Haïti: Na regen komt zonneschijn

Haïti is een van de armste landen ter wereld. Het land heeft een geschiedenis van geweld en mislukking, wat de toestand er zowel ernstig als hopeloos lijkt te maken. Toch blijven de Haïtianen geloven in een betere toekomst. In het Creools: Aprè lapli tombe, toujou gen soley.
  • Liesbet De Pooter De Ha Liesbet De Pooter
In de zomer van 2007 verbleef Stefan Broeckx twee maanden in Cap Rouge, een dorpje in het zuidoosten van Haïti. Hij woonde er in het huis van Monsieur Sadrak, wiens vrouw zes maanden tevoren overleed in het kraambed van hun eerste kind. De baby zelf stierf enkele dagen na de geboorte. Sadrak is landbouwer, zoals vrijwel iedereen in Cap Rouge. Hij bezit drie geiten en enkele stukjes grond, waarop hij maïs en bonen verbouwt. Zijn huis is eenvoudig. De muren zijn opgetrokken uit leem en bezet met cement. Het dak bestaat uit roestige golfplaten en het geheel is kleurrijk geverfd in hemelsblauw en roze. Er is geen water en geen elektriciteit. Kortom, de ideale omstandigheden om een boek te schrijven.
Het boek dat Broeckx er in opdracht van Broederlijk Delen schreef, is Joachim. Over leven op het land: een portret van Joachim Sanon, een eigenzinnige boer uit Cap Rouge die ervan droomt de landbouwers van de hele regio een betere toekomst te bezorgen, door een boerenvereniging uit te bouwen.
De toewijding en de niet aflatende bezorgdheid van Fifi, de echtgenote van Joachim, inspireerde Stefan Broeckx om het verhaal te vertellen vanuit haar perspectief. ‘Het gaf me de gelegenheid om voldoende aandacht te geven aan de leefwereld van de vrouwen op het Haïtiaanse platteland en om een beeld te schetsen van het gezin, waarvan de vrouwen ongetwijfeld de spil zijn.’ Enkele uittreksels.
***
Ik maak me zorgen om Joachim. Hij ziet er moe uit en klaagt al sinds enige tijd over duizeligheid. Grégoire Pierre, die gespecialiseerd is in het genezen van dieren, zou willen dat hij een dokter raadpleegde. Er is een goede dokter in Jacmel naar het schijnt. Dat is niet eens zover af, over de weg een dik halfuur met de mototaxi. Te voet doe je er bijna drie uur over, langs een paadje dat recht op recht naar het stadje loopt. Hij zou er zich kunnen laten onderzoeken en geneesmiddelen kopen in de apotheek. Maar hij wil niet luisteren. Joa heeft veel respect voor Grégoire als het over het genezen van diarree bij varkens gaat, of over kippen die het snot hebben, maar van menselijke kwalen weet hij niet veel af. Zelf weet ik het niet. Mensen en dieren zijn verschillend, dat is zo. Dieren hangen voor hun genezing af van hun baas, mensen hangen af van God. Zo zie ik dat.
Maar in het geval van Joachim zou ik toch geneigd zijn het advies van Grégoire minstens te overwegen. Maar goed, iedereen weet dat mijn Joachim koppig is. Hij weet alles beter dan iedereen. Dat is heel vaak een voordeel, want daardoor heeft hij al veel gerealiseerd wat anderen voor hem nooit hadden gedaan. Daardoor is zijn naam ook bekend over het hele grondgebied van Cap Rouge. Alle boeren kennen hem. Iedereen weet dat als Joa –zijn vrienden noemen hem vaak zo– iets in zijn kop heeft gestoken, het niet in zijn achterwerk zit. Daardoor kijken ze naar hem op. Maar nu speelt die karaktertrek in zijn nadeel, vind ik.
Vanochtend is hij in zijn eentje de bergen in getrokken om te bidden. Hij is ervan overtuigd dat zijn gezondheidsproblemen geen natuurlijke oorzaak hebben. Zijn succesrijke experimenten op de boerderij en het aanzien dat hij ermee heeft verworven –eerst in zijn eigen wijk Mayette, daarna in Verjon, Savari en ten slotte in heel Cap Rouge– hebben ongetwijfeld bij een aantal dorpelingen afgunst opgewekt. Dat is een zwakke plek van ons volk: de mensen kunnen het niet hebben dat iemand hogerop raakt. Het is een erfenis van de tijd dat we als slaven werkten.
