Globalisering drukt op Europa

Het Nederlandse poldermodel is opgeblazen door de regering Balkenende. Duitse arbeiders gaan meer werken voor hetzelfde loon en Duitse werklozen riskeren na een jaar hun werklozensteun te verliezen. Als het in Berlijn en Amsterdam druppelt, kan het dan in Brussel droog blijven? Is dit het moment waarop de globalisering echt begint te bijten en het West-Europese welvaartsmodel ernstig wordt afgezwakt? Of zal het kapitalisme, via de druk van de wereldwijde concurrentie, realiseren wat het socialisme nooit vermocht: meer mondiale inkomensgelijkheid?
Vijf uur per week meer werken voor hetzelfde loon. Dat is wat de werknemers van twee Duitse vestigingen van Siemens deze zomer aanvaardden. Het leek een keerpunt en het werd ook zo uitgelegd. De multinational had het personeel in de vestigingen voor de keuze gesteld: meer werken voor hetzelfde loon, of delokalisatie van het bedrijf naar Oost-Europa. Op zich was dit soort “inlevering” niet helemaal nieuw.
In 1996 had het Duitse Viessman met zijn personeel al afgesproken dat ze 2,5 uur per week langer zouden werken voor hetzelfde loon, maar dat was toen in relatieve stilte gebeurd. Het akkoord bij Siemens kreeg echter alle aandacht en werd door zowat de hele Duitse politiek uitgelegd als een goede zaak: in tijden van globalisering leven de Duitse arbeiders boven hun stand en past het de lonen te matigen om te overleven als industrienatie. Duitsland wil de werkloosheid nu te lijf gaan door de arbeidsmarkt flexibeler te maken en de uitkeringen te verlagen: een kwestie van mensen aan te zetten om minder goed betaalde banen te aanvaarden. Het duurde niet lang of het personeel van de Siemensvestiging in België moest ook wat langer gaan werken.
Is er sprake van een tendens? ‘Wij kennen geen andere bedrijven waar zo’n akkoorden zijn afgesloten,’ zegt ACV-woordvoerster Greet Vandendriessche. Carlos Polenus, die onlangs op een haar na ABVV-voorzitter werd, wijst erop dat het akkoord bij het Belgische Siemens vooral een schijnbeweging is die aan de buitenwereld en de aandeelhouders moest tonen dat alle Siemensvestigingen een inspanning deden. Vandendriessche zegt wel dat de gebeurtenissen de vakbonden in het defensief dwingen: ‘Wij heten nu conservatief omdat we vasthouden aan sociale verworvenheden. De komende sociale onderhandelingen worden moeilijk.’

Rustig rijker


Belgen zijn rijk, jazeker. De gemiddelde Belg had in 2002 volgens de Verenigde Naties een reëel jaarinkomen van 27.570 dollar. Daarmee staan we op de elfde plaats in de wereld. Het was bovendien het hoogste inkomen dat we ooit haalden. We konden nog nooit zoveel kopen als in 2002. Om precies te zijn: zes keer zoveel als de gemiddelde Chinees, ruim tien keer zoveel als de gemiddelde Indiër, en meer dan veertig keer zoveel als de gemiddelde Burundees. Zo’n inkomen per hoofd vertelt weliswaar niet hoe het Belgische nationale inkomen verdeeld wordt onder de 10 miljoen Belgen, maar ook op dat vlak scoort België redelijk goed.
Dankzij het werk van de vakbonden en de collectieve arbeidsovereenkomsten worden de verschillen tussen hoge en lage lonen relatief beperkt gehouden. Dat blijkt bijvoorbeeld uit de Employment Outlook , een jaarlijks rapport over werkgelegenheid van de OESO (de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling, de club van de rijke industrielanden, nvdr) van juni 2004. Bovendien beschikt België over een van de beste sociale beschermingssystemen ter wereld, waardoor het aantal armen onder de tien procent zou liggen -nog altijd een miljoen mensen- maar toch een van de laagste cijfers ter wereld. Wie als enig kompas op de wereld de televisiejournaals of de populaire kranten heeft, dreigt die bevoorrechte positie van de Belgen wel eens uit het oog te verliezen. Dat verklaart misschien de ietwat klaagcultuur die zich lijkt te installeren in onze rijke contreien.
Toch groeien de bomen niet meer tot in de wolken, en gelukkig misschien maar voor ons leefmilieu. Na de jaren zeventig van de vorige eeuw zijn de reële lonen -de effectieve koopkracht van de lonen na correctie voor prijsstijgingen- in de rijke landen nooit meer echt sterk gestegen. Tussen 1970 en 1974 stegen de reële uurlonen in de OESO-landen gemiddeld met vijf procent per jaar, en tussen 1975 en 1980 nog met meer dan twee procent. Na 1980 lag het gemiddelde groeicijfer maar rond één procent. Sommige landen kenden nog wel eens vette jaren -zo stegen de reële uurlonen in België met vier procent per jaar tussen 1990 en 1994- maar al bij al is er na de jaren zeventig duidelijk een loonmatiging merkbaar. Er waren in de meeste rijke landen ook periodes waarin de reële lonen daalden.
Ook opvallend is dat veel rijke landen nu geen groter deel van hun nationaal inkomen aan de sociale zekerheid besteden als twintig jaar geleden. Zo besteedt België vandaag, net als 20 jaar geleden, ruim een kwart van zijn inkomen aan pensioenen, kinderbijslag, werkloosheid, gezondheidszorg en meer van dat moois. Tegen een achtergrond van stijgende gezondheidskosten en vergrijzing, kan je niet anders dan besluiten dat de rijke landen al vele jaren hun best doen om de uitgaven enigszins in bedwang te houden. In de loop der jaren is er voortdurend vertimmerd en verbouwd aan het huis van de sociale bescherming, om de kosten min of meer op hetzelfde niveau te houden. De grote vraag anno 2004 is of de West-Europese landen, onder druk van de globalisering, nog verder zal moeten gaan: niet langer matigen maar minderen, inleveren, verarmen.

Ze zijn zo goedkoop, mijnheer


Het probleem zit hem voor een land als België niet meteen in de concurrentie van de buurlanden, goed voor meer dan de helft van onze export. Die landen staan voor dezelfde uitdagingen als wij. Bovendien wordt onze competitiviteit constant afgestemd op die van onze buren. In België is dat zelfs bij wet vastgelegd en de vakbonden werken mee aan die coördinatie van de loonkost.
Als men zegt dat we boven onze stand leven, wordt vooral verwezen naar de concurrentie van zogenaamde lagelonenlanden. Als Siemens zo’n grote inlevering wist te bekomen van zijn werknemers, was het door te dreigen met verhuis van fabrieken naar Oost-Europa. Nochtans hebben de rijke EU-landen, sinds de val van de Muur, een positieve handelsbalans met de Oost-en Centraal-Europese landen. Globaal gezien blijven we dus zeker competitief tegenover die landen.
Het ziet er niet naar uit dat daar snel verandering in komt, want in het “nieuwe” Europa stijgen de lonen een stuk sneller dan in het oude Europa -tussen 2000 en 2004 stegen de loonkosten in Hongarije, Estland en Slovakije met een derde- en ook de uitgaven voor sociale bescherming groeien er. Dat belet natuurlijk niet dat industriële sectoren, waar laaggeschoolde arbeid een belangrijk deel van de productiekosten uitmaakt, wel degelijk wegsijpelen naar het oosten van Europa. Zegt Carlos Polenus van ABVV: ‘Dat is zeker zo in de schoot van multinationale ondernemingen die tegenwoordig interne aanbestedingen organiseren tussen hun filialen. De productie van bijvoorbeeld gsm’s of kookpotten is in zo’n context gedoemd om hier te verdwijnen.’
Een ander paar mouwen is de concurrentie vanuit Oost-Azië. Met Japan heeft de EU al een paar decennia een tekort op de handelsbalans van twintig tot veertig miljard euro. Ook China heeft al meer dan tien jaar een overschot op zijn handelsbalans met de EU, dat sinds 1995 elk jaar stijgt. In 2000 stak China Japan in deze voorbij en voerde de EU voor 45 miljard euro meer in uit China dan het er exporteerde. Ook andere Oost-Aziatische landen als Zuid-Korea, Thailand, Maleisië, Taiwan of Singapore voeren sinds 1998 meer uit naar de EU dan omgekeerd. Met Japan ontstaat het tekort vooral in de sector van machines en de transportmiddelen, met China in andere fabrieksgoederen als gsm’s, kledij, speelgoed, naaimachines, tv’s en computers. Door het internet en de goedkope telecommunicatie worden ook steeds meer diensten zoals telefoonwerk in call centra, boekhoudwerk of programmeren uitbesteed naar Azië, vooral naar India.
