Georgië in Europa: het begrip periferie in de internationale betrekkingen

Een analyse van de West-Europese politiek ten aanzien van Georgië is een periferische kwestie voor de studie van de Europese buitenlandse politiek. Etnische conflicten en politieke onstabiliteit zijn nooit een bedreiging geweest voor de West-Europese veiligheid.
De politieke gebeurtenissen in Georgië laten de publieke opinie in West-Europa volslagen onverschillig. Dat betekent niet dat Georgië oninteressant is voor Europese studies. Het concept ‘periferie’ is essentieel voor een analyse van het Europese integratieproces.

Deze bijdrage analyseert vijf verschillende betekenissen van het begrip periferie in studies over internationale betrekkingen en in het politiek discours over Europa. Een periferie heeft, eerst en vooral, een positieve en praktische betekenis in het centrum-periferie model van intergratie. Een tweede betekenis van de term vinden we bij het centrum-periferie model van Johan Galtung. Die betekenis is negatief in zover de periferie wordt gezien als onderdrukt en uitgebuit door het centrum. Een periferie kan, ten derde, worden gezien als een plaats die grenst aan het grondgebied van staten, regio’s en beschavingen die in conflict verkeren. Ten vierde, een staat die door andere machten wordt gebruikt als een bruggenhoofd om een bepaalde regio te beïnvloeden kan ook worden beschreven als een periferie. En ten vijfde kan het woord periferie worden gebruikt voor de beschrijving van specifieke vormen van onverschilligheid in de politiek van grootmachten tegenover kleine naties. Deze bijdrage wil nagaan in hoeverre de verschillende betekenissen van het woord geschikt zijn voor een beschrijving van de West-Europese politiek ten aanzien van Georgië. Een analyse van een welbepaalde West-Europese of Westerse politiek tegenover Georgië kan daarbij nuttig zijn. Dat houdt in: zowel de West-Europese houding tegenover de Georgische onafhankelijkheidsbeweging en de etnische en burgeroorlogen in Georgië, als de technische en humanitaire bijstandsprogramma’s van de Europese Unie in Georgië.

Het centrum-periferie model van de Europese integratie

De term periferie heeft niet noodzakelijk een negatieve betekenis. Het is een essentieel element in de idee van Europese integratie. De eenmaking van Europa is traditioneel geconcipieerd vanuit een centrum-periferie model. Dat was bedoeld om de basiscontradictie op te lossen tussen het reële proces van Europese integratie, dat slechts een minderheid van Europese naties omvatte, en het ideaal van een eenmaking die het hele continent zou omvatten. Volgens het centrum-periferie model zou de constructie van Europa moeten worden gezien als het resultaat van een proces dat gestart is vanuit het centrum en geleidelijk de grote periferieën van het Europese continent zou gaan omvatten. Het centrum verwijst naar de bestaande actoren in het Europese integratieproces en de periferie naar de toekomstige deelnemers. De periferie van Europa zou geleidelijk deel gaan uitmaken van het centrum en deelnemen in de gemeenschappelijke besluitvorming. Het centrum-periferie model maakt deel uit van het discours over een Europese identiteit, want het veronderstelt dat alle Europese landen vroeg of laat deel zullen uitmaken van een gemeenschap van landen die Europese waarden en gezamenlijke veiligheidsbelangen verdedigen. De idee van een Europese identiteit is onderliggend aan het institutionele eenmakingsproces in Europa en gaat in tegen het ideaal van nationale soevereiniteit. (1)

Het eenwordingsproces is opgestart door enkele West-Europese landen in de jaren vijftig. Sindsdien heeft het centrum van Europa met succes een groot deel ingelijfd van de zuidelijke en noordelijke periferie van het continent. Nu is het bezig aan een proces dat delen van Oost- Centraal-Europa zal omvatten in de nabije toekomst. Het feit dat de praktische en ideologische waarde van het centrum-periferie model is bevestigd door de successen van het integratiemodel in Europa betekent daarom nog niet dat de toekomstige eenmaking van Europa verder zal verlopen volgens de ideologische inhoud van dat model. De mogelijke uitbreiding van de Europese Unie met landen van Zuid- en Oost-Centraal Europa houdt niet in dat alle andere onderdelen van de Europese periferie op een of ander moment noodzakelijk zullen deelnemen aan het toekomstige eenmakingsproces. De fundamentele contradictie tussen de ambitie van de Europese Unie om heel Europa te vertegenwoordigen en het feit dat ze uitsluitend de rijkste leden vertegenwoordigt is verre van opgelost.

Het centrum-periferie model van Johan Galtung

De eerste betekenis van ‘periferie’ kan worden omschreven als positief, praktisch en ideologisch. De betekenis ervan in het centrum-periferie model van Johan Galtung is negatief en theoretisch. Het model van Galtung behoort tot de vele pogingen in de jaren zestig en zeventig om de afhankelijkheid van de Derde Wereld tegenover West-Europa en de Verenigde Staten te analyseren. Anders dan de Marxistische benadering beschouwt die van Galtung het imperialisme niet als een specifieke historische etappe van het kapitalisme. Hij stelt zijn concept van de verhouding tussen centrum en kapitaal voor als een ‘structurele theorie van het imperialisme’. Het centrum-periferie model zou, als een ideaal type, een heuristische functie moeten hebben in het begrijpen van de basisstructuur van alle wereldmachten doorheen de geschiedenis.

Galtung stelt dat de wereld altijd heeft bestaan uit naties van het Centrum en van de Periferie, en dat elke natie op haar beurt een centrum en een periferie heeft. Het imperialisme moet worden gezien als een speciaal type van dominantie waarin het centrum van de Periferie als bruggenhoofd gebruikt wordt door het centrum van het Centrum om een harmonie van belangen in te stellen tussen beide, terwijl er een disharmonie bestaat tussen de belangen van de periferie van de Centrumnatie en die van de periferie van de Perifere natie. De belangen (belangen worden over het algemeen gedefinieerd als materiële en immateriële leefomstandigheden) zijn ongelijker binnen de Periferie dan binnen het Centrum. Het centrum van de Perifere natie dient bijvoorbeeld als draaischijf voor de levering van grondstoffen aan het Centrum, terwijl het bijkomend economisch effect van het delven van grondstoffen voor de ontwikkeling van de Periferie –in het slechtste geval- niet meer is dan het graven van een put in de grond.

De ongelijke uitwisseling van waarden bestaat niet alleen op het economische vlak. Anders dan bij Lenin en andere economische definities van het imperialisme, maakt Johan Galtung een onderscheid tussen verschillende types: imperialisme kan economisch zijn, politiek, militair, cultureel of zich uiten op het vlak van communicatie. In het politieke type verstrekt de Centrumnatie modellen voor het beleid –en in het culturele type culturele modellen- aan de naties van de Periferie. Een taakverdeling waarin de Periferie gebeurtenissen voortbrengt waar het Centrum nieuws van maakt, wordt gezien als een voorbeeld van imperialisme in de communicatie. In alle types bouwt het Centrum zich een monopoliepositie uit in zijn verticale relatie met de naties van de Periferie. En op die manier verhindert het interactie tussen die landen onderling.

Deze korte samenvatting van Galtungs concept imperialisme is niet bedoeld om de waarde ervan als systematische theorie te bewijzen, maar slechts om na te gaan in hoeverre de stelling ‘Georgië behoort tot de periferie van Europa’ kan worden begrepen in het licht van Galtungs centrum-periferie model. Op het eerste gezicht zou de relatie van West-Europa met Georgië makkelijk kunnen worden omschreven, in verschillende aspecten, als een typische afhankelijkheidsrelatie van een imperialistische centrum-periferie structuur. Wat politieke en culturele types van imperialisme betreft –waarin modellen van het centrum worden uitgevoerd in de periferie- kan Georgië makkelijk worden gezien als een goed voorbeeld van een periferie in Galtungs betekenis van het woord. En inderdaad, de idealisering van Europese democratie en cultuur heeft een lange geschiedenis in Georgië.

Anderzijds is het niet moeilijk zo’n typering van Georgië’s perifere positie vrij oppervlakkig te vinden, omdat ze belangrijke aspecten verwaarloost van de afhankelijkheid van het land ten aanzien van Europa. Eerst en vooral heeft West-Europa een universalistische benadering voortgebracht van politiek en cultuur, die elke centrum-periferie verhouding overstijgt. Het West-Europese centrum beschouwt zijn eigen beschavingsmodel als emancipatorisch voor zijn periferie. Die positieve kijk op een centrum-periferie verhouding –in tegenstelling tot Galtungs en alle andere theorieën over imperialisme- hebben bijvoorbeeld de discussies beheerst over de toetreding van Georgië en andere voormalige Sovjetrepublieken tot de Raad van Europa.

Ten tweede, Galtungs benadering van de betrekkingen tussen centrum en periferie negeert de idee van vrije keuze, die hij vervangt door het concept zelfredzaamheid. Galtung pleit voor een structurele theorie, omdat actoren niet altijd bewust zijn van hun eigen belangen. Het dilemma tussen een vrijwillige en een onvrijwillige overname van politieke en culturele modellen is hoe dan ook fundamenteler dan Galtungs dilemma tussen de afhankelijkheid van vreemde modellen en het voortbrengen van autochtone modellen door de Periferie zelf. Wanneer we bijvoorbeeld de betrekkingen vergelijken tussen Georgië en Rusland/ de Sovjet-Unie enerzijds en de relaties tussen Georgië en West-Europa anderzijds, dan zou Galtung die beide bestempelen als politiek en cultureel imperialisme. Hij zou de gelijkenissen benadrukken tussen beide vormen van afhankelijkheid van een buitenlands model. Er is nochtans een fundamenteel verschil tussen het opleggen van een model door Rusland/de Sovjet-Unie en de keuze door een grote meerderheid van de Georgische publieke opinie voor een Westers politiek model. Die keuze kan dan weer worden uitgelegd als een reactie tegen afhankelijkheid. De idealisering van West-Europa door de Georgische intelligentsia in de negentiende en twintigste eeuw is in grote mate een gevolg van haar verwerping van de ‘imperiale’ Russische en Sovjetrussische politieke en culturele modellen.

Het begrip vrije politieke keuze is veel te belangrijk om te worden verwaarloosd bij een analyse van de afhankelijkheidsrelaties die bestaan in de postsovjetwereld. Dat betekent niet dat de bewuste rationaliteit van sociale actoren moet worden overschat, noch dat de sociale gevolgen van die keuze overeenstemmen met hun politieke intenties. De Georgische onafhankelijkheidsbeweging wilde alle banden met de Sovjet-Unie afzwakken om de integratie in Europa te vergemakkelijken. De eerste jaren na de onafhankelijkheid hebben etnische conflicten en de verbreking van de economische banden met Rusland geleid tot de ineenstorting van de economie. Het is onduidelijk in welke mate de nieuwe banden tussen Georgië en de wereldmarkt kunnen leiden tot een economische heropleving van het land. Economisch gezien heeft Georgië geen strategisch belang voor West-Europa als leverancier van grondstoffen of als verbruikersmarkt. Het heeft hoe dan ook een strategische ligging in de Zwarte Zee, omdat het één van de tracés kan verschaffen voor een pijpleiding vanuit de Kaspische Zee. Op lange termijn worden daar positieve spin-offs van verwacht voor de hele Georgische economie. Het is nog te vroeg om uit te maken hoe nuttig de strategische ligging van Georgië kan zijn om een harmonisch samenspel van economische belangen tot stand te brengen tussen Georgië en West Europa. Of die relatie kan worden bestempeld als een economisch type van imperialisme volgens Galtungs theorie, blijft een open vraag.

Andere gevolgen van Georgiës keuze voor onafhankelijkheid en markteconomie zijn makkelijker na te gaan, bijvoorbeeld op het vlak van onderwijs. Vóór de onafhankelijkheid lag de economie van het land ver onder de West-Europese cijfers inzake Bruto Binnenlands Product per hoofd en andere economische indicatoren, maar Georgië genoot een vrij hoog onderwijsniveau. Programma’s en infrastructuur waren dikwijls ouderwets en corruptie was wijd verspreid in het onderwijssysteem, maar sommige indicatoren –bijvoorbeeld het aantal jaren scholing en de geletterdheid bij volwassenen- waren vergelijkbaar met die in West-Europa. (2) Sedert de onafhankelijkheid ligt het onderwijs op apegapen, in de eerste plaats wegens het tekort aan subsidies. In streken waar burgeroorlog heerst zijn scholen vernield of worden ze gebruikt om verplaatste personen in onder te brengen. Heel wat leraars hebben hun ontslag ingediend wegens het te lage loon. In de winter moeten de scholen dicht omdat er geen verwarming is. Schoolbenodigdheden zijn schaars, of onbetaalbaar voor de ouders,. De afgelopen jaren waren slechts de nieuw ontstane privéscholen en de weinige staatsscholen die steun krijgen van een buitenlandse partner in staat kwaliteitsonderwijs te brengen. (3) Het is hoogst onwaarschijnlijk dat de Georgische regering voldoende middelen zal bijeenbrengen om het onderwijs op hetzelfde peil te houden dat het bereikt had onder het sovjetbewind. En privéinitiatieven in het onderwijs lijken niet in staat om die trend te keren. Het inschrijvingsgeld is meestal te hoog voor een bevolking die hard is getroffen door de economische ineenstorting. Dat betekent dat Sovjet-Georgië, ondanks zijn anti-westerse oriëntering, er blijkbaar in geslaagd was een onderwijssysteem te ontwikkelen dat volgens sommige indicatoren vergelijkbaar was met het West-Europese systeem. Terwijl het nieuwe regime, ondanks zijn westersgezindheid , de onderwijskloof tussen Georgië en West-Europa heeft verdiept.