De Franse meesters hanteerden een slimme strategie om hun slaven onder de knoet te houden. Ze deelden privileges uit aan de enen, benadeelden de anderen. Ze gaven de enen gezag over de anderen. Vandaag, meer dan tweehonderd jaar na het vertrek van de Fransen, draagt ons volk nog steeds de littekens van de onderwerping. Nog altijd wekt het argwaan als een volksgenoot erin slaagt betere levensomstandigheden te creëren voor zichzelf en zijn familie. Steeds is er de vrees dat wie het verder schopt in het leven, morgen de baas zal spelen. D
at hij morgen zijn kennis of rijkdom zal gebruiken om zijn vroegere vrienden of dorpsgenoten aan zich te onderwerpen. Op school probeer ik mijn leerlingen uit te leggen dat argwaan een ziekte is, die ons belet dat we ons voorgoed bevrijden van het spook van de slavernij. Ik weet niet of het veel uithaalt. Thuis zien de kinderen dat hun ouders naar een voodoopriester gaan, om een kwaad lot te werpen op iemand die het beter heeft dan zijzelf, of die ze ervan verdenken hun nadeel te willen berokkenen. Dat is waar Joachim bang voor is: dat iemand het op hem gemunt heeft. Ik geloof het niet.
***
Ineens is er opschudding in het dorp. Ik ben alleen thuis met de kinderen. Joa zit ik weet niet waar ergens bij zijn vrienden van de organisatie, bezig luchtkastelen te bouwen, over zijn maïsmolen wellicht. Plots loopt een vrouw in zeven haasten langs het erf. Ze slaagt er amper in het bassin met bananen, mango’s en yams op haar hoofd in evenwicht te houden, zo hard loopt ze. Ik roep haar schertsend na of ze een duivel heeft gezien misschien.
‘Er is iemand vermoord’, antwoordt ze verschrikt en ze verdwijnt ijlings achter het maïsveld.
Mijn hart staat stil. In de verte klinkt geschreeuw en gegil van vrouwen. Ik denk in paniek aan Joachim. Heeft iemand genoeg gekregen van zijn eeuwige gezeur over vooruitgang? Heeft iemand zich bedreigd gevoeld door zijn vele plannen? De schrik slaat mij om het hart. Ik loop tot bij mijn schoonvader, die net zijn paard staat te wassen en vraag hem om even op de kinderen te passen. Joa’s vader is bijna tachtig, maar nog kwiek voor zijn leeftijd. Hij koestert zijn oude paard als zijn eigen kind. Op hete dagen wast hij het van kop tot teen om het dier verkoeling te bezorgen. Ik loop de weg op, in de richting van de kiosk waar Joa en zijn vrienden gewoonlijk vergaderen. In de verte blijven het gegil en het geschreeuw aanzwellen. Een oude vrouw komt in mijn richting gelopen, haar ogen wild van de schrik.
‘Gaston is vermoord op zijn veld’, vertelt ze.
‘Welke Gaston’, vraag ik onnozel.
Op dit moment kan het me niet eens zoveel schelen wie het slachtoffer precies is, moet ik toegeven. Joachim is veilig, levend en wel.            
‘Gaston Fils’, hijgt de vrouw. ‘Weet je wel?’
Pierre Michel Gaston Fils woont in de laagte achter de kiosk. Hij is een oude man, nog ouder dan de vader van Joachim. Waarom zou iemand die man hebben willen vermoorden? Ik aarzel even wat te doen. Toegeven aan mijn nieuwsgierigheid en doorlopen naar de plaats van de misdaad, of terugkeren naar huis om de kinderen gerust te stellen? Wat heb ik te zoeken op de plek waar Gaston het leven liet? Ik gruwel van geweld. Ik word al onpasselijk als Joachim een speenvarken keelt. Bovendien zal het aan nieuwsgierigen niet ontbreken. Van overal zie ik mensen uit de velden komen, nieuwsgierig naar het onheil dat plots heeft toegeslagen. Ik keer terug op mijn stappen.
Thuis zit Lourdes op me te wachten met haar dochter Lozny. Het meisje is amper zeventien en was getuige van de brutale moord. Ze vertelt hoe de oude Gaston opnieuw ruzie kreeg met Jean Henri Maître, over de grond die hij jaren geleden van hem kocht. Jean-Henri is een opvliegende kerel. Hij woont wat verderop in het dorp met zijn vrouw en zijn vierjarig zoontje. Zijn vrouw is minstens twintig jaar jonger dan hijzelf. Ze was een meisje van nauwelijks achttien toen ze door hem werd verkracht. Toen ze achteraf zwanger bleek, is hij met haar getrouwd.
Jean-Henri was een jaar of elf toen zijn vader stierf en hij, als enige erfgenaam, eigenaar werd van de gronden van zijn vader. Hij verkocht in die tijd, meer dan dertig jaar geleden, een stuk grond aan de zoon van Gaston en sinds enige tijd was er betwisting over die transactie. Jean-Henri vond dat de verkoop destijds niet geldig was, omdat hij zelf minderjarig was en dus wettelijk niet in de mogelijkheid te verkopen. Maar de eigendomsoverdracht was officieel gebeurd, voor een notaris, en kon dus niet betwist worden. Jean-Henri kon zich daar niet mee verzoenen en is vanmiddag naar het erf van Gastons familie getrokken. Hij sleurde de grenspaaltjes uit de grond en gooide die opzij. De oude Gaston liet dat niet over zich heen gaan en begon Jean-Henri uit te schelden. Die laatste aarzelde niet en sloeg met een grote zwaai van zijn machete het hoofd van Gaston af. Lozny vertelt hoe ze het hoofd opzij zag rollen, terwijl het lichaam van de oude lag te stuiptrekken.
***
Die nacht gaan de hemelsluizen open. De regen geselt de velden en de bomen. Bliksemschichten zetten de omgeving seconden lang in een hel, blauwig licht en donderslagen rollen bulderend over de heuvels. Binnenshuis kunnen we ons amper verstaanbaar maken, zo geweldig roffelt de regen op het golfplaten dak. De kinderen kunnen de slaap niet vatten. Alleen de kleinste, Fanfan, slaapt door al het kabaal heen. Het is tegen middernacht als het onweer voorbij is en Joachim me in zijn armen neemt.
‘s Anderendaags neemt Joachim de schade op. Een windhoos heeft de bananenplantage achter het huis getroffen. Alleen de jonge bomen staan nog overeind. De grootste exemplaren, die al vruchten droegen, liggen tegen de vlakte, of zijn halverwege de stam afgeknapt, ondanks het feit dat ze goed waren gestut. Joachim staat er ontmoedigd bij. Zijn bananenplantage is zijn trots. Van heinde en verre komen andere boeren kijken hoe hij erin slaagt de bomen in ijltempo te laten groeien, door er eenvoudigweg varkens onder te kweken. Nu schiet van dat alles niet veel over en kan hij opnieuw beginnen.
‘Gelukkig zijn de andere fruitbomen gespaard gebleven’, probeer ik Joachim op te beuren.
Hij knikt.
‘Van een van de avocadobomen is een tak afgescheurd, maar daarbij is het gebleven. Blijkbaar is de windhoos er net naast gegaan, want de bamboe is helemaal vernield.’
Op een steenworp van het huis heeft Joachim bamboe aangeplant. Ook daar heeft hij plannen mee. De armdikke bamboestengels zijn afgebroken als waren het lucifers. Joachim staat er mistroostig naar te kijken.
‘Komaan Joa’, zeg ik. ‘Het heeft geen zin om de hele dag te lopen kniezen. Wat gebeurd is, is gebeurd. Vandaag starten de patroonsfeesten in Cayes Jacmel. Waarom gaan we er niet samen naartoe?’
‘Ik moet de boel hier opkuisen’, antwoordt Joachim. Maar hij zegt het zonder veel overtuiging. Ik voel dat hij hier vandaag ook liever weg wil, en de feestelijkheden in het kuststadje zijn een prima excuus.
‘Laat het opkuisen maar aan de varkens over. Trouwens, de mensen van de boerenorganisatie verwachten je. Je wou toch graag hun informatiestand zien op de landbouwbeurs? Kom, ga iets anders aantrekken. Dat doe ik ook.’
‘En de kinderen?’
‘Mijn tante komt op ze passen. Dat heb ik gisteren al geregeld.’
Even later zitten we met z’n tweeën achterop de motor van Patjuko. Iedereen heeft hier wel een of andere bijnaam, soms zelfs twee. Patjuko heet officieel Patrick. Hij is taxichauffeur en brengt mensen op zijn motor naar Jacmel en terug. Geen sinecure, als je de toestand van de weg kent. Die is in jaren niet meer onderhouden en de regens hebben het grootste deel van het wegdek weggespoeld. De motor zoekt omzichtig zijn weg naar beneden, tussen de loszittende stenen en de verraderlijke gaten in de weg. Joachim lijkt plezier te bleven aan de rit. De zorgelijke trekken zijn uit zijn gezicht verdwenen. Hij heeft er duidelijk zin in.
‘Waarom gaan we niet even langs bij Meliza?’ vraagt hij plotseling.
Natuurlijk, we kunnen het kind even gedag gaan zeggen. Ik mis het kleintje elke dag, maar ik had er zelf nog niet aan gedacht dat we haar bij deze gelegenheid konden opzoeken. Ik was zo blij haar terug te zien, dat ik vergat te antwoorden.
‘Het is amper een kwartiertje omrijden’, dringt Joa overbodig aan.
‘Fantastisch idee! Zie je wel, het wordt een prachtige dag!’
Meliza blijft onwennig staan, als we even later het erf komen opgereden. Het is een prachtig kind, als je dat uit de mond van een moeder kunt geloven. Veel is ze niet veranderd sinds ik haar voor het laatst zag. Een beetje gegroeid misschien, maar niet veel. Ze draagt haar haar in kleine vlechtjes, met veelkleurige kraaltjes erin verwerkt. Ik loop naar haar toe.
‘Krijg ik geen kusje, Lili?’
Ik trek het kind tegen me aan en krijg een aarzelende zoen. Ze is tenger en klein voor haar leeftijd, vind ik nu. Je zou haar geen acht jaar geven. Maar goed, wat wil je, Joa en ik zijn zelf ook niet groot.
‘Is je tante er niet?’ wil Joa weten.
Meliza schudt het hoofd.
‘Tante is naar de markt.’
Joachim loopt het huis binnen. Ik blijf buiten, bij Meliza. Er is zoveel dat ik wil zeggen, maar ik kan niet bedenken wat. Aan de telefoon gaat het makkelijker, dan hebben we het over de school, of over het kattenkwaad dat Mitou en Jodel hebben uitgestoken. Nu vind ik de woorden niet. Plots krijg ik medelijden met het kind. Ze zit hier alleen, als enig kind bij haar tante, terwijl ze thuis zou kunnen spelen met haar broertjes en zusjes. Ik wou dat ik haar kon meenemen naar huis, dat ik haar elke avond kon onderstoppen zoals ik dat met de anderen doe. Maar dat kan ik haar tante niet aandoen.
***
Ik herken Joa’s stem, maar hoor niet meteen waar ze vandaan komt. Pas als ik wat verder loop, herken ik zijn kleine gedrongen gestalte achter het gebouw van de landbouworganisatie, dat is opgetrokken op het terrein tegenover de school. Hij wenkt me.
‘Hier komt je winkeltje.’
‘Míjn winkeltje?’ vraag ik met gespeelde verwondering.
‘Óns winkeltje’, corrigeert hij zich snel. Hij wijst me een houten paaltje aan en trekt met de hand een rechte lijn in de lucht, in de richting van de straat.
Ik weet nog altijd niet wat ik van het idee voor dat winkeltje moet denken. Ik stel me voor dat ik klanten uitlaat en even in de deuropening blijf staan, terwijl aan de overkant van de straat leerlingen ravotten op de speelplaats. Míjn leerlingen. Ik weet niet hoe ik dit Joachim moet vertellen.
‘Achter de winkelruimte maken we een tweede lokaaltje. Daar kan de maïsmolen staan. De versie met twee dieselmotoren.’
Ik loop met hem mee tot bij de zwaar bepakte muilezel.
‘Straks is dat verleden tijd, kameraad, zegt hij tegen het lastdier. ‘In de toekomst malen we zelf onze maïs.’
Vergis ik me als ik de ezel hoor denken dat het hem weinig uitmaakt wie de maïs maalt die hij hoe dan ook moet versjouwen? En doet Joachim er wel verstandig aan het malen er nog bij te nemen? Ach, het heeft niet veel zin er met hem over te discussiëren, zijn besluit staat toch al vast. Joa slaat een arm om mijn middel.
‘Ik wil dat je voor jezelf kunt zorgen, Fifi’, zegt hij vertederd. ‘Ik heb niet zo’n goede gezondheid; ik weet niet of ik heel lang zal leven. Wie zal de boerderij runnen als ik er niet meer ben? Deze winkel is een mooi alternatief. Ik wil dat je de middelen hebt om ervoor te zorgen dat onze kinderen een mooie toekomst krijgen.’
Ik glimlach hem toe. Hij zal nooit veranderen. Hij is een schat. Maar waarom laat hij mij niet af en toe zelf uitmaken wat goed voor me is?

Meer informatie over de campagne van broederlijk Delen en over Joachim. Leven op het land: www.broederlijkdelen.be

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift

Word proMO* of Doe een gift