Dossier: 

Goud uit Congo, kapitaal voor Canada

In zijn nieuwe boek De Grondstoffenjagers neemt journalist Raf Custers de maat van de grote spelers uit de wereldwijde grondstoffenindustrie. Onderstaande voorpublicatie belicht de activiteiten van het Canadese goudbedrijf Banro in Congo.

  • Banro De Twangizamijn van het Canadese Banro. Banro

Midden 2010 zag ik nabij de Congolese stad Bukavu een konvooi de grens oversteken vanuit Rwanda. Geen legerkonvooi, maar civiele trucks met civiele containers uit Australië. Ze waren op weg naar de heuvels van Twangiza, veertig kilometer naar het zuidwesten. Het Canadese goudbedrijf Banro was daar de eerste van een reeks goudmijnen aan het graven. In de containers zaten de onderdelen van een fabriek die Banro in Australië had gekocht en ontmanteld. De fabriek werd in Twangiza weer in elkaar gezet.

Tussen juli en november gingen meerdere zulke konvooien naar Twangiza, met in totaal 140 containers. Een jaar later, in oktober 2011, stond de fabriek overeind en bracht het eerste zuivere goud uit Twangiza voort.

Goudader

Banro heeft zijn Congolese hoofdkwartier ondergebracht in de idyllische tuin van hotel Orchids aan de rand van het Kivumeer in Bukavu. Het is een transnationale onderneming met Canadees kapitaal. In het bureau van Lefranc Busane, belast met de exploratie, hangen gedetailleerde kaarten aan de muur. Hij toont me ook een serie plannen en prenten op zijn computer. ‘We hebben vier eigendommen,’ zegt Busane, ‘met een totale oppervlakte van 2612 km2 en veertien exploratiezones met een totale oppervlakte van 2638 km2.’

Busane spreekt van eigendommen. Op de website van Banro worden ze ook zo genoemd, properties, terwijl Banro ze strikt genomen enkel in bruikleen heeft gekregen. Op termijn zullen al die “eigendommen” tot één concessie aaneensluiten. Dan wordt Banro heer en meester over een enorme lap Congolees grondgebied. Voor eeuwig en altijd? ‘We hebben een landholding van dertig jaar, tot 2027’, antwoordt Busane. De landholding kan later worden verlengd.

De vier concessies liggen onder elkaar, vanuit Bukavu richting zuidwesten. De concessie Twangiza is de tweede in het rijtje. Ze blijkt destijds al met Belgisch kapitaal te zijn uitgebaat. ‘De Belgen wisten dat er goud te vinden was in de Mwana-rivier’, zegt Busane. ‘Eind jaren dertig zijn ze stroomopwaarts gaan zoeken en hebben ze een grote goudader gevonden in de Mbwega-heuvel. Later hebben ze daar zo’n 17.000 stalen genomen. Wij hebben onze exploratie op die plek geconcentreerd. Daar ligt nu onze openluchtmijn.’ Banro gebruikt dus de geologische verkenningen van de Belgen.

In oktober 2011 brachten de installaties in Twangiza de eerste klomp goud voort. De grote baas Simon Village was erbij. ‘Ons tijdsschema was zeer agressief. Maar we hebben het objectief gehaald’, zegt Village. Bedoeling is dat de cash die de eerste mijn oplevert voor de verdere uitbreiding dient. In de verste concessie in Namoya is men dan al met het graven van een tweede mijn begonnen. Het goud van Twangiza en Namoya zal daarna de exploitatie van de twee resterende “eigendommen” in Kamituga en Lugushwa financieren. De opbrengsten zullen ook dienen om de andere infrastructuur te betalen die nodig is voor de mijnen en de raffinage-installaties. Banro bouwt onder meer een eigen elektriciteitscentrale, met een capaciteit van 30 megawatt. Voor de centrale is er een geschikte site gevonden: 44 kilometer verderop, op de Ulindi, waar de rivier over een afstand van acht kilometer een verval van 650 meter heeft. De opgewekte stroom is enkel voor Banro bestemd, niet voor de mensen in de streek.

Dat is de mijnbouw van vandaag: projecten ploffen als meteorieten neer op onbekend terrein. Ze verjagen de bewoners, omheinen de site –hoe groot die ook is– en zetten agenten van een bewakingsfirma aan de ingang. De mijnen van vandaag zijn enclaves. Banden met de omgeving hebben ze niet.

Voetvolk

Voor de analyses van de grondstalen werkte Banro niet met Congolese maar met buitenlandse laboratoria. De eerste analyses gebeurden in Johannesburg in Zuid-Afrika, bij ALS Chemex. Bijkomende stalen gingen naar het SGS-labo in Tanzania of Genanalysis in Perth, Australië. Congo heeft geen aandeel in het werk.

In zijn jongste jaarverslag, gepubliceerd in maart 2012, stelt Banro dat het rechtstreeks 577 Congolezen tewerkstelt en onrechtstreeks –via onderaannemers– 3301. Geen enkele van de eigen werknemers is aangesloten bij een vakbond.

De meeste bazen op de werf zijn buitenlanders, expatriates. Ze komen onder meer uit Zuid-Afrika en wonen aan de mijnsite in prefab woonblokken van Zuid-Afrikaans fabricaat. Wanneer ze medische zorgen nodig hebben, gaan ze niet naar het ziekenhuis in Bukavu maar worden ze naar Zuid-Afrika gevlogen.

Banro laat mecaniciens uit de Filipijnen komen. Ze zijn goedkoper dan westerlingen. Voor de veiligheid is een Franse firma ingehuurd, Erinys. Haar mannetje ter plaatse heet Jean-Yves Socard.

De Congolezen zijn het voetvolk. Een handvol werkt voor Erinys, onder andere in de hondenbrigade. ‘Ik heb zes bewakers met honden in Twangiza,’ zegt Socard, ‘en achttien andere veiligheidsmensen.’ De Congolezen verdienen een tiende van de buitenlanders. Banro heeft de loonkost per ton erts berekend. Lokale arbeid blijkt zo’n 5 eurocent per verwerkte ton erts te kosten, amper een tiende van de kostprijs van buitenlandse arbeid. De loonkost van de expatriates weegt dus zwaarder in de totale uitbatingskost van de mijn. Maar alleen tijdens de eerste jaren. Want de meeste buitenlanders blijven maar in Twangiza tot de mijn en de raffinagefabriek op routine draaien.

Kennis evacueren

De Canadese firma Banro haalde eind 1996, in volle opstand tegen Mobutu, de goudarchieven van de Société Minière du Kivu (Sominki) weg. De man die daarmee belast werd, was Mario Fiocchi. Congo heeft volgens Fiocchi geen verlies geleden aangezien destijds van alle rapporten kopieën zijn gemaakt die naar de top van de onderneming werden verstuurd. Die dubbels moeten volgens Fiocchi zeker terug te vinden zijn. Hij erkent dat er geologische studies zijn weggehaald of “geëvacueerd”, zoals hij telkens opnieuw herhaalt. Het ging om ‘des études des gisements primaires’, studies van mineraal gesteente, niet van de rivierbeddingen. Fiocchi: ‘De evacuatie gebeurde volledig in overleg met de Congolezen.’

In feite is Banro gaan lopen met een stuk van het Congolese patrimonium. De Congolese senaat bestempelt de smokkel naar Zuid-Afrika als een ‘frauduleuze transfer.’ Ik noem het diefstal. Ik weet niet of Congo ooit geprobeerd heeft de archieven terug te krijgen. Ze zijn in handen van één privéonderneming en dat heeft gevolgen. Wat als andere ondernemers de gegevens van Sominki willen raadplegen? Moeten ze die dan van Banro kopen? Dat geval heeft zich al voorgedaan. In 2011 bleek de Malaysia Smelting Corporation (MSC) geïnteresseerd in de tin-afzettingen van Sominki. MSC sloot een confidentiële overeenkomst met de Congolese regering. De regering beloofde al haar informatie door te spelen. Maar zolang Banro de verduisterde archieven niet heeft teruggegeven, kan de Congolese regering dat niet. De Belgische onderneming Traxys, die in Kivu ertsen placht te kopen, werkte samen met MSC. ‘Voor ons zou het een enorme tijdwinst zijn moesten de archieven van Banro beschikbaar zijn’, zegt Frédéric Delforge van Traxys. ‘Maar we moeten afwachten en zien wat de regering heeft.’

Grondstoffenjagers door Raf Custers is uitgegeven door EPO. 262 blzn. ISBN 978 94 91297 42 7

Raf Custers is historicus en journalist. Hij werkt momenteel als researcher voor de Groupe de recherche pour une stratégie économique alternative (GRESEA).

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur

  • Schrijver, journalist en onderzoeker

    Raf Custers is onderzoeker bij Gresea (Groupe de Recherche pour une Stratégie Economique Alternative). In 2013 publiceerde hij het boek Grondstoffenjagers.