Geen vrede in Congo

Eén rivier, één munt, één volk. Onder Mobutu was dat een slogan zoals vele andere. Met Kabila lijkt de Congolese eenheid voltooid verleden tijd. Er komen nieuwe stamtijden.
‘De olifant Congo zal het weekdier Rwanda verpletteren.’ Aldus Laurent Kabila, staatshoofd van de Democratische Republiek Congo. Nooit verlaagde zijn verguisde voorganger, Mobutu Sese Seko, zich tot dergelijke uitspraken over zijn vijanden. Kabila’s krijgstaal werkte deze zomer aanstekelijk. Het regeringsgetrouwe dagblad Demain le Congo schreef midden augustus: ‘De Tutsi’s dreigen het lot van de joden te ondergaan. Ze zijn even geslepen, lomp, haatdragend en bloeddorstig.’ Anderhalf jaar na de bevrijdingsstrijd die Kabila met hun steun voerde, werden de Tutsi’s in de Congolese pers gedegradeerd tot ‘microben’, ‘kakkerlakken’ of ‘ratten’. In de oostelijke stad Bunia riep de radio de bevolking op om te jagen op ‘al die grote slimmeriken met een lange neus’ en ze in elkaar te slaan.

Vier jaar na de Rwandese genocide laaien het racisme en de stammenstrijd in Congo op als nooit tevoren. Het betreft niet alleen de Rwanda-gezinde Banyamulenge in het oostelijke Kivugebied, maar ook de Bakongo in het Westen, de Balunda en Baluba in het zuidelijke Katanga. Niet toevallig volkeren die al meer dan een eeuw pendelen over de grenzen die de koloniale machthebbers midden door hun gebied trokken op de Berlijnse Conferentie in 1885.

Après nous le déluge

Een kwarteeuw lang leek het erop dat Congo in naam van de republiek etnische conflicten kon beheersen. Dat was indrukwekkend voor een immens lappendeken van tweehonderd volkeren. Krijgt de inmiddels overleden Mobutu Sese Seko twee jaar na zijn smadelijke vlucht van de troon toch nog gelijk met zijn leuze ‘Ik of de chaos’? Heel zijn presidentschap lang haalde Mobutu voordeel uit de bijna-anarchie die zijn regime veroorzaakte en voedde. Vóór Mobutu’s machtsgreep in 1965 waren er al ‘burgeroorlogen’ gevoerd op etnische basis. Maar tijdens zijn bewind werden de stammentegenstellingen wel degelijk gevoed. Een professor geschiedenis van de Evangelische Universiteit te Bukavu -die uit veiligheidsoverwegingen anoniem wenst te blijven- zegt: ‘Door favoritisme slaagde Mobutu erin om te overleven op basis van het ‘verdeel en heers’ principe. Daardoor kreeg een ernstige oppositie, laat staan de democratie, nauwelijks een kans.’ Telkens het regime in het gedrang kwam, werden de stamgevoelens aangesproken om de aandacht af te leiden. Het pijnlijkste voorbeeld ligt nog vers in het geheugen. Vanaf 1991 groeide in de zuidelijke mijnprovincie Katanga de hetze tegen de Luba’s uit Kasaï. Deze laatsten hadden vijfentwintig jaar lang de economische touwtjes in Katanga de facto in handen. De gefrustreerde Katangezen zagen hun kans schoon en riepen ‘Debout Katanga!’ en hun gouverneur Kyungu wa Kumwanza goot olie op het vuur met de oproep: ‘Smeer hun buiken in met olie en projecteer ze op de rails van de spoorlijn in de richting van Kasaï!’ Voor de buitenwereld was Mobutu’s zwanenzang toen al begonnen. Spijtig genoeg slaagde ook de Conférence Nationale Souveraine, de groots opgezette poging om Zaïre te democratiseren, er niet in om de etnische problemen ten gronde te bespreken. De historicus uit Bukavu meent: ‘Ondanks het applaus van de internationale gemeenschap vertegenwoordigde de CNS niet het volk maar belangengroepen. Daarom leidde het niet tot een gemeenschappelijk project.’ Etienne Tshisekedi gold al te zeer als de man uit Kasaï, wat voor verdeeldheid zorgde. De brede bevolking kon hem daarom niet steunen als ‘nationale leider’ en mogelijke opvolger van Mobutu.

