Globalisering. Te nemen of te haten

We zijn niet op zoek naar een allesomvattende, academisch geteste omschrijving van globalisering. Ook grotere geesten kwamen na een lange zoektocht tot de conclusie dat er nauwelijks een sluitende definitie van het fenomeen te geven is. We geven de benaderende omschrijving die in ‘grenzen aan de concurrentie’ door de groep van Lissabon gebruikt werd.
GLOBALISERING?

‘Globalisering heeft betrekking op de veelheid van koppelingen en interconnecties tussen staten en samenlevingen die het huidige wereldsysteem vormen. Ze beschrijft het proces waardoor gebeurtenissen, beslissingen en activiteiten in een bepaald deel van de wereld belangrijke gevolgen gaan hebben voor individuen en gemeenschappen in heel andere delen van de wereld. Globalisering omvat twee afzonderlijke fenomenen: bereik (of uitbreiding) en intensiteit (of verdieping). Enerzijds definieert zij een reeks processen die het grootste deel van de aarde omvatten of die wereldwijd opereren. Anderzijds impliceert ze een intensivering in de niveaus van interactie, onderlinge verbondenheid of onderlinge afhankelijkheid tussen de staten en de samenlevingen die de wereldgemeenschap vormen.’

Lichtjes vereenvoudigd komt het er op neer dat de wereldwijde verbindingslijnen tussen gebieden en sectoren, in zowat alle hoeken van het maatschappelijk leven, dichter en sterker geworden zijn. Dat gebieden die vroeger grotendeels buiten het netwerk lagen nu ‘aangesloten’ zijn, en dat de globalisering nu sterker en dieper inwerkt op landen en gebieden die al vanouds in het systeem waren opgenomen.

Voor een goed begrip en praktisch gebruik in dit cahier voegen we nog enkele ingrediënten toe:

In het jaar 2001 gaat het niet om een ideologisch neutrale, maar om een kapitalistische markt- versie van globalisering.
De onderlinge verbondenheid en wederzijdse invloed tussen punten in het globale netwerk is zeer reëel maar ook zeer ongelijk verdeeld. (Met de Noord-Zuidkloof tot nader order als belangrijkste breuklijn.)
Globalisering is een ‘systeem’. Het is niet zomaar een verzameling losse trends( maar een, in zekere mate ‘dwingend’, veralgemeend organisatiemodel voor de samenleving, met bijhorend beleid, ideologische onderbouw enz.)
Globalisering is ‘privé’. De drijvende kracht achter de globalisering zijn de grote multinationale bedrijven. Het officiële politieke beleid speelt mee in de omkadering en de legitimering van het proces,maar staat op de tweede rij.
We houden niet fanatiek vast aan de term globalisering. Internationalisering ,mondialisering en globalisering worden nogal eens door elkaar gebruikt. Ook al kun je strikt genomen een onderscheid maken. De OESO (Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling), onderscheidt drie min of meer opeenvolgende fases: internationalisering, met een grotere opening van firma’s op het buitenland, transnationalisering, vooral gebaseerd op de ‘boom’ in directe buitenlandse investeringen, en de huidige fase van globalisering (eigenlijk sinds de jaren 80), die verwijst naar de opkomst van echt wereldwijde netwerken.

OUDE KOEK OF FLITSEND NIEUW?

Met de definitie van de groep van Lissabon als toetssteen kun je globalisering bezwaarlijk een nieuwe trend noemen. Tenslotte bestaan er al vele eeuwen contacten tussen de verste uithoeken van de planeet en is er ook behoorlijk wat positieve en negatieve wederzijdse beïnvloeding geweest tussen verschillende gebieden en bevolkingsgroepen. Ook de internationalisering van kapitaal en productie is niet bepaald een primeur. Einde vorige eeuw was er zelfs een ‘gouden tijd ‘ voor economische integratie. De handel groeide sneller dan de productie. Er was een ongeziene vloed van arbeidsgebonden migratie. En de financiële markten waren sterk geïntegreerd. Men schat dat in 1913 de verhouding tussen de stock buitenlandse investeringen en het wereldinkomen 9 procent bedroeg. Dat is meer dan de 8,5 procent die nu wordt gehaald. Is alle gepraat over de ‘nieuwe’ globalisering dan slechts koude drukte?

Het antwoord op die vraag heeft ook politiek belang. Als globalisering niet meer is dan een verzamelnaam van licht bijgekleurde oude trends, dan hoef je niet noodzakelijk een nieuw beleidskader te bedenken. Is globalisering wel een echte breuk met het verleden, dan is er nood aan nieuw houvast en aan een andere set van beleidsmaatregelen enz.

Wat ons betreft ligt de realiteit ergens middenin. De belangrijkste krachtlijnen uit het verleden werken zeker door. Vroegere analyses over macht en onmacht in de internationale verhoudingen blijven in grote mate gelden. Tegelijk is de huidige trend toch weer krachtiger, grootschaliger, ingrijpender en ingewikkelder dan de vorige.

In deze bijdrage beperken we ons grotendeels tot economische en financiële aspecten van de globalisering. Al is het fenomeen heel wat breder. Als je ver genoeg onder het oppervlak gaat kijken, merk je dat ook cultuur en geest herkneed worden. Zo is de ‘marktwaarde’ doorgedrongen tot stukken van het maatschappelijk leven die tot nu toe weinig of niets met prijsvorming, financieel rendement of internationale concurrentie te maken hebben.

DE BELANGRIJKSTE VERSCHUIVINGEN

Bij ons overzicht van belangrijke verschuivingen hebben we vooral oog voor trends die een directe weerslag (kunnen) hebben op de Noord-Zuidverhoudingen.

De oostgrens verlegd: vrij spel voor de vrije markt

Het was al begonnen met de opkomst van het neoliberaal beleid van Thatcher en Reagan in de jaren 80. De kapitalistische markteconomie, drijvende kracht achter de huidige globaliseringsgolf, kende hoogtijdagen in het begin van de jaren 90. De Berlijnse muur viel. Hamer en sikkel werden opgeborgen. Een heel blok landen, dat tot dan toe vrij los draaide van de rest van de wereldeconomie, werd opengebroken. Bedrijven die vroeger slechts met mondjesmaat en onder stevige voorwaarden zaken konden doen met het Oostblok zagen hun speelterrein op korte termijn spectaculair vergroten. De overgave van het communistische kamp had ook invloed op het economisch beleid in de landen van het Zuiden. Derdewereldregeringen kozen waar voor hun geld en rolden de rode loper uit voor buitenlandse investeringen. Die trend was al voor 1990 begonnen, maar kwam daarna in een echte stroomversnelling. Belangrijk was vooral dat ook mastodonten, zoals India en China, hun grenzen begonnen te openen voor het kapitalisme, all gebeurde dat aanvankelijk op bescheiden schaal en uiterst selectief.

Het aantal landen dat aansluiting zoekt of vindt bij de op kapitalistische leest geschoeide wereldeconomie is alleszins sterk toegenomen. Dat betekent ook weer niet dat de nieuwe economische realiteit meteen tot alle inwoners van de nieuw veroverde landen is doorgedrongen. Grote delen van hun economie hebben tot nu toe weinig van de grote doorbraak gevoeld.

Andere troefkaart

Oude economische troefkaarten, zoals het bezit van, of de directe toegang tot grondstoffen of transportinfrastructuur hebben sterk aan waarde ingeboet. Het harde materiaal is minder doorslaggevend door de sterke groei van de dienstensector. Bovendien kan de productie nu met minder, andere en onderling verwisselbare grondstoffen. In vaktermen heet zoiets « dematerialisering » van de economie. Per eenheid productie heb je nu gewoon minder grondstof nodig. De spectaculairste voorbeelden vind je in de computer- en communicatie-industrie. De computercapaciteit die vandaag in een draagbare PC zit, vulde dertig jaar geleden nog een volledige computerzaal. Voor telefoonverbindingen kan één kilo glasvezel nu veel meer aan dan een paar ton van de vroegere koperdraad. Dat is leuk voor de Belgacom- of Telenet-abonnee. Maar het speelt zeker niet in de kaart van koperproducerende derdewereldlanden. De onderhandelingspositie van de grondstofproducerende en –afhankelijke landen is danig afgekalfd. De energie- en grondstoffenbesparing kwam er vooral als gevolg van technologische vernieuwing, maar is ook toe te schrijven aan een bewuste politiek van de noordelijke industrielanden om minder afhankelijk te worden van de ‘onbetrouwbare’ grondstoffenproducenten in het Zuiden.

Er was nog meer slecht nieuws voor de grondstoffenlanden. Er werd niet alleen geïnvesteerd in grondstofbesparende technologie, maar ook in procédés die grondstoffen onderling verwisselbaar maken in de samenstelling van eenzelfde eindproduct. Veevoeder bijvoorbeeld moet een juiste dosering bevatten van vetten, zetmeel en eiwitten, maar daarvoor kun je een hele lijst producten gebruiken. ( soja, maniok, vismeel, dierlijke vetten enz.)

Je moet het ‘minder’ gebruiken van grondstoffen met een korrel zout nemen. Het lager verbruik per eenheid wordt doorgaans wel gecompenseerd doordat we steeds meer zijn gaan produceren en consumeren.

Als grondstoffen achteruitboeren in de economische statistieken heeft dat al evenveel te maken met de relatieve opgang van de dienstensector die niet zo grondstofintensief is, en met de ‘boom’ in het internationaal gebruik van de productiefactor kapitaal. De verminderde afhankelijkheid van grondstof is dus tot op zekere hoogte gezichtsbedrog. En vooral rond nog altijd strategische grondstoffen zoals petroleum kan men ook in de toekomst nog politieke en militaire touwtrekkerij verwachten.

Maar toch, als een land het in de geglobaliseerde economie wil maken kan het beter beschikken over meer en andere troeven. De nieuwe internationaliseringsgolf drijft in belangrijke mate op een verbluffende mengeling van informatica, communicatietechniek, organisatorische en andere spitstechnologie. Sommige derdewereldlanden doen het niet slecht in dit spel. Singapore, Hongkong of Zuid-Korea zitten behoorlijk ver in het chiptijdperk. India scoort hoog in de ontwikkeling van computersoftwarebeheer. Maar het gros van de armere derdewereldlanden zit toch aan de verkeerde kant van een voortdurend verwijdende digitale kloof.

De dictatuur van de korte termijn

De factor tijd heeft aan belang gewonnen. Snelheid is een onmisbaar wapen in de wereldwijde concurrentiestrijd. De levenscyclus van belangrijke consumptiegoederen wordt immers steeds korter. Een nieuwe computer is al verouderd als je hem koopt. Door de hoge kosten van onderzoek en ontwikkeling riskeert een fabrikant een financiële ramp als een nieuw product niet doorbreekt. Bedrijven proberen dan ook het floprisico te beperken door marktafspraken, door het gezamenlijk ontwikkelen van nieuwigheden, of door peperdure reclamecampagnes. Zeker als er geen aantoonbare kwaliteitsverschillen bestaan tussen producten van rechtstreekse concurrenten (zoals in het topgamma van de grote sportschoenmerken), worden het imago en de kwaliteit van de publiciteitscampagnes doorslaggevend.

Bedrijven hebben ook minder tijd nodig om technologische innovaties of marketingsnufjes van rechtstreekse concurrenten te kopiëren of te neutraliseren. Dat verhoogt de druk om binnen de WTO (de Wereldhandelsorganisatie) tot een strakker en internationaal afdwingbaar patentrecht te komen.

Ook het delokaliseren van bedrijfsactiviteiten kan nu sneller dan tevoren. Dat betekent dat nieuwe, niet direct productiegebonden argumenten, zoals wisselkoersvoordelen of tijdelijke sociale en politieke instabiliteit, sterker gaan meespelen bij de keuze van de locatie.

Belangrijker nog is dat het algemeen beleid van bedrijven meer dan vroeger wordt gedicteerd door de dwang om op korte termijn een hoge winst binnen te halen. Dat heeft te maken met de sterk toegenomen invloed van de geldsector op de rest van de economie. Grote internationale bedrijven werken noodgedwongen met middelen van externe geldschieters. Dat kan geleend geld zijn, of beleggersgeld dat via de aandelenmarkt aangetrokken wordt. Beleggers hebben daarbij een brede waaier keuzemogelijkheden en kunnen snel overschakelen op een andere belegging als die een interessanter rendement oplevert. Naast de strijd om markten is er dus ook de strijd om kapitaal. Industriële bedrijven moeten niet alleen optornen tegen industriële concurrenten. Ze moeten hun aandeelhouders winstmarges kunnen bieden die op zijn minst vergelijkbaar zijn met het rendement dat uit andere beleggingsinstrumenten te puren valt. De winst uit die financiële instrumenten is soms labiel, maar ook vaak hoog en snel. Gevolg is dat ook industriële ondernemingen veel hogere winstcijfers op jaarbasis moeten kunnen voorleggen. Activiteiten die nog wel winst opleveren, maar niet die hoge norm halen, hebben afgedaan.

De echte internationale

Productieprocessen zijn meer dan vroeger echt geïnternationaliseerd. Bedrijfsfilialen zijn niet langer alleen maar een minikopie, toeleveringskanaal of distributie-instrument voor de moederfirma in een noordelijk land. De productieketen en de opbouw van toegevoegde waarde zijn vaak zeer sterk opgedeeld in verschillende schakels, die op basis van economische of andere overwegingen aan een bedrijf in een bepaald land toegewezen worden.

Onze markten liggen vol ‘wereldproducten’ waarvan de financiering geregeld is in de Londense City, waarvoor financiële transacties worden verricht vanuit de Bahama’s, waarvoor onderzoek gebeurt in een vestiging in een of ander noordelijk land, met effectieve productie van onderdelen gespreid over tien tot twintig landen, met een distributiecentrum ergens buiten Brussel of aan de Antwerpse haven.

Toenemende grensvervaging

Landgrenzen zijn steeds minder relevant in de wereldeconomie. Maar ook op andere terreinen is er grensvervaging: tussen economische categorieën, tussen en binnen sectoren.

Investeringen, productie en handel staan in de economische statistieken in mooi gescheiden kolommen. In de praktijk is de grens moeilijk te trekken, en spelen ze samen in eenzelfde bedrijfsstrategie.

Grensvervaging is er tussen sectoren. Je hebt nog wel typische dienstenfirma’s (zoals koerierbedrijf DHL) en rasechte industriële bedrijven. Tegelijk zijn er meer en meer bedrijven die een mengeling bieden van producten en bijbehorende dienstverlening (zoals onderhoudscontracten bij auto’s of kopieermachines).

Grensvervaging is er ook binnen sectoren. In de financiële sector bijvoorbeeld was er vroeger een stevig tussenschot tussen verschillende soorten activiteiten. Een verzekeraar was geen spaarbank en geen beleggingsmaatschappij. Nu krijg je meer en meer te maken met financiële groepen die zowat alle types financiële activiteit in hun portefeuille hebben.

Grensvervaging is er tussen de ‘formele’ en de ‘informele economie’. In theorie is er een duidelijke grens. In de praktijk is die flinterdun of zelfs onbestaande. Vooral in arbeidsintensieve sectoren zoals kleding,vind je in het officiële circuit producten die in het ‘zwart’ zijn vervaardigd.

Nieuwe groeipolen: investerings’boom’

De aandelen van Noord, Oost en Zuid in de wereldhandel en in de wereldproductie verschuiven niet spectaculair, en blijven voorlopig duiden op een overweldigend overwicht van de traditionele machtsblokken. Natuurlijk zijn er wel een aantal landen die zich sterk hebben opgewerkt in bepaalde sectoren. En je kunt moeilijk blind blijven voor de groeipool Azië. China, Singapore en Taiwan veroverden een plaats in de top tien van handelsmogendheden. Al moet je er rekening mee houden dat de EU-landen als één handelsblok geteld worden en maar één plaats bij de eerste tien innemen. Zeker in de textiel- en kledingssector en in de consumentenelectronica is het marktaandeel van de Aziatische landen sterk toegenomen. Maar toch, in grote lijnen wijzigen de aandelen van Noord en Zuid traag en weinig.

Een echte doorbraak is er tot nu toe enkel op het vlak van de binnenkomende investeringsstromen. De triade (EU/VS/Japan) blijft baas als bron van directe buitenlandse investeringen. Uitgaande investeringen waren in 1999 goed voor 800 miljard dollar. Multinationale ondernemingen uit de Europese Unie zorgden voor 510 miljard dollar daarvan of bijna twee derde. De hele groep OESO-landen staat voor meer dan 90 procent.

Aan de ontvangende kant is het aandeel van derdewereldlanden wel spectaculair toegenomen. Wereldwijd gaat het over een stroom van 865 miljard dollar in 1999. Ontwikkelingslanden slorpten daarvan 208 miljard dollar op of zowat 24 procent. In 1997 was er zelfs een piek geweest van 38 procent.

In principe is het een massale injectie in de economie van derdewereldlanden en een kans om de productieve capaciteit naar een hoger niveau te tillen. Bij dit optimistische scenario passen enkele kanttekeningen:

-Het pakket inkomende investeringen in ontwikkelingslanden zit geconcentreerd in een handvol landen. China alleen al ging aan de haal met twintig procent van de investeringen, ongeveer veertig miljard dollar. Tachtig procent ging naar de tien toplanden. Aan het andere eind van het spectrum zit Afrika met amper 10 miljard dollar in 1999 of 1,2 procent van het wereldtotaal. Daar zijn Noord-Afrika en Egypte in begrepen. Als je Sub-Sahara-Afrika neemt en daar olielanden als Nigeria en Angola aftrekt, hou je zo goed als niets over.

-De groei in internationale productie zit minder in ‘verse’ investeringen (greenfield investment) dan in fusies en overnames (F&O). De grensoverschrijdende overnames stegen van 100 miljard in 1987 (World Investment -report) naar 720 miljard dollar in 1999. (In 2000 zal de kaap van 1.000 miljard dollar F&O voor het eerst overschreden worden). Je kunt deze getallen afmeten tegen het totaal van inkomende investeringen (van 875 miljard dollar in 1999), ook al zijn de twee categorieën niet helemaal vergelijkbaar. Al bij al kun je stellen dat buitenlandse investeringen eerder dienen om in andere landen bestaande productiecapaciteit op te kopen dan om nieuwe activiteiten op te zetten.
Dat geldt vooral voor Latijns-Amerika en de Caraïben, waar F&O ook nog eens sterk samenhangt met de privatisering van overheidsbedrijven. Niet toevallig steeg het aandeel van fusies en overnames in Azië het sterkst in de landen die door de crisis van 97 waren getroffen en waar interessante bedrijven (vooral in de financiële sector) voor een prik konden gekocht worden. Topper was Korea met 9 miljard F&O.

-Ook in rijke industrielanden zorgen overnames wel eens voor nationalistische oprispingen. Toen Japanse investeerders filmstudio’s in Hollywood overnamen veroorzaakte dat in de Verenigde Staten een schok in de publieke opinie. Omgekeerd werden heel wat Japanners in hun nationale trots geraakt toen de Ford-groep voor een stuk beslag legde op Mazda. Maar de kommer betreft niet alleen nationale trots. Op de keper beschouwd gaat hier een stuk van de nationale economie over in buitenlandse handen. Het gevaar is inderdaad niet denkbeeldig dat vitale sectoren van de economie onder buitenlandse controle komen.

-Soms is het gevaar directer. Fusies en overnames worden ook gebruikt door buitenlandse firma’s om concurrenten op de plaatselijke markt te nekken. Zelfs als bedrijven nadien niet worden uitgeschakeld, gaan overnames meer dan eens gepaard met afdankingen of het afstoten van een deel van de activiteiten.

-Ook bij op zich rendabele investeringen is het effect op het gastland niet altijd onverdeeld gunstig. Vaak werd immers duur aas uitgegooid om investeerders te strikken (goedkope vestigingsgrond, belastingvrijstelling enz.), is er geen verplichting om winsten te herinvesteren in het gastland, of kunnen belastingen omzeild worden door transfer pricing en andere handigheden.

Samengevat kun je stellen dat internationale investeringen echt wel kunnen renderen voor ontwikkeling. Dan moeten ze wel toenemen, beter over landen en regio’s gespreid worden, en voldoen aan een aantal kwaliteitsnormen die tot nu toe zelden worden gehaald in termen van gebruik van plaatselijke mankracht en middelen, van netto opbrengst voor het gastland enz., normen die tot hiertoe zelden gehaald werden.

De macht van het geld

De financiële sector overtroeft momenteel alle andere in volume en impact. De dagelijkse omzet op de internationale wisselmarkten ligt rond de 2.000 miljard dollar. In grootteorde is dat evenveel als de totale buitenlandse schuld van alle derdewereldlanden. De Belgische wisselmarkt alleen al is goed voor meer dan dertig miljard per dag. En dat is meer dan op jaarbasis door ons land aan ontwikkelingssamenwerking besteed wordt.

De sector wordt beheerst door grote actoren. Bij banken, verzekeringsmaatschappijen en pensioenfondsen is er al jaren een trend aan de gang van fusie, schaalvergroting en machtsconcentratie. De grootste spelers op de markt zitten dan ook op een gigantische middelenpot. De pensioenfondsen beschikten in 1998 wereldwijd over 11.000 miljard dollar. In 2003 zou dat oplopen tot 15.000 miljard. Beleggingsfondsen hadden in totaal voor 5.500 miljard dollar activa. De financiële sector wordt vaak afgeschilderd als een soort casino dat werkt met grote, grotendeels virtuele, bedragen en dat relatief losstaat van de productieve economie. Dat klopt slechts gedeeltelijk. De grote dagelijkse kapitaalstromen hebben inderdaad voor minder dan 10 procent een rechtstreekse band met de productie of verhandeling van goederen en diensten.

Toch is de impact van de financiële sector op andere delen van de economie toegenomen. Financiële groepen hebben als geldschieter of rechtstreekse aandeelhouder vaak een sleutelpositie in grote overnames of in het algemeen beheer van industriële ondernemingen of dienstenbedrijven. In 1994 al was 64,3 procent van het kapitaal van de vijftig grootste Amerikaanse ondernemingen in handen van de institutionele beleggers.

Bovendien is ook de grens tussen financiële en niet-financiële bedrijven sterk vervaagd. ‘Typisch’ industriële multinationale ondernemingen zoals General Motors of Siemens werken met doorgedreven financiële managementtechnieken en hebben afdelingen of dochterondernemingen die concurreren met banken of verzekeringsmaatschappijen. Ze verdienen soms meer aan financiële transacties dan aan de producten waarvoor ze bekend zijn.

Herschikking van de politieke basisvoorwaarden : politieke troonsafstand

Het succes van de kapitalistische markteconomie is niet alleen een kwestie van superieure techniek of efficiënt bedrijfsbeleid. De logica van concurrentie en winstmaximalisatie is zo diep kunnen doordringen, omdat op politiek vlak de deuren werden geopend en de remmen losgegooid.

De spectaculairste doorbraak kwam rond 1990 met de onvoorwaardelijke overgave van het Oostblok. Maar eigenlijk was de opmars van de markt elders in de wereld al een hele tijd aan de gang. Veel derdewereldlanden waren al in de loop van de jaren 80 minstens gedeeltelijk overgeschakeld op de markteconomie. Dat gebeurde vaak onder dwang van internationale of regionale handelsakkoorden of door de toepassing van het voorwaardenbeleid van het Internationaal Muntfonds en de Wereldbank.

De markt behaalde niet alleen een ideologische overwinning. Het overwicht werd omgezet in harde internationale en nationale regelgeving. In Noord en Zuid werd er geliberaliseerd, gedereguleerd en geprivatiseerd.

De liberalisering gebeurde vooral in de Gatt en later in de Wereldhandelsorganisatie. Nieuwe gebieden en sectoren werden opengegooid voor de internationale concurrentie. Open economie klinkt mooi, maar verplichte openheid is bepaald hachelijk voor economisch zwakke landen of bedrijfssectoren die niet meekunnen in de concurrentiestrijd.

Deregulering ‘verlost’ bedrijven van allerlei beperkende overheidsmaatregelen. Die trend was en blijft sterk. Volgens het World Investment Report 2000 waren er in de periode 1991-1999 wereldwijd 1.035 belangrijke aanpassingen in de regulering van buitenlandse investeringen. 94 procent daarvan hielden een duidelijk gunstigere regeling in voor buitenlandse investeringen. Het aantal bilaterale investeringsovereenkomsten steeg van 181 in 1980 naar 1.856 in 1999. Die investeringsakkoorden worden vaak gekoppeld aan een akkoord over een dubbel belastingssysteem met gunstvoorwaarden voor buitenlandse bedrijven.

Ook regionale of bredere internationale akkoorden (zoals het akkoord tussen de EU en Mexico) bevatten steeds vaker clausules over vrijheid en zekerheid voor investeerders.

Dereguleringsmaatregelen geven buitenlandse bedrijven gemakkelijker toegang tot sectoren die tot dan toe sterk afgeschermd waren of onder direct overheidstoezicht stonden. Niet toevallig gaat het doorgaans om sleutelsectoren zoals energie, communicatie, mijnbouw, bank- en verzekeringswezen enz.

Privatisering, de verkoop van overheidsbedrijven, ligt helemaal in dezelfde lijn. Het gaat alweer over veel geld. In 1998 werd er wereldwijd voor 114,5 miljard dollar geprivatiseerd. 28,5 miljard daarvan zat in derdewereldlanden (vooral dan door de 25,5 miljard privatisering in Brazilië). In ontwikkelde landen is de privatisering wel veel meer een binnenlandse aangelegenheid dan in derdewereldlanden, waar het aandeel van buitenlandse kopers doorgaans veel hoger ligt. Zo kwam in de voorbije 5 jaar voor meer dan 30 miljard dollar Braziliaans overheidsbedrijf in buitenlandse handen. In Argentinië ging het om meer dan 20 miljard. Ook België scoort hier relatief hoog met meer dan 6 miljard dollar sinds 1996.

In de discussie rond de politieke omkadering van de globalisering zit nogal wat gezichtsbedrog. De WTO is er de bewaker van een ‘op regels gebaseerd multilateraal handelssysteem’. Het net op tijd gekelderde multilateraal akkoord over investeringen (het MAI) werd ook voorgesteld als een vorm van regelgeving voor buitenlandse investeringen. Dat klopt niet met de werkelijkheid. Het gaat niet om bijkomende regelgeving of regulering. Wel over een gereguleerde vorm van deregulering, waarbij op een min of meer systematische en geordende manier overheidsregulering en -controle wordt afgebroken. Dat betekent niet dat er geen regels meer zouden zijn. Je krijgt wel een soort privatisering van de regelgeving.

Deze bewuste politieke troonsafstand is zonder meer gevaarlijk. Jaar na jaar raakt meer economische macht geconcentreerd bij een relatief beperkte groep grote multinationale ondernemingen. Ook vroeger was de greep van de overheid op deze internationaal opererende bedrijven volslagen ontoereikend. De juiste reactie op de toenemende machtsconcentratie is het uitbouwen van een strakker en bindend wettelijk kader dat controle en bijsturing mogelijk maakt. In de praktijk gebeurt het tegendeel. Enkel de verstrakking en verfijning van de controle op milieu- en gezondheidseffecten vormt daarop enigszins een uitzondering

Site in opbouw

Dit alles betekent niet dat we in een volmaakt geglobaliseerde wereld leven. Het proces is niet af, niet rechtlijnig, en op enkele belangrijke punten niet eens onomkeerbaar. Nationale staten hebben een stuk van hun macht ingeleverd, maar beschikken toch nog over flink wat bevoegdheid die ze zouden kunnen gebruiken en desgevallend opnieuw uitbreiden. Ook grote multinationale ondernemingen zijn soms (nog) niet zo internationaal als je zou denken. De transnationaliseringsindex geeft aan hoe sterk omzet, tewerkstelling enz van bedrijven losgekomen zijn van hun moederland. Op de waaier tussen 0 procent (helemaal nationaal) en 100 procent (volmaakt geïnternationaliseerd) scoren de allergrootste bedrijven General Electric en General Motors respectievelijk 36,3 en 30,9 procent. Bedrijven uit kleinere landen scoren doorgaans hoger. Het Zwitserse Nestlé bijvoorbeeld haalt 94,2 procent. Gemiddeld is de transnationaliseringsindex van de 100 grootste MNO’s tussen 1990 en 1998 gestegen van 51 naar 54 procent.

Op een soortgelijke manier (op basis van het aandeel van directe buitenlandse investeringen in hun kapitaalvorming, in het BNP, in de tewerkstelling, enz.) kun je ook gastlanden op een transnationaliseringsschaal zetten. Zowel binnen de groep rijke landen als binnen de ontwikkelingslanden zijn er zeer grote verschillen. De rijke landen halen gemiddeld een score van ongeveer 12 procent, met toppers als Nieuw-Zeeland (31,8 procent) en België (31,1 procent). Japan, aan het andere eind van het spectrum komt nauwelijks boven 0 procent.

In ontwikkelingslanden ligt de gemiddelde score rond de 14 procent, met bovenaan landen als Trinidad en Tobago (57 procent) en Singapore (36,2 procent). India en de Koreaanse republiek halen 2 tot 3 procent.

Kortom, globalisering is een wereldwijde en zeer sterke trend. Toch zit er heel wat variatie in de aard en diepte van de impact.

BAAS BOVEN BAAS: DE ROL VAN MULTINATIONALE ONDERNEMINGEN

De huidige globaliseringsgolf wordt gedragen en gedreven door multinationale ondernemingen.

Ze zijn talrijker en machtiger dan vroeger. Ondanks het stijgende aantal is er in de meeste sectoren een toenemende machtsconcentratie bij een handvol topbedrijven. Onze stelling is dat ze meer nog dan in het verleden aan de controle van nationale en internationale overheden ontsnappen. Dat heeft te maken met de hierboven geschetste troonsafstand van het beleid. Maar ook een aantal verschuivingen in de structuur en werking van de MNO’s (multinationale ondernemingen) maken het voor de buitenstaander minder doorzichtig en moeilijker te vatten.

Op grote voet

We geven nog maar eens de vergelijking tussen de financiële capaciteit van MNO’s en landen.

Ter herinnering, en omdat het oude verhaal geldig blijft. We leggen de omzet van de tien grootste MNO’s (naar buitenlandse middelen/ foreign assets) naast tien min of meer willekeurige landen uit verschillende ‘inkomenscategorieën’.

Tabel: middelen van MNO’s en nationaal inkomen van landen, in miljarden dollar



Bedrijven
Middelen buitenland
Middelen totaal
Landen
Nationaal inkomen

General Electric
128,6
355,9
België
250,6

General Motors
73,1
246,7
Verenigde Staten
8.351

Royal Dutch/Shell
67,0
110,0
India
442,2

Ford Motor

237,5
Mozambique
3,9

Exxon
50,1
70,0
Nederland
384,3

Toyota
44,9
131,5
Nepal
5,1

IBM
43,6
86,1
Singapore
95,4

BP Amoco
40,5
54,9
Tsjechië
52,0

Daimler/Chrysler
36,7
159,7
Russische fed.
332,5

Nestlé
35,6
41,1
Rwanda
2,1


Op basis van World Investment Report 2000 (Unctad) en World Development Report 2000/2001 (Wereldbank)

Er zijn momenteel 63.000 MNO’s met 690.000 filialen. Bedrijven die verbonden zijn via franchising, licentie of onderaannemingscontracten zijn daarin niet meegeteld.

Het gros van de moederbedrijven zit in OESO landen (met 90 van de 100 grootste in Japan, EU en VS). Derdewereldlanden hebben in verhouding wel veel filialen binnen hun grenzen. Eén derdewereld-MNO haalt in 1999 de tophonderd van de allergrootste ondernemingen: Petroleos de Venezuela (op nummer 91)

De MNO’s staan in voor ongeveer een kwart van het wereldproduct. Het internationaal deel van hun productie is al goed voor ongeveer 10 procent van het wereldproduct. Het totale verkoopcijfer van hun buitenlandse filialen is met ongeveer 14 triljoen het dubbele van de werelduitvoer.

Hun impact op de wereldhandel kan moeilijk worden overschat. De VN schat dat één derde van de wereldhandel plaatsvindt tussen filialen van eenzelfde bedrijf. Nog eens een derde gaat tussen filialen van verschillende MNO’s.

Concentratieproblemen?

We geven voorbeelden uit de automobiel-, de bank- en de geneesmiddelensector, maar ook andere vitale economische activiteiten ontsnappen niet aan de toenemende concentratie. Dat gebeurt vooral via steeds omvangrijker wordende fusies en overnames. De grootste in 1999 was de overname door het Britse telecombedrijf Vodaphone van Airtouch communications (VS) voor niet minder dan 60,3 miljard dollar.

- In de automobielsector is schaalgrootte doorslaggevend. Men schat dat een autoproducent jaarlijks minstens 4 miljoen stuks moet afleveren om te kunnen overleven. Fusies en strategische allianties tussen bedrijven zijn er dan ook schering en inslag. Ford kocht Jaguar en Volvo, en smeedde een strategische alliantie met Mazda. General Motors kocht 20 procent van Fiat. Daimler Chrysler kocht 33 procent van Mitsubishi Motors. Renault rijfde 70 procent binnen van de aandelen van Samsung Motor. In 1999 waren de 10 grootste firma’s dan ook goed voor 80 procent van de wereldproductie van auto’s. In 1996 was dat nog maar 69 procent.

- In de farmaceutische sector worden fusies en overnames vooral aangedreven door de hoge onderzoeks- en ontwikkelingkosten en door de verschuivingen op de markt (bijvoorbeeld: de vergrijzing in de OESO landen en de daaruitvolgende andere en grotere medicijnenconsumptie). Zeer grote fusies , zoals Hoechst en Rhône Poulenc, die samen het nieuwe Aventis vormen, zorgen voor toenemende concentratie aan de top. Technisch was het een overname van RP door Hoechst voor 21,9 miljard dollar. In 1999 waren de grootste 5 en de grootste 10 bedrijven respectievelijk goed voor 28 en 46 procent van de wereldverkoop van geneesmiddelen. In 1995 ging het nog om respectievelijk 19 en 33 procent.

- De redenen voor concentratie in de banksector verschillen naargelang van de regio. In de Verenigde Staten is het deregulering, met het opheffen van de Glass-Stegall Act, die een scheidingslijn trok tussen bank en securities. In de Europese Unie is het deregulering, maar ook en vooral de invoering van de Euro enz. Feit blijft dat in 1999 de 25 grootste banken 33 procent vertegenwoordigden van de middelen van de 1000 grootste banken. Tegen 28 procent in 1996.

Ondoorzichtig en ongrijpbaar

Het oude verhaal over de macht van multinationale ondernemingen heeft toch ook enkele nieuwe hoofdstukken. De structuur en de werking van de bedrijven zijn in de voorbije 10 tot 15 jaar namelijk wel sterk veranderd. We schetsen kort enkele van de belangrijkste trends:

- De overgang naar een complexe integratiestrategie.

Men heeft het daarbij vaak ook over ‘netwerkbedrijven’. Die worden gedreven door de verscherpte internationale concurrentie, door een technologische stroomversnelling in de communicatie en informatica, door de verregaande deregulering van markten en praktijken, en door de nieuwe eisen die koopkrachtige klanten op de wereldmarkt worden stellen. De productieketen, de opbouw van meerwaarde en de activiteiten zijn veel sterker dan vroeger in aparte delen opgedeeld. Die werken wel binnen de strategie van de grote groep, maar kunnen binnen die strategie flexibel opereren en inspelen op nieuwe trends en behoeftes. Filialen beheren daarbij vaak vitale onderdelen van de groep (software, boekhouding, financieel beheer enz). Visueel heb je een soort visnetstructuur, niet meer met één dik middelpunt en enkele satellieten. Maar wel met een hele reeks knooppunten waar beslissingen kunnen genomen worden. De structuur is minder hiërarchisch en kan ook snel veranderen. Belangrijk is ook dat in deze strategie veel meer van de ‘onzichtbare factoren’ (zoals know how enz) binnen de bedrijfsgroep worden gehouden. Zo gebeurt 80 procent van de betaling van premies en royalties voor technologiegebruik binnen bedrijven.

- Lekke celwanden

De tijd van duidelijk afgebakende superbedrijven met een scherp omlijnde eigendomsstructuur lijkt voorbij. De wand van de bedrijven is poreus geworden, vooral door ‘strategische’ allianties en onderaanneming.

Strategische allianties zijn belangrijke maar doorgaans tijdelijke samenwerkingsverbanden met concurrerende bedrijven. De samenwerking dient om de kosten te drukken van de ontwikkeling van nieuwe producten, of voor de verspreiding van producten op nieuwe markten. Deze trend is bijzonder sterk in de automobielsector, de informatica en de biotechnologie. Strategische alliantie en concurrentie hoeven mekaar niet uit te sluiten. Zo kunnen grote automobielproducenten zoals VW en Ford samenwerken voor de productie van eenzelfde auto (bijvoorbeeld de Ford Galaxy en de VW Sharan), maar mekaar toch naar het leven staan in andere segmenten van de automarkt (bijvoorbeeld de concurrentie tussen Ford Mondeo en de VW Passat).

Onderaanneming zit aan het andere eind van het spectrum. Onderaanneming betekent dat een deel van de activiteiten nodig voor het produceren van goederen of diensten niet binnen het bedrijf zelf gebeurt maar aan andere bedrijven overgelaten wordt. In het onderaannemingscontract wordt dan gestipuleerd wat en hoe er in dienst van de opdrachtgever moet geproduceerd worden. Schoolvoorbeeld is een bedrijf als Nike, dat zijn volledige schoen- en sportkledingproductie overlaat aan bedrijven in onderaanneming. Doorgaans gaat het dan om Koreaanse of Taiwanese firma’s die in een lange reeks landen orders voor Nike uitvoeren. Onderaanneming is intussen wijdverbreid en sterk doorgedreven. Op zich is dat geen ramp. In de praktijk rijzen er wel problemen. Personeel in onderaanneming wordt vaak aan het werk gezet tegen minder gunstige voorwaarden dan in het opdrachtgevende bedrijf. Bovendien draagt een bedrijf minder juridische verantwoordelijkheid voor het stuk productie dat in onderaanneming gegeven wordt. Als er al klachten zijn, bijvoorbeeld in verband met milieuhinder of slechte arbeidsomstandigheden, kan snel naar andere contractanten overgeschakeld worden. Je moet er ook rekening mee houden dat bedrijven op deze manier hun wortelharen uitstrekken tot op het allerlokaalste niveau. Kledingbedrijven (maar ook tal van andere) laten een deel van hun werk zelfs doen door thuiswerk(st)ers. Dat soort doorgedreven vertakking is nauwelijks nog te controleren.

Zowel strategische allianties als onderaanneming maken het ingewikkelder om bedrijven (ook juridisch) op hun beleid en praktijk vast te pinnen. Ze worden moeilijker te controleren en te sanctioneren.

DE SCHADELIJKE GEVOLGEN: VAN RISICO NAAR REALITEIT

Daarmee kom je bij de moeilijke vraag naar de impact van globalisering. Is het een proces met oneindige mogelijkheden dat wat aanlooptijd nodig heeft, maar dat, eens op kruissnelheid, de welvaart van grote stukken van de mensheid zal vergroten? Is het een proces dat globaal genomen de welvaart vergroot, maar waarin sterke bijsturing nodig is om die welvaart ook te herverdelen en gelijkmatiger over regio’s en bevolkingsgroepen te spreiden? Of gaat het hier om een systeem dat door zijn logica van winstmaximalisatie onvermijdelijk leidt tot grote crisissen en een steeds diepere economische en sociale kloof?

Het antwoord is niet eenduidig, en hangt af van de positie die landen en individuen in het proces innemen. Wie man is en topkaderlid in een stevig bedrijf in een Noordelijk land kijkt hier anders tegenaan dan een plattelandsvrouw in één van de minst ontwikkelde Afrikaanse landen.

Onze stelling is alvast dat de globalisering steeds meer macht concentreert bij multinationale ondernemingen en vooral bij grote financiële groepen. Indien die machtsconcentratie niet afgestopt wordt, en er geen efficiënt tegengewicht gevonden wordt in de vorm van nationale en internationale controle- en bijsturingsinstrumenten, is het risico van machtsmisbruik en economische rampen niet denkbeeldig.

Dat is geen wilde speculatie meer. De Aziatische crisis in 1997-1998 gaf een bijzonder reëel en pijnlijk voorproefje. Tot dan vertaalden de risico’s van de globalisering zich eerder in sluipende trends: verscherping van de inkomens- en middelenkloof tussen de rijke en de allerarmste, volslagen gemarginaliseerde landen, een dieper wordende inkomenskloof tussen bevolkingsgroepen binnen landen, meer openlijke verpaupering en dalende levensverwachting in vroegere Oostbloklanden die tot de markt waren bekeerd, enz.

1997 was een keerpunt. Plots bleek dat de grillen van de marktkrachten ook tot acute systeemwijde crisissen konden leiden en sociale catastrofes veroorzaken. Hier had je een groep landen die tot bij het uitbreken van de crisis door IMF en Wereldbank de hemel ingeprezen werden om hun economisch beleid. Toch gingen ze onder druk van financiële speculatie in een mum van tijd onderuit, en dreigden ze in hun val ook de rest van het financiële systeem mee te sleuren. Dat is niet gebeurd.

De bevolking van de betrokken landen kreeg wel de rekening gepresenteerd. Indonesië kreeg er volgens de Internationale Arbeidsorganisatie op een jaar tijd tien miljoen werklozen bij. Het percentage Indonesiërs onder de armoedegrens steeg van 11 procent in 1996 naar 30 tot 40 procent eind 1998. Bovendien kreeg het land er als gevolg van de ‘reddingskredieten’ van IMF meer dan 40 miljard dollar buitenlandse schuld bij. Een nieuwe, bikkelharde en peperdure schuld die een hypotheek legt op de toekomst van het land en waarover in de eerstkomende jaren nauwelijks te onderhandelen valt.

KRITIEK EN VERZET: DE BETROKKEN BURGER

Het onversneden optimisme over de mogelijkheden van een geglobaliseerde economie is weggeëbd. 1997 heeft wat dat betreft heel wat ogen geopend. De realiteit is vaak overtuigender dan een hoop theorieën en analyses. Kritische bedenkingen, voorstellen voor beleidswijzigingen en alternatieven worden talrijker en komen niet enkel meer uit ‘traditioneel’ linkse hoek. We signaleren enkele markante trends en feiten:

- Ketterij bij de elite

Onvrede met de gang van zaken wordt verwoord door mensen die tot voor kort vlak bij het zenuwcentrum van het systeem zaten. Joe Stiglitz, vroeger topeconoom bij de Wereldbank, spuide bittere kritiek op het beleid van het IMF. Ravi Kambur, hoofdauteur van het World Development Report van de Wereldbank, verliet de organisatie omdat er niet open over nodige beleidsveranderingen kon worden gepraat. Georges Soros, topspeculant, schreef een boek over de ondergang van het systeem. Een deel van de kritiek die door deze mensen geleverd wordt is ook terug te vinden in interne en externe evaluaties van de Bretton Woodsinstellingen, zij het in een bedektere en diplomatische vorm.

- Oude eisen: van de dwangbuis naar de onderhandelingstafel

Eisen die al enkele jaren overleefden in actieprogramma’s van ngo’s of in academische discussieclubs worden eindelijk of opnieuw ernstig genomen. Dat geldt voor de eis tot meer overheidscontrole en -greep op de economie in het algemeen. Maar ook heel specifieke beleidsvoorstellen, waarvoor je vroeger gek werd verklaard, krijgen nu politieke aandacht. Schoolvoorbeeld is de Tobintaks . Deze belasting op speculatieve kapitaalstromen was tot in 1996 gewoon een taboe-onderwerp. Nu is ze in heel wat landen voorwerp van parlementair en gouvernementeel debat.

Nog zo’n ‘ommekeer’ was de beoordeling van de kapitaalcontroles die de Maleisische regering in 1997-98 had ingevoerd om de financiële crisis te overleven. Op de jaarvergadering van het IMF in 1998 werd premier Mahatir om die maatregelen nog vervloekt en verketterd. Een jaar later gaf VS-topeconoom Krugman (en nadien ook het IMF) schoorvoetend toe dat de ingreep op dat ogenblik misschien wel de best mogelijke was.

- Sterkere allianties

De kritiek en de beweging tegen de uitwassen van de kapitalistische markteconomie zijn niet nieuw. Ngo’s, vakbonden en andere sociale bewegingen voeren al jaren campagne rond diverse aspecten ervan. De jongste jaren groeit wel het besef dat, om een beetje gelijke tred te houden met de internationalisering van de economische en politieke besluitvorming, campagnes ook de landsgrenzen en de beperkingen van de eigen groep moeten overstijgen. Tijdelijke of permanente allianties van ngo’s en vakbonden rond arbeidsomstandigheden in de sportschoen- en de speelgoedsector zijn daarvan goede voorbeelden. Ook de campagne Jubilee 2000 tegen de schuldenlast, en de vrouwenmars tegen armoede en uitsluiting zijn recente sterke staaltjes van wereldwijde coalitievorming door groepen van heel divers pluimage. Opvallend is dat Zuidelijke organisaties en netwerken in deze allianties een zeer belangrijke rol spelen, niet alleen bij de inhoudelijke invulling van het eisenpakket, maar ook bij het verwoorden van de eisen op politieke en andere fora.

- Als de vos de passie preekt…

De verzetsbeweging laat zelfs het bedrijfsleven niet onverschillig. Uit bezorgdheid om de mogelijke risico’s van het huidige beleid, maar vooral onder druk van campagnes en deuken in hun publiek imago, hebben ook ondernemingsleiders het nu over hun sociale verantwoordelijkheid en over ‘ethisch ondernemen’. Dat uit zich op allerlei manieren. Op het World Economic Forum in Davos, de jaarlijkse bijeenkomst van topmensen uit het bedrijfsleven, staan sinds een paar jaar ook panelgesprekken met ngo-mensen op het programma.

Er is een ‘boom’ in het aantal bedrijfsgedragscodes. Een set van gedragsregels die moeten verzekeren dat het bedrijf en zijn onderaannemers zich aan een aantal sociale en milieunormen houden. Vaak zijn het codes die door het bedrijf zelf zijn uitgevonden. In bepaalde gevallen gelden ze voor een hele bedrijfssector of is er een standaardcode die door een hele bedrijfsfederatie wordt gevolgd. Soms is er zelfs over onderhandeld met vertegenwoordigers van ngo’s of vakbonden.

Er is een groeiend aantal keurmerken.Ook die moeten garanderen dat bij de productie van bepaalde goederen of diensten minimumnormen gerespecteerd worden. Er groeien ook andere samenwerkingsvormen, zoals de bedrijfsgiftenbank die in België een aantal ngo’s en bedrijven samenbrengt. Bedrijven beloven zich goed te gedragen en plannen ook financiële steun aan ngo-projecten.

Een karrenvracht goede intenties waarvan de ernst nog bewezen moet worden. Al heeft rechtstreekse druk op bedrijven in erg imagogevoelige branches hier en daar toch al wat gedragsverandering opgeleverd. Maar veel meer dan dat is het niet. Wat het merendeel van deze initiatieven gemeen hebben, is dat de bedrijven zich vrijwillig engageren tot ecologisch en sociaal verantwoord gedrag. Vrijwillig, maar tot nader order ook vrijblijvend. Codes waarbij de intenties ook worden omgezet in bindende, door de overheid sanctioneerbare regelgeving, zijn hier niet aan de orde. Al is dat volgens ons de enige manier om de globaliseringsgolf binnen de dijk te houden.

- Seattle en de netwerkguerrilla

De pers en geërgerde zakenlui en bewindslieden hebben het steevast over de anti-globaliseringsbeweging. Daarmee doelen ze dan op het militante en massale protest naar aanleiding van belangrijke internationale bijeenkomsten zoals ministeriële vergaderingen van de WTO, de Wereldhandelsorganisatie, de jaarvergadering van IMF en Wereldbank, de top van de G8 enzovoort. Dit is relatief nieuw. Een grote maar zeer heterogene groep mensen en organisaties weet mekaar, onder andere door het gebruik van internet en internationale e-mailnetwerken, zeer snel te vinden voor de mobilisatie en organisatie van tegenbetogingen en andere alternatieve evenementen.

De eerste voorbode van deze beweging was de snelle vorming van nationale en internationale coalities om het ontwerp van een multilateraal akkoord over investeringen binnen de OESO te kelderen. De Financial Times publiceerde in die tijd een artikel onder de titel ‘netwerkguerrilla’. De echte doorbraak kwam met de ministeriële vergadering van de WTO in Seattle, die vooral door het brutale optreden van de plaatselijke politie eindigde met traangas, arrestaties en een complete mislukking van de officiële conferentie. Sindsdien is de oefening overgedaan in Praag, Melbourne, Washington, en het rijtje is niet af.

De gezamenlijke drijfveer is onvrede met de manier waarop de wereldeconomie wordt gerund, en met de manier waarop het beleid steeds meer vrij spel geeft aan multinationale ondernemingen. Ook al walsen die zonder al te veel gewetensproblemen over zwakke landen en bevolkingsgroepen heen. De beweging heeft voeling met ngo’s, vakbonden en andere sociale bewegingen die al lang ‘in het vak’ zitten. Ze gebruikt ook de analyse en expertise die door hen in de loop van de jaren opgebouwd werd. Tegelijk vind je er heel veel jongeren en politiek daklozen die weinig uitstaans hebben met de pragmatische en doorgaans erg reformistische aanpak van de traditionele organisaties. De beweging vindt dan ook makkelijker aansluiting met de Zuidelijke organisaties en netwerken die radicalere standpunten en alternatieven verdedigen. Tot nader order heeft de ‘anti-globaliseringsbeweging’ (al dekt de naam niet echt de lading) geen duidelijk eensgezind politiek programma. De diversiteit is groot en soms extreem. Er wordt wel aan gewerkt. Een grote stap was de organisatie van het World Social Forum in Porto Alegre in Brazilië. Een reusachtige bijeenkomst van militanten en leiders van de alternatieve beweging. Deze keer was het geen ‘tegenmanifestatie’, maar een eerste poging om de verschillende groepen en hun uiteenlopende ideeën min of meer systematisch bij elkaar te brengen. Het begin van een allicht langdurig en moeizaam, maar ook erg belangrijk proces.

Rudy De Meyer is diensthoofd studie en publicaties 11.11.11

BRONNEN

World Bank, World Development Report 2000/2001, Oxford University Press, NY, 2000, 335 pp.

UN, World Investment Report 2000, New York/Geneva, 2000, 331 pp.

UN, World Investment Report 1999, New York/Geneva, 1999

Unctad, Trade and Development Report 2000, Unctad, Geneva, 2000

Jaap Kruithof, Het Neoliberalisme, EPO, Antwerpen, 2000, 521 pp.

Rudy De Meyer en John Vandaele, Arbeid zonder Grenzen, NCOS, Brussel, 1997, 200 pp.

Riccardo Petrella e.a., Grenzen aan de concurrentie , VUB-press, 198 pp.

Maak MO* mee mogelijk.

Word proMO* net als 3030   andere lezers en maak MO* mee mogelijk. Zo blijven al onze verhalen gratis online beschikbaar voor iédereen.

Ik word proMO*    Ik doe liever een gift

Met de steun van

 3030  

Onze leden

11.11.1111.11.11 Search For Common GroundSearch For Common Ground Broederlijk delenBroederlijk Delen Rikolto (Vredeseilanden)Rikolto ZebrastraatZebrastraat Fair Trade BelgiumFairtrade Belgium 
MemisaMemisa Plan BelgiePlan WSM (Wereldsolidariteit)WSM Oxfam BelgiëOxfam België  Handicap InternationalHandicap International Artsen Zonder VakantieArtsen Zonder Vakantie FosFOS
 UnicefUnicef  Dokters van de WereldDokters van de wereld Caritas VlaanderenCaritas Vlaanderen

© Wereldmediahuis vzw — 2024.

De Vlaamse overheid is niet verantwoordelijk voor de inhoud van deze website.