Heeft act haar missie bijgestuurd?

In grote lijnen gesteld, heeft ACT drie fasen doorgemaakt. Telkens hebben we onze opdracht in belangrijke mate verruimd. We zijn in 1985 vertrokken van een eerder beperkte opdracht: we gingen in op vragen van organisaties uit het Zuiden, die ‘productieve’ acties wilden opstarten: de maïs van hun leden verwerken, zaadgoed inkopen voor boeren, kindervoeding produceren met lokale grondstoffen… We hebben daar zo goed mogelijk op ingespeeld, en kregen daardoor het profiel van een ‘technische’ partner. We werden vooral actief in de sectoren landbouw en kleinbedrijf.
Eerste fase: productieve projecten

We geraakten volop in de problematiek van sociale organisaties (boerenbewegingen, onderwijsinstellingen, lokale overheden…) met economische doelstellingen. Er werden wel hoge verwachtingen gekoesterd: men wou betere prijzen aan de leden – boeren en boerinnen - betalen, men wou tewerkstelling creëren in de verwerkingssector, men wou een degelijk product op de markt brengen tegen een prijs die betaalbaar was voor arme mensen en men wou er dan ook nog wat aan overhouden om de eigen ‘sociale’ activiteiten (omkadering, vorming, opleiding…) te bekostigen. Technisch liepen de meeste van die acties behoorlijk, maar het werd wel duidelijk dat niet ál die economische doelstellingen haalbaar waren. Toch was het resultaat bemoedigend, en stelden we vast dat de meeste partners op dezelfde weg wilden verdergaan.

Zij werden wel met andere vragen geconfronteerd, meer op het organisatorische en structurele vlak. Als ‘sociale’ organisaties voelden zij zich onvoldoende gewapend om die productieve activiteiten de nodige groeikansen te geven: aan beheer en management werden zware eisen gesteld, en er was ook behoefte aan andere vormen van financiering, naast de klassieke giften. We zijn ervan uitgegaan dat onze NGO-structuur zelf hiervoor niet geroepen en ook niet geschikt was. Daarnaast wilden we onze partners in het Zuiden ook de kans geven om een beroep te doen op ándere partners dan NGO’s in het Noorden.

Tweede fase: INCOFIN en FACTO

We hebben geopteerd voor het werken met lokale ontwikkelingsmaatschappijen, als lokale ‘economische’ steun voor onze partners. In 1992 werd INCOFIN opgericht, wat ons toeliet in de daaropvolgende jaren lokale ontwikkelingsmaatschappijen op te starten in Tanzania, Guinee, El Salvador, Guatemala… Op dit ogenblik zijn o.m. VDK spaarbank (Gent), VKW (Antwerpen-Brabant) en het Felixfonds betrokken bij INCOFIN, en werd er ook gestart in de Paraná (Brazilië), in Uganda, en in Chili. En in 1994 werd FACTO opgestart, een fonds dat de waarborgen regelt voor leningen aan organisaties in het Zuiden.

Het meest bemoedigende aan INCOFIN is misschien wel de uitgesproken positieve reactie van partners, die bewezen zien dat andere organisaties met hen mee investeren en risico dragen. ‘Ils sont là pour durer’ was en is, in hún ogen, nog steeds een compliment, een appreciatie van wat zij als loyauteit ervaren. Het moeilijkste voor onze partners, en dus ook voor INCOFIN, was en is nog steeds het menselijke aspect: mensen vinden die bereid zijn manager te zijn voor de goede zaak, die binnen een lokale NGO-context willen werken, met kwaliteiten en met een opleiding die elders een veelvoud van hun salaris kunnen opbrengen.

Derde fase: bestaanszekerheid en ondernemerschap, de AARON-groep

In al die jaren is de sectorale specialisatie (eerste fase) gebleven, en de nieuwe structuren (tweede fase) waren intussen ook operationeel geworden. Sinds 1994-95 hebben we onze rol en positie als NGO verder trachten in te vullen: we hebben vooral aandacht besteed aan de impact van acties op de situatie van de minst bestaanszekeren. We behielden onze invalshoek: kleinbedrijf en ‘ondernemerschap’. Naast voedsel- en bestaanzekerheid werd dit het 2de thema, en rond deze beide thema’s hebben we sinds 1995 nieuwe bondgenoten in Vlaanderen gemobiliseerd. Dit resulteerde in het samenwerkingsverband AARON-groep.

Dit resulteerde ook in nieuwe initiatieven zoals het CPP ( Company Partnership Plan), in samenwerking met Roularta en met het VKW. Met name is veel energie gestoken in het opzetten van uitwisseling tussen ondernemers uit Zuid en Noord en in het stimuleren van concrete wederzijdse betrokkenheid.

Communicatie blijft moeilijk

Het is allesbehalve gemakkelijk gebleken om initiatieven zoals INCOFIN en FACTO uit te leggen. Daar werd nochtans veel energie in gestoken, maar zonder overtuigende resultaten. Dit blijft een zeer kwetsbaar aspect van ons werk, met name de kloof tussen de praktijk van het NGO-werk enerzijds en de perceptie ervan bij een geïnteresseerd en breed publiek in Vlaanderen anderzijds.

Wij hebben nog steeds te kampen met een gebrek aan tijd, aan middelen en ook wel aan inspiratie om een dergelijke boodschap op een eenvoudige en bevattelijke wijze aan de man te brengen… Feit is nochtans dat er positieve ervaringen zijn, dat er vernieuwend gewerkt wordt, dat bezoekers en evaluaties dit ook bevestigen, en dat er dus voldoende goed materiaal voorhanden is. Hierin staan we zeker niet alleen in de NGO-wereld. Het ‘grote publiek’ heeft interesse voor ellende, niet voor positieve verhalen. Een actie die boeren aan een duurzaam inkomen helpt in Uganda of in Tanzania komt niet geloofwaardig over als er in alle omringende landen gevochten en gemoord wordt. Daarom blijven we op dit vlak met een behoorlijk gevoel van onmacht zitten. Communicatie is moeilijk.

Geregeld overleg over aanpak

We werken in een beperkt aantal regio’s in het Zuiden: 4 in Afrika, 3 in Centraal-Amerika, 1 in Brazilië, 1 in Ecuador, 1 in de Filipijnen, en 1 in Chili (in afbouw). Daardoor was het mogelijk, minstens twee keer per jaar met de betrokkenen van elke regio’ (partners, doelgroepen, lokale overheden…) een grondig gesprek te voeren, steeds naar aanleiding van een bezoek in de ene of andere richting. Dergelijke gesprekken worden zoveel mogelijk gevoerd tussen de rechtstreeks betrokkenen: dus zo weinig mogelijk met tussenpersonen of personen die spreken in naam van de doelgroep. De voornaamste doelstellingen van die gesprekken zijn: op dezelfde golflengte te blijven; op termijn te blijven denken en plannen; een interne beoordeling van de resultaten te maken. We maken er een punt van om de lokale overheden goed te informeren en zoveel mogelijk te betrekken bij die gesprekken. De ervaring hiermee gaat van zeer positief (Guinee), over positief (Tanzania, Mufindi District) tot eerder stroef (Tanzania, Monduli District).

Terugkijkend stellen we vast dat we daarbij behoorlijk inductief te werk zijn gegaan, dat we geen bepaalde logica of model hebben vooropgezet, en dat bijvoorbeeld INCOFIN - in de verschillende regio’s - een eigen en specifieke invulling gekregen heeft.

Er was geen vooropgezet model. Nieuwe ‘aanvragen’ lagen steeds in het verlengde van gevoerde acties en kwamen zeer geleidelijk tot stand. Zowel rond inhoud als rond aanpak groeide er steeds progressief een consensus, die op een bepaald ogenblik rijp was voor afspraak en ‘project’. Dit had en heeft als groot voordeel dat er geen energie verspild wordt aan voorstellen die niet ‘gedragen’ worden door de lokale gemeenschap.

Nieuwe partners in Vlaanderen

Gezien echter onze sectorale specialisatie en vertrekpunten (productieve projecten, landbouw, kleinbedrijf enz.) en de wens van onze partners om voor deze projecten passende structuren uit te bouwen, kwamen we tot besprekingen met zeer concrete agendapunten: projecten omvormen tot eigen bedrijven, gezondmaking en beheer van vroegere initiatieven… Gesprekken hierover zijn allesbehalve vrijblijvend, aangezien het gaat over formele en wettelijke regelingen en over engagementen die een rechtstreekse weerslag hebben op de leefsituatie van arme mensen in de streek: de afzet van de oogst van boeren verzekeren, mensen tewerkstellen, trachten aan inkomsten te geraken om de eigen sociale acties te financieren en minder afhankelijk te zijn van giften…


Het is geen gemakkelijke oefening geweest om met partners in verschillende landen tot goede resultaten te komen. Als NGO alléén zouden we het niet gekund hebben. De inbreng vanuit VDK spaarbank, vanuit het VKW, vanuit het Felixfonds… is doorslaggevend geweest. En voor onze lokale partners was het ook niet altijd de gemakkelijkste weg: tracht maar eens consequent met eigen mensen ploegen te fabriceren in Guinee, als verschillende internationale donoren bereid blijven om Europese of Chinese ploegen aan gesubsidieerde voorwaarden te schenken… In dit hele proces, dat nu zo’n kleine tien jaar loopt, hebben een aantal partners afgehaakt. De meesten hebben echter, samen met ons, een groeiproces doorgemaakt.