De periferie als een plaats van uitsluiting en confrontatie

Een periferie kan worden gezien als een plaats van uitsluiting en confrontatie tussen verschillende landen, bondgenootschappen of beschavingen. In die zin is de grens van een staat, die het grondgebied afbakent waarover hij zijn soevereiniteit uitoefent, een element van zijn identiteit. De grens van een land kan door de bevolking als heilig worden gezien; de verdediging van een grens kan een reden zijn voor het gebruik van geweld.

De analogie tussen de grenzen van een nationale staat en die van een regio wordt uitdrukkelijk aangehaald voor de verantwoording van het Russische concept van een ‘Nabij Buitenland’. In de sovjettijd waren de grenzen tussen de republieken van de Unie administratieve afbakeningen, zonder strategisch militaire betekenis. Na de ontbinding van de USSR benadrukte Rusland zijn wettelijk recht in verband met specifieke veiligheidsbelangen in de voormalige republieken van de Unie. De inmenging van andere grootmachten in gebieden van het ‘Nabije Buitenland’ werd gezien als een bedreiging voor de veiligheid. Moskou heeft onderhandeld over het stationeren van grenswachten aan de vroegere buitengrenzen van de Sovjet-Unie in Kazachstan, Kirgizië, Turkmenistan, Georgië en Armenië. Vanuit het Russische standpunt ligt Georgië aan de periferie van zijn veiligheidszone, de term periferie verwijzend naar de lijn waar andere wereldmachten zijn uitgesloten. Hoe dan ook, Rusland slaagde er niet in die uitsluiting waar te maken en was verplicht zich neer te leggen bij een westerse aanwezigheid in de regio.

De betekenis van een periferie als een confrontatieplaats kan worden gebruikt in verband met Europese grenzen, in de mate dat Europa wordt gezien als een bijzondere beschavingsentiteit. Samuel Huntington voorspelde dat ‘de voornaamste conflicten in de toekomst zullen verlopen langs de culturele breuklijn die(…)beschavingen van elkaar scheidt’.(4) Beschavingen worden door Huntington gezien als het breedste niveau van culturele identiteit, ‘tegelijk bepaald door gemeenschappelijke objectieve elementen, zoals taal, geschiedenis, religie, gebruiken, instellingen, en door de subjectieve zelfidentificatie van de mensen’.(5) Hij beschouwt de gewelddadige uitbarstingen tussen Ingoesjiërs en Ossetiërs en tussen Azeri en Armeniërs, zowel als de ontplooiing van Russische troepen in de Kaukasus om de zuidelijke Russische grenzen te beschermen tegen een Turkse bedreiging, als verschillende vormen van de botsingen tussen de beschavingen.(6)

Dan Diner verdedigt een soortgelijke stelling, wanneer hij beweert dat het zelfbeeld van de beschavingen wordt gevormd aan hun periferie door de tegenstelling met andere beschavingen. De Oosterse Kwestie in de negentiende eeuw, die rees toen de neergang van het Ottomaanse rijk andere wereldmachten de kans gaf om het machtsevenwicht te herstellen in hun voordeel, weerspiegelde zo’n conflict tussen het westerse christendom, het oosterse christendom en de islam. De huidige conflicten in de Kaukasus en de Balkan worden, op dezelfde wijze, gezien als een herstel van de culturele identiteiten.(7)

De indruk bestond dat het lot van Europa en de idee van een Europese identiteit op het spel stonden in de Balkan. Maar West-Europese discussies over de noodzaak van een militaire interventie hebben het begrip beschaving met een heel andere betekenis gebruikt als die van Huntington of Diner . In tegenstelling tot hun historische en particularistische definitie van een beschaving, heeft de publieke opinie in Europa een universalistisch idee van mensenrechten als de grondslag van de Europese beschaving. De oorlog en de etnische zuiveringen in het vroegere Joegoslavië worden niet uitgelegd als botsingen tussen specifieke beschavingen, maar als de uitdrukking van een botsing tussen beschaving en barbarisme. De Franse schrijvers Bernard-Henri Lévy en André Glucksmann hebben de noodzaak aangedrongen op een militaire interventie door de West-Europese regeringen om een flagrante schending van de mensenrechten tegen te gaan in een conflict dat niet in de periferie maar in het hart zelf van Europa plaatsvindt. André Glucksmann kwam in Frankrijk op bij de Europese verkiezingen van 1994 met een lijst die de aandacht van het Franse publiek wou trekken op de oorlog in ex-Joegoslavië. De lijst droeg de naam ‘Europa begint in Sarajevo’. Sarajevo lag niet in de periferie van Europa.

Huntington en Diner stellen de conflicten voor in de Kaukasus tussen Azeri en Armeniërs en tussen Ossetiërs en Ingoesjiërs –waarin etnische groepen zijn betrokken met verschillende religieuze en culturele achtergrond- als een bevestiging van hun stelling dat er een botsing van beschavingen aan de gang is in de periferie van Europa. Kan de westerse politiek ten aanzien van Georgië worden uitgelegd binnen het raam van een botsing tussen beschavingen, waarin beschavingswaarden op het spel staan? Feitelijk hebben zowel Zviad Gamsakhurdia als zijn opvolger, Edward Sjevarnadze, herhaaldelijk om westerse steun gevraagd met het argument dat het lot van de westerse beschaving op het spel stond in de Kaukasus. Ze konden die interpretatie stoelen op het traditionele zelfbeeld van de Georgische intelligentsia. De Georgische elite heeft altijd gesteld dat de Georgische nationale cultuur behoort tot de Europese beschaving. Samen met Armenië was Georgië de eerste Europese staat waar het christendom is uitgeroepen tot staatsgodsdienst. In zoverre christelijke waarden worden beschouwd als een noodzakelijke component van de Europese identiteit, kan van Georgië worden gezegd dat het een aanzienlijke bijdrage heeft geleverd tot de westerse beschaving. Het argument dat de Europese identiteit zijn eerste wortels had in een ver verleden en in een gemeenschappelijke religieuze oorsprong heeft hoe dan ook weinig steun gevonden onder de Europese publieke opinie.