Globaal gezien heeft de EU met Oost-Azië een tekort op zijn handelsbalans van bijna 100 miljard euro. In de Chinese industrie stijgen de reële lonen, anders dan in Oost-Europa, maar zeer weinig. Navraag in Shenzhen, de regio waar de Chinese hervormingen begonnen, leerde ons dit voorjaar dat de reële lonen in de arbeidsintensieve industrie er de voorbije 10 jaar niet echt zijn toegenomen. Daar zijn redenen voor. Ten eerste is er een schier onuitputtelijk arbeidsreservoir in China. Het aanbod is veel groter dan de vraag, en dus stijgt de prijs van arbeid, het loon, niet. Ten tweede is er het verbod op vakbondsvrijheid en collectieve loononderhandelingen. Dat zorgt ervoor dat de werkers zwak staan als ze moeten onderhandelen over hun loon- en arbeidsvoorwaarden. Gevolg: het reusachtige China drukt op de hele wereldeconomie.
Hoe groot ons handelstekort met China in de toekomst wordt, valt moeilijk te voorspellen. Wellicht zal de beslissing van de EU om toeristische visa toe te staan aan Chinezen wat van het tekort afknabbelen. Naar verluidt zijn Chinese toeristen big spenders. Voor de Unie, met haar rijke historische erfgoed, wordt dat groeiende leger Chinese toeristen een goudmijn. Ook de verkoop van “onderwijsdiensten” wordt belangrijker. In Engeland zorgt een heuse toeloop van Chinese studenten al voor een deel van de financiering van sommige universiteiten. Die “export van onderwijsdiensten” draagt ertoe bij dat de scholingsgraad van de Chinezen snel stijgt. China kan daardoor ook in meer technologische productie meespelen. Dat hoeft niet echt een bedreiging te betekenen, omdat de hooggeschoolde Chinezen soms nu al hogere lonen hebben dan mensen met gelijkaardige kwalificaties hier.
Zeker is dat de Chinese concurrentie onze industrie de komende jaren onder grote druk zal zetten om almaar productiever te worden. Toch vertegenwoordigt de Chinese invoer maar één procent van de Europese productie en mag de impact ervan op onze economie en werkgelegenheid dus niet overroepen worden.
Wat betekent al dat globaliseringsgeweld nu voor onze knusse welvaartstaat? Een eerste gevolg is dat het moeilijker wordt om de ongelijkheid binnen de perken te houden. Dat is nochtans altijd een van de streefdoelen van het Europese sociale model geweest. Raymond Torres, hoofd van de afdeling tewerkstelling van de OESO legt uit waarom dat model nu in gevaar is: ‘Uit alle onderzoeken blijkt dat de arbeidsmarkten in de rijke landen tenderen naar grotere inkomensongelijkheid, vooral omdat er een neerwaartse druk is op de lonen van lagergeschoolde mensen. Dat heeft te maken met technologische evoluties, waardoor de vraag naar geschoold personeel toeneemt en de vraag naar laaggeschoolde mensen afneemt. Maar globalisering en concurrentie vanuit lagelonenlanden speelt daarin ook een niet onbelangrijke rol.’
De rijke landen hebben de voorbije decennia op verschillende manieren gereageerd op die druk naar meer ongelijkheid. Landen zoals België, Zweden of Frankrijk hechten veel belang aan sociale gelijkheid en kozen er daarom voor om die kwetsbare groep van lager geschoolden te beschermen tegen de marktdruk naar lagere lonen. Dat gebeurde door middel van minimumlonen, CAO’s, werkloosheidsuitkeringen… In heel wat van die landen waren er daardoor wel minder mensen aan het werk, maar doorgaans in meer productieve banen. De instrumenten die de laagste lonen naar boven duwen, zorgen er voor dat kwetsbare groepen zoals jongeren moeilijker aan werk geraken, stelt de OESO vast.
Andere landen, zoals de Verenigde Staten, Groot-Brittannië of Australië, lieten wel lagere lonen toe. Daardoor hadden meer mensen werk, maar ontstonden er grote loonverschillen waardoor sommige mensen er, ondanks hun baan, niet in slaagden zich uit de armoede te tillen. Er werd zelfs een term bedacht voor dat verschijnsel: de “working poor”.
