Gezondheidszorg in Irak nog niet aan beterhand

Bijna vier jaar na de val van Saddam Hoessein ligt de Iraakse gezondheidszorg nog steeds in puin. In ziekenhuizen is gebrek aan basismateriaal, tientallen klinieken zijn niet afgebouwd en geavanceerde technologische apparatuur is nog niet uitgepakt.
De ziekenhuizen in Irak hebben te maken met een ongekende crisis – dagelijks raken er honderden Irakezen gewond door aanslagen. In december werden tientallen werknemers van het Iraakse Rode Kruis, een van de weinige organisaties die nog actief is in het land, op klaarlichte dag ontvoerd. Daardoor kwam het werk van de organisatie in de hoofdstad Bagdad stil te liggen.

Sinds de invasie werden 2.000 Iraakse artsen vermoord en 250 ontvoerd, meldde het Brookings Institution in december. Meer dan de helft van de 34.000 Iraakse artsen ontvluchtte het land. Sommigen van hen zijn nu taxichauffeur in Libanon.

De reparatie en uitbreiding van bestaande gezondheidsfaciliteiten in de veiliger delen van het land liep ook vast. Ziekenhuizen zitten daardoor met gebrek aan basismaterialen en ook eenvoudige trainingen voor personeel ontbreken.

In Sulamaya, een relatief vreedzame en welvarende stad in het noorden van Irak waar nauwelijks geweld is, kwam ook weinig terecht van geplande projecten. De verantwoordelijke ambtenaar van het ministerie van Gezondheid zei in een interview dat het Amerikaanse bedrijf Parsons Global had beloofd 29 miljoen dollar te besteden aan de bouw van vijf nieuwe gezondheidscentra, een nieuw kinderziekenhuis en de reparatie van een kraamkliniek. Het ministerie mocht bepalen waar de ziekenhuizen moesten komen, maar de Amerikaanse contractanten en het Amerikaanse Agency for International Development (USAID) bepaalde het design en het budget.

Niet een van de gezondheidscentra in de provincie is afgebouwd. Het enige wat wel gerealiseerd werd, was een nieuwe lift, door het bedrijf Al Monel geïnstalleerd in het kinderziekenhuis.

Liften lijken de achilleshiel van Parsons. Tijdens een bezoek aan de kraamkliniek van Najaf ontdekte een journalist van de New York Times dat maar één van de vier liften in het gebouw werkte. De rest wachtte op reparatie. In het Hilla Ziekenhuis stortte een door Parsons gerenoveerde lift naar beneden. Daarbij kwamen drie mensen om. Parsons reageerde niet op telefoontjes en mails met het verzoek om een reactie.

Een van de meest prominente mislukkingen op een lange lijst is het kinderziekenhuis van Basra, dat een kroonjuweel van de Amerikaanse hulp aan Irak had moeten worden. In augustus 2004 gunde USAID een contract van vijftig miljoen dollar aan bouwbedrijf Bechtel, een van de grootste bedrijven ter wereld in de sector.

Het ziekenhuis zou speciaal ingericht worden voor de behandeling van kankerpatiëntjes. Het aantal kinderen met kanker nam na de Eerste Golfoorlog spectaculair toe in de regio. Volgens sommige deskundigen zou dat toe te schrijven zijn aan het gebruik van nucleaire munitie in de regio door de VS.

Het ziekenhuis werd ontworpen zonder veel inbreng van lokale deskundigen en werd gepland in een stad waar geen schoon water beschikbaar was. Er stond bovendien al een centrum voor leukemiepatiëntjes waar groot gebrek aan geld en middelen was. Elk bed werd daar gedeeld door twee of drie kinderen.

Achter het nieuwe ziekenhuis zat Project Hope, een liefdadigheidsinstelling van John P. Howe III, voorzitter van de Universiteit van Texas en vriend van president George W. Bush. Project Hope had eerder soortgelijke ziekenhuizen gebouwd in Polen en China.

Howe wilde ook graag in Irak aan de slag. Er zouden kosten nog moeite gespaard worden om er een technologisch geavanceerd ziekenhuis van te maken. Maar het ging net als met veel andere projecten: het geld verdween zodra er dingen misgingen. Een jaar na de start van de bouw in augustus 2005, werd het project doelwit van aanslagen, zegt het bedrijf. De kosten voor de bouw stegen daardoor van 50 tot bijna 170 miljoen dollar. In juli vorig jaar werd het project stilgelegd.

Plaatsvervangend minister Amar Al-Saffar zegt dat de mislukking deels een gevolg is van Bechtels besluit om een Jordaans bedrijf in te huren om het werk van Iraakse bouwbedrijven te overzien, in plaats van direct samen te werken met de Irakezen. “Er zou volledig vertrouwen in Iraakse bedrijven moeten zijn”, zei Saffar vorig jaar tegen de New York Times.

Richard Garfield, professor aan de Universiteit van Columbia, bezocht Irak sinds 1996 bijna jaarlijks als adviseur van de Verenigde Naties. “We hebben prachtige systemen bedacht en daarna workshop georganiseerd om de Irakezen op te leiden. Maar het werkt niet omdat het door buitenlanders is bedacht en de Irakezen er nauwelijks bij betrokken zijn. Die buitenlanders zijn niet lang genoeg gebleven om hun projecten goed te integreren in het reguliere systeem”, aldus Garfield.

Maak MO* mee mogelijk.

Word proMO* net als 3196   andere lezers en maak MO* mee mogelijk. Zo blijven al onze verhalen gratis online beschikbaar voor iédereen.

Ik word proMO*    Ik doe liever een gift