Hedendaagse kunst staat symbool voor het nieuwe China

Meer dan dertig Chinese kunstenaars exposeren dit jaar hun werk op de vijftigste Biënnale van Venetië. In hun eigen land heeft de hedendaagse kunst eindelijk een stek veroverd. Hedendaagse kunstenaars worden door de Chinese autoriteiten niet langer als decadent uitschot behandeld.


Voor het eerst wilde Peking dit jaar zes kunstenaars afvaardigen met de officiële zegen van vadertje staat, maar sars gooide roet in het eten. Het ministerie van Cultuur gelastte het Chinese paviljoen af als gevolg van de uitbraak van de besmettelijke longziekte, met diepe spijt in het hart. Zoiets was enkele jaren geleden ondenkbaar geweest. Voor de cultuurmandarijnen in Peking stond hedendaagse kunst tot voor kort gelijk met spirituele vervuiling, pornografie en reactionaire rommel.

De omvangrijke niet-officiële delegatie toont aan dat de hedendaagse Chinese kunst leeft. De meeste werken worden geleverd door Hou Hanru en staan in de zone van urgentie, een melange van nieuwe media en videokunst. Ze leveren een commentaar bij de nieuwe steden die ontstaan in de Chinese groei-economie. Het zijn luidruchtige getuigen van de explosieve dynamiek die van de Aziatische metropolen uitgaat.

De bloei is niet te danken aan de overheid, want die maakte kunstenaars tot voor kort het leven zuur. Artiesten die weigerden in dienst te staan van de overheidspropaganda maar kunst om de kunst maakten, werden lastiggevallen door de politie, gearresteerd en in sommige gevallen zelfs uitgewezen.

Sinds 1999 afficheert de Chinese overheid zijn tolerantie ten aanzien van hedendaagse kunstenaars op de Biënnale. Toen verschenen 19 Chinese kunstenaars op het toneel die het belangrijkste forum voor hedendaagse kunst stormenderhand innamen. De bekendste, Yan Lei, parodieerde de nieuwe Chinese consumptiemaatschappij met levende varkens. Dat jaar betekende de grote doorbraak voor hedendaagse kunst in China, zegt Ai Weiwei, een beeldhouwer en installatie-maker die China verliet om in New York te studeren en nu opnieuw in Peking woont. De Chinezen willen nu gezien worden als Westers en hedendaags. En de regering wil Peking een kosmopolitisch imago geven.

Het klimaat voor kunstenaars in Peking is op enkele jaren tijd omgeslagen van vijandig naar tolerant. Eind jaren tachtig trokken honderden kunstenaars naar Peking, met zijn Academie voor Schone Kunsten ook de artistieke hoofdstad van China. De avant-gardisten troepten samen in een reeks dorpen bij Yuanmingyuan, het Ouder Zomerpaleis in de buitenwijken van de stad. Miskenning en politierazzia’s waren hun deel. Na de democratiebetogingen en het studentenprotest op Tienanmen in 1989, weken velen uit naar het buitenland.

Net als Ai Weiwei keren ze nu terug en openen ze galerijen en workshops. De artiesten die tien jaar geleden ondergronds werkten, hebben nu een niche veroverd op de kunstmarkt. De schoorvoetende goedkeuring van de overheid is het meest voelbaar in Factory 798, een industrieel complex dat ooit dienst deed als wapenfabriek voor het Chinese leger. De plaats waar tienduizenden arbeiders militaire materieel maakten in werkplaatsen die werden ontworpen door Oost-Europese architecten, is nu een artiestenkolonie in Soho-stijl geworden, compleet met galerijen, bars en nachtclubs. De fabriek heeft net als duizenden andere overheidsgebouwen een nieuw bestemming gekregen, maar de slogans van Mao - ‘de rode zon in uw hart’ - staan nog steeds op de muur. Ook de machines van weleer zijn nog niet weggehaald.

De schilders hier zijn een onderdeel geworden van een netwerk van artiesten in de wereldsteden, zegt de Amerikaan Robert Bernell, die zich als eerste buitenlandse artiest een werkruimte heeft gehuurd in Factory 798. Op hedendaagse kunst wordt niet langer neergekeken. Ze is er en ze blijft er. Burnell, een voormalig werknemer van de Amerikaanse multinational Motorola, ruikt een nieuwe markt. Hij heeft ‘Timezone8’ opgericht, een uitgeverij die zich toelegt op hedendaagse Chinese kunst.

Ook andere buitelanden hebben de Chinese scène ontdekt. De Japanse Tokio Gallery opende in oktober het project Beijing-Tokyo Art. En de New Yorkse Long March Foundation liep in februari een Cultureel Transmissiecentrum van stapel lopen. Wat Chinese kunst zo hip maakt, is haar politieke randje, zegt Lin Tianfang, manager van de gallerij ‘The Loft’.


Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift

Word proMO* of Doe een gift