Aan de grote meren des doods

Nooit wakkerden de Congolese leiders het racisme zo erg aan als vandaag. De natie wankelt meer dan ooit en de vijand is aanwijsbaar: de Rwanda- en Ugandagezinde Tutsi’s uit het oostelijke Kivugebied. Het racisme tegen de Banyamulenge steunt bovendien op oude frustraties in de regio. Vanaf 1930 moedigde België de immigratie aan van Rwandezen omwille van de behoefte aan ‘gastarbeiders’. Bij de onafhankelijkheid werden zij Congolese burgers. Tussen 1959 en 1962 arriveerden in Kivu nieuwe vluchtelingen door de politieke onlusten in Rwanda. Nog vóór 1994, het jaar van de genocide, toen duizenden vluchtelingen in VN-kampen rond Goma, Bukavu en Uvira binnentrokken, voelde de autochtone bevolking van Noord- en Zuid-Kivu (Bahunde, Banyanga en Batembo) zich compleet door de ‘vreemdelingen’ overheerst. In 1981 kende het Zaïrese parlement de Zaïrese nationaliteit niet langer toe aan de inwijkelingen van na 1960. Zij werden op slag staatlozen. Dat wekte van beide kanten frustraties. Een Hunde-stamhoofd vat zijn geschiedenisvisie samen: ‘Die uit Rwanda zijn hier vreemdelingen. Zij infiltreerden ons land en hebben de grond van onze voorvaderen afgenomen. Nu koesteren ze plannen om ons land te veroveren en het bij Rwanda te voegen.’ De inmenging van Uganda en Rwanda in de Congolese politiek verhoogde het ressentiment des te meer. Iets waarvan Laurent Kabila dankbaar gebruik maakt.

Het geluk van België

Begin dit jaar deed de Congolese president de nationaliteitenkwestie in Kivu nog af als een ‘administratief probleem’. Bij zijn bezoek aan het gebied verklaarde hij: ‘De geschillen tussen de Banyamulenge en de oorspronkelijke volkeren moeten in kantoren worden geregeld.’ Toen moest Kabila Rwanda en de Banyamulenge nog te vriend houden uit erkentelijkheid voor de hulp bij ‘zijn’ bevrijdingsoorlog. Een half jaar later sloeg de diplomatie om in onverbloemde haat. De Rwandese militairen werden naar huis gestuurd, de Banyamulenge staan nu bekend als staatsvijanden. Zoals Mobutu opteert Kabila voor de militaire oplossing. Zoals Mobutu mijdt ook Kabila een nationaal debat over de etnieën als de pest. Emmanuël Lubala, jurist en onderzoeker van het RUCA, wijst op een groot gevaar: ‘Zoals onder Mobutu wordt elke machtsstrijd etnisch gekleurd. Ik vrees dat de conflicten zich zullen concentreren op de tegenstelling tussen bantoes en Tutsi’s.’ Voor Lubala is de stam veel belangrijker geworden wegens de afwezigheid van stevige instituties en wegens de economische puinhoop. Lubala: ‘Een rechtsstaat is de enige uitweg. Zo’n wettelijk kader zorgt er toch voor dat Vlamingen en Walen in België elkaar niet naar het leven staan. In Congo wordt de politiek nu gevoerd vanuit de buik: het gaat om emoties, om de eigen clan en om de economische macht.’

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 3190   proMO*’s steunen ons vandaag al. 

Word proMO* of Doe een gift