Haïti is klaar om zaken te doen

“Haïti is klaar om zaken te doen.” Dat zei president Michel Martelly onlangs toen hij in aanwezigheid van de voormalige Amerikaanse president Bill Clinton het startschot gaf voor een gigantische industriezone in het noorden van het land.

Martelly en zijn adviseurs - zoals Clinton - willen de eilandstaat neerzetten als een paradijs voor buitenlandse investeerders. Tot op zekere hoogte is het dat ook. Bedrijven krijgen vijftien jaar vrijstelling van belastingen en in sommige gevallen flinke subsidies. Het land trekt veel zakenmensen aan die zoeken naar kansen in het wederopbouwproces na de aardbeving van januari 2010. Eind november bezochten honderden ondernemers een tweedaagse conferentie in de hoofdstad.

Vooral kledingfabrikanten zijn geïnteresseerd, zegt Georges Sassine, hoofd van de Associatie van Haïtiaanse Industrieën. De trots van de nieuwe regering is het Industriepark Caracol, dat wordt gebouwd met 124 miljoen dollar (95 miljoen euro) Amerikaans belastinggeld en 55 miljoen dollar (42 miljoen euro) van de Inter-Amerikaanse Ontwikkelingsbank.

Niet-duurzaam

In een nieuw rapport van Haïti Grassroots Watch (HGW) wordt er echter op gewezen dat een nadruk op de assemblage-industrie geen “grote verandering” zal brengen en ook niet noodzakelijk zal leiden tot “duurzame ontwikkeling.”

Ondanks de vele kanttekeningen, nadelen en risico’s, zijn de grote Haïtiaanse en buitenlandse media unaniem positief over het nieuwe park en Martelly’s focus op buitenlandse investeringen. Er worden termen gebruikt als “hoop”, “goed nieuws” en “vooruitgang”, zonder verder vragen te stellen. Desondanks zijn er zeker winnaars en verliezers.
 
“Het probleem is dat ik al 25 jaar in de fabriek werk en ik heb nog steeds geen eigen huis”, zegt Evelyne Pierre-Paul. Ze heeft momenteel zelfs geen huurhuis. Voor de aardbeving van januari 2010 huurde ze met haar drie kinderen een tweekamerappartement voor 190 euro per jaar. Dat werd echter verwoest door de aardbeving en ze heeft nog geen geld om opnieuw te gaan huren. Drieëntwintig maanden na de catastrofe waarbij honderdduizenden mensen omkwamen, woont ze nog met haar kinderen in een tent in een vluchtelingenkamp.

Misdadig

Pierre-Pauls gemiddelde daginkomen ligt hoger dan het minimumloon voor fabriekswerk van 2,86 euro per dag. Ze verdient ongeveer 4,50 euro per dag. Daarmee kan ze echter nog geen kwart van de dagelijks basisbenodigdheden voor levensonderhoud bekostigen.

Uit gegevens van HGW blijkt dat fabrieksarbeiders doorgaans de helft van hun salaris al kwijt zijn aan de kosten van vervoer van en naar hun werk en hun middageten.
 
Om een gezin te kunnen onderhouden, zou het salaris van fabrieksarbeiders volgens het Amerikaanse Solidarity Center, dat gelieerd is aan de vakbondsfederatie AFL-CIO, vijf keer hoger moeten zijn dan het huidige gemiddelde.

“Het is een grote fout om te gokken op slavenarbeid terwijl buitenlandse bedrijven rijk worden”, zegt econoom Camille Chalmers. “Het is niet alleen een fout, het is een misdaad.”

Tijdelijke industrie

Pierre-Pauls baas, Charles Baker van One World Apparel, erkent dat zijn werknemers te weinig betaald krijgen. “Als je eerlijk bent, weet je dat het niet genoeg is”, zegt Baker, die tweemaal in de race was voor het presidentschap. “Als ik 19 euro zou kunnen betalen, zou ik dat doen. Maar de situatie in Haïti laat dat niet toe.”

Baker en andere werkgevers zeggen dat er niet meer betaald kan worden omdat hun afnemers - zoals Gildan Activewear, Hanes, Levi’s, GAP, Banana Republic, K-Mart en Wal-Mart - dan afhaken.

Volgens Baker is de assemblage-industrie slechts een stap in de ontwikkeling van Haïti. Hij ziet die industrie voor laagopgeleiden als tijdelijk. “We zijn bezig de ladder te beklimmen en dit is slechts één stap.”

Een hogeresolutiefoto is beschikbaar op: http://ipsnews.net/pictures/haiti_factory.jpg

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 3190   proMO*’s steunen ons vandaag al. 

Word proMO* of Doe een gift