Goedkope T-shirts zijn niet eetbaar

Bedreigt snelle jobcreatie de motor van de Haïtiaanse economie?

Sinds eind 2012 huisvest het Haïtiaanse kuststadje Caracol het grootste industriepark van de Caraïben. Het project zal volgens de promotoren 65.000 nieuwe banen opleveren. Dat lijkt goed nieuws in een land waar meer dan de helft van de bevolking werkloos is. Maar met de komst van het industriepark verdween ook vruchtbare landbouwgrond onder het beton.

  • Joris Willems Caracol, Noord-Haïti. Een tropische bui verandert de onverharde wegen in modderpoelen. Joris Willems

Caracol is een klein stadje met ruim tweeduizend inwoners in het noordoosten van Haïti. Volgens historici werd hier de eerste Europese nederzetting van de Amerika’s gebouwd nadat de Santa Maria van Columbus er strandde. Het zoet water van de rivier Trou du Nord mondt uit in een baai en zorgt voor een uniek ecosysteem met koraalriffen en mangroves. De baai zou het eerste marine natuurpark van Haïti worden. Op het strand van Caracol keuren lokale vissers hun vangst van de dag. De vis verkopen ze –naar eigen zeggen voor veel geld– aan buitenlandse afnemers die de vangst met het vliegtuig in het naburige Cap-Haïtien ophalen.

Een korte tropische bui verandert de onverharde wegen en stegen in modderpoelen en onoverzichtelijke plassen. Er wordt volop gewerkt aan de elektriciteitsvoorziening van Caracol. En zo zijn er nog zaken die de lokale bevolking werden beloofd: drinkwater, een verbindingsweg, een school, een ziekenhuis, een ontspanningsruimte en vooral banen.

Goede grond onder beton

Niemand in Caracol betwist dat het industriepark, dat op 22 oktober de deuren opende, een meerwaarde kan betekenen voor het stadje. Door de inplanting zijn echter 366 boeren hun vruchtbare grond kwijtgespeeld. Op papier is de Haïtiaanse staat eigenaar van die grond maar de boeren bewerkten hem al decennia. ‘Ik huurde al 21 jaar van de overheid’, zegt Marie Marthe Roccin, die een perceeltje kleiner dan een hectare bewerkte. ‘We hebben braakliggend land meerwaarde gegeven door het te bewerken. Nu die meerwaarde er is, oordeelt men dat wij die niet verdienen’, voegt Ambroise Nolas daar verbitterd aan toe.

De boeren benadrukken dat ze niet tegen het industriepark op zich zijn. Ze begrijpen echter niet waarom het uitgerekend op hun vruchtbare grond moest worden ingeplant. ‘In de buurt is er voldoende ander land, met enkel onkruid of vee. Als men ons echt had willen helpen, had men beter elders beton gestort’, zegt Renel Pierre, die twee hectare grond verloor.

Landry Colas, ex-burgemeester van Caracol, hoorde naar verluidt pas van het project toen de landmeters aan het werk gingen. Colas: ‘Het gaat om een terrein waar veel mensen een tuin hadden, een bron van inkomsten voor zichzelf en hun familie. Het industriepark was een beslissing van hogerhand. Wij hadden er niets over te zeggen.’ Een andere bron bij de lokale overheid noemt het ‘een misdaad’ dat het industriepark uitgerekend op die vruchtbare percelen is aangelegd.

De twee andere locaties die het Amerikaanse studiebureau Koios had geïdentificeerd, kenden ‘objectief gesproken een mindere bezettingsgraad dan deze in Caracol’, geeft Michaël De Landsheer toe. Hij is directeur van de Technische Uitvoeringseenheid op het ministerie van Financiën.

De boeren zijn bovendien niet te spreken over de voorlopige oogst- en voedselveiligheidscompensatie die ze ontvangen. Landbouwer Charles Gabriël: ‘Ik verdiende jaarlijks zo’n 200.000 gourdes (in 2012 was dat zo’n 3500 euro, jw) op die hectare. Men biedt me nu 65.000 gourdes (1137 euro) als compensatie.’

De voornaamste bekommernis van de boeren blijft echter de grond die ze in de plaats zouden krijgen. Dat ze daar zo lang op moeten wachten, heeft volgens De Landsheer te maken met een aantal stappen die eerst nog gezet moeten worden: irrigatie, toegangswegen en omheining installeren en de grond verdelen.

Ook bij de impact van het industriepark op het unieke ecosysteem van de baai van Caracol zijn er vragen. Het park zal grondwater oppompen, maar ligt ook op de rivier die uitmondt in de baai. Een impactstudie uit 2011 heeft het over ‘een uniek ecosysteem aan de kust, productief en waardevol. Zelfs al wordt het afvalwater van het park gezuiverd, verschillende andere dreigingen, gekoppeld aan de ontwikkeling van het industriepark, kunnen het ecosysteem in gevaar brengen’. Volgens de studie kunnen tussen de 30.000 en de 300.000 mensen aangetrokken worden door de werkgelegenheid.

Trage landbouw vs. snelle resultaten

‘We moeten onze landbouwproductie opnieuw opvoeren zodat we minder afhankelijk zijn van buitenlandse voedselimport.’ Dat verkondigde de Haïtiaanse president Michel Martelly op 1 januari 2013, tijdens zijn jaarlijkse toespraak naar aanleiding van de onafhankelijkheidsdag. De bisschop van Gonaïves, mgr. Yves-Marie Péan, kwam naar buiten met een gelijkaardige boodschap: ‘We moeten werk creëren, de landbouw aanmoedigen en onze inspanningen opdrijven om de lokale productie aan te zwengelen.’

De landbouwsector in Haïti is jarenlang verwaarloosd. Toch is hij nog steeds goed voor zo’n kwart van het bnp. Zowel in het strategisch kader voor de armoedebestrijding –in 2007 opgesteld voor de Wereldbank– als in het reconstructieprogramma van na de aardbeving van 2010 is landbouw een prioriteit voor economische ontwikkeling. ‘De helft van de bevolking leeft van de landbouw. Er zijn enorme kansen om de productie op tien jaar te verdubbelen of zelfs verdrie- of -viervoudigen’, zegt Frédéric-Gérald Chéry, professor economie aan de Haïtiaanse staatsuniversiteit.

Haïti importeert meer dan de helft van zijn voedselbehoefte. Het is dan ook erg gevoelig voor prijsstijgingen op de internationale markt. Bovendien is het slachtoffer van de dumping van goedkopere importproducten. Er is een gebrek aan ondersteuning van en investeringen in de landbouw, en er is veel onduidelijkheid over landeigendom. Voeg daar de hoge kosten voor voedsel, onderwijs en gezondheidszorg bij en je krijgt een cocktail die leidt tot verdere verpaupering.

Om in de noden van de familie te kunnen voorzien, worden vaak bomen omgehakt voor houtskool. Dat verklaart de grote kwetsbaarheid voor erosie en overstromingen. Droogte en tropische stormen brachten in 2012 voor meer dan 190 miljoen euro schade toe aan de landbouw. Tropische storm Sandy vernielde in oktober 2012 zo’n 90.000 hectare landbouwgrond en kostte minstens zestig Haïtianen het leven.

Na de aardbeving van 2010 stelde het Haïtiaanse ministerie van Landbouw een investeringsprogramma op van maar liefst 600 miljoen euro. Dat was opvallend, want andere landbouwprojecten lagen al jaren stof te vergaren bij gebrek aan financiering.

Donoren lijken echter vooral geïnteresseerd in projecten met een snel zichtbaar resultaat. ‘Ze willen hun vlag planten’, zegt Gabriël Verret, in 2010 directeur van de Haïtiaanse Reconstructiecommissie. Denk aan de bouw van 100.000 tijdelijke onderkomens (380 miljoen euro) of de aanleg van een industriepark (230 miljoen euro).

Snel en eenvoudig werk creëren

Midden jaren tachtig, tijdens de dictatuur van Jean-Claude “Baby Doc” Duvalier, stelden de exportgerichte industrieparken zowat 60.000 mensen te werk. Het politieke tumult dat volgde op de val van Duvalier in 1986, de concurrentie door andere Caraïbische landen en de ontluikende vakbondsactiviteiten in het post-dictatoriale Haïti, maakten dat de buitenlandse opdrachtgevers hun bestellingen elders begonnen plaatsen. Net voor de aardbeving in 2010 stelden de industrieparken volgens de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO) nog maar 26.000 mensen te werk.

In 2009 stelde Oxford-econoom Paul Collier in een rapport dat de Amerikaanse Hope II Act en de VN-Stabiliseringsmissie (Minustah) opportuniteiten boden om te investeren in de Haïtiaanse kledingindustrie. Minustah garandeerde de nodige stabiliteit, Hope II zorgde voor belangrijke competitieve voordelen: taksvrije invoer van Haïtiaans textiel in de VS.

Economieprof Chéry betwist die gunstige perspectieven. ‘Colliers plan biedt enkel mogelijkheden voor mensen met een laag opleidingsniveau. Een boel andere verwachtingen worden niet ingevuld.’ In zijn kantoor ontmoet ik Georges Sassine. Hij is eigenaar van een textielfabriek in Port-au-Prince en directeur van de Nationale Maatschappij voor Industrieparken (Sonapi). Die is ook verantwoordelijk voor het industriepark van Caracol. Sassine lobbyde jarenlang voor de taksvrije invoer van textielproducten in de VS. Het nieuwe park is in zekere zin dan ook de bekroning van zijn inspanningen. ‘Onderaanneming in de textielsector is de eenvoudigste en snelste manier om werkgelegenheid te creëren. Het is niet het antwoord op economische ontwikkeling. Helemaal niet. Maar het geeft je wat tijd. Je kan duizenden mensen tewerkstellen.’

Even goedkoop als china

‘Ze hakken onze handen en voeten af en gooien ons vervolgens in een put.’
Volgens Paul Collier maken ook andere elementen Haïti aantrekkelijk voor investeerders. ‘Door de armoede en de relatief ongereguleerde arbeidsmarkt kent Haïti een arbeidskost die competitief is met China, de mondiale standaard. Haïtiaanse arbeid is niet enkel goedkoop, maar ook van goede kwaliteit.’

Toen Collier zijn rapport publiceerde, bedroeg het minimum dagloon amper 1,35 euro. In de jaren tachtig was dat 2,30 euro. Reden voor die terugval is de devaluatie van de Haïtiaanse gourde. In een land dat het gros van zijn voedsel importeert, weegt zo een devaluatie zwaar door. Geen wonder dat in april 2008 voedselrellen uitbraken in Haïti omdat de voedselprijzen op de internationale markt fel stegen.

In 2009 circuleerde een wetsvoorstel om het minimumloon op te trekken tot 200 gourdes –in die tijd omgerekend zowat 4 euro. De Amerikaanse ambassade in de Haïtiaanse hoofdstad Port-au-Prince oordeelde dat dat voorstel ‘geen rekening houdt met de economische realiteit’. Ook de Haïtiaanse industrieorganisatie, met toenmalig voorzitter Georges Sassine, trok aan de alarmbel en waarschuwde voor het verlies van 10.000 banen in de sector als de wet werd goedgekeurd. Dankzij een uitzonderingsmaatregel kent de exportsector sindsdien een lager minimumloon dan andere sectoren.

In oktober 2012 werd het minimumloon in de exportsector opgetrokken tot 200 gourdes (in 2012 was dat 3,5 euro) in plaats van de 300 gourdes (5,4 euro) in de andere sectoren. Maar de arbeiders uit Caracol klagen het lage loon aan. ‘Eén maaltijd kost 75 gourdes (1,3 euro), nog eens 50 gourdes (87 eurocent) voor het transport, per dag hou ik 75 gourdes over’, zegt een arbeidster buiten de fabriekspoort. ‘Bovendien betalen ze ons niet op wettelijke feestdagen of wanneer we ziek zijn.’

Op de vraag of 3,5 euro volstaat om in de noden te voorzien, antwoordt textielbaas Georges Sassine geïrriteerd. ‘Natuurlijk niet.’ Dat komt onder andere, zegt hij, doordat bij gebrek aan ondersteuning voor de landbouw te weinig geproduceerd wordt, waardoor de prijs van lokaal voedsel hoog is. ‘De overheid schiet op te veel vlakken tekort.’

Dat de overheid tekortschiet, betwijfelen weinigen. ‘De verantwoordelijken van het land moeten luisteren naar de bekommernissen van de arbeiders. We zijn geen beesten, en zelfs voor dieren draagt men zorg’, zegt een fabrieksarbeider die anoniem wenst te blijven. ‘Ze willen hun naam niet geven uit angst om ontslagen te worden’, verduidelijkt Dales Emmanuel van de syndicale organisatie Batay Ouvriye. Vakbondsvrijheden worden in Haïti vaak aan de laars gelapt. Kort na de oprichting van een textielvakbond in 2011 werden alle leden van het comité ontslagen uit de fabrieken waar ze werkten.

Donordruk

Bill Clinton, speciaal gezant van de Verenigde Naties voor Haïti, begeleidde in oktober 2009 een missie van een honderdtal potentiële buitenlandse investeerders. Datzelfde jaar bestelde de Inter-Amerikaanse Ontwikkelingsbank (IADB) een onderzoek naar de levensvatbaarheid van een industriepark op een nog te bepalen locatie in het noorden van Haïti.

De aardbeving van 12 januari 2010 lijkt het hele proces in een ongecontroleerde stroomversnelling te hebben gebracht. Nog grotere textielquota kregen taksvrij toegang tot de Amerikaanse markt. Het Amerikaanse studiebureau Koios voerde het onderzoek voor de IADB uit en onderzocht achttien verschillende mogelijke locaties. Drie scoorden het best, één daarvan was Caracol.

In de studie, die in september 2010 gepubliceerd werd, waarschuwde Koios: ‘Het is belangrijk op te merken dat de screening en het onderzoek van de site niet gepaard gingen met een gedetailleerd onderzoek naar milieu, hydrologie of topografie. (…) Vooraleer de Haïtiaanse regering, de IADB en andere donoren een finale toezegging doen om te ontwikkelen, moeten die onderzoeken worden uitgevoerd.’

Woorden in de wind. Op de bijkomende studies werd niet gewacht. Volgens Georges Sassine dateert de keuze voor Caracol overigens al van vóór de aardbeving. Hij verwijst naar een studie die in de jaren zeventig door de Nationale Maatschappij voor Industrieparken is uitgevoerd. Een van de veertien genoemde locaties uit die studie was Caracol, dat weerhouden werd omwille van het grondwaterniveau, aldus Sassine.

Volgens Koios werd de beslissing echter door de Haïtaanse regering genomen kort na de publicatie van hun rapport. In een e-mail stelt Koios: ‘De ontwikkeling van het hele project vond plaats in een versneld tijdsschema. Sommige beslissingen zouden genomen kunnen zijn vooraleer alle informatie beschikbaar was.’ Verder heeft Koios het over de ‘intense druk van de donorgemeenschap, in het bijzonder de regering van de VS, om het project zo snel mogelijk te implementeren’.

Michaël De Landsheer, directeur van de Technische Uitvoeringseenheid op het ministerie van Financiën (UTE), is verantwoordelijk voor de werken aan het park. Hij stelt op zijn beurt dat de keuze op Caracol viel omdat één van de door Koios geïdentificeerde locaties te dicht bij een ander industriepark lag en de andere in een overstromingsgebied. Was er dan echt geen betere locatie te vinden die rekening houdt met de bekommernissen van Sonapi, investeerders, boeren én het milieu? Sassine: ‘Er zijn kosten voor het milieu, maar de voordelen overstijgen die kost ruimschoots.’ Vandaag stellen twee textielbedrijven en een verffabriek zo’n 1300 mensen tewerk. De promotoren verwachten dat die tewerkstelling zal oplopen tot 65.000 banen.

T-shirts voor Wallmart

Sonapi, de Nationale Maatschappij voor Industrieparken, lijkt eerlijke inspanningen te willen doen om de milieu-impact van het industriepark in Caracol te beperken. De boeren zullen op termijn –als de overheid haar belofte nakomt– nieuwe grond in eigendom krijgen. Blijft de vraag waarom niet langer gezocht is naar betere locaties voor de inplanting van het park, met minder impact op het reeds fragiele Haïtiaanse milieu, en met minder verlies aan vruchtbare landbouwgrond. Zelfs de IADB gaf in een interview aan de New York Times toe dat de normale procedures niet gevolgd werden door de druk om snel resultaat op te leveren.

De gelijkenis met de installatie van de industriezone in Ouanaminthe in 2003, op zo’n vijftig kilometer van Caracol, is opvallend. Dat ontging ook landbouwer Renel Pierre niet: ‘Ze hebben daar –net zoals hier– grond voor voedselproductie in beslag genomen voor de vrijhandelszone. Ze hebben er beton op gegoten. Zie je het niet? Ze hakken onze handen en voeten af en gooien ons vervolgens in een put.’

Een industriepark kan snel werk creëren voor een massa mensen. Daar twijfelt niemand aan. Maar de haast waarmee dit project koste wat het kost gerealiseerd moest worden, roept ernstige vragen op over de prioriteiten van de donoren, in casu de door Washington gecontroleerde IADB en de Amerikaanse overheid. De eerste container die Caracol buitenreed vanuit de fabriek van de Koreaanse textielgigant SAE-A, vertrok naar de VS met 67.000 T-shirts voor Wallmart.

Hoe precair de exporteconomie op basis van goedkope arbeid wel is, werd in 2009 al duidelijk. Toen zorgde de economische crisis voor een daling van 10 tot 20 procent van de import van kleding in de VS. Waarnemers vrezen dan ook dat de eigenlijke basis van een duurzame ontwikkeling in Haïti –de familiale landbouw met haar voedselproductie die een antwoord zou kunnen bieden op de voedselimport en op de honger in het land– opgeofferd wordt aan snelle jobcreatie en de belangen van buitenlandse industriëlen.

De snelheid waarmee donoren resultaten wilden boeken met een sexy project als het Parc Industriel de Caracol steekt fel af tegen het getalm rond de financiering van landbouwprojecten die maar niet van de grond komen bij gebrek aan middelen. En als er morgen plots minder T-shirts worden besteld, dan worden die niet zomaar eetbaar.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 3093   proMO*’s steunen ons vandaag al. 

Word proMO* of Doe een gift