Guasuntos is een global village

Guasuntos, een klein Ecuadoraans dorp in de Andes, loopt leeg. In de geglobaliseerde wereld van vandaag heeft het geen rol meer te spelen. De inwoners wachten niet meer op betere tijden en veelbelovende projecten. Zij nemen hun toekomst in eigen handen en emigreren naar Amerika of naar Europa. De huizen vervallen en de akkers blijven onbewerkt. Het sociale gebinte van het dorp wankelt niet, maar het verschuift. In de leegloop ontwikkelt zich een versterkt gevoel van identiteit en toebehoren, opgebouwd rond de patroonheilige van het dorp en gevoed via de aders van het internet.

Ik heb in de ijle lucht van de Andes gewoond, met uitzicht op de besneeuwde toppen van de Chimborazo. Vijf jaar lang eindigde mijn adres op Guasuntos, Ecuador. In dit kleine mestiezendorp, omringd door indiaanse gemeenschappen in de bergen, probeerden mijn man en ik iets te begrijpen van de verhoudingen tussen de blanke en de indiaanse cultuur, tussen rijk en arm, tussen hoog en laag. We arriveerden als sociaal-pastorale werkers en belandden daardoor pal in het centrum van het dorpsleven. De kerk bepaalde het ritme van het jaar, gaf kleur aan de dagen en betekenis aan het soms harde leven. Na het vertrek van de vorige pastoor was Guasuntos tien jaar lang ritueel braakland geweest.

Met open armen werden we er ontvangen. ‘Eindelijk hoeven we niet meer als dieren te sterven’, zo klonk het. Langs de deur van de dood kwamen we er binnen, langs de deur van de dood gingen we er weg. Totaal onverwacht stierf ons oudste zoontje toen hij bijna twee was. ‘Pachamama vraagt altijd de mooiste kinderen voor zichzelf’, probeerden de mensen ons te troosten. We pakten onze koffers en verlieten het dorp. Het grafje van Francisco wordt jaar in jaar uit gestreeld door de wind van de Andes. Het werd mijn blijvende band met het dorp. Wij werden een deel van het dorp, het dorp werd een deel van ons leven. Zoals talloze geëmigreerde Guasunteños bleven we terugkeren. Niet uit nostalgie, maar om de diepe verbondenheid te voeden.

Vandaag, veertien jaar later, loopt Guasuntos leeg. Van de ruim vijftienhonderd inwoners die het dorpje destijds telde, resten er nog honderdvijftig als vaste bewoners: bejaarde mannen en vrouwen met kleinkinderen of achterkleinkinderen. Een handvol jongeren ook, die nog aarzelen of op geld en papieren wachten. Hoe beleven de Guasunteños de globalisering, die alvast een grote exodus teweegbracht? Wat heeft het dorp nog te betekenen nu bijna iedereen vertrokken is? Met die vragen keerde ik terug naar Guasuntos en reisde ik naar New York, waar de grootste kolonie Guasunteños woont. San Luis, de patroonheilige, stond me bij.

Iedereen hier is immigrant

In het gezelschap van de families Ulloa en Brito wandel ik langs de Hudsonrivier. Het vrijheidsbeeld waakt boven onze hoofden, vóór ons schitteren de torens van Manhattan. De Empire State Building in rood, wit en blauw licht gloeit als een kasteel uit het sprookje van de Amerikaanse droom. Links ervan rekken de tweelingtorens van het World Trade Center zich in de schemering. Het is zondag bij valavond en de rust aan de kade is een verademing. ‘Elk weekend kom ik hier uitwaaien’, vertelt Leonardo. Hij woont al tien jaar in deze stad en nog steeds illegaal.

Zijn wankele statuut heeft hem echter niet tot miserie veroordeeld. Dankzij zijn gespecialiseerde computerkennis bracht hij het tot hoofdverantwoordelijke in een verzendbureau voor allerlei koerierdiensten. Leonardo’s enthousiasme voor New York is in de loop van de jaren voortdurend gegroeid. ‘Die verscheidenheid aan mensen en culturen, hier adem je de wereld in. Iedereen hier is immigrant. Natuurlijk is het leven in New York stresserend en hard. Dit is een kapitalistische natie die het werkvolk maximaal uitbuit, maar uiteindelijk word je wel correct behandeld en als je hard werkt, word je gewaardeerd en raak je hogerop.’

Het is het argument dat ik telkens weer hoor en dat meer waarheid bevat dan ik op het eerste gezicht wil geloven. De illegaliteit is groot en de wetten zijn streng, maar nog steeds krijgen nieuwkomers een plaats in de bouwsector en de horeca, de Koreaanse confectieateliers en Amerikaanse textielmultinationals of de kinder- en bejaardenoppas. De Ecuadoranen doen zich te goed aan de spreekwoordelijke kruimels van de rijke tafels, in de hoop hun eigen kinderen later aan die tafels te zien plaatsnemen. Zij hebben een droom en ze zijn intussen met bijna drieduizend, verpreid over Manhattan en Queens, over de slaapsteden van New Jersey, tot in Stamford in Connecticut.

Ik heb alle beslissingen alleen genomen

Door het keukenraam kijk ik uit op de pastelkleurige houten gevels van Union City, New Jersey. Op de balustrade van het balkonnetje schudden enkele duiven de miezerige regen van hun veren. Boven het televisietoestel hangt, lichtjes naar links hellend, een innemende prent van het Heilig Hart. Op het telefoonkastje daarnaast staan enkele familiefoto’s rond een afbeelding van San Luis, de patroon van Guasuntos. Ik logeer bij La Negra. Eugenia heet ze, maar iedereen noemt haar La Negra omdat ze donkerder van huid was dan de rest van het dorp. In Guasuntos waren we samen zwanger. Zij clandestien, als alleenstaande moeder, ik trots, in wijde kleren pronkend met mijn dikke buik. Ze was nog geen twintig toen haar zoon Christian geboren werd.

Enkele jaren na ons vertrek verliet ook La Negra het dorp. In het spoor van vrienden en vriendinnen kwam ze naar New York en liet Christian achter bij haar grootmoeder, waar ze zelf ook was opgegroeid. Het geluk lag niet op haar te wachten toen ze aan de tocht begon. Bij de eerste poging werd ze opgepakt in Costa Rica en teruggestuurd naar Ecuador. Een jaar later probeerde ze het opnieuw. Twee keer belandde ze in de gevangenis, een keer in Mexico en een keer in San Diego. ‘Ik heb hier een strafregister’, zegt ze nuchter. ‘Ik moest poseren voor een foto met een nummer in mijn handen, als een crimineel.’ Terug naar Guasuntos kon ze niet. De schulden die ze inmiddels opgebouwd had om de coyotes, de mensensmokkelaars, te betalen, hielden haar in een wurggreep. Haar oom Bernardo haalde haar uitgeput en met een zware longontsteking af op de luchthaven van New York. Het was januari en het sneeuwde.

Eugenia zet verse koffie en maakt een lunchpakket voor Alberto, haar zoontje van acht die naar school vertrekt. De vader van Alberto, een Guasunteño, verliet La Negra enkele jaren geleden voor een andere vrouw. Ze klinkt bitter wanneer ze erover vertelt. ‘Sommige mensen veranderen hier onherkenbaar. Ze lopen verloren in de turbulenties van deze vreemde wereld en vergeten hun afkomst.’ Ook met haar broer Lucho, die haar achterna kwam naar New York, heeft ze het moeilijk. Wanneer Lucho me een van de volgende dagen opzoekt, merk ik hoe ze elkaar ontlopen. La Negra is verontwaardigd over de manier waarop hij haar behandelt. ‘Ik heb hem opgevangen, hij heeft maanden bij mij ingewoond. Ik zocht werk voor hem in het benzinestation, ging hem ‘s avonds na het werk afhalen omdat hij de weg niet wist. Geen woord van dank heb ik ooit gekregen. Hij heeft commentaar op de vrienden die me hier opzoeken en wil mijn leven controleren.’ Zoveel machismo is onaanvaardbaar voor een vrouw die het hele gevecht op eigen houtje moest leveren. De nieuwe wereld verdraagt geen oude schema’s.

‘In Guasuntos was geen werkgelegenheid’, zegt Eugenia, alsof ze zich wil verantwoorden voor haar vertrek uit het dorp. ‘Ik heb alle beslissingen in mijn leven alleen moeten nemen.’ Zoals de meeste vrouwen kon ze in New York aan de slag in een Koreaans textielbedrijf waar ze broeken moest stikken aan een ritme van een kwartier per broek. De herinnering aan dat atelier smaakt bitter want de omstandigheden waren soms onmenselijk. Maar La Negra verliest zich zelden in geklaag of gezeur. Vijf dollar per uur is tenslotte niet slecht betaald voor iemand die uit Guasuntos komt, waar een dagloner twee dollar per dag verdient.

Na vijf jaar in de fabriek kwam er beterschap. Ze vond een job als kinderoppas in een Amerikaans-Venezolaans joods gezin, in hartje Manhattan. Ze krijgt nu waardering voor haar werk, een loon dat dubbel zo hoog ligt als in de fabriek en af en toe een presentje van mevrouw. Zelf leeft ze erg spaarzaam. Het leven in de grootstad is duur en zoon Christian belt geregeld om nieuwe kleren. ‘Soms bekruipt me de weemoed wanneer ik aan thuis denk’, geeft La Negra toe. ‘Mijn grootmoeder en Christian achterlaten was hard, voor mij en voor hen. Maar ik troost me met de gedachte dat ze nu op materieel vlak tenminste niets tekortkomen door het geld dat ik kan toesturen.’ Ze hoopt spoedig een residentievergunning te krijgen, om Christian langs legale weg te laten komen. Dat bespaart 9500 dollar, de prijs die de coyotes vandaag aanrekenen voor hun twijfelachtige diensten. Hoe meer patrouilles aan de grens, hoe meer dollars je namelijk betaalt om de arm der wet te ontlopen.

Alles is in verval

Het zoete, weemoedige ritme van de pasillomuziek wekt me uit een diepe slaap. Het is half zeven in de ochtend. Vanuit zijn rudimentaire cafeetje langs de hoofdweg heeft don Alonso de rol van reclamebureau op zich genomen. Tegen betaling van enkele sucres, of sinds de dollarisering van het land, voor enkele centavos de dolar kondigt hij berichten aan in het belang van de bevolking: vergaderingen, verloren voorwerpen, een gelegenheidsverkoop. De pasillo stopt en er volgt een uitnodiging voor een bijeenkomst over de verkoop van bouwgronden. Het dorp is nochtans niet in expansie. De verkoop is bedoeld voor de slachtoffers van de grondverschuiving een jaar geleden, waarbij een halve wijk in de afgrond verdween. Alonso herhaalt het bericht driemaal.

Ik besef langzaam dat ik in Guasuntos ben, in het parochiecentrum waar we jaren geleden woonden. De schoolkinderen zingen de nationale hymne, zoals altijd bij het begin van een nieuwe schoolweek. Als ik buiten kom, brandt de zon en hangt er een doffe waas over het landschap. De straten, de huizen, de mensen, alles is in de greep van het stof. De bergen zijn schraal en uitgedroogd. In november kleuren de hellingen gewoonlijk groen van de nieuw uitschietende gewassen. Dit jaar dreigt het mis te lopen. De regen blijft uit en dus kan er niet gezaaid worden. ‘Het brengt niet meer op’, klaagt señora Lucha. ‘Je investeert vijftig kilo zaaigoed en oogst er vijfentwintig.’ De verhouding geeft de maat aan van ontwikkeling in deze streek.

Alles lijkt in verval. De grond verdwijnt, de aarde verdroogt en de huizen staan leeg. Enkele vrouwen met kleinkinderen bleven achter, samen met een handvol gepensioneerde mannen en hoogbejaarde oudjes. De doofstomme vrouw, die ons destijds haar dochtertje wilde schenken, bleef, net als Manuel met de arm zonder hand, die me vraagt een doodzieke vrouw naar het ziekenhuis te voeren, en Santos, de doofstomme klusjesman, die het huis bewaakt van Julia die nu in Londen woont. Drie buurtwinkeltjes bleven open, schijnbaar onveranderd, met dezelfde zeep en deegwaren, dezelfde dranken en broodjes, dezelfde geuren en kleuren.

Ik klop aan bij Tránsito, de grootmoeder van La Negra. Het duurt even voor de deur open gaat. ‘Almita’, roept het oudje verrast uit. Telkens ik Tránsito zie, lijkt ze meer gekrompen. Ze reikt nog tot aan mijn middel. Hoe oud ze precies is, weet ze niet maar het gewicht van de jaren drukt op haar. Twee jaar geleden stierf haar man en bleef ze alleen achter met Christian die intussen zeventien is. De ogen van Tránsito tranen, van ouderdom en van verdriet. ‘Het is zo moeilijk met Christian’, klaagt ze. ‘Hij drinkt en snauwt me af. Soms komt hij ‘s nacht niet thuis, ik heb er het raden naar waar hij rondhangt. Als zijn moeder hem belt, zondert hij zich af. Ik weet niet wat hij haar vertelt.’ Ze zucht diep en draait haar hoofd weg. ‘Kijk hoe ze me hier helemaal alleen gelaten hebben. La Negra en Lucho sturen me wel geld, daarover wil ik niet klagen. Maar daarmee zijn niet alle problemen opgelost.’ Haar woordenvloed laat het gruis van opgekropte frustraties achter op de vloer van ons gesprek. Ze weet dat Christian binnenkort ook zal vertrekken, wanneer hij achttien is. Ze strijkt met haar hand over haar gezicht en fluistert: ‘Wat moet er dan van mij worden? Helemaal alleen zal ik hier op de dood wachten.’

Het leven is een loterij

Ik zit aan tafel met enkele jongeren en met Pedro, de pastoor. We eten broodpoppetjes met colada morada, een soort pudding van donkerrode maïs, het typische eten van Allerzielen. Eén thema domineert de gesprekken van deze jongeren: vertrekken. Waar ga je best naartoe en hoe geraak je er? Hoeveel kost het en hoeveel verdien je er? De Verenigde Staten blijven voor de Guasunteños het land van belofte. Nagenoeg iedereen heeft er intussen familie, de werkgelegenheid is er groot en de lonen zijn er goed.

Maar de tocht is in de loop van de jaren steeds hachelijker geworden. ‘De coyotes prenten je één gedragsregel in het hoofd’, weet Teresa, ‘en dat is vooruit kijken en alleen op jezelf letten, ook al ligt je vriend of vriendin te creperen. Als vrouw neem je ook best voorbehoedmiddelen mee. De coyotes hebben je volledig in hun macht. Als je niet doet wat ze vragen, geven ze je aan.’ Ik vraag Teresa of ze echt wil gaan. Ze slaat giechelend haar hand voor de mond. Dan kijkt ze me met haar grote, bruine ogen indringend aan. ‘We kunnen toch niet tot in de eeuwigheid op de kosten van onze ouders leven. Als je iets van je leven wilt maken, moet je risico’s nemen.’ De vanzelfsprekendheid slaat echter plots om in diepe wanhoop: ‘Telkens ik me de tocht probeer voor te stellen, voel ik vreselijk veel pijn. Pijn om mijn ouders, zelfs om mijn hond. Ik raak niet weg uit Guasuntos.’

Toch heeft ze een deelnemingsformulier ingevuld van de jaarlijkse visaloterij, uitgeschreven door de Amerikaanse staat. Elk jaar schenkt die vijfenvijftigduizend visa voor permanente residentie aan kandidaten uit verschillende landen van de wereld. Vijfentwintigduizend Ecuadoranen namen er dit jaar aan deel. Teresa rekent er dus niet teveel op bij de gelukkigen te zijn. Toch zijn in al die jaren al drie Guasunteños in de prijzen gevallen. Bovendien kreeg Ecuador vorig jaar, in verhouding tot andere Latijns-Amerikaanse landen ongewoon veel visa toegewezen, 1167. Wellicht heeft dit te maken met de nauwere samenwerking tussen beide landen sinds de algemene crisis die Ecuador de afgelopen jaren trof.

San Luis gaat op reis

Don Angel, de schrijnwerker, brengt een zak versgebakken broodjes. ‘Om mee te nemen voor je familie’, zegt hij. Angel is een tevreden man. Hij heeft werk in eigen streek en is gerust voor het komende jaar. Hij mag de zoldering van de kerk herstellen. Voor de kerk is er hier altijd geld, daarvoor zorgen de migranten in de VS wel. De devotie die de Guasunteños koesteren voor hun patroon, San Luis Rey de Francia, is groot en kent geen grenzen.

Elk jaar rond vijfentwintig augustus wordt de heilige in de bloemetjes gezet. Tien dagen lang wordt er dan gefeest, met elke dag een nieuwe prioste of feestverantwoordelijke. Elke dag krijgt de heilige een nieuwe mantel en wordt er een bal in de straat georganiseerd. De indianen lopen uren te voet om San Luis, beschermheer van de veestapel, te groeten. De kerk vult zich dan met een walm van brandend schapenvet, verschroeide kippenpluimen en runderharen. In alle toonaarden wordt San Luis aanroepen, voor zijn beeld wordt er geweend en gesmeekt, geroepen en gezucht en de heilige wordt ter verantwoording geroepen voor niet ingeloste beloftes. Vanuit de grote Ecuadoraanse steden Quito en Guayaquil, vanuit New York en San Francisco keren uitgeweken familieleden terug. Met matrassen en huisraad, met blinkende cadeau’s en chique kledij nemen ze die dagen opnieuw hun intrek in de vervallen huisjes. Het is een collectieve happening die elk jaar opnieuw zorgt voor de financiële en mentale regeneratie van het dorp. Wie er niet in slaagt om dan in het dorp te zijn, feest in het nieuwe thuisland. In New York hebben de zes clubs van Guasunteños elk hun dag in augustus. San Luis is voor deze mensen meer dan een heilige, hij is hun levensgezel in goede en kwade dagen. Een patroon die onafscheidelijk met zijn volk verbonden is.

Twee jaar geleden reisde de heilige zijn volk achterna. Mooi opgeblonken en in zijn beste kleren nam de heilige het vliegtuig naar New York, begeleid door Pedro, de pastoor en Baltico, de oom van Leonardo. Met achthonderd wachtten ze hem op in een park in Queens. ‘Elke president zou jaloers geweest zijn op de ontvangst die San Luis hier te beurt is gevallen’, vertelt Leonardo. Drie weken lang werd het beeld doorgegeven en in processie rondgedragen, van Queens, langs Central Parc en Fifth Avenue in hartje Manhattan, tot in Stamford, Connecticut. Met 28.000 dollar in de gewijde kleren keerde San Luis naar de Andes weer.

Leonardo toont me de videobeelden van die reis. De heilige wordt omringd door mannen en vrouwen in feestkledij, door jongens in rappersbroeken en meisjes in lange rokken. Het beeldscherm is groot en het volume staat op tien. ‘Het lijkt wel of we echt in Guasuntos zijn’, glundert Leonardo. Ik zie San Luis tussen de kaarsen en de bloemen, ik zie hem in processie door de straten trekken en ik zie de heilige in close-up. De camera focust op de zachte blik in de ogen, op de scepter in de tere rechterhand. Na de processies en gebeden wordt er gegeten en gedronken, gefeest en gedanst. Mensen vinden elkaar terug in de stad, koppeltjes vormen zich, jongeren worden in de traditie geïnitieerd. Dit is niet zomaar wat volksdevotie, dit is een collectief ritueel van een volk dat bezit neemt van een nieuw vaderland. San Luis als anker in een wereld die steeds verder uitdeint. Sinds zijn uitstap naar Noord-Amerika is San Luis in Guasuntos ook de patroon van de migranten geworden. Uit de hele omgeving komt men voor zijn beeld een kaars branden op de dag dat een familielid vertrekt, de grens overgaat of opgepakt is.

‘Ik vraag me af waarom wij, mensen van een jongere generatie die het dorp op prille leeftijd verlaten hebben, zo vasthouden aan Guasuntos terwijl daar bijna geen volk meer is’, reflecteert Leonardo wanneer hij het tv-toestel uitzet. ‘Ik heb me nooit echt Guasunteño gevoeld tot op het ogenblik dat ik hier aankwam. Migreren brengt miserie en moeilijke momenten mee. Dan heb je een gevoel van verbondenheid nodig, van toebehoren tot eenzelfde familie. Wij Guasunteños hebben dat dankzij San Luis. Hij houdt ons bij elkaar.’

www.guasuntos.8k.com

San Luis is een heilige waarop je kunt dubbelklikken. Zijn reis naar Amerika en zijn terugkeer in het dorp waren konden dankzij het internet ook gevolgd worden door gëemigreerde Guasunteños elders op de wereld. Wie surft naar www.guasuntos.8k.com arriveert in het virtuele dorp. Guasuntos en el corazón, belooft het vlaggetje bovenaan. Guasuntos zoals het voortleeft in de harten van de emigranten. De verschillende doorklikmogelijkheden wijzen de weg naar de geschiedenis van het dorp, de figuur van de heilige, de “misses Guasuntos”, de belangrijke gebeurtenissen uit het dorp zoals de grondverschuiving, of naar contactadressen van gemigreerde dorpelingen.

De webstek is het werk van Patricio, een jongen die geboren werd in Guasuntos maar naar Quito uitweek. Het project staat nog in de kinderschoenen maar het concept van Patricio is duidelijk. ‘De website is bedoeld als ontmoetingsplek waar iedereen zijn ervaringen inbrengt vanop de plaats waar hij of zij verblijft’, legt Patricio uit. Later, wanneer het gebruik ervan vlot verloopt, zou het een plek moeten worden waar de Guasunteños zelf nadenken over de situatie in het dorp en ideeën aanbrengen over de ontwikkeling en de toekomst van de streek. Dit laatste is een verre droom.

Op dit ogenblik is de deelname vanuit Guasuntos zelf beperkt. De dorpelingen hebben sinds kort wel telefoon in huis maar de kwaliteit daarvan laat vaak te wensen over. Voor de telefoonmaatschappij is deze afgelegen regio geen prioriteit. ‘Bovendien’, analyseert Patricio, ‘is dit een technologie van jonge mensen en die heb je hier hoe langer hoe minder. Iemand in Guasuntos moet de zaak ter harte nemen, iemand die beslist in het dorp te blijven.’ Waarom hij zelf dat niet doet? ‘Buiten de feesten is het hier zo deprimerend’, vindt Patricio. ‘Iedereen is weg, ik heb niemand om mee te praten. Beslissen om hier te blijven en om je in te zetten voor een project dat het dorp verder brengt, vraagt idealisme en onthechting en daarvan alleen overleef je niet. Je kunt mensen niet kwalijk nemen dat ze wegtrekken. Die drang om vooruit te komen in het leven, is niet af te remmen.’

Op zoek naar een gouden baan

Eind jaren zestig kwamen de eerste families uit Guasuntos naar New York. Segundo Brito is zo’n pionier. Zestig is hij nu. Zijn curriculum vitae leest als een korte geschiedenis van de internationale economie. Als achttienjarige wou Segundo naar Australië trekken om er in de landbouw te werken. Uiteindelijk werd de bestemming het Ecuadoraans Amazonewoud waar Texaco met zijn olieboringen begon. Toen hij daar een mooie som bijeengespaard had, vatte hij de tocht aan naar het verre Noorden.

In 1969 kwam hij voor de eerste keer naar New York. De stad was nog in volle expansie en het waren hoogdagen voor migranten. ‘Met twee vrienden uit Guasuntos landden we op de John F. Kennedy luchthaven, we sliepen een nacht en de volgende dag gingen we aan de slag. Zo ging dat toen.’ Hij begon met borden wassen, poetsen en opruimen in het Sheraton hotel. Hij verstond geen Engels maar dat hoefde niet want de chefkok was Argentijns. Drie en een halve dollar per uur verdiende hij, wat toen goed betaald was. Na drie jaar werd Segundo, die nog steeds illegaal was, opgepakt. Hij keerde terug naar Guasuntos en bouwde er met zijn spaargeld een huis. Binnen het jaar stond hij opnieuw in The Big Apple.

Hij werkte in de bouw en in het restaurant van het Rockefellergebouw. Na vier jaar werd hij opnieuw opgepakt en teruggestuurd. In Guasuntos trouwde hij met Tere. Ze deden een poging om samen te vertrekken, maar liepen in Louisiana tegen de lamp en werden een week gevangen gezet. Het verlangen naar Amerika was voorlopig bekoeld. De daaropvolgende jaren bouwde het jonge paar zijn leven uit in het dorp. Charo en Alex werden geboren en Segundo kocht een bestelwagen waarmee hij de kost verdiende. Maar Guasuntos had niet veel te bieden. Na vijf jaar deed de concurrentie van andere wagens in het dorp Segundo de das om. Er restte hem niets anders dan vrouw en kinderen achter te laten en opnieuw op pad te gaan.

In New York vond hij een gouden job, althans wat het loonbriefje betreft. Hij ging aan de slag in de asbestproductie, waarin hij nog steeds werkt. ‘Ik kon beginnen aan duizend dollar per week’, vertelt Segundo enthousiast. In 1988 profiteerde hij van de amnestie voor iedereen die sinds 1982 in het land was. Hiermee lag de weg open om eerst Tere en nadien de kinderen te laten overkomen. Vandaag, dertig jaar later, werkt Charo als computerdeskundige in een Amerikaans bedrijf. Alex is aardig op weg in dezelfde branche. Beiden zijn intussen Amerikaans staatsburger, net als Talia, de jongste dochter die in de States geboren werd. Tere is gelukkig in haar nieuwe bestaan. ‘Het land heeft ons met open armen ontvangen. We hebben op onze tanden moeten bijten en hebben genoeg miserie gekend om de zoete smaak te proeven van de huidige weldaden. Onze kinderen hebben toegang tot alles wat het land te bieden heeft. Hier kunnen ze studeren en zich voorbereiden op de toekomst. Wat was er van hen in Guasuntos geworden?’

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur

  • Latijns-Amerika & ecologie
    Alma De Walsche schrijft over ecologische thema’s, van klimaat- en energiebeleid, over landbouw- en voedsel tot transitie-initiatieven en baanbrekers. Ze volgt al enkele decennia Latijns-Amerika, met een speciale focus op de Andeslanden.