De etnische conflicten in Georgië zijn in West-Europa niet beschouwd als een beschavingsthema. In tegenstelling tot de burgeroorlog in ex-Joegoslavië waren de Georgische oorlogen geen headlinenieuws voor westerse agentschappen. Redactionele commentaren wezen erop dat zowel de regering Gamshakurdia als die van Sjevarnazde niet in staat waren om tot een compromis te komen met de etnische minderheden. De inname van Sukhumi door de Abchazische afscheidingsbeweging, de duizenden burgerdoden en de meer dan tweehonderd duizend Georgische vluchtelingen werden in de media beschreven als een tragisch gevolg zowel van Sjevarnadze’s onbekwaamheid om de radicale paramilitaire troepen onder controle te krijgen als van de Russische bemoeienis met de Georgische zaken. Het interview met de Georgische generaal Karkarashvili, waarin hij zegt dat hij persoonlijk bereid is 100.000 soldaten de dood in te sturen om 80.000 Abchaziërs uit te moorden ( met andere woorden, haast de voltallige Abchazische bevolking), is op ruime schaal uitgezonden door de westerse media.(8) Westerse regeringen veroordeelden de schending van het Georgische grondgebied, maar zulke officiële verklaringen hadden geen impact op de publieke opinie. Anders dan in ex-Joegoslavië had Europa geen moreel standpunt te verdedigen in de Kaukasus.

De Europese beschaving was een thema bij de discussie over de toetreding van Georgië tot de Raad van Europa, maar niet op de wijze die de theorie van Huntington zou hebben voorspeld. Geografisch gezien behoort geen enkele Transkaukasische staat tot Europa. Maar aangezien Georgië en Armenië allebei zijn aanvaard als vertegenwoordigers van de Europese cultuur, kon de kandidatuur van Azerbeidzjan niet worden verworpen, wou men het ontstaan van nieuwe breuklijnen voorkomen. De Raad van Europa was van mening dat –wegens hun culturele verwantschap met Europa- Armenië, Azerbeidzjan en Georgië hun kandidatuur moesten kunnen stellen voor het lidmaatschap, op voorwaarde dat ze duidelijk de wil toonden te worden beschouwd als een onderdeel van Europa en de fundamentele Europese waarden te huldigen. In mei 1996 kreeg Georgië de status van ‘speciaal gastland’ bij de Raad van Europa en het werd er lid van in april 1999.

De periferie als bruggenhoofd

De functie van bruggenhoofd voor de westerse belangen in een bepaalde regio, tijdens en na de koude oorlog, is traditioneel toebedeeld aan Israël en Turkije. Het Turkse lidmaatschap van de NAVO werd verantwoord door zijn rol als bolwerk tegen een mogelijke communistische expansie. Na de ondergang van de Sovjet-Unie stelde de Turkse regering zichzelf tegelijk voor als het middelpunt van een beschaving die zich uitstrekt van aan de Middellandse Zee tot aan de Chinese grens en als een bruggenhoofd voor westerse politieke en economische belangen die wensen binnen te dringen in de Transkaukasus en Centraal-Azië. Na de onafhankelijkheid werd Armenië door de andere landen in de regio aangevoeld en gevreesd als een mogelijk bruggenhoofd voor westerse belangen, op dezelfde manier als Israël in het Midden-Oosten. Die vrees werd nooit bewaarheid , omdat Armenië een behoedzaam evenwicht heeft behouden tussen Rusland, het westen en zelfs Iran. Georgië is daar niet in geslaagd. Het had gehoopt zijn economische en zelfs zijn militaire banden met het westen te verstevigen. Sjevarnadze poogde in ‘92-‘93 zijn westerse partners te overtuigen een gordel aan te leggen van ‘democratische landen’ rond Rusland. Maar die hoop werd nooit vervuld, het moest er zich bij neerleggen dat Rusland de macht naar zich toe haalde in de regio.

Welwillende onverschilligheid

Eén van de eerste tekenen van westerse onverschilligheid tegenover het conflict in de Kaukasus vinden we in een roman van John Le Carré, ‘Our Game’. Er wordt verondersteld dat Rusland en het westen het, ter wille van de veiligheid, eens zijn geworden om niet in te grijpen in de moordpartijen in de periferie van de vroegere Sovjet-Unie:

‘Vraag van Thatcherchild Marcia: Waarom weigerde het westen Gamsakhurdia te erkennen nadat hij eerlijk was verkozen? En waarom erkende het daarna niet alleen Sjevarnadze, zodra hij was ingezet als marionet van Moskou, maar sloot het meteen de ogen voor zijn genocide op de Abchazen en andere volken? Antwoord: Beste Thatcherchild Marcia, (…) het zijn de Goede Oude Kameraden die de handen in elkaar slaan over de Atlantische Oceaan heen en het erover eens waren dat minderheidsrechten de wereldgezondheid ernstig kunnen bedreigen…’(9)

De roman van Le Carré gaat over de zoektocht van Larry, een Britse koude-oorlogsspion op rust, naar een nieuw strijdperk in de postsovjetwereld en over zijn steun aan de strijd van Ingoesjiërs in het noorden van de Kaukasus tegen de onderdrukkers, de Ossetiërs en de Russen. De strijd van Larry is moreel, een protest tegen de onverschilligheid van het westen en tegen zijn medeplichtigheid met de andere ‘Goede Oude Kameraad’. Voor hem is het lot van de Ingoesjiërs exemplarisch voor alle andere verloren zaken in de wereld van na de koude oorlog. De gramschap van Larry is ook een uitdrukking van zijn verontwaardiging over de westerse hypocrisie en het verraad van alle waarden die tijdens de koude oorlog werden beleden, en waarvoor hij heeft gevochten (gespioneerd):

‘Toevallig zijn het de Ingoesjiërs omdat ze symbool staan voor het meest gemene van onze post-koude-oorlog wereld. Tijdens de hele koude oorlog hebben wij in het westen gepocht dat we de underdog verdedigden tegen de tiran . Die opschepperij was een verdomde leugen. Telkens weer, tijdens en na de koude oorlog, heeft het westen samengespannen met de tiran, ter wille van wat wij stabiliteit noemen, tot wanhoop van precies die mensen die we beweerden te beschermen.’(10)

De onverschilligheid heeft bij John Le Carré uitsluitend een negatieve inhoud. Het westen staat onverschillig tegenover het lot van minderheden in de mate dat de post-koude-oorlog afspraken en het zoeken naar stabiliteit samen met de Sovjet-Unie –later Rusland- niet gebaseerd zijn op morele principes. De ‘goede oude kameraden’ hebben een cynische houding tegenover wereldgebeurtenissen. De westerse onverschilligheid tegenover Georgië heeft andere motieven. Westerse politiek sluit goodwill niet uit. In tegenstelling tot de overtuiging van Larry, de spion van John Le Carré, is de wereldorde niet gebaseerd op morele, maar op politieke en wettelijke principes. Westerse onverschilligheid kan worden gezien als positief, omdat ze niet steunt op een negatief criterium –de afwezigheid van een morele norm- maar op politieke en wettelijke criteria.

Een positieve vorm van onverschilligheid is de grondslag van de liberale houding van West-Europa in de wereldpolitiek. Elke natie wordt gezien als volledig verantwoordelijk voor haar eigen lot, een paternalistische houding kan alleen maar haar vrije ontwikkeling belemmeren. De wereldgemeenschap, hoe dan ook, kan elke natie voorzien van een stabiele internationale wettelijke omlijsting die haar middelen kan vrijwaren om rijkdom en welstand te verwerven. Westerse onverschilligheid sluit bijvoorbeeld niet de mogelijkheid uit om bepaalde staten te voorzien van politieke en wettelijke waarborgen voor hun veiligheid –zoals dat het geval is met de plannen voor de uitbreiding van de Navo- of bij te staan met humanitaire, technische of andere hulp.

Waar het gaat om het lot van minderheden in welbepaalde staten, zal de internationale gemeenschap slechts optreden wanneer de grote wereldmachten het politiek opportuun achten, en wanneer het wettelijk mogelijk is volgens de internationale wet. Noch de politieke, noch de wettelijk voorwaarden waren vervuld in het geval van de meeste etnische conflicten op het grondgebied van de vroegere Sovjet-Unie. In tegenstelling tot de morele overwegingen van Larry werd het conflict van Ingoesjiërs en Ossetiërs in 1992 gezien als een interne Russische aangelegenheid. West-Europa heeft interesse voor een regeling van de conflicten in de Kaukasus, maar –anders dan wat de spion Larry stelt- beweert het niet de Ingoesjiërs of de vele andere nationaliteiten in de Kaukasus te beschermen.

Georgië heeft een marginale betekenis voor West-Europa. Dat blijkt uit een politiek die kan worden beschreven als welwillende onverschilligheid. Twee voorbeelden illustreren dat. Het eerste betreft de West-Europese politiek tegenover de strijd voor onafhankelijkheid en de burgeroorlogen in Georgië, tot aan de nederlaag van Georgië in Abchazië en zijn compromis met Rusland. Zoals vaak is aangetoond door historici en filosofen, is oorlog de voornaamste machtsdemonstratie van een staat. In de oorlog tegen de Abchazische afscheidingsbeweging heeft Georgië al zijn binnenlandse en buitenlandse middelen moeten aanspreken. De volslagen desorganisatie van de staat en de totale afhankelijkheid van het Sjevarnadze-bewind van paramilitaire en andere quasi-criminele groepen bewees dat het de zaken niet in handen had. Georgië slaagde er ook niet in de buitenlandse steun te mobiliseren om zich te verzetten tegen de Russische en Abchazische legers. De oorlog heeft bewezen dat –in tegenstelling tot officiële verklaringen die de vorige jaren zijn afgelegd- West-Europa slechts een marginale belangstelling heeft voor het land.

Georgië kondigde zijn onafhankelijkheid af in maart 1991.(11) In mei werd Zviad Gamsakhurdia tot president verkozen met 87 procent van de stemmen. Zijn nationalistische ideologie had een Europees tintje. Onafhankelijkheid betekende onafhankelijkheid van de Sovjet-Unie. De Europese idee gaf de Georgische nationale bevrijdingsbeweging een internationale dimensie. Nochtans gaf het westen geen substantiële hulp aan de onafhankelijkheidsbewegingen in de Sovjetrepublieken. Alleen de Baltische staten konden rekenen op solidariteitsverklaringen van sommige westerse landen. Wat de andere staten betrof hadden West-Europa en de Verenigde Staten meer vertrouwen in de federale hervormingsplannen van Gorbatsjov dan in de nationalistische bewegingen. In de zomer van 1991 publiceerde president Gamsakhurdia een erg emotionele officiële verklaring waarin hij heftig tekeer ging tegen de steun van president Bush voor de plannen van Gorbatsjov om de Sovjetfederatie te democratiseren. Hij noemde die politiek een capitulatie voor het totalitarisme. (12)

De federale politiek van Gorbatsjov liep uit op een sisser. Na de implosie van de sovjetstaat, in december 1991, ging de aandacht van de westerse landen vooral naar het politieke gevecht in het pas onafhankelijke Rusland. Allereerst kregen de Baltische republieken en de landen waar kernwapens staan –Wit-Rusland, Kazachstan en Oekraïne- westerse aandacht. De politiek tegenover Georgië was zelfs niet vriendelijk. Het regime van Gamsakhurdia werd in de westerse media beschreven als autoritair en repressief tegenover de oppositie en de etnische minderheden. Vooral het conflict in Zuid-Ossetië , dat in 1989 was uitgebarsten, baarde zorgen. De confrontatiepolitiek van Gamsakhurdia ten aanzien van Rusland strookte niet met de westerse steun voor de hervormingspolitiek van Jeltsin. Georgië kon zelfs niet rekenen op diplomatieke erkenning vanwege de westerse regeringen, die de politieke situatie er te onstabiel vonden en verkozen een houding van ‘wait and see’ aan te nemen.

President Gamsakhurdia werd afgezet in januari 1991 en Sjevarnadze keerde in maart naar Tbilisi terug. De Georgische publieke opinie verwachtte dat de goede betrekkingen tussen de voormalige Sovjetminister van buitenlandse zaken en de westerse regeringen –in het bijzonder Duitsland en de Verenigde Staten- het land meer waarborgen zou bieden voor een onafhankelijke koers. De westerse regeringen, van hun kant, hoopten dat Sjevarnadze er zou in slagen een einde te maken aan de burgeroorlog en het etnisch conflict in het land, de economie nieuw leven zou inblazen en de vele paramilitaire en criminele groepen onder controle zou krijgen. Sjevarnadze koos voor een actieve politiek van evenwicht tussen Rusland en het westen. De westerse regeringen hebben nooit gezegd dat zo’n politiek onrealistisch was. Integendeel.

Toen in april 1992,vlak na zijn opstappen als Duits minister van buitenlandse zaken, Hans-Dietrich Genscher naar Georgië kwam om er zijn ‘oude vriend’ Sjevarnadze te steunen en om te praten over de mogelijkheid dat Duitsland en de Europese Gemeenschap het land zouden helpen, verklaarde hij dat ‘Europa Georgië nooit aan zijn lot zou overlaten’(13). Tijdens een ontmoeting met Sjevarnadze verwees Genscher naar de mislukte pogingen van de Europese landen in het verleden om de Georgische onafhankelijkheid te steunen en verklaarde hij dat ‘Georgië altijd op Europa is afgestemd geweest. Het is tweemaal zwaar ontgoocheld geweest toen het bijstand verwachtte van de Europese landen. Dat zal geen derde keer gebeuren.’ Tegen Sjevarnadze zei Genscher zelf: ’Duitsland en Georgië zijn twee delen van Europa die de militaire en politieke confrontatie hebben overstegen. Vandaag leggen we de grondslagen van een nauwe samenwerking tussen onze landen, in het belang van de vrede in Europa.’ De Georgische media benadrukten dat het in het gemeenschappelijk belang van Duitsland en Georgië was te worden bevrijd van de bezetting door Russische troepen. Volgens de krant ‘Droni’ zei Genscher dat Duitland de toetreding van Georgië tot de Europese Unie zou steunen, op voorwaarde dat het land een stabiele democratie zou opzetten, met respect voor de rechten van de etnische minderheden. Zulke verklaringen kregen ruime weerklank in de Georgische pers en versterkten de illusie die bestond in de Georgische publieke opinie over de omvang van de westerse steun. Dat bemoeilijkte de verzoening met Moskou, in de mate dat die door de Georgische bevolking werd beschouwd als onnodig en onverantwoord.

Sjevarnadze was ervan overtuigd dat het westen de militaire capaciteit had om actief in te grijpen in de Kaukasus. In augustus 1992 vroeg hij:’Als de Russische troepen in Georgië kunnen zijn, waarom kunnen de Navotroepen hier dan niet zijn? ‘ In juni 1993, tijdens een bezoek aan het Navohoofdkwartier in Brussel, vroeg hij het Bondgenootschap actief mee te zoeken naar een oplossing voor het conflict tussen Georgiërs en Abchaziërs. In augustus 1993 zag hij een beperkte militaire rol weggelegd voor de Amerikanen in de Kaukasus, in het bijzonder voor de opleiding van de legerleiding. Een groep Groene Baretten van de Speciale Troepen van het Amerikaanse leger hebben naar verluidt lijfwachten opgeleid voor hogere officieren. Volgens Sjevarnadze moest de Amerikaanse aanwezigheid niet worden gezien als een soort van competitie met Rusland. Hij drong er op aan dat een vorm van samenwerking tussen Rusland en de Verenigde Staten van levensbelang was. Hij stak zijn ontgoocheling over sommige verwezenlijkingen van zijn vriend staatssecretaris Jim Baker, niet onder stoelen of banken. Hij hoopte dat de Clinton-administratie meer zou doen voor Georgië dan haar (Republikeinse) voorgangster en dat ze het belang van de Kaukasus zou inzien voor het behoud van de wereldvrede. Aangezien Rusland gevoelig was voor westerse druk –in het bijzonder van president Clinton en kanselier Kohl- werd het westen gezien als nuttig in de strijd voor een regeling van de Georgische etnische conflicten.

De politiek van Sjevarnadze weerspiegelde de voorkeur van de Georgische publieke opinie. Volgens een opiniepeiling die in juli 1993 werd gepubliceerd door de krant ‘Svobodnaia Gruzia’, vond 34 procent van de bevolking dat Duitsland de meest wenselijke strategische bondgenoot was voor Georgië, terwijl 19 procent hun voorkeur uitspraken voor de Verenigde Staten, 15 procent voor Oekraïne en 14 ten honderd voor Rusland. In een andere opiniepeiling steunde 65 procent van de ondervraagden de aanwezigheid van Amerikaanse troepen in Abchazië, 63 procent was voor Navotroepen en 26 procent voor Oekraïense troepen, slechts 2 procent voor Russische troepen. (14)

De oorlog in Abchazïe (1992-1993) dwong Georgië tot een volledige heroriëntering van zijn buitenlandse politiek. De westerse steun voor Georgië was uiterst beperkt. De westerse regeringen namen enkele diplomatieke initiatieven in de Verenigde Naties en deden een oproep tot Moskou om de actieve betrokkenheid van zijn troepen in het conflict stop te zetten. De VN-veiligheidsraad keurde een reeks resoluties goed, waarin hij opriep tot een staakt-het-vuren en de Abchazische politiek van etnische zuivering veroordeelde. In augustus 1993 besloten de Verenigde Naties militaire waarnemers naar Abchazië te sturen. Nadat Sukhumi in september in handen was gevallen van de Abchazische troepen, kondigden ze een volledig economisch en militair embargo af tegen Abchazië. President Clinton zegde Sjevarnadze zijn ‘volledige steun’ toe en beloofde meer voedsel, tenten, dekens en kleren te sturen. Zulke aanmaningen, resoluties en beloften voor humanitaire hulp waren duidelijk onvoldoende om de rebellen terug te drijven. Ruim 200.000 Georgiërs vluchtten Abchazië uit. De militaire nederlaag was een schok voor de Georgische publieke opinie, die plots moest beseffen dat de westerse droom over was en dat het Rusland moest aanvaarden als dominante macht in de regio. Sjevarnadze, die tot aan de val van Sukhumi was blijven zeggen dat het westen de capaciteit had om vredestroepen te sturen naar Abchazië, was in staat zich aan te passen aan de realiteit en kreeg van het Georgische publiek de vrije hand om naar een compromis te zoeken met Rusland.

Het regime van Sjevarnadze werd niet alleen bedreigd door de Abchazische afscheidingsbeweging, maar ook door de troepen die trouw waren gebleven aan de vorige president, Zviad Gamsakhurdia. De Zviadgezinde troepenmacht, aangevoerd door Loti Kobalia, lanceerden een grootscheeps offensief tegen de regeringstroepen, bezetten de haven van Poti, aan de Zwarte Zee, en dreigden ermee de hoofdstad binnen te vallen. Sjevarnadze begreep dat hij geen keuze had. Hij aanvaardde de Russische voorstellen waar hij voordien had geweigerd op in te gaan. Een overeenkomst die een wettelijke basis gaf aan de installatie van Russische militaire bases op Georgisch grondgebied werd ondertekend in oktober 1993. Het ging eigenlijk om vroegere Sovjetbases, die begin 1992 onder Russisch bevel waren geplaatst. Georgië sloot zich aan bij het GOS. Het machtsevenwicht tussen regerings- en Zviadgezinde troepen sloeg om in een paar weken tijd. De Russische militairen controleerden de strategische verbindingswegen en verleenden verder steun door de opmars tegen te houden van de Zviadisten, van wie de opstand met succes werd onderdrukt.

De toegevingen van Georgië aan Rusland hebben geleid tot een ernstig verlies aan invloed, vooral in de militaire sfeer. Zulke toegevingen waren onvermijdelijk, aangezien het Russische leger anders bereid leek –door de antiregeringstroepen te steunen- mee te werken aan een volledige opdeling van het land. In 1992 en 1993 verloor Georgië de kans te onderhandelen over gunstiger alternatieven, in het bijzonder inzake het statuut van Abchazië. Minder illusies over de te verwachten westerse steun had in een veel vroeger stadium kunnen leiden tot compromissen, zowel met Abchazië als met de Russische militairen.

De westerse regeringen bleven tegenover de crisis grotendeels passief en persoonlijke vriendschappen tussen ambtenaren van buitenlandse zaken speelden geen belangrijke rol. Het laag profiel van het westen kan gemotiveerd zijn geweest door zijn inschatting van de geopolitieke situatie en zijn vrees het Kremlin te provoceren of anders de Russische hervormingen in het gedrang te brengen. Volgens een adviseur van Sjevarnadze gaf Bill Clinton de Georgische president de raad zich te verzoenen met de idee dat hij behoorde tot de Russische invloedssfeer.(15) De westerse regeringen vertoonden op geen enkel moment enige bereidheid om eigen troepen naar Georgië te sturen. President Clinton verklaarde in maart 1994 dat de Verenigde Staten geneigd zouden zijn een VN-vredesmacht in Abchazië te steunen, mochten de oorlogvoerende partijen vooruitgang boeken bij vredesgesprekken, maar dat er geen Amerikanen zouden deel uitmaken van zo’n leger. In juli 1994 breidde de Veiligheidsraad de VN-waarnemersmissie in Abchazië uit en keurde hij de ontplooiing goed van Russische troepen onder de dekmantel van het GOS. Tegelijkertijd keurde de Veiligheidsraad een door de Amerikanen geleide interventie in Haïti goed. De twee beslissingen , zo werd gezegd, waren het gevolg van een ‘quid pro quo’ overeenkomst. (16)

De westerse regeringen weigerden te worden betrokken bij de behandeling van de etnische conflicten in Georgië, maar ze uitten hun bezorgdheid over de versterking van de Russische invloedssfeer in de Kaukasus. Naast Georgië had ook Armenië te maken met Russische bases op zijn grondgebied en had het afspraken gemaakt met het Russische ministerie van defensie. Met uitzondering van Azerbeidzjan en de afgescheurde republiek Tsjetsjenië was begin 1994 de hele Kaukasus stevig in de greep van de Russische invloedssfeer.

In een televisieverklaring in oktober 1995 heeft Sjevarnadze het over de radicale wending in de buitenlandse politiek van zijn regering, twee jaar eerder. Hij zei dat zijn enig alternatief een compromis met Rusland was geweest, omdat de Verenigde Staten hun steun hadden geweigerd, ze slechts enkele uniformen en wat medische uitrusting hadden geschonken ‘via onze landgenoot John Shalikashvili’ (de Amerikaanse stafchef). In zijn poging om het verloren grondgebied terug te winnen kan Georgië ‘van niemand anders dan van Rusland ernstige hulp verwachten’.(17) Dat belette Sjevarnadze niet nieuwe banden te smeden met het westen. Hij verzette zich tegen het voornemen om een door Rusland geleid blok te vormen om de uitgebreide Navo af te remmen, en er werden militaire samenwerkingsprogramma’s opgezet binnen het ‘Partnerschap voor de Vrede’ van de Navo.

Een tweede illustratie van het marginale belang van Georgië voor de West-Europese politiek vinden we in de programma’s van de Europese Unie voor de Kaukasus. De EU heeft geen specifieke ‘Europese’ klemtonen inzake de Kaukasus, wel een politiek van wederzijdse samenwerking bepaald door een visie op de regio als geheel. Wanneer de prioriteiten in de Kaukasus worden vastgelegd, wordt er geen rekening gehouden met het zelfbeeld van Georgië als een land dat door zijn cultuur en zijn geschiedenis tot Europa behoort. Een document van de Europese Commissie beschrijft de hele regio als een brug tussen Europa en Azië. De politiek van de Europese Unie inzake Georgië en de andere twee Transkaukasische staten, Armenië en Azerbeidzjan, (18) verschilt ten gronde niet van die welke in Centraal-Azië wordt gehuldigd:

het promoten van stabiliteit, democratisering en eerbied van de mensenrechten, gezien als intrinsiek verbonden met de economische hervormingen;
de belangen verdedigen van de Europese bedrijven die betrokken zijn bij oliecontracten: de Europese Unie zal in de toekomst één van de voornaamste verbruikers zijn van de olie- en gasreserves uit de Kaspische Zee;
het promoten van milieuveiligheid (bijvoorbeeld voor de kerncentrale van Medzamor NPP in Armenië) en het boren naar olie in de Kaspische Zee volgens de milieunormen.
Het laag politiek profiel van de Europese Unie in de regio, de eerste jaren na de ontbinding van de Sovjet-Unie lag niet alleen aan haar bezorgdheid om geen Russische vrees te wekken over westerse bemoeienis aan haar grenzen, maar ook aan de onbekwaamheid van de westerse regeringen om een gemeenschappelijke politiek uit te werken tegenover de Transkaukasus en uiteindelijk aan het ontbreken van financiële middelen om in de drie hoofdsteden belangrijke diplomatieke vertegenwoordigingen van de Europese Unie te vestigen. Europese economische belangen verantwoorden nu wellicht een sterkere politieke profilering van de Unie. Europese bedrijven kunnen de politieke steun van hun regeringen gebruiken in hun competitie met Amerikaanse rivalen. Het ontbreken van de Europese Unie bij het beïnvloeden van beslissingen over het tracé van pijpleidingen zou een handicap kunnen zijn voor Europese bedrijven die zich in de regio willen vestigen.

‘Akkoorden voor Partnerschap en Samenwerking’(PCA’s, ‘Partnership and Cooperation Agreements’) zijn één van de voornaamste instrumenten van de Europese Unie om hun doelstellingen te bereiken. Zulke akkorden zijn met alle drie de Transkaukasische republieken gesloten in april 1996, met de toezegging van de staatshoofden om in Luxemburg samen te komen voor de officiële ondertekening. Het akkoord met Georgië noemt als essentiële doelstellingen van het partnerschap de ontwikkeling van politieke en handelsrelaties tussen de ondertekenaars en de steun van de Europese Unie voor de inspanning van Georgië om zijn democratie te verstevigen. Het aanvatten van een politieke dialoog zou de samenwerking bevorderen over zaken die bedoeld zijn om stabiliteit en veiligheid in Europa te versterken.

In de algemene West-Europese strategie inzake de Transkaukasus nemen de energiebronnen van Azerbeidzjan een uiterst belangrijke plaats in. Georgië zou voor het transport kunnen zorgen. Het heeft betere verbindingen met West-Europa dan Azerbeidzjan of Armenië. Het grenst rechtstreeks aan Turkije, dat meer belang heeft gekregen sinds het een douane-unie heeft gesloten met de Europese Unie. De eerste jaren na de onafhankelijkheid waren de economische achteruitgang (tussen 1990 en 1994 door de Europese Commissie geschat op 80 procent van het Bruto Binnenlands Product) en het ontbreken van recht en orde erger dan in de andere Transkaukasische staten. Hoe dan ook, met het neerslaan van paramilitaire en andere criminele groepen in 1994 en 1995, de invoering van een nieuwe grondwet in augustus 1995 en een radikale munthervorming in 1995, slaagde de Georgische leiding erin de grondslagen te leggen voor ekonomische hervormingen en buitenlandse investeringen.

Conclusies

In deze bijdragen zijn verschillende betekenissen ontleed van het begrip periferie. De meeste zijn niet bruikbaar voor de beschrijving van Georgië’s plaats aan de periferie van Europa. Het concept van een periferie moet bijvoorbeeld worden gezocht in het centrum-periferie model van de Europese integratie, waar de Europese periferie verondersteld wordt geleidelijk te worden geïntegreerd in het centrum. Georgië grenst aan de douane-unie tussen Turkije en de Europese Unie, maar maakt weinig kans om ooit deel uit te maken van het Europese centrum. De Europese Unie voert geen specifiek Georgië-beleid, noch een beleid dat het zelfbeeld van Georgië als Europese natie erkent, maar verdedigt specifieke Europese belangen en algemene (‘universele’) westerse waarden in de hele Transkaukasische regio. Op dat vlak is haar benadering in de regio fundamenteel niet anders dan die van de Verenigde Staten, die specifieke economische belangen verdedigt en universele westerse waarden. Het hele probleem van een Europese identiteit, dat zo een belangrijke rol heeft gespeeld in het Europees integratieproces vóór de val van de Berlijnse muur en voor de Georgische onafhankelijkheidspolitiek, is afwezig van de Europese strategische benadering van Georgië. De West-Europese politiek ten aanzien van Georgië kan het best worden omschreven als welwillende onverschilligheid.

Bruno Coppieters is hoofddocent bij de vakgroep politieke wetenschappen aan de Vrije Universiteit Brussel. Hij bestudeert de afscheidingsbewegingen in de Kaukasus.

Noten

ANTHONY D. SMITH, ‘National Identity and the Idea of European Identity’, in International Affairs, Vol.68, No.1.
WOLF SCOTT and GEORGE TARKHAN-MOURAVI, Government of the Republic of Georgia/United Nations Development Programme, ‘Human Development Report. Georgia 1995’,Tbilisi, 1995.
ID.
SAMUEL P. HUNTINGTON, ‘The Clash of Civilizations’, in Foreign Affairs,(Summer 1993)
ID.
ID.
DAN DINER, ‘Die Wiederkehr der Oriëntalische Frage’, in Die Zeit, 1 september 1995
ID.
JOHN LE CARRE, ‘Our Game’, London, 1995, Knopf.
ID.
Zie daarover ALEKSEJ ZVEREV,BRUNO COPPIETERS, ‘Verloren evenwicht. Georgië tussen Rusland en het Westen’ in Oost-Europa Verkenningen, No 134 en ALEKSEJ ZVEREV, ‘Ethnic Conflicts in the Caucasus’,in BRUNO COPPIETERS(ed), ‘Contested Borders in the Caucasus’,Brussel,1996, VUB Press.
Sakartvelos Respublika, 9 augustus 1991. Een overzicht van de Georgische houding tegenover het westen in : ALEXANDER KUKHIANIDZE, ‘The Georgian media on Western Policies’, 1994 (manuscript).
Sakartvelos Respublika, 14 april 1992. In zijn memoires verwijst Genscher niet naar de talloze gesprekken die hij heeft gehad met Sjevarnadze over mogelijke westerse hulp voor het door oorlog verscheurde Georgia. Over Georgië, zie: HANS-DIETRICH GENSCHER, ‘Erinnerungen’, Berlijn, 1995, Siedler Verlag.
Volgens het Georgische TV-programma Time Out, 1 augustus 1993.
Financial Times, 20 oktober 1993.
De Standaard, 3 augustus 1994
Monitor, 2 oktober 1995.
Zie document van de Europese commissie: ‘Towards a European Union Strategy for Relations with the Transcaucasian Republics, 1995.


Vertaling: Liesbet Walckiers

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 3181   proMO*’s steunen ons vandaag al. 

Word proMO* of Doe een gift