Programmalogica en streekontwikkeling

Het promoten van de programmaidee bij NGO’s was een goede zaak. Ze heeft ons ertoe gebracht, duidelijker te expliciteren waarrond gewerkt wordt, en dat heeft - tenminste in de periode 1992-96 - de mogelijkheid gecreëerd tot afspraken op langere termijn met partners en tot een duidelijkere planning. Die tendens zal waarschijnlijk, eens de nu aan de gang zijnde hervormingen ook in werkbare vorm zullen gegoten zijn, doorgezet kunnen worden.

Het formuleren van programma-doelstellingen liep parallel met een grondige analyse van bestaanszekerheid in elke regio waar ACT werkt, en met een groter aantal evaluaties. Dat levert bruikbare resultaten en brengt ook mee dat we automatisch meer ‘streekgericht’ gaan werken, dat er meer lokaal overleg komt tussen lokale NGO’s en lokale overheden, en dat het thema ‘regionale ontwikkeling’ waarschijnlijk aan belang zal winnen.

Partners, stuurlui aan wal?

Wij hebben altijd moeite gehad met het begrip ‘partner’, dat sinds de late jaren 70 gehanteerd wordt. En we vinden nog steeds dat dit begrip eigenlijk geen degelijke invulling gekregen heeft, dat de inhoud ervan te ‘flou’ blijft. Zelf hebben we ook geen denkwerk over het begrip verricht. Veel partnerorganisaties in het Zuiden hebben zich ontwikkeld naar het beeld en gelijkenis van NGO’s in het Noorden. Denkschema’s uit het Noorden (bv. vertrekkend van begrippen zoals CBO’s of community-based organisations) werden vlot overgenomen, maar bieden niet overal evenveel houvast… In de praktijk is het type van organisaties dat ACT steunt vrij divers. De eerste acties die we steunden in Guinee bijvoorbeeld werden gedragen door vrouwen in dorpen, met goedkeuring van een aantal ambtenaren op de sous-préfecture en op de préfecture. De deelnemende vrouwen zagen zichzelf als ‘de vrouwen van dit dorp’, en namen hun engagementen via informeel overleg binnen het dorp. Je kan dat basisorganisaties noemen, je kan ook van vrouwengroepen spreken, maar in feite gaat het over de bestaande dorpsstructuur. In de loop der jaren zijn uit die samenwerking verschillende nieuwe organisatievormen gegroeid (een handel in groentezaden als coöperatieve vennootschap, een productieatelier voor ploegen als naamloze vennootschap, een diensten-NGO rond ossentractie…).

De eerste acties die we steunden in Tanzania werden dan weer opgezet i.s.m. een ‘district council’, de verkozen raad met vertegenwoordigers van alle lagen van de bevolking, op het niveau van het district. Dorpsstructuren in Tanzania zijn nu eenmaal veel minder operationeel dan in Guinee. Maar zoals in Guinee zijn hieruit allerhande organisatievormen gegroeid, in dit geval geconcentreerd in een soort activiteitenpool, waarin de ‘district council’ de hoofdaandeelhouder is.

We hebben onszelf en onze rol als NGO gesitueerd als go-between, als bemiddelaar, als ‘facilitator’. Met de nodige bescheidenheid, want ACT is geen ‘first-line actor’. NGO’s in het algemeen zijn dat niet. Ondernemers, boeren, arbeiders… zijn dat wel. Zij nemen op eigen risico deel aan het economisch leven. En verkozenen van partijen, volksvertegenwoordigers enz. zijn dat ook. Zij staan gemandateerd in het politieke leven en moeten rekenschap afleggen.

NGO’s kunnen daarbij wel een belangrijke ondersteunende rol spelen. ACT heeft haar opdracht vooral gezien in het economische bereik. Wij helpen onvolkomenheden overbruggen, arme streken en arme mensen meer kansen geven. NGO’s, zowel in het Noorden als in het Zuiden, zijn - of ze het willen toegeven of niet - stuurlui aan de wal. Lokale ‘partners’ en NGO’s uit het Noorden kunnen een belangrijke rol spelen, maar als puntje bij paaltje komt zijn het de boeren, ondernemers, arbeiders, ambachtslui, die de dienst uitmaken, die risico’s nemen, die hun (fysisch, sociaal, menselijk) vermogen inzetten en die de basis leggen voor een lokale economie. Nuttig is ook er op te wijzen dat in de structuren van samenwerking van ACT met andere organisaties van hier, kansen tot andersoortige ondersteuning vervat liggen. Zo is de VDK-spaarbank aandeelhouder in de coöperatieve vennootschap INCOFIN en neemt zij de engagementen die zij als goede en geïnteresseerde aandeelhouder vindt te moeten nemen om de onderneming te laten groeien en om de sociale doelstellingen (INCOFIN is een c.v. met sociaal oogmerk) te verwezenlijken. Van de kant van VKW, NCMV, spaarbanken… komt heel wat (gratis) technische expertise, onder vorm van adviezen, deelname aan Raden van Beheer en begeleidingscommissie van de AARON-groep.

Wat is dan onze houding geweest t.o.v. lokale partners en gesprekspersonen? Vooral goed duidelijk maken wat ons eigen engagement is, en goed nagaan wat het mandaat en het risico is dat door onze partner genomen wordt. Vooral voor ogen houden in welke mate elke actie de uiteindelijke doelgroep (de ‘first line actors’) ten goede komt. In de relatie met de lokale organisatie biedt de aanwezigheid van een NGO-coöperant een duidelijke meerwaarde. Hij of zij heeft een opdracht en een mandaat, is constant in contact en overleg met de betrokkenen, kan de wederzijdse engagementen opvolgen en ondersteunen. Voor de rest is het voor ons vooral een kwestie van geregeld overleg, zowel over de kleine dingen als over de grote lijnen.

De relatie van een NGO met een politieke partij…

Onze motivatie is christelijk-humanistisch. We werken in een traditie van ‘verantwoordelijk rentmeesterschap’, en konden goede inspiratie putten uit deze traditie. Zeker rond de thema’s armoedebestrijding, solidariteit in de samenleving over grenzen en culturen heen, ondernemen als maatschappelijke verantwoordelijkheid, enz. vonden we aansluiting bij andere organisaties (VKW, NCMV…) en bij heel wat mensen in onze samenleving die zich inzetten vanuit die inspiratie.

ACT is christen-democratisch en heeft een christen-democratische achterban. Dat betekent niet meer en niet minder dan het volgende: de missie van ACT bouwt op een christelijk humanistische inspiratie, maar heeft niets met verspreiding van ‘de’ christen-democratie in deze wereld te maken. Zowel de inhoud van de acties, als de mensen en organisaties waarmee we samenwerken, tonen dat duidelijk aan.

Dit neemt niet weg dat we, zoals andere organisaties die mobiliseren in en ‘zich bekennen tot’ een politieke partij, dikwijls onterecht gereduceerd worden tot die band met een politieke partij, zeker binnen het NGO-midden. Los daarvan blijven we er wel van overtuigd dat goede democratieën nood hebben aan geloofwaardige en democratisch gestructureerde politieke partijen, maar dat is niet het werkgebied van ACT.

Onze lokale partners, die, op één of twee indirecte uitzonderingen na, niets te maken hebben met christen-democratie, hebben met deze motivatie (christelijk-humanistische inspiratie, geloof in de waarde van democratische politieke partijen) nooit enig probleem gehad. Integendeel, we deelden deze en andere waarden en overtuigingen rond samenwerking, solidariteit, opbouw van lokale economie, ondernemerschap.

Meerwaarde

Waarin lag onze meerwaarde? Vooreerst in het mobiliseren van nieuwe bondgenoten voor ontwikkelingssamenwerking. Een aantal spaarbanken en organisaties van ondernemers namen concrete engagementen. We brachten hen in contact met mensen uit het Zuiden, en we hebben ervoor gezorgd dat die contacten niet vrijblijvend waren, maar dat er werkbare en duurzame structuren werden opgericht.

Waarin zal in de toekomst onze meerwaarde liggen? Die brugfunctie blijven vervullen, met een aantal beperkingen, maar met als belangrijkste troeven: als NGO kunnen we concreet aanwezig blijven in het Zuiden, willen we betrokken blijven bij de situatie van de meest kwetsbaren, moeten we creatief blijven in het verdedigen van hun belangen en in het uitwerken van nieuwe en betere vormen van samenwerking.

De auteur is landbouwingenieur en was van 1985 tot oktober 1998 directeur van de NGO ACT.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 3181   proMO*’s steunen ons vandaag al. 

Word proMO* of Doe een gift