Vraag is of de meer sociale landen hun aanpak kunnen aanhouden en zich een relatief grote werkloosheid kunnen blijven permitteren. De Europese Commissie vindt van niet, omdat zich met de vergrijzing een extra-uitdaging aandient. De commissie oordeelt dat de combinatie van grote werkloosheid met vergrijzing ondraaglijk wordt voor de sociale zekerheid. Alleen als een groter deel van de bevolking werkt, kan de sociale bescherming overeind worden gehouden. Het is in die optiek dat de discussie over brugpensioenen, werkloosheidsuitkeringen en andere sociale hervormingen in Duitsland, Frankrijk en Nederland moet worden gezien.
Het activeringsbeleid dat de EU voor ogen staat, past in de zogenaamde Lissabonagenda, die eigenlijk het antwoord van de Unie op de globalisering is. Die agenda wil van de Unie de meest competitieve kenniseconomie ter wereld maken. “Competitief” onder meer door de interne concurrentie aan te vuren middels liberaliseringen en privatiseringen. “Kennis” omdat de Unie beseft dat dit oude continent met zijn hoge lonen vooral competitief kan zijn met hooggeschoolde jobs, kennisjobs. Daarom moet de scholingsgraad van de bevolking opgetild worden. Meer mensen moeten naar het hoger onderwijs, een niet onbelangrijk deel van de studenten moet naar technologische richtingen en er moet meer geld naar onderzoek en ontwikkeling.
De vraag naar en dus de lonen voor laaggeschoold werk zullen daardoor nog afnemen waardoor de kloof in verloning in principe nog zal toenemen. Het bestaan van een illegale en legale immigratie uit het Oosten van de Unie en verder, zal dat nog versterken. Daardoor bevindt de goedkope concurrentie zich ook steeds meer hier te lande: dat drukt op de lonen van de Belgen in die sectoren, en de migranten zelf vormen op zich al een groep minder goed betaalde mensen in onze samenlevingen. In de toekomst wordt de uitdaging dus nog groter: hoe krijg je lagergeschoolde Belgen aan het werk in een situatie waarin marktkrachten hen slechts magere lonen beloven?
Tot nu toe raadden instellingen als het IMF (Internationaal Monetair Fonds) en de OESO vooral aan om de werkloosheidsuitkeringen minder “royaal” en beperkt in de tijd te maken, zodat mensen wel verplicht zijn het werk te aanvaarden dat er is, hoe slecht betaald ook. In haar laatste rapport erkent de OESO dat die aanpak mensen in de armoede kan duwen.
denkt dat hoge uitkeringen kunnen blijven bestaan als ze gecombineerd worden met een zeer actief werkgelegenheidsbeleid waarin mensen van dichtbij begeleid worden, opleidingen krijgen, werkervaringen opdoen, enzomeer. Raymond Torres: ‘Hoe hoger de uitkering, hoe actiever het werkgelegenheidsbeleid moet zijn. Zo’n beleid is trouwens niet goedkoop. Denemarken en het Verenigd Koninkrijk werken bijvoorbeeld zelfs met uitkeringen die mensen slechts krijgen als ze een job hebben. Op die manier worden lage lonen verhoogd en corrigeert de overheid de tendens naar meer ongelijkheid op de arbeidsmarkt. We geloven dat dit een goeie aanpak is.’
Professor Jozef Pacolet van het Hoger Instituut van de Arbeid, aan de KU-Leuven, vindt dat ook het belasten naar draagkracht in deze zou helpen. ‘Nu zijn de sociale bijdragen lineair: iedere werknemer betaalt als sociale bijdrage hetzelfde percentage op zijn loon. Als je de meer productieve en dus beter betaalde banen in verhouding meer doet bijdragen en de minder productieve minder, dan wordt de tewerkstelling van de groep lagergeschoolden bevorderd.’ Op die manier kan ook het nettoloon van de laaggeschoolde groepen wat naar omhoog zodat de reële inkomensongelijkheid wordt afgezwakt, net zoals de OESO voorstelt. Met haar maatregel om de sociale bijdragen van “kenniswerkers” te plafonneren, ging de regering Verhofstadt II bij haar aantreden precies in de omgekeerde richting. Verhofstadt verdedigt de maatregel door te verwijzen naar de globalisering: als België deze kenniswerkers te zwaar belast, zullen ze verhuizen.
Vermogen tot herverdelen
Dat brengt ons bij het tweede terrein waarop de globalisering de welvaartstaat onder druk zet: de mogelijkheid om aan herverdeling te doen door hogere inkomens meer te belasten dan lagere. Dat raakt niet enkel de discussie over de sociale bijdragen maar een hele reeks belastingen. In zowat alle rijke landen zijn de hoogste belastingtarieven van de directe belastingen de voorbije jaren verlaagd. Daarvoor voerde men morele argumenten aan -het kan niet dat rijke mensen van hun hoogste inkomensschijven meer dan de helft moeten afstaan aan de gemeenschap- maar ook pragmatische argumenten -mensen met hogere arbeidsinkomens zijn mobiel en zullen verhuizen als we hen meer belasten dan andere landen. Denk aan Kim Clijsters’ dreigement om België te verlaten.
Hetzelfde argument speelt voor de inkomens uit kapitaal. Die inkomens waren de voorbije twintig jaar gestegen dankzij hoge reële intresten, beurshausses en rendabele bedrijven met potige dividenden, terwijl ze in de hele EU maar vooral in België minder belast werden. Professor Pacolet schat dat de kost van het “niet-belasten” van de inkomens uit kapitaal in ons land maar liefst 11,5 miljard euro per jaar bedraagt.
Als België zowat de hoogste last ter wereld op de inkomens uit arbeid legt en zo arbeid meer uit de markt prijst, dan heeft dat ook te maken met het feit dat ons land achterop hinkt in het belasten van inkomens uit kapitaal én inzake milieubelastingen. Maar het probleem geldt, zij het in mindere mate, voor alle Europees landen. Als de EU haar activiteitsgraad wil opdrijven en tegelijk haar sociale bescherming op peil wil houden, heeft ze er belang bij de last op arbeid te verlagen en toch de inkomsten voor de sociale bescherming op niveau te houden. Dat laatste kan door de sociale zekerheid meer te financieren via de inkomens uit kapitaal en door het heffen van milieutaksen. En dat kan het best gebeuren op het Europese niveau. Groot nieuws is dat niet. Die verzuchting horen we al jaren ter linkerzijde.
Europese Unie blaast in dit dossier warm en koud. Enerzijds lijkt er na vijftien jaar discussies eindelijk een spaarrichtlijn te komen die de belasting op spaarinkomsten zou harmoniseren op Europees niveau en wel op 35 procent. Anderzijds is de vennootschapsbelasting in een dalende spiraal beland. Landen proberen elkaar investeringen af te snoepen door belasting op vennootschapswinst almaar te verlagen - fiscale competitie heet zoiets.
De nieuwe EU-staten geven de richting aan; Estland heeft effectief geen vennootschapsbelasting. Dat ergert de oude EU-lidstaten. De Zweden en Fransen hebben al gezegd dat ze geen zin hebben om een deel van hun belastingopbrengsten via sociale fondsen aan de nieuwe leden te geven, als die zichzelf de luxe permitteren om geen vennootschapsbelasting te heffen. Om in de woelige zee van de globalisering onze welvaartsstaat en de solidariteit waarop hij steunt overeind te houden, is samenwerking op fiscaal vlak een absolute noodzaak. Juist daartegen echter verzette de “socialist” Tony Blair zich met hand en tand tijdens de onderhandelingen over een Europese grondwet. Hij wilde absoluut voorkomen dat er voortaan bij meerderheid wordt beslist over fiscaliteit en organiseert zo de facto de fiscale competitie tussen staten, waardoor die het veel moeilijker hebben om rijkdom te herverdelen via belastingen.
De EU moet de “minder productieven” niet per se reduceren tot “working poor” om competitief te blijven. Een andere weg is mogelijk. ‘Daarvoor is meer solidariteit nodig’, zegt professor Bea Cantillon, directeur van het Centrum voor Sociaal Beleid van de Universiteit Antwerpen. ‘Je komt er dus niet als je de hoogste belastingtarieven verlaagt van 55 naar 50 procent, of de sociale bijdragen van kenniswerkers plafonneert.’ Of de EU die weg van de solidariteit kiest of de weg naar meer ongelijkheid inslaat, hangt af van de politieke en syndicale strijd -Europees en nationaal- over fiscaliteit en werkgelegenheidsbeleid.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 2848   proMO*’s steunen ons vandaag al.

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur