Gianni Vattimo: ik geloof dat ik geloof

Hij was ‘romantisch antikapitalist’ in de jaren zeventig. Vandaag is hij hoogleraar wijsbegeerte aan de universiteit van Turijn. Tegelijk wandelt hij als sociaal-democratisch Europarlementslid door de luxueuze paleizen in Straatsburg en Brussel, maar kan er de lift niet nemen zonder aan het ‘Angelus’ uit zijn jeugdjaren te denken. Een gesprek op de vijftiende verdieping van de macht, met de 63-jarige Gianni Vattimo die liever ‘halfgelovig’ is dan ongelovig of pilaarbijter.
Uw geloofsbelijdenis in het boekje ‘Ik geloof dat ik geloof’ deed in 1996 in Italië heel wat stof opwaaien.

Priesters reageerden hevig op het boekje, en dat niet alleen omdat ik openlijk uitkom voor mijn homoseksualiteit. Vanuit niet-gelovige hoek kwam er weinig reactie. De vragen waarop het boekje ingaat, situeren zich op de eerste plaats binnen de kerk. Anderzijds zegt het succes van ‘Ik geloof dat ik geloof’ ook dat filosofen moeten deelnemen aan publieke discussies en dat ze het daarbij ook moeten hebben over de godsdienst. Waarom zou de staat filosofen nog verder betalen als het technische, filosofische werk totaal irrelevant blijkt?

U bent een ‘katholieke’ filosoof?

Ik genoot een katholieke opvoeding. Ik was militant katholiek, tot mijn vijfentwintigste. Mijn gelovig engagement was erg verbonden met de politieke, sociale aanwezigheid van de kerk in Italië. Daarna ging ik in Duitsland filosofie studeren waar ik weinig Italiaanse kranten las. Ik verliet de kerk, ik ging niet langer naar de mis. Ik bestudeerde in die dagen filosofen die het christendom niet al te goed gezind waren en verliet de kerk fundamenteel om filosofische redenen. Niet zozeer om persoonlijke problemen. Ik heb een homoseksuele geneigdheid, maar de zonde is toch geen obstakel om tot een kerk te behoren, of wel soms? Zowel wegens die persoonlijke geaardheid als wegens de filosofische studies, begon ik te twijfelen aan de naturalistische filosofie van Thomas van Aquino. Hoeveel heb ik niet gediscussieerd met mijn ‘geestelijke leider’ over het principe van de ‘rechtvaardige oorlog’ die ik niet te rechtvaardigen vond? Maar ik voelde nooit de behoefte om echt te gaan polemiseren. Ik koester geen wrok.

Maar u keerde ook nooit terug naar de kerk?

Moet een geloof beleefd worden binnen de kerk? Of val ik de kerk aan? Een van mijn leerlingen, een zeer goede katholiek, vroeg mij: ‘Je verwijt de paus dat hij condooms verbiedt. Moet Johannes-Paulus dan het gebruik van condooms aanprijzen?’ Als paus zou ik zelf wellicht nog veel reactionairder zijn. Ik zou ongelooflijk gebukt gaan onder de verantwoordelijkheid tegenover de massa’s. Maar nu heb ik de vrijheid om te zeggen: ik zou willen dat de paus zich niet bemoeit met condooms. Het probleem is de structuur van de kerk als leidinggevende, verticale autoriteit met een chef en een doctrine. Waarover heeft men het in feite nog als men bidt ‘mogen allen één zijn’? Een bevriend theoloog zei terecht: ‘Het probleem van de eenheid wordt al te dramatisch gesteld. De kerk is nog nooit één geweest. Religie vraagt uit zichzelf een veelheid aan houdingen.’ Het vraagstuk van de kerkstructuur wordt met de dag beslissender omdat wij niet langer leven in een gesloten wereld. Dertig jaar geleden kon je nog zeggen dat je het boeddhisme kende omdat je ooit iemand had gesproken die in India geweest was, vandaag loop je overal boeddhisten tegen het lijf. Oecumene is niet langer een probleem van de christelijke kerken. Het gaat ook om de dialoog met de boeddhisten, de hindoes, de moslims. Dat maakt een diepgaande omvorming noodzakelijk, zó diepgaand dat men niet weet waar die zal eindigen. Wat doet het ertoe dat God bestaat uit drie, vier of vijf goddelijke personen? Als ik de liefde niet heb… dient het mij tot niets.

Wat is dan nog de goede reden om christen -laat staan ‘katholiek’- te zijn?

Dat is de kern van het probleem: is wie zijn naaste bemint en niets afweet van de Heilige Maagd, een christen? Reeds in de Middeleeuwen schreef Dante over de wijzen, de rechtvaardigen, mannen en vrouwen uit het Oude Testament, die zalig werden ondanks hun onkunde inzake de geloofsdogma’s. Het christelijk geloof -met als kern de naastenliefde- kan vandaag het vertrekpunt zijn voor een grotere eenwording, een colloquium van de wereldreligies. Herleid ik dan alles tot moraal? Ik vind dat een valse vraag. God is mens geworden, om ons beter te laten begrijpen wie Hij in waarheid is. De kloof tussen de hemel en de aarde, tussen godsgeloof en menselijke moraal werd daardoor gedicht. Ik besef natuurlijk wel dat mijn visie niet altijd strookt met de Vaticaanse orthodoxie.

Toch voelt u een haast esthetische nostalgie naar die ‘ene, ware en heilige’ kerk?

Dat geef ik toe. Ik zou soms graag naar de mis willen gaan. Dat ik het niet doe, heeft eerder een praktische reden: ik begon naar de kerk te gaan in Turijn, maar dat werd al gauw een publiek probleem omdat de mensen mij als homo kennen. Ik zou naar Firenze kunnen gaan maar ook daar kent men mij. Ach, ik denk niet dat God mij daarom zal veroordelen. Ik hou van missen in het Latijn. Over de liefde kan je maar in het Frans spreken, over handel drijven in het Engels, over filosoferen in het Duits en bidden kan je maar in het Latijn. Ik kan die ervaring met het Latijn niet zomaar aan de kant laten. Ik probeer elke dag te bidden met het brevier. Toen ik klein was en er iemand de hostie durfde aan te raken met zijn handen heette dat heiligschennis. Sommige priesters laten je vandaag ter communie gaan zonder te biechten, maar zoiets zou ik mij nooit in het hoofd halen.

Naast de kerk van wierook en sacramenten is er ook een strijdvaardige kerk.

Ik ben altijd een katholiek van links geweest. In het Italiaans heette de strekking waartoe ik behoorde het ‘catocomunismo’. Ik sympathiseer met de kerk die zich engageert in de eigen tijd, in de sociale werkelijkheid. Al vrees ik soms dat het ook in die kerk gaat om een of andere verdoken vorm van inhalerigheid of theocratie. Zelfs het geëngageerde katholicisme brengt soms te weinig respect op voor de neutraliteit van lekenzaken. Ik vind dat men een moraal nooit kan opleggen.

Ook een geëngageerde kerkgemeenschap kan u niet voldoende charmeren?

Van zodra ik denk aan een meer zichtbare, concrete band met de kerk, dienen zich doctrinaire problemen aan. Biechten of niet? Ter communie gaan. Als ik biecht moet ik beloven dat ik mijn partner opgeef, maar dat zal ik nooit doen. Ik ben verantwoordelijk voor een leven. Waarom verbiedt men de mogelijkheid van een levensband tussen twee mannen? Ik wil niet dat de kerk dat verbiedt. Dat zou mij engageren in de erkenning van de autoriteit van de kerk op een domein waar ik haar niet wil horen. Ik wil van de paus zelfs niet horen dat hij homoseksuelen aanvaardt. Ik voel mij wel een geestelijk lid van de kerk. Een halfgelovige.

Vergeeft u mij de vergelijking: kan men een halve minnaar zijn?

Einstein schreef dat hij zich altijd alleen voelde op de wereld, zelfs tegenover zijn geliefden. Daar school misschien wel een beetje cynisme in, maar ook de erkenning dat mensen een eigen weg te gaan hebben. Een halve minnaar is misschien niet onverdienstelijk: hij spant zich in om beter te worden.

Is halfgelovigheid ook eerlijker?

Het opent de ruimte voor ongelovigen of niet-meer gelovigen. De prediking van de paus gaat veeleer de tegenovergestelde richting uit. Hij proclameert de grote plichten van een gelovige, compromisloos. Ogenschijnlijk oogst hij daarmee succes. De massa’s stromen toe. Maar dat is een ideologisch succes. Godsdienst als iets absoluut buitengewoons, bevredigt op het vlak van het verlangen. Het rechtvaardigt tegelijk velen juist om af te haken, wegens ‘onhaalbaar’. De idealen overrompelen zodanig, dat je er niet hoeft aan te beginnen. Het is zoals mensen die zich bekommerden om Rwanda. Zij kijken naar de televisie, zuchten ‘ocharme’ en een half uur later gaan ze gerust slapen. Ik denk dat er goede redenen bestaan om halfgelovige te zijn. Leren aanvaarden dat inzake geloven een ander ook gelijk kan hebben, impliceert een halfgelovigheid. Niet alleen vanuit een soort naastenliefde vanuit de hoogte, zo van ‘beste, arme drommel, ik zal je helpen, ik respecteer je, maar ik sta wel in de waarheid.’ God openbaart zich toch op zoveel verschillende manieren.

Uw halfgelovigheid verraadt ook een zekere hunkering.

Ik voel mij een zondaar. Niet omdat ik als homoseksueel de zogenaamde natuurwet zou overtreden. Wel omdat de drang naar zelfbehoud in mij soms triomfeert. Ik ben lui als anderen mij iets vragen. Ik luister niet genoeg naar de anderen. Ik ben een halve minnaar. Ik voel soms in mij de nood aan vergeving wegens mijn tekortschieten om beschikbaar te zijn voor anderen. Ik beken nederig soms al te zeer overgeleverd te zijn aan mijn eigen vitaliteit. Een eenvoudig voorbeeld: ik span mij in om niet te verdikken. Dat alles lijkt een weigering van mijn eindigheid. Dat is trouwens ook de houding van de verleider die denkt alles te kunnen krijgen wat hij verlangt. Daarin voel ik mij een zondaar.

Heeft God een gezicht voor u?

Hij heeft de trekken van Michelangelo’s Schepper bovenin de Sixtijnse Kapel. Ik denk ook aan hem als aan mijn vader. Maar mijn diepste religieuze ervaring is dat God degene is die ik ontmoet als ik aan niets anders denk. Toen ik jonger was, had ik de gewoonte mijn rozenkrans te bidden in de tram. Of ik bad het Angelus als ik thuis rond de middag in de lift stapte. Tot op vandaag kan ik geen lift nemen zonder aan het Angelus te denken. Ik vraag mij af waaraan mijn niet-gelovige vrienden denken als ze de lift nemen, wat er in hun hoofd opkomt als zij aan niets anders denken. Dit is het intiemste van mijn religiositeit: ik ben nooit alleen, nooit totaal verlaten. De heilige Edith Stein zei dat er ‘een geheime geschiedenis was van haar ziel die ze zelf niet kende.’ Dat gevoel heb ik ook.

Is uw leven een zoektocht naar een genadevolle thuiskomst?

Kan men zich het eeuwige voorstellen? Men verbeeldt zich de gestorven geliefden terug te vinden. Ik heb vertrouwen in een andere dimensie van de tijdelijkheid. In een heel mooi boek schrijft de Amerikaanse kosmoloog Carl Sagan over de miljarden sterren die ons omgeven en de verbanden die er bestaan tussen de werelden. Er staat: ‘Het leven is gemaakt om naar andere werelden te kunnen reizen’. In de volkstaal zegt men ook dat wie sterft ‘naar een andere wereld verhuist’. Ik verloor mijn vader toen ik heel erg jong was. Mijn moeder toonde mij altijd één ster: de ster van mijn vader. Ik bewaar in een briefomslag enkele haren van een dode vriend. Een hiernamaals? Ik weet het niet. Ik geloof, ik hoop. Zou het geen eeuwig genieten kunnen zijn van de geestelijke scheppingen van de mensheid: een herinnering aan museumbezoeken, het herlezen van romans? Zou God niet de verzameling kunnen zijn van de waarden die wij gerealiseerd hebben?

De eindigheid van dit leven maakt u niet bang?

Ik vrees het lijden, ik vrees de tien seconden dat het vliegtuig naar beneden stort. Maar ik ben niet bang. Mensen die ik heel nabij was, gingen mij voor in de dood. Het ergste wat ons kan overkomen, is dat wij niet meer zouden bestaan. Ik hoop dat het leven na de dood niet hetzelfde of slechter is als het leven vóór de dood. Ik geloof toch in een zekere rationaliteit van het Zijn.

Een hel moeten wij niet meer vrezen?

Als God goed is, bestaat er geen hel.

Ook niet voor de beulen van de geschiedenis?

Waarom zou Hitler geen kans krijgen in het vagevuur? Zou ik gelukkig kunnen zijn in de eeuwigheid terwijl anderen -zelfs een Hitler- in de hel branden? Leve het vagevuur dan maar. Ook al zegt ons dat niet veel meer… waar zou het Vaticaan zonder het vagevuur naartoe moeten met zijn aflaten?

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 3153   proMO*’s steunen ons vandaag al. 

Word proMO* of Doe een gift