoor kwam hij zoveel mogelijk naar Triumfo. Vijftien jaar geleden keerde hij definitief terug uit de VS en ontvangt nu regelmatig een pensioen. Daarvan kan hij in Honduras veel beter leven dan in het Noorden. Liever onder een palmboom op het strand dan blootgesteld aan de gevaren van de Amerikaanse steden. Hoewel, in Triumfo is de rust ook grondig verstoord, vindt Gregorio. Hij doet het hele verhaal. ‘In 1951 kwam er een commandant van het leger met de boodschap dat vreemde heren geïnteresseerd waren in onze stranden voor de bananenexport. We gingen in delegaties naar de hoofdstad om protest aan te tekenen, maar ons volk was verdeeld. Sommigen verkochten hun perceeltje. Dat was illegaal want het ging om gemeenschapsgronden. Maar het stadsbestuur van Tela zorgde voor de nodige documenten en via een dochteronderneming palmde de United Fruit Company onze gronden in. Nu worden we opnieuw onder druk gezet. Ladino’s (de bevolkingsgroep die ontstond uit de vermenging van blanken en indianen) die zich lenen als stromannen voor rijke investeerders uit het buitenland of uit San Pedro Sula, kopen onze gronden op en snijden de toegang tot de stranden af. Soms zijn het ook garífuna’s van Triumfo zelf, die zich laten gebruiken door vreemden. Ze worden ingepakt met een mooi commissieloon en die rijke heren kunnen zo voor een belachelijk lage prijs een prachtstukje strand tot hun eigendom maken. Weet je, wij, garífuna’s, worden gek wanneer we geld zien’, zucht Gregorio. Damasia, lid van het gemeentebestuur, is erbij komen zitten. ‘We hebben het te ver laten komen’, vindt ze. ‘We gaan regelrecht onze ondergang tegemoet. Ze zeggen dat die projecten werkgelegenheid brengen. Als het erop aankomt, hebben wij niet de nodige bekwaamheid om mee te draaien. Slaven zullen ze van ons maken in heel dit toeristisch project. Die ondernemers zijn slechts voor de folklore in ons geïnteresseerd.’ ‘Wij vragen niets speciaals’, vult Gregorio aan. ‘Wij willen alleen vrij zijn en onze stranden behouden. Wij zijn niet gemaakt om in de bergen te leven. Wij kunnen niet leven zonder de zeewind te voelen in ons gezicht.’

Het gesprek onder de palmboom wordt plots afgebroken door een boer die buiten adem komt aanlopen. Het zweet stroomt in beekjes langs zijn zwarte slapen. De zinnen stokken in zijn keel van woede en verbijstering. Een kudde runderen, waarvan de eigenaar een ladino is, is zijn veld binnengedrongen en vertrapt de maïs en de yucca’s die net zo mooi opkomen. Hij wil dat we komen kijken en foto’s nemen. Er worden snel wat mountainbikes verzameld en met een hele delegatie trekken we de jungle in. Na een tijdje fietsen, zien we de grazende koeien op het terrein van boer Mauricio. ‘Ik houd dit niet langer uit’, klinkt het wanhopig. ‘Wanneer we weigeren onze grond te verkopen, krijgen we zulke pesterijen. En dan zeggen ze dat de zwarten te lui zijn om te werken.Wat moeten we doen?’ ‘Eén van de beesten doodschieten. Dan keren ze beslist niet meer terug’, vindt iemand. ‘Als ik dat doe, riskeer ik zelf een kogel’, vreest Mauricio. ‘En als we het voorval aanklagen, krijgen we er een hoop misère bij.’

Pesterijen zijn een groeiende plaag in al de kustdorpjes, van Tela tot Trujillo. Ik raadpleeg hierover Tulio Gonzalez. Gonzalez is sinds twee jaar voorzitter van de Nationale Coördinatie van Zwarten in Honduras, een instantie die speciaal naar aanleiding van de grondproblemen in het leven werd geroepen.’Gedeeltelijk ligt de oorzaak bij de onverantwoordelijkheid van de regering en het feit dat zij zich nooit om de situatie van de zwarten bekommerd heeft. Maar we hebben zelf ook schuld aan het probleem’, zegt Gonzalez onverbloemd. ‘We hebben ons nooit bekommerd om de eigendomstitels van onze grond. We hebben nooit de reflex gehad ons territorium af te bakenen. De enige oplossing is die grond terug in eigendom te krijgen. Volgens de Conventie 169 van de VN hebben we daar recht op.’ Dat zal echter niet van een leien dakje lopen. De nieuwe eigenaars zijn immers vaak parlementariërs, vroegere presidentskandidaten of gewezen militairen. In Trujillo is de stafchef van het leger, generaal Hung Pacheco, eigenaar van een stuk strand. Van Limón tot La Ceiba wordt hectare na hectare opgekocht door Miguel Facussé, de grootste zakenman van het land en oom van de president, om zijn plantages van citrusvruchten en Afrikaanse Palm uit te breiden. Het gaat steeds om de beste gronden: vlak, vruchtbaar en makkelijk toegankelijk. De kuststrook is niet alleen aantrekkelijk als idyllisch vakantieoord of vruchtbaar plantagegebied. De regio is ook interessant voor de toenemende drugshandel waarbij dezelfde figuren naar verluidt betrokken zijn. Gonzalez: ‘Vandaag beseffen de garífuna’s wel wat die gronden waard zijn, maar ik vrees dat het te laat is. Het is een nalatigheid geweest die we zeer duur betalen. Toch moeten we er voor vechten. De strijd verliezen, betekent de doodsteek voor ons volk. De strijd winnen, is toekomst creëren. Niet dat we de modernisering willen tegenhouden, maar we willen wél geraadpleegd worden en in staat zijn ons voor te bereiden.’

HET WITTE POEDER

‘Alfredo López!’ De bewaker schreeuwt in de richting van de tralies die de ingang van de gevangenis van Tela afscheiden van het binnenplein. Een donkere man van middelmatige lengte komt in de richting van het ijzeren hekken gestapt. De gevangenisbewaarder is mild gestemd. Hoewel het geen bezoekdag is, mag Alfredo buiten de bewakingshekken voor een gesprek. We leunen tegen één van de muren op de aangrenzende patio. Telkens wanneer de cipier wat te dicht in de buurt komt, schakelt Alfredo over op het Engels, zijn tweede taal sinds hij enkele jaren in de VS verbleef. Precies een jaar geleden werd hij opgepakt. Hij was toen coördinator van Ofraneh, één van de belangrijkste organisaties van zwarten in Honduras, en voorzitter van het Comité ter Verdediging van de Grond in Triumfo. ‘De politie beschuldigde me van drugssmokkel omdat ze in mijn auto een zakje verdacht wit poeder gevonden had’, vertelt Alfredo. Een week geleden, na één jaar hechtenis, werd het bewijs geleverd dat het witte poeder geen drugs was, maar gewoon bloem. Alfredo: ‘Het was al langer duidelijk dat ze me zochten. Ik heb me in verband met de strijd tegen het toeristische megaproject Marbella uitdrukkelijk laten kennen. Enkele dagen voor mijn arrestatie was er een vergadering geweest waarop de binnen- en buitenlandse aandeelhouders, iemand van de milieuorganisatie en ikzelf aanwezig waren. Ik wees toen vooral op de inbreuken die dat project pleegt op de Conventie 169 van de VN. Die conventie waakt over het territorium van inheemse volkeren en is in 1994 door de Hondurese regering ondertekend. Wij eisten dat onze rechten gerespecteerd zouden worden. De sfeer op die vergadering was bijzonder vijandig en toen ik naar huis ging, voelde ik dat er iets ging gebeuren. Verontrust nam ik een andere weg dan gewoonlijk. Achteraf bleek inderdaad dat ze me opgewacht hadden. Het was toen ook een periode van hoogoplopende spanning rond de grondconflicten. We planden net een nationale inheemse optocht om ruchtbaarheid te geven aan het probleem.’ Ze hebben het smerig gespeeld, vindt Alfredo. Door hem op te pakken voor drugssmokkel, twijfelden zelfs de mensenrechtenorganisaties aan zijn onschuld en lieten Alfredo in de steek. Alleen op zijn vrouw en op enkele trouwe vrienden kon hij rekenen om solidariteitsacties te organiseren. Maar telkens als zij een actie ondernemen, wordt Alfredo in de gevangenis geïntimideerd en gepest. Nu het bewijs van zijn onschuld geleverd is, hoopt hij spoedig vrij te komen. Hoewel daarmee de problemen niet van de baan zijn. Alfredo vreest voor represailles van de Marbellagroep. ‘Ze zullen woedend zijn omdat ze niet geslaagd zijn in hun opzet. Ik zal een tijdje uit Triumfo moeten verdwijnen, maar dan ben ik tenminste al verlost uit deze hel.’

DE BAKERMAT VAN HET VOLK

Op het strand van Cristales, de zwarte wijk van Trujillo, klopt het garífunahart iets sneller.

Cocopanda, in de uitgaansbuurt, is dé ‘place to be’, de plek waar traditie en moderniteit elkaar aantrekken. Waar rugzaktoeristen en garífunajongeren met elkaar versmelten op het ritme van de reggae- en puntamuziek en van de aanrollende golven. ‘Get up, stand up’, klinkt het uit de boxen. Bob Marley is voor dit volk ‘de grote filosoof’. Een jonge man met rastakapsel loopt een eindje met ons mee. Hij is getrouwd met een Nederlands meisje en geeft dansles in Amsterdam. Hij is voor enkele weken terug om samen met zijn vrienden de wereldbeker voetbal te volgen. Daarna keert hij weer naar Nederland, zegt hij. Verder reikt onze conversatie niet, want de man is duidelijk stoned. Uit de open ramen van Bar Caribeña klinkt parrandamuziek, de weemoedige melodie van de garífunaballades. We gaan naar binnen en gaan zitten bij een groepje mensen aan de bar. ‘Dit is de wieg van het garífunavolk’, zegt de man op de barkruk naast me. Hij heeft gelijk. Hier, in Cristales, strandden de eerste garífuna’s op Hondurees grondgebied. Ruben heet de man die me zo onverwacht aanspreekt, maar iedereen noemt hem bij zijn familienaam Quioto. Hij is lang en smal, eerder donkerbruin dan zwart. Quioto drinkt een Port Royal, een Hondurees pilsje, en trakteert. ‘Die zijn met de geesten gekomen’, zegt Ruben, en gebaart in de richting van het ensemble. ‘Het zijn echte artiesten.’ Ik twijfel er niet aan. Het krachtige gezang van de twee vrouwen, het vloeiende samenspel met de mannen, de éne met gitaar en de andere met maraca’s, de houten rammelaars. Na enkele liederen verplaatst het groepje zich naar de andere hoek van het vertrek, waar de tambores zijn opgesteld. Mannen trommelen, iemand speelt op de caracolschelp, een andere op het lege schild van een schildpad. Vrouwen treden beurtelings aan om een staaltje puntavirtuositeit ten beste te geven. De manier waarop zij in bezit genomen worden door het ritme doet vermoeden dat hier een dimensie méér in het spel is. ‘Ze komen van het dügüritueel en weten van geen ophouden. Spijtig genoeg kennen vele jongeren niet meer de diepere betekenis van onze muziek en dans’, zegt Ruben, die zelf veertig is en het evenwicht tussen oud en nieuw toch ook niet zo eenvoudig vindt. ‘De meeste mensen hier zijn bejaarden die erg conservatief omgaan met de traditie en zich afsluiten voor elke vernieuwing. En met de jongeren valt niet veel te beginnen. Die hangen rond op het strand en zoeken het gezelschap van toeristen om te drinken en zich te drogeren. Het is een jeugd zonder wortels’, vindt Quioto. ‘Een generatie jongeren die opgroeide zonder hun ouders, want die weken uit naar de VS. Vooruitkomen in het leven betekent voor hen migreren naar de States. Ofwel migreren ze en brengen ze bij hun terugkeer alleen de ondeugden mee. Ofwel zitten ze hier niets te doen, te wachten op het geld dat hen wordt toegestuurd. Op hen moeten we zeker niet rekenen om de problemen van de grond en het toerisme te lijf te gaan.’ Ruben zelf heeft het anders aangepakt. Hij studeerde psychologie in Houston, maar keerde na zijn studie terug. Momenteel werkt hij aan de universiteit van San Pedro Sula en komt elk weekend weer naar Cristales. Quioto houdt van zijn volk en van het strand van Cristales, maar koppelt die liefde aan ondernemingszin. Het geld dat hij verdient, investeert hij in deze bar om zo het opkomende toerisme op te vangen: kleinschalig en met mensen van de wijk. Vooraleer anderen het gras voor zijn voeten wegmaaien. De live-muziek is intussen stilgevallen. Eén man is boven zijn trom ingeslapen, de rest verdween in de nacht. Caribische merengue- en salsatonen houden het resterende publiek in beweging. Ruben bestelt nog een pilsje en schuift dichterbij. Hij stelt voor samen de nacht door te brengen op het strand. ‘Dat zou toch mooi zijn.’ Het schelpje van señora Teresa werkt dus echt. Ik bedank voor het aanbod en loop door de nachtelijke straten naar mijn hotelletje.

Aan de lantarenpalen van Cristales hangen witte, houten bordjes, waarop in rode letters te lezen staat: ‘Sida o vida, usted decida’, ‘Aids of leven, jij beslist.’ ‘Tussen de vijfentwintig en de dertig procent van de mensen hier is besmet met het aidsvirus’, vertelt dokter Pablo Arzú. Arzú is één van de weinige garífuna’s die na hun studie terugkeerden naar de bakermat. In zijn werkkamer hangt een grote foto van een danser met een trom. ‘Als tegengif tegen de culturele ontwrichting’, legt Pablo uit. De migratie heeft niet veel goeds gebracht, vindt hij. Chaos in de gemeenschappen, afhankelijkheid en passiviteit bij de jeugd. Wat hem echter het meest zorgen baart is de toenemende aidsepidemie. Arzú: ‘Het is een moeilijk te bespreken thema. Mensen zien de ziekte vaak als een kwaal die door de geesten gezonden wordt of dekken het probleem toe door te zeggen dat de overledene tuberculose of suikerziekte had. Als we hier niet openlijk aan werken, dan gaan we het geld dat het toerisme binnenbrengt, besteden aan drank en muziek op begrafenisfeesten.’

GESTRAND IN DE STAD

In het spoor van de uitgeweken garífuna’s, verlaat ik de kust en neem de bus naar de hoofdstad Tegucigalpa. Bellavista, één van de zwarte wijken in de hoofdstad, zal wel gezellig zijn voor wie er thuis is. Als buitenstaander krijg je er eerder een beklemmend gevoel van onveiligheid. Met Elida en Elba, twee garífunavrouwen van middelbare leeftijd, snuif ik de zondagse sfeer op in de wijk. Zelf wonen deze vrouwen in rijkere buurten, maar elke zondagmiddag brengen ze hier een groep vrouwen bij elkaar. We gaan langs bij één van de leden. De ranzige geur van urine en rioolwater waait me tegemoet wanneer we het voorportaaltje van het huis binnenstappen. Wat aan de voorgevel een doorsnee armenwoning lijkt, is in werkelijkheid een miserabele woonkazerne van gammele, obscure houten kamertjes, een zevental voor evenveel families van elk vijf of zes personen. Dunne wanden en een katoenen gordijntje vormen de enige afscheiding tussen de gezinnen. Een ontzaglijk dikke vrouw, in zwarte beha en onderrok, hangt over de balustrade gebogen. Op haar linkerwang merk ik een zwaar litteken van wat ooit een diepe messnede geweest moet zijn. Geëmotioneerd en met een rauwe stem voert ze, in het Garífuna, een gesprek met Elida en Elba. Op de trap volgt een oudere vrouw met grijzend kroeshaar de conversatie. Beneden lopen keurig uitgedoste meisjes op hoge hakken heen en weer. Ik stel me de spanningen voor die tussen deze opeengestouwde gezinnen dagelijks moeten ontvlammen. Het geroep van zware, diepe stemmen. De kinderen die in deze omgeving geïnitieerd worden in het leven. Elida is wat beschaamd over de buurt. ‘Niet alle garífuna’s in de stad leven zo’, verontschuldigt ze haar volk. ‘Sommigen hebben een restaurant, zijn dokter of geven les. De meesten echter die recht van de stranddorpjes komen, zoeken dit getto op. Hier voelen ze zich thuis, hoewel het vaak pure misère is.’ Zeldzaam zijn diegenen die terugkeren naar hun gemeenschap en toegeven dat de stad een mislukking was. De meesten kunnen ook niet terug omdat ze hun grond verkochten. Ze oefenen zich hier in het overleven.

Soms werken muziek en dans als een remedie tegen totale desintegratie en ontworteling.

Popo Ariola is danstherapeut. Achttien jaar danste hij bij het Nationaal Garífuna Ballet, dat afhangt van het Ministerie van Cultuur. Twee jaar geleden gaf hij er de brui aan. ‘Heel hard werken voor heel weinig geld was dat. Pure uitbuiting’, vindt Popo. Aan zijn plunje te zien is hij er inderdaad niet veel beter van geworden. Hij keerde terug naar zijn volk, hier in Bellavista en richtte een eigen dansgroep op. Barauda heet die groep, naar de vrouw van de legendarische garífuna-leider Satuyé. Popo: ‘Ik zag de jeugd hier zo verkommeren. Ik vond dat ik iets moest doen om hen opnieuw een houvast te geven.’ Ik ontmoet hem later bij een studentenfeest op de universiteitscampus van Tegucigalpa. Popo is de gast van de avond, met een uiteenzetting over de geschiedenis en de cultuur van de garífuna’s en een optreden van zijn groep. Jongemannen in kleurrijke broeken voeren het publiek mee op het ritme van hun tambores en hun schelpen. Meisjes met lange rokken en fleurige topjes draaien hun slanke lichamen met de lenigheid van een slang. Vijftien jonge mensen, in beslag genomen door de geesten, dansen zich, voor het oog van deze massa ladinojongeren, een hernieuwd gevoel van zelfwaardering in.

Kader 1

OVER SCHIPBREUKELINGEN EN PIRATEN

Het aantal garífuna’s in Honduras wordt geschat op 120.000 tot 200.000. Omdat dit volk sinds zijn ontstaan een vrij nomadisch bestaan geleid heeft, zijn statistieken over hen schaars.

In 1635 leden twee Spaanse schepen, volgestouwd met zwarte slaven, schipbreuk voor de kusten van San Vicente, een eiland in de Kleine Antillen. De zwarten, afkomstig van Ghana, Ivoorkust, Congo, Nigeria en Angola, vermengden zich op dat eiland met de plaatselijke Arawak-indianen en met de negerslaven die erin geslaagd waren weg te vluchten van plantages, vooral op Barbados. Uit die vermenging van indianen en vrije zwarten werden de eerste garífuna’s geboren, als een nieuwe bevolkingsgroep. Permanent bestookt door Franse en Engelse piraten, leverde dit volk een verbeten strijd voor zijn territorium, onder de legendarische leider Satuyé. Uiteindelijk waren het de Engelsen die zich meester maakten van San Vicente en de garífuna’s deporteerden naar de kusten van Honduras. Dat was op twaalf april 1797. Van daaruit trok een deel naar buurland Belize, een kleine groep naar de Atlantische kust van Nicaragua en een handvol naar Guatemala. Het grootste deel bleef in Honduras en moest daar een goeie eeuw later opnieuw zijn territorium verdedigen tegen het oprukkende imperium van de bananenfirma United Fruit Company. Scheepvaart en piraterij werd de overlevingsstrategie van dit volk. Met de komst van United Fruit Company opteerden de garífuna’s eerder voor een job op de schepen of bij het laden en lossen in de havens dan voor de harde arbeid op de plantages. Vooral sinds de jaren zestig lokte de Amerikaanse droom grote groepen garífuna’s naar het Noorden. Naar schatting verblijven er een kleine honderdduizend garífuna’s in de VS. Vooral in New York en Los Angeles troepen ze samen in eigen wijken. Die oversteek naar het Noorden wordt echter almaar problematischer. Tussen januari en juni dit jaar werden maar liefst tweeduizend illegale Hondurezen uit de VS gedeporteerd. Negentigduizend hopen vooralsnog op de nodige papieren om legaal in de VS te kunnen blijven, maar de kans dat ze dit ook voor elkaar krijgen, is klein. Via een speciaal statuut kunnen Nicaraguaanse, Salvadoreense en Guatemalteekse migranten erkend worden als ze vóór 1995 de VS binnenkwamen, omdat er toen nog burgeroorlogen woedden in de regio en de mensen op de vlucht waren voor het communisme. Honduras, dat in die periode dienst deed als controlebasis voor de VS in de regio, kende geen burgeroorlog en dus hadden de Hondurezen geen reden om hun land te ontvluchten, vindt de meerderheid in het Amerikaanse Congres.

Kader 2

TOERISTEN IN ZICHT

Het grondprobleem is niet nieuw. President Callejas, die in 1990 de neoliberale hervormingen inzette, had al een eerste aanslag gepleegd op de garífunagronden toen hij de wetgeving op het grondbezit moderniseerde. In 1992 schafte hij het ejido-systeem, het gemeenschappelijk grondbezit, af. De gemeenschapsgronden in de garífunadorpjes werden geprivatiseerd en opengesteld voor individuele verkoop. Bovendien heet sindsdien alle grond die in aanmerking komt voor toeristische exploitatie ‘stadskerngebied’. ‘Die opwaardering’, aldus een garífunaleider van Compah, de Confederatie van Inheemse Volkeren van Honduras, ‘betekent dat we belasting moeten betalen op het perceeltje strand dat we al tweehonderd jaar bewonen. Wie zijn belasting niet kan betalen, krijgt een boete van drie procent op maandbasis op het verschuldigde bedrag. Dat is zesendertig procent per jaar. Al snel bouw je zo een schuld op die even groot is als de waarde van je terrein en ben je je grond kwijt.’

Het is één van de mechanismen om de garífuna’s weg te werken van de stranden en bijeen te drijven in kleine woonkernen, buiten de kustlijn. Of om hen te doen migreren naar de stad. De druk op de zwarte bevolking om hen van hun grond te verdrijven, heeft op verschillende plaatsen grimmige conflicten doen ontstaan. Sinds 1995 zijn zeven garífuna’s vermoord in die strijd, waarvan vijf in Triumfo de la Cruz, een dorp in de buurt van Tela. In Triumfo werd namelijk een grootschalig en erg controversieel toeristisch complex, ‘Marbella’, gebouwd. Het dorp valt ook in de zone van de toeristische cluster ‘Telabaai’, één van de meest prestigieuze projecten van het land. Het project moet de draaischijf worden voor trips naar de overige toeristische oorden: de Baai-eilanden en de Mayaruïnes van Copán. De plek is prachtig gekozen: tussen twee natuurreservaten in, midden een unieke biotoop van mangroves, ondergelopen savannes, moerassen, meren, stranden en koraalriffen. En een reeks pittoreske dorpjes, met een bevolking waar men geen raad mee weet.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 3190   proMO*’s steunen ons vandaag al. 

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur

  • Latijns-Amerika & ecologie
    Alma De Walsche schrijft over ecologische thema’s, van klimaat- en energiebeleid, over landbouw- en voedsel tot transitie-initiatieven en baanbrekers. Ze volgt al enkele decennia Latijns-Amerika, met een speciale focus op de Andeslanden.