Goudkoorts in Latijns-Amerika

De prijs van edelmetalen zit volop in de lift. Dat heeft te maken met een labiele wereldeconomie, maar ook met de stijgende welvaart in China en India. Daar waar het goud gedolven wordt, is de koorts van een heel andere aard, want de multinationale bedrijven die het waardevolle metaal naar boven halen, nemen het niet zo nauw met mensenrechten of milieu.
 Begin februari stond een ons goud (31,1 gram) 572 dollar genoteerd op de beurs, de hoogste koers in 25 jaar en een spectaculaire heropleving na de dalende trend van de afgelopen decennia. In 2000 was een ons goud maar 250 dollar waard. Volgens Pierre Lassonde van het Amerikaanse bedrijf Newmont Mining Corporation kan die prijs over vijf tot zeven jaar oplopen tot 1000 dollar per ons. Dat is grotendeels te verklaren door de toegenomen vraag.
In 2005 steeg de beleggingsvraag naar goud met maar liefst 114 procent. Volgens Evy Hambro, beheerder van Merrill Lynch Investment Managers (MLIM), het grootste goudmijnfonds ter wereld, wordt ‘2006 het jaar waarin goudbeleggingen mainstream worden’. Op een ogenblik dat andere beleggingen onzeker zijn, biedt de aankoop van goudstaven en gouden munten een houvast. Een andere belangrijke reden voor de stijgende prijs is de groeiende vraag naar gouden juwelen in China en India. In de loop van 2004 steeg de verkoop van goud in China met 11 procent, in India met 47 procent.
Multinationals als Newmont, Barrick Gold en Glamis Gold wrijven zich in de handen bij al dat goede nieuws en investeren volop in het Zuiden. Zeventig procent van de goudwinning gebeurt vandaag in ontwikkelingslanden: in ver afgelegen regio’s, die meestal bevolkt worden door inheemse volkeren, waar milieunormen zwak zijn en mensenrechtenschendingen minder zwaar wegen. Vooral in Latijns-Amerika is de opmars van transnationale mijnbedrijven spectaculair, van Guatemala en Mexico over de Andeslanden tot in Chili en Argentinië.

Gletsjers verschuiven


In Argentinië verviervoudigde het aantal mijnprojecten de afgelopen twee jaar. Onlangs maakte het Canadese mijnbedrijf Barrick Gold bekend dat het drie gletsjers zou verplaatsen op de grens tussen Chili en Argentinië, voor het zogenaamde Pascua-Lama goudproject. Onder die Chileens-Argentijnse grens ligt vermoedelijk de allergrootste goudader ter wereld. Ondanks de internationale kritiek en het lokale protest gaf de Chileense overheid groen licht voor het project, op voorwaarde dat de gletsjers op hun plaats blijven.
Voor de Wereldbank blijft mijnbouw een belangrijke peiler voor ontwikkeling in arme landen die niet veel meer te bieden hebben dan natuurlijke rijkdommen. De Bank heeft in meer dan dertig goudmijnprojecten geld gestopt, in de vorm van leningen of verzekeringen. ‘Vraag is alleen welk soort ontwikkeling de Wereldbank dan stimuleert en wie daar dan beter van wordt’, merkt bisschop Ramazzini uit Guatemala cynisch op. De bisschop van het departement San Marcos, ten noordwesten van Guatemala-stad, maakte deel uit van een delegatie die in Europa meer aandacht kwam vragen voor de oprukkende mijnbouw in Guatemala. Zijn bisdom wordt vooral belaagd door de geplande exploitatie van de Marlin-goudmijn in San Marcos.
Die mijn is sinds 2002 eigendom van Montana, dat zelf behoort tot het grotere Canadese bedrijf Glamis Gold. Voor het Marlinproject kreeg Montana 45 miljoen dollar steun van de International Finance Corporation (IFC), privéfinancierder van de Wereldbank. De hevige protesten van de lokale bevolking werden met de inzet van een grote troepenmacht de kop ingedrukt. Daarbij vielen één dode en tientallen gewonden. De bisschop zelf ontving doodsbedreigingen. De ngo Madre Selva heeft intussen een klacht ingediend bij het Observatiebureau dat klachten onderzoekt van projecten gesteund door het IFC, voor het niet naleven van de aanbevelingen van de Wereldbank in mijnbouwprojecten.
De Guatemalaanse vakbondskoepel UNSITRAGUA diende een klacht in bij de Internationale Arbeidsorganisatie, voor de schending van Conventie 169 die stelt dat inheemsen vooraf geïnformeerd en geconsulteerd moeten worden. Ook de Extractive Industries Review van de Wereldbank vraagt met aandrang om alle belanghebbenden te betrekken bij zulke mijnprojecten, gezien de hoge sociale en ecologische risico’s. De ngo Fian International en de koepel van vastenacties CIDSE hebben aan de Guatemalaanse regering gevraagd het mijnbeleid te herzien en in overeenstemming te brengen met de criteria van de internationale mensenrechtenverdragen, en om de vergunning voor Marlin Project van Glamis Gold te verbreken.
Dat laatste zou Guatemala echter miljoenen dollars kunnen kosten, als gevolg van bepalingen in het vrijhandelsverdrag met de VS. Bovendien is het een bewuste politiek van de regering die mijnbouw aan te trekken. In 1997 kreeg het land een nieuwe mijnwet, die 100 procent eigendom toelaat, precies om buitenlandse bedrijven te verleiden. Eind 2004 had president Berger 413 mijnlicenties uitgereikt.

Blauwzuur en kwikzilver


Latijns-Amerika’s grootste goudmijn is de Peruaanse mijn Yanacocha, bij de stad Cajamarca. Hoofdaandeelhouder (51%) is de grootste goudproducent ter wereld, Newmont Mining Corporation uit Denver. Mede-eigenaars zijn het Peruaanse Minas Buenaventura (44%) en de International Finance Corporation, verbonden aan de Wereldbank (5%). De mijn, die méér goud produceert dan elke andere goudmijn ter wereld, beslaat 170.000 ha en heeft een vermoedelijke reserve van 32 tot 33 miljoen ons. In 1993 produceerde de mijn 80.000 ons per jaar, in 2004 waren dat er 3,3 miljoen. Zoals nagenoeg alle goudmijnen in Latijns-Amerika, is ook Yanacocha een open pit mijn.
Dat betekent mijnbouw in open lucht, waarbij bergen worden kaalgekapt en ertslagen worden afgegraven tot diep in de aarde. De omgewoelde massa rots en ruwe erts wordt dan in terrassen gestapeld die voorzien worden van een stel leidingen waar tonnen cyanide, verdund met water, doorheen gestuurd worden om het goud en het zilver uit het erts te onttrekken. Voor één ons goud is maar liefst 30 ton erts nodig. De techniek verslindt miljoenen liters water en put zo kostbare reservoirs uit, die decennia nodig hebben om weer op peil te komen. Het van cyanide doordrongen slib is uiterst giftig. Al beweren de bedrijven alles schoon achter te laten, het gevaar bestaat steeds dat cyanideresten doorsijpelen tot de diepere lagen in de bodem en daar het water besmetten of dat ze in de loop van de jaren door erosie weer vrij komen.
Omwille van de cyanidevervuiling in de Donau in Roemenië, in 2000, is er sinds oktober vorig jaar een cyanidecode die bedrijven veiligheidsvoorschriften aanbeveelt voor transport en berging. Maar het staat bedrijven vrij die code al dan niet op te volgen. Goudextractie zonder cyanide is mogelijk, maar een heel pak duurder en wordt dus nagenoeg niet toegepast in het Zuiden.
Yanacocha mag dan al de grootste mijn zijn in Latijns-Amerika, de gunstige trend op de markt prikkelde Newmont’s honger naar meer. In 2004 maakte het bedrijf bekend dat het zijn activiteiten zou uitbreiden naar de Cerro Quilish, die volgens de prospecties zo’n 37 miljoen ons goud herbergt. Quilish is niet alleen een heilige berg en beschermd ecologisch gebied, het is ook het waterreservoir voor de aangrenzende vallei en de stad Cajamarca. In september 2004 braken massale protesten uit. De inwoners van Cajamarca waren vooral bezorgd over mogelijke drinkwaterproblemen en gezondheidsrisico’s, de boeren waren ongerust over onteigeningen van hun landbouwgrond.
Uiteindelijk werd Newmont in november 2004 gedwongen het project van Cerro Quilish te schrappen. ‘Wij zijn een mijnbedrijf dat rekening houdt met de omliggende gemeenschappen’, stelde Newmont in de New York Times. ‘Wij doen aan veilige en duurzame mijnbouw en willen leiding geven aan de sector, met een sterke nadruk op de sociale en de ecologische impact van onze activiteiten.’ Newmont reageerde met dit recht op antwoord op een artikelenreeks die de krant eind oktober publiceerde op basis van de getuigenis van Larry Kurlander, jurist en ex-adviseur van de gouverneur van New York.
Hij werd in 2000 door Newmont ingehuurd om onder andere een ongeval met kwikzilver te camoufleren. Op 2 juni 2000 lekte er 151 kg kwikzilver uit een vrachtwagen die werkte voor Yanacocha. Verschillende mensen raakten vergiftigd omdat ze het product niet kenden. Kurlander organiseerde een milieu-audit naar aanleiding van het incident en vond ‘twintig problemen met hoogdringend karakter’, veroorzaakt door de exploitatie van Yanacocha, zoals het verdwijnen van vissen uit de rivier, de bezoedeling van de meren, rivieren en kanalen - in minstens één geval met cyanide. Kurlander informeerde Newmonts zaakvoerder met de boodschap dat de verantwoordelijken van de mijn grote risico’s lopen hiervoor in de gevangenis terecht te komen.
De boodschap van Kurlander viel niet in goede aarde en de man kon opstappen. ‘Wij verkondigden aan de vier windstreken dat wij de behoeders van het milieu waren, terwijl dat helemaal niet klopte met de praktijk. Dat was een stomp in de maag voor het bedrijf’, aldus Kurlander. Het kwikzilveraccident heeft Yanacocha definitief het vertrouwen van de Andesbewoners gekost en verklaart de weerstand tegen de uitbreiding naar Quilish.

Het einde van de landbouw


Op dit ogenblik draait de commotie in het Peruaanse mijnlandschap rond het project Majaz, in het departement Piura, aan de grens met Ecuador. Het mijnbedrijf Monterrico Metals, zusterbedrijf van Newmont UK, wil hier een mijn exploiteren van koper en molybdeen, een bijproduct dat in computerchips wordt gebruikt. Het bedrijf heeft een concessie van zo’n 6472 ha in het bekken van de Rio Blanco, midden in een complex ecosysteem dat het noorden van Peru van water voorziet. De chemicaliën en het excessieve watergebruik zullen een nefast effect hebben op de rivieren en het landschap.
De mijn betekent ook het einde van de landbouw in de regio. Bovendien mogen er in de grensstreek om strategische redenen geen concessies gegeven worden aan buitenlandse bedrijven. Maar een nieuw decreet van 2001 bestempelt de mijnbouw als “openbare noodzaak” en op die basis heeft het ministerie van Energie en Mijnbouw Monterrico Metals een vergunning verleend.
De protestmarsen van duizenden boeren eind juli en half november vorig jaar werden hardhandig onderdrukt, met meerdere doden en tientallen gewonden tot gevolg. Het Vicariaat voor Milieuzaken (Vima) van het plaatselijke bisdom, dat een cruciale rol speelt in het coördineren van die protesten, wordt in de nationale pers beschuldigd van banden met de drugshandel en het internationale terrorisme. Nicanor Alvarado, coördinator van Vima, wordt in de pers afgeschilderd als een ware terrorist.
De betogers vragen dat Monterrico de activiteiten in de regio stopzet en dat de Peruaanse regering het decreet intrekt dat mijnexploitaties in de regio toelaat. In de provincie waar Majaz gevestigd is, Huancabamba, heeft Newmont meer dan 30.000 ha in concessie, en Buenaventura nog eens 16.000 ha, samen 80 procent van de provincie. De kans dat de mijnbouw er tegengehouden kan worden, is heel klein. Een hoorzitting in het Europees Parlement, op 30 maart, wil alleszins de problematiek onder de aandacht brengen en Peru vragen strenger toe te zien op de praktijken van de mijnbedrijven.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 3184   proMO*’s steunen ons vandaag al. 

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur

  • Latijns-Amerika & ecologie
    Alma De Walsche schrijft over ecologische thema’s, van klimaat- en energiebeleid, over landbouw- en voedsel tot transitie-initiatieven en baanbrekers. Ze volgt al enkele decennia Latijns-Amerika, met een speciale focus op de Andeslanden.