Gebonden hulp?

De Belgische ontwikkelingssamenwerking stelt opnieuw geld ter beschikking van bedrijven, meer bepaald via de Belgische Investeringsmaatschappij voor Ontwikkelingslanden (BIO). Het lijkt er wel op dat men de fouten uit het verleden niet wil herhalen.
‘We storten het geld rechtstreeks aan lokale bedrijven in ontwikkelingslanden en, neen, er moet absoluut geen Belgische onderneming bij het project betrokken zijn om in aanmerking te komen voor zo’n lening. Het ondersteuningsfonds is dus wel degelijk ongebonden hulp’, onderstreept Hugo Bosmans, algemeen directeur van BIO. Daarmee weerlegt Bosmans de voornaamste kritiek op de plannen van de Belgische ontwikkelingssamenwerking om opnieuw met bedrijven in zee te gaan, en daarmee ook de vrees dat er weer witte olifanten in aantocht zijn, projecten dus die vooral Belgische bedrijven helpen en het ontwikkelingsland weinig bijbrengen.
Er zitten ondertussen al zo’n 30 projecten voor goedkeuring in de pijplijn, goed voor 12 miljoen euro. Bosmans geeft ons enkele voorbeelden: een openluchtcinema in de omgeving van de Senegalese hoofdstad Dakar, een visverwerkend bedrijf in Congo en een lening van 2,5 miljoen dollar voor een Tanzaniaans farmaceutisch bedrijf dat onder meer generische geneesmiddelen tegen malaria wil produceren.

Veelzeggende tweederden


Toen Marc Verwilghen in 2003 minister van ontwikkelingssamenwerking werd, liet hij weten dat hij -tien jaar nadat een hele rij witte olifanten met een geur van schandalen uit de kast van de Belgische ontwikkelingssamenwerking was gevallen- opnieuw de private sector wilde betrekken bij onze hulp. Alles bij elkaar wilde Verwilghen daar in 2004 40 miljoen euro aan besteden.
Zo plande hij een ondersteuningsfonds dat via BIO Kleine en Middelgrote Ondernemingen (kmo’s) in ontwikkelingslanden zogenaamde achtergestelde leningen wilde geven (waarvan de ontlener de hoofdsom pas na drie jaar moet beginnen afbetalen,jvd). Het was niet heel duidelijk in hoeverre daar Belgische kmo’s bij betrokken konden of moesten zijn. Een juichfax van UNIZO, de grootste beroepsvereniging van Belgische kmo’s, over Verwilghens plannen wekte de indruk dat het fonds vooral Belgische kmo’s zou helpen.
Dat Agoria, de federatie van technologische bedrijven in België, een zitje kreeg in de raad van bestuur van BIO, versterkte die indruk. Bovendien nam Verwilghen naast de 18 concentratielanden van de Belgische ontwikkelingssamenwerking -minst ontwikkelde landen die niet erg interessant zijn voor Belgische kmo’s- nog 10 andere landen op in de lijst van landen waar het fonds actief zou zijn. Dat China en India, die haast verdrinken in de buitenlandse investeringen, op die lijst stonden, maakte het fonds alvast “bruikbaar” voor Belgische kmo’s bij hun soms moeilijke entree in die landen.
Na de vervanging van Verwilghen door Armand De Decker werd het wat stil rond de plannen. De Decker wenste weliswaar op het spoor door te gaan, maar stelde meermaals dat het niet de bedoeling kon zijn vooral Belgische kmo’s te ondersteunen en dat China om die reden ook niet echt in de lijst thuishoorde.
Op 1 april 2005 wordt het ondersteuningsfonds operationeel. Voor 2004, 2005 en 2006 stelt de Belgische ontwikkelingssamenwerking telkens 8 miljoen euro ter beschikking. Daarmee kunnen leningen worden gegeven van minimaal 40.000 euro en maximaal 700.000 euro, aan kmo’s (maximum 250 personeelsleden, 40 miljoen euro omzet) in ontwikkelingslanden. De lijst van landen is niet die van Verwilghen maar een veel ruimere lijst van 120 landen waarop zowel minst ontwikkelde landen als lage inkomens- en middeninkomenslanden staan.
Daar horen China en India bij, zelfs Turkije en Thailand. De Decker heeft echter geëist dat twee derde van de middelen van het fonds worden besteed in de 18 concentratielanden van de Belgische ontwikkelingssamenwerking. Daarmee lijkt de kritiek dat het fonds toegesneden is op de noden van het Belgische bedrijfsleven van de baan: voor Belgische kmo’s zijn Congo of Benin niet meteen de aantrekkelijkste markten. Wel blijft de mogelijkheid bestaan dat BIO vooral de Belgische ondernemers en hun antennes in het Zuiden informeert over het bestaan van het fonds zodat ze er ook de voornaamste begunstigden van worden.
Belgische bedrijven blijken trouwens betrokken te zijn in ongeveer de helft van de projecten die voor liggen. Bosmans: ‘We zeggen niet dat er geen Belgisch of Europees bedrijf betrokken mag zijn. Joint ventures kunnen zorgen voor overdracht van knowhow en technologie. Maar een Poperings bedrijf dat op Poperings briefpapier een 100 procent dochter opricht in een ontwikkelingsland, komt niet in aanmerking.
De aanvraag moet van een lokaal bedrijf komen. Een voorbeeld: BIO zelf bracht de Congolese ondernemer die een visverwerkend bedrijf wil starten in contact met een Oegandees visverwerkend bedrijf dat geleid wordt door een Belg. We stelden voor dat het Oegandese bedrijf zou participeren in de Congolese onderneming, kwestie van knowhow en middelen in te brengen. Tot onze tevredenheid ging de Congolese ondernemer daarop in.’

De noodrem van de raad


De nieuwe Raad van Bestuur van BIO bestaat vooral uit mensen met voeling met het Belgische bedrijfsleven, al zetelt ook Martine Van Dooren, directeur-generaal van DGOS in de raad. Zal de ontwikkelingsrelevantie van de projecten dan wel gegarandeerd worden? Bosmans: ‘Inzake de ontwikkelingsrelevantie moeten we het advies inwinnen van de Belgische attaché van ontwikkelingssamenwerking in dat land, de Belgische ambassade of als die er niet zijn, van een internationale ontwikkelingsbank.
Dat advies is niet bindend, maar weegt moreel wel heel zwaar.’ Had de regering de spoken uit het verleden niet definitief kunnen verjagen door een of meerdere vertegenwoordigers van de ngo’s in de raad van bestuur van BIO op te nemen? Bosmans: ‘Een van de twee regeringscommissarissen van BIO is Luc Langouche, secretaris-generaal van Iles de Paix. Hij heeft een inhoudelijk vetorecht over al onze beslissingen.’ Langouche moet nagaan of de beslissingen van BIO in overeenstemming zijn met de wettelijke voorschriften en vooral met de wet op de internationale samenwerking die bepaalt dat de Belgische ontwikkelingssamenwerking ‘de duurzame menselijke ontwikkeling door middel van armoedebestrijding als hoofddoel heeft’.
Langouche: ‘Ik moet hen raad geven als ik vind dat accenten verkeerd liggen en in laatste instantie kan ik een beslissing blokkeren. Het is dan aan de minister dat al of niet te bevestigen. Ik heb nog geen veto’s moeten uitspreken. Ik heb al geregeld opmerkingen gemaakt en ik stel vast dat daarmee rekening wordt gehouden. Natuurlijk komen er al eens andere belangen op tafel, maar de beslissingen blijven in overeenstemming met de sociale objectieven van BIO. Ik verwacht niet dat dit met het ondersteuningsfonds zal veranderen.’
Ik ben proMO*

Nu je hier toch bent

Om de journalistiek van MO* toekomst te geven, is de steun van elke lezer meer dan ooit nodig. Vind je dat in deze tijden van populisme en nepnieuws een medium als MO* absoluut nodig is om de waarheid boven te spitten? Word proMO*.

Wil je bijdragen tot de mondiale (onderzoeks)journalistiek in het Nederlandstalig taalgebied? Dat kan, als proMO*.

Wil je er mee voor zorgen dat de journalistiek van MO* mogelijk blijft en, ondanks de besparingspolitiek, verder uitgebouwd wordt? Dat doe je, als proMO*.

Je bent proMO* voor € 4/maand of € 50/jaar.

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur