Dossier: 

Groeipijnen van een gewest

Spaanse werkloosheidsniveaus, Chinese inkomensongelijkheid, New Yorkse diversiteit: je vindt het allemaal in Brussel. De stad wordt voortgedreven door de internationale dynamieken van nu maar wordt bestuurd door instellingen die voortkomen uit de communautaire spanningen van het verleden. Het toenemende Brusselgevoel kan helpen de problemen beter aan te pakken.

  • Wijkmonitoring (BISA) Brussels UrbIS®© (2009) De Brusselse wijken ingekleurd naar het gemiddelde inkomen per persoon. De sikkel van armere wijken langs het kanaal tekent zich duidelijk af in het hart van de stad. Wijkmonitoring (BISA) Brussels UrbIS®© (2009)
  • Evolutie van het gemiddeld belastbaar inkomen tussen 1976 en 2004 voor de Brusselse gemeenten en gemeenten rond Brussel.

Younes is een van de tienduizenden mensen zonder papieren in Brussel. Hij vertrok uit Tunesië enkele maanden nadat de Arabische lente er begon: ‘Die opstand was goed, maar het zal zijn tijd duren voor hij economische verbetering en banen brengt’, zegt hij. Younes blijft er helder bij, ondanks zijn harde bestaan. Met klussen in de bouw of op de zondagse markt aan het Zuidstation schraapt hij een paar honderd euro per maand bijeen.

Hij loodst ons de Gésu binnen, een verlaten klooster in Sint-Joost-ten-Node, nu eigendom van een Zwitser en een van de grootste kraakpanden van Europa. Younes wil er zelf niet wonen: ‘Het samenleven is niet beheersbaar met zoveel moeilijke mensen.’ Toch is duidelijk dat er geregeld schoongemaakt wordt. Victor, de Kameroener die met de eigenaar een tweede akkoord ofte “convention” nastreeft (de eerste conventie ging in oktober 2011 in, en liep af na acht maanden) en dienst doet als een soort manager van de Gésu, is uitgeput. ‘Ik heb vannacht bijna niet geslapen’, zucht hij. ‘Om drie uur vannacht begon iemand vuur te stoken in de tuin. Ik moest ingrijpen, maar dat is niet makkelijk met het soort mensen dat hier soms woont.’ In de Gésu wonen 160 mensen uit alle continenten behalve Oceanië.

Op een kilometer afstand van de Gésu staat het Berlaymontgebouw, het peperduur gerenoveerde hoofdkwartier van de Europese Commissie van waaruit de grootste economie ter wereld wordt bestuurd. Een Europees Commissaris als Karel De Gucht gaat elke maand naar huis met 15.000 euro netto, Europese topambtenaren eveneens. Even verderop ligt het Europees parlement. De 751 Europarlementariërs verdienen per maand 6.000 euro netto, hun tweeduizend medewerkers hebben uiteenlopende lonen tot 5.000 euro. De EU telt alles samen haast 40.000 doorgaans goedbetaalde werknemers: die maken Brussel rijk en doen de woningprijzen stijgen.

Permanente immigratie

Twee werelden, zo dichtbij en toch zo ver van elkaar. Het typeert de “kleine wereldstad” die Brussel is volgens Eric Corijn, hoogleraar stadsgeografie aan de VUB. ‘Brussel heeft de kenmerken en allure van een wereldstad – de connectiviteit via mondiale netwerken, de enorme diversiteit – maar is veel kleiner en leefbaarder dan pakweg Londen.’ Slechts 1,1 miljoen inwoners en toch bijna alle nationaliteiten van de wereld. ‘Het speciale is dat al die culturen en volkeren in Brussel dicht bij elkaar wonen. In Parijs wonen de armen ver weg van het centrum’, weet Anderlechtenaar Nordine Saïdi van de politieke beweging Egalité.

Een kleine wereldstad waar machtig en kwetsbaar, arm en rijk, verbitterd en hoopvol vaak erg dicht bij elkaar wonen. Immers, de sikkel van armere wijken langs het kanaal ligt in het hart van de stad. Deze halvemaan, waar ooit de Vlaamse gastarbeiders uit het Pajottenland zich vestigden tijdens de industriële revolutie, wordt nu bewoond door oude en nieuwe immigranten uit de hele wereld. Hier komen de armen van de wereld Brussel binnen. Het zijn goedkopere wijken, waar de netwerken en contacten bestaan die immigranten aan werk en huisvesting kunnen helpen, al blijft dat moeilijk. Rijke immigranten wonen vooral in het zuidoosten van het gewest. Brussel herbergt 36 procent van de Belgische nieuwkomers.

Die permanente immigratie zwengelt een van de fenomenen aan die het huidige Brussel zo kenmerken: de bevolkingstoename. Sinds 1995 groeit de stad elk jaar met ongeveer 10.000 mensen aan. Soms ook met (veel) meer: in 2010 kwamen 55.590 buitenlanders in Brussel wonen, terwijl er 26.184 de stad verlieten. De intern Belgische migratiestromen zijn negatief: meer Belgen verlaten Brussel dan er komen wonen (-12.819). Tot slot worden er jaarlijks meer Brusselaars geboren dan er sterven (+9179).

Die voortdurende instroom verklaart waarom een derde van de Brusselaars niet de Belgische nationaliteit heeft. De helft daarvan komt uit de EU-15, nog eens vijftien procent uit de twaalf nieuwe lidstaten. De rest komt uit andere continenten. Polen en Roemenen zijn de grootste stijgers van de voorbije twintig jaar. Het aantal Polen in Brussel steeg van 2.000 naar 20.000, dat van de Roemenen van 700 naar 15.000.

De toegenomen immigratie heeft alles met de grote ongelijkheid in de wereld te maken en de factoren die het vanaf de jaren negentig mogelijk maakten om je inkomen op te krikken door naar de EU te komen: globalisering, het verdwijnen van het IJzeren Gordijn, de Europese uitbreiding. De mondiale inkomensongelijkheid sijpelt Brussel binnen en zo wordt Brussel ook een beetje de wereld in het klein: Brussel is het ongelijkste van de drie gewesten. De Gini-index voor inkomensongelijkheid lag er in 2007 op 0,36, tegenover 0,31 voor België. In rijke gemeenten als Ukkel of Sint-Pieters-Woluwe ligt de index zelfs boven de 0,4. Na belastingen en sociale correcties, en zonder de erg lage inkomens van de mensen zonder papieren mee te rekenen. Dat neigt naar de inkomensongelijkheid in landen als Rusland, de VS of China.

Nordine Saïdi, Belg met Marokkaanse roots: ‘Brussel, dat is zoals de Noord-Zuidrelaties in de wereld. Het grootste deel van de rijkdom zit in bepaalde gemeenten geconcentreerd, terwijl in Anderlecht, Molenbeek, Sint-Joost, Brussel en Schaarbeek de helft van de jongeren geen werk heeft. De ingrediënten van de opstand die je in de Arabische landen had, zijn hier ook aanwezig.’

700.000 banen, 100.000 werklozen

Nochtans heeft Brussel geen tekort aan banen, aldus Christian Vandermotten, hoogleraar economische geografie aan de ULB. ‘Het aantal banen steeg van 639.000 in 1997 naar meer dan 700.000 in 2006. De crisis knaagde daar wat af, maar al bij al doet Brussel het niet slecht.’

Tijdens de hoogtijdagen van de desindustrialisering en de stadsvlucht van de middenklasse zag Brussel zijn bevolking dalen van 1.079.000 in 1967 tot 950.000 in 1995. Zijn aandeel in de Belgische economie liep terug van 16 naar 14 procent.

Stel je voor dat het Vlaamse en Franstalige onderwijs samenwerken en elkaar de leerkrachten bezorgen die nodig zijn om van alle Brusselaars drietalige burgers te maken.

 

In de jaren negentig trad een kentering in. In de neoliberale globalisering wedijveren steden met elkaar om kapitalen en koopkrachtige consumenten. Brussel deed dat door het grote beslissingscentrum van de EU te worden, het NAVO-hoofdkwartier en de meeste Belgische regeringen te huisvesten. Die hele bestuursmachinerie en haar vele belendende percelen vergen hooggeschoolde arbeid, die vooral van buiten de stad komt. Meer dan 60 procent van de Brusselse banen wordt ingevuld door niet-Brusselaars.

Gevolg: in Brussel leeft meer dan 28 procent van de bevolking onder de armoederisicogrens, veel meer dan in Vlaanderen (10 procent) en Wallonië (17 procent). Er zijn grote verschillen in Brussel: in Sint-Joost is de mediane belastingaangifte maar half zo hoog als in Sint-Pieters-Woluwe. In Sint-Joost leeft tien procent van de actieve bevolking van een leefloon, in Woluwe is dat één procent. De werkloosheid in Sint-Joost of in Molenbeek bereikt Spaanse of Griekse niveaus met om en bij de 30 procent. Van de Molenbeekse jongeren is 40 procent werkloos. Brussel telt meer dan 100.000 werklozen. 35 procent van de niet-Europese jongeren heeft geen diploma hoger middelbaar onderwijs.

‘Ik stopte ook met school toen ik zestien was’, zegt Nordine Saïdi, die als opvoeder werkt. ‘Waarom? Ik weet het niet. Het zei me niks meer. Nu weet ik dat het een mirakel is dat ik werk heb. Wellicht omdat ik goed met gehandicapten om kan. Let wel, ik verdien 1300 euro per maand: A1’s die hetzelfde werk doen als ik vangen 2200 euro. Dat probeer ik jongeren in de quartiers diets te maken: dat het gevolgen heeft als ze geen diploma behalen.’ Saïdi is blij met zijn baan. ‘Daardoor kom ik elke dag uit mijn wijk; dat verruimt mijn blik. De meeste van mijn vrienden zijn niet meer van de straat af geraakt.’ De straat, dat is werkloosheid, drugs, soms ook diefstal.

Saïdi vertolkt wat er leeft in de wijken. ‘Het Arabische woord ‘hoegra’ vat het samen: vernedering. Sinds 9/11 is het racisme veel erger geworden. Als we onze wijk uitkomen, worden we gecontroleerd. Mijn ouders wonen hier veertig jaar en hebben het gevoel dat ze geen Belg zijn, geen burger van dit land. Dat is spijtig.’

Toekomst

De bevolkingsgroei en de evolutie naar een diensteneconomie met vraag naar hooggeschoolden zullen zich doorzetten. Tegen 2060 zou bijna anderhalf miljoen mensen in Brussel wonen. Zullen al die mensen woningen, scholen en banen vinden? Kan Brussel een aangename en duurzame stad worden in tijden van klimaatverandering? Heeft Brussel de structuren en middelen om dat te doen? Anderzijds: die bevolkingsgroei is op zich niet dramatisch. Zelfs met anderhalf miljoen inwoners stijgt de Brusselse bevolkingsdichtheid van 63 naar 85 per hectare. In Parijs ligt dat cijfer op 200.

Dan zijn er de financiën. Door de enorme pendel ligt een zeer groot deel van het Brusselse leefcomplex (dat zijn het gebied en het aantal mensen dat via de arbeidsmarkt socio-economisch onderling verbonden is) buiten het gewest Brussel. Dat vloeit ook voort uit het Vlaamse verlangen, destijds, om de verfransende inktvlek Brussel zo klein mogelijk te houden.

Christian Kesteloot, professor sociale geografie aan de KU Leuven: ‘60 procent van het Brusselse leefcomplex ligt buiten de stad. Dat aandeel ligt in steden in buurlanden tussen de 20 en 40 procent.’ Dat heeft financiële gevolgen. Te meer omdat het inkomen in sommige delen van de rand sinds 1976 verdrievoudigd is, terwijl het in grote delen van Brussel amper toenam. ‘Toch betaalt dat armere Brussel de veiligheid en mobiliteit van de rijkere randbewoners. Dat is onhoudbaar’, aldus Kesteloot, die pleit voor een overlegstad die door overleg tussen Brussel en zijn brede rand tot een nieuwe overeenkomst komt.

Eric Corijn, geograaf aan de VUB: ‘Brussel is een economische machine die niet slecht draait, maar vooral voor Waals- en Vlaams-Brabant. Al die pendelaars betalen belastingen waar ze wonen, niet waar ze werken. Of men compenseert dat door een akkoord dat de belastingen verdeelt over de woonplaats en de werkplaats, of Brussel zal via wegenbelastingen en het aangenamer maken van de stad – en dus het versmallen van de invalswegen – de pendelaars individueel meer doen bijdragen.’

Corijn wijst erop dat Vlaanderen en Wallonië nu maar beperkt bijdragen en die middelen voorbestemmen voor veiligheid en mobiliteit. ‘Maar er moet ook iets gebeuren om de levensstandaard van de arme Brusselaars op te krikken: een economisch project op basis van de talenten en activiteiten in de kanaalzone met zijn 100.000 werklozen. Een voorbeeld. In alle Europese steden worden oude industriële panden na de desindustrialisering gebruikt om culturele industrieën te huisvesten. Dat kan hier ook. Alleen zit cultuur bij de gemeenschappen en het economisch beleid bij de gewesten, waardoor je dat dus niet optimaal kan aanpakken.’

Dat brengt ons bij de bestuurlijke structuren die zijn voortgekomen uit de communautaire conflicten van het verleden en niet aangepast zijn aan de nieuwe uitdagingen. ‘Maar ook daar zit absoluut beweging in’, aldus Corijn. ‘De civiele samenleving en de culturele wereld denken meer en meer Brussels in plaats van Vlaams of Franstalig. Ook bij Brusselse politici groeit de gewestelijke tendens. De nieuwe ministerpresident Vervoort denkt veel meer Brussels dan zijn voorganger.’ Dat blijkt onder meer uit zijn voorstel om een tweetalig onderwijs te lanceren in Brussel.

Iedereen is het erover eens dat onderwijs cruciaal is om de jongeren meer kansen te geven. Meertaligheid is daarbij erg belangrijk. Het onderwijs en dan met name het Franstalig onderwijs worstelt daarmee. Nordine Saïdi: ‘Ik heb op school vele jaren Nederlands geleerd, maar steeds weer dezelfde zinnetjes. De leerkrachten spraken zelf amper Nederlands.’ Onderwijs is het schoolvoorbeeld van hoe de communautaire structuren een optimale respons belemmeren. Stel je voor dat het Nederlandstalige en Franstalige onderwijs samenwerken en elkaar de leerkrachten bezorgen die nodig zijn om van alle Brusselaars drietalige burgers te maken.

Tot slot duurzaamheid. Groene mobiliteit en klimaatvriendelijke huisvesting vergen grote investeringen. Dat kan de bron zijn van vele banen. Wie de auto terugdringt, schept ook publieke ruimte waar de Brusselaars samen leuke dingen kunnen doen en waardoor de stad prettiger om te wonen wordt. Op dat gebied loopt Brussel niet voorop. Onder die kleine wereldstad zit bijna onzichtbaar de ecologische structuur van rivieren, beken, heuvels en dalen. Architect en socioloog Pierre Vanderstraeten: ‘Een duurzame stad speelt daarop in. Maak van de valleien groene corridors waardoor fietsers de stad inrijden en die de stad in tijden van klimaatverandering kunnen verluchten.’

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 3190   proMO*’s steunen ons vandaag al. 

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur