Heimwee naar Tito

10 jaar na de oorlog zijn de ex-Joegoslavische republieken geen voorpaginanieuws meer, dus denken we dat het intussen wel goed gaat met de Balkan. Maar is dat ook zo? VRT-radiojournaliste Kristien Bonneure trok naar het land dat begin jaren negentig aan scherven viel en snoof de doordringende geur van heimwee op. Al is het etnische nationalisme nog lang niet uitgespeeld.
Op 25 mei, Tito’s geboortedag, stichtte Jezdimir Milosevic (geen familie) een nieuwe republiek. Nog een nieuw land! Daar is nu niet bepaald gebrek aan op de Balkan. Zijn nieuwe staat heet Republika Titoslavija, en bestaat virtueel op het internet. Je kunt een paspoort krijgen, er is een vlag en een volkslied. Voor t-shirts met de kop van Tito moet je niet surfen, die koop je op de markt in Sarajevo. Zowat alle straatnamen zijn daar sinds de oorlog veranderd. De “Marsala Tita”-avenue niet.

Nostalgie op een notenbalk


Het berglandschap is oogverblindend, de auto veel chiquer dan alle tegenliggers. Armin laat een CD in de gleuf glijden en wordt helemaal week van binnen. ‘Lipe Cvaaaaatu’, zingt hij mee. Het is een nummer van Bijelo Dugme, White Button of Witte Knoop, de grootste rockgroep uit de jaren 70 en 80 in wat toen nog - nou ja- simpel in elkaar zat en Joegoslavië heette. De bandleider werd een internationale ster: Goran Bregovic, deze zomer te gast op Sfinks. Bijelo Dugme had nog andere leden: Tifa en Zeljko Bebek uit Sarajevo, Alen Islamovic uit Bihac. Bijelo Dugme klonk als Led Zeppelin, TC Matic en de Kreuners in één, maar in ‘89 was de Berlijnse muur gevallen en de inspiratie op. 16 jaar later, afgelopen juni, waren er reünieconcerten in Belgrado, Zagreb en in Sarajevo. Daar zat het in de oorlog zwaar gehavende Kosevo-stadion eivol met 60.000 enthoesiaste fans, niet alleen “oudere jongeren”, maar ook echt jong grut dat evengoed de teksten uit het hoofd kende.
In de auto, op de terugweg van Srebrenica, klinkt Hej Slaveni!, Bijelo Dugme’s rockversie van het Joegoslavische volkslied, bijna zo ruig als de Star-Spangled Banner zoals Jimi Hendrix die op Woodstock demonteerde. ‘Natuurlijk heb ik heimwee naar toen’, concludeert Armin, een beer van een vent zonder veel complimenten. ‘Net als iedereen die naar de concerten is gegaan.’ Dat ze nog altijd graag naar elkaars muziek luisteren, bewijst het Eurovisiesongfestival, tot spijt van wie het benijdt.

TV brengt de mensen bij elkaar


Op een avond kijk ik samen met Damir Masic tv. Op de openbare Bosnische omroep is de zesde aflevering te zien van Videoletters. Het blijkt een waar document humain, in een ongepolijste maar levendige vpro-reportagestijl. Het contrast met de andere programma’s is gigantisch. Balkan-tv, dat is normaal gesproken een blondine die het nieuws aframmelt, geïllustreerd met saaie beelden van persconferenties.
We zien een vermoeide vrouw. Ze zet een kleine videocamera op de kast, gaat ervoor zitten, slaakt een diepe zucht en doet haar verhaal. Mujesira is een moslimvrouw en woonde in de oostelijke stad Visegrad, op de grens met Servië. Bij het begin van de oorlog wordt haar man vermoord, Serviërs gooien z’n lichaam in de Drina-rivier. Ze vlucht met de kinderen de bergen in, maar ze lopen in een hinderlaag. Twee kinderen worden doodgeschoten. Mujesira moet mee naar een kamp. 13 jaar later zoekt ze nog altijd de plaats waar haar oogappels begraven zijn. Zelf woont ze intussen in Sarajevo. Voor de camera doet ze een emotionele oproep aan haar vroegere Servische buurman Nikola. Of hij misschien meer weet?
Na het verhaal van Mujesira gaat een cameraploeg op zoek naar Nikola, een lange tocht via kennissen, buren, verre verwanten. De journalisten belanden in een bergdorp tussen de koeien, roepen de hulp in van agenten. Uiteindelijk vinden ze Nikola. Ook hij gaat ervoor zitten en spreekt een boodschap in voor Mujesira. Hij belooft haar te helpen, hoewel hij geen flauw idee heeft waar de lichamen van haar kinderen zijn. Mujesira en Nikola hebben elkaar 13 jaar niet gezien en niet gesproken. Tot Videoletters hen weer bij elkaar bracht. Nikola is trouwens de énige Serviër die wil meehelpen, anderen beweren dat ze Mujesira niet kennen.
Damir Masic zucht als het halfuur waarachtig emo-televisie achter de rug is. Hij is een frisse, jonge politicus, van geen kleintje vervaard. ‘Sorry,’ zegt hij, ‘dit is echt aangrijpend. Mijn vrienden hebben bij andere afleveringen geweend.’
Videoletters haalt nog andere banden aan. Twee schoolvriendinnen waren samen bij de Jonge Pioniertjes. Snjezana ontvlucht Sarajevo, Zvjezdana blijft in de belegerde stad. Na tien jaar krijgt ze een videobrief. Ze weet niet zeker of ze wel wil kijken, want haar vriendin is “een Pandurovic”, iemand van de andere kant.
Brana is een Kroaat, vocht mee met “zijn” leger. Maar voor de oorlog was hij politieman, en had Servische collega’s. Eén van hen is Zeljko. Hij mist Brana, hij mist de Adriatische zee, maar hij kan niet terug. Hij is een Serviër, geboren in Kroatië en nu woont hij in Bosnië. Welk land zou hem een paspoort kunnen geven?
Het zijn twee Nederlandse cineasten, Eric van den Broek en Katarina Rejger, die de 14 documentaires hebben gemaakt en oude vrienden en buren over heel ex-Joegoslavië weer bij elkaar brachten. Alle nationale tv’s zenden de programma’s uit, in Slovenië, Bosnië, Kroatië, Servië-Montenegro, Kosovo, Macedonië. Dat op zich is een geweldig statement, een krachtig tegengif tegen de middelpuntvliedende politiek op de Balkan.
de tv-reeks gaat een heel project schuil, zwaar gesubsidieerd, ondermeer door Nederland. Nog tijdens de uitzending verschijnt onderaan in beeld het nummer van een helplijn, voor mensen die het te kwaad krijgen. En iederéén kan een video-oproep doen om oude vrienden terug te zien. Gewoon via het internet, of anders in een groot aantal steden en dorpen, bij lokale ngo’s. In Sarajevo kwamen in mei alleen vijftig mensen aanlopen. In juni reed er zelfs een mobiele studio doorheen ex-Joegoslavië: de Videoletters Karavan. Tijdens de oorlog ging het Rode Kruis op zoek naar verloren vrienden, ooms en nichten. Nu heeft Videoletters die taak overgenomen, het opsporen vergt veel geploeter doorheen legendarisch bureaucratische communistische archieven. Maar het lijkt te lukken.

De Kloof


Enkele dagen later. Ik zit op een terras in de zon met Srdjan Dizdarevic, een wijze oudere mensenrechtenactivist van het Sarajeefse Helsinki Comité. ‘Weet je wat het is,’ zegt hij, ‘de mensen zijn nog altijd bang van elkaar. En dus stemmen ze op zekerheid, op de oude nationalistische partijen, die al de lakens uitdeelden toen de oorlog nog heet was. Ze moeten hier voor zichzelf durven op te komen.’
Wie voelt zich Bosniër? En bestaat Bosnië wel? Om die vraag te beantwoorden moeten we terug naar de herfst van 1995. Het vredesakkoord van Dayton scheurde het land toen in twee, langs grenzen die trouw de krankzinnige frontlijn volgden. In het noorden en oosten de Republika Srpska (RS), in het midden en zuiden de Federatie van moslims -een beter woord is het niet-religieuze Bosnjakken- en Kroaten. Tien jaar na de oorlog zijn veel pogingen ondernomen om de beide entiteiten dichter bij elkaar te brengen, onder het motto: een beetje federalisering màg, maar om te verhinderen dat de twee delen elkaar weer in de haren vliegen is een sterke centrale staat onontbeerlijk.
Dankzij de grote druk van de internationale gemeenschap, meer bepaald de hoge vertegenwoordiger -op dit moment de Brit Paddy Ashdown (de proconsul, noemen z’n critici hem) - heeft Bosnië op dit moment één munt, een nieuwe vlag, een gedepolitiseerde nummerplaat. Dat laatste is symbolisch, vroeger kon je aan de nummerborden haarfijn zien waar iemand vandaan kwam. Ik herinner me levendig de vlucht van de hardline Serviërs uit de voorsteden van Sarajevo, begin ‘96. Op de nummerplaat van hun wrakken stond steevast “CC”, de cyrillische afkorting van “Servisch Sarajevo”.
Bosnië heeft intussen ook één douane, één leger, één collectief presidium. Het proces van éénmaking loopt nu op z’n eind, maar het loopt ook dood. Het sluitstuk had de samensmelting van de politie moeten worden, maar de Republika Srpska wil z’n eigen agenten niet opgeven. Dat heeft Bosnië slechte punten opgeleverd van de Europese Unie, die dit voorjaar een team ter plaatse stuurde om een stand van zaken op te maken, met het oog op eventueel lidmaatschap. Op de Bosnische tv zag ik een blits reclamespotje voor die ééngemaakte politie. Agenten zitten achter boeven aan, maar botsen op zeker ogenblik tegen een glazen wand, de maar al te reële inter-entity boundary line. De verborgen boodschap is: aan de andere kant van de “grens”, in de RS, laten ze de boeven lopen. Inclusief wie van oorlogsmisdaden is beschuldigd.
Je hoort in oppositiekringen veel kritiek op de blijvende verdeeldheid, het product van en een beloning voor de etnische zuivering, én op het feit dat Ashdown met de radicale partijen is gaan praten, om hen (tevergeefs) tot flexibiliteit aan te manen. Ashdown doorbrak daarmee een soort cordon sanitaire.
De Noord-Ier Ashdown zegt me trots dat 1,2 miljoen vluchtelingen zijn teruggekeerd naar hun oude huizen, zelfs als die nu aan de andere kant van de “grens” liggen. (‘Knip dat maar weg uit je interview,’ corrigeert z’n woordvoerder, ‘het is geen grens, maar een scheidingslijn!’) Reactie van mensenrechtenactivist Dizdarevic: ‘Ashdown vertelt niet het hele verhaal: een miljoen anderen blijven vluchteling in eigen land, ze zijn te bang om terug te keren.’
Er zijn wel veel regionale verschillen; niet overal leven de etnische groepen op het scherp van de snee. Ja, in Srebrenica wél, daar zie je verse graffiti tegen de teruggekeerde -overlevende- moslims. Maar neem nu Maglaj, in het centrum van het land. De grillige grens van de RS loopt bijna rond het stadje, je leest eruit af dat hier zwaar is gevochten voor elke morzel grond. Maglaj was negen maanden volledig belegerd. Nina herinnert het zich goed, ze was toen een tiener en deed er alles aan om uit de kelder te ontsnappen waar iedereen zich had verschanst. ‘Mijn moeder maakte soep van onkruid, ik wil nog altijd niet weten wat het eigenlijk was’, lacht ze. Nina werkt nu voor een lokale ngo aan de heropbouw van de samenleving, met àlle etnische groepen.
Het is een enorme paradox. Aan de ene kant wérkt het nationalisme nog in Bosnië; mensen blijven voor de vastigheid van vroeger kiezen. Met de verkiezingsuitslagen valt eigenlijk weinig aan te vangen om van Bosnië één land te maken. Anderzijds heb ik nooit zoveel gif horen spuien over “politiekers” als hier. Wie nog een ware kloof tussen burgers en politiek wil ontwaren, moet naar Bosnië.
‘Zij hebben er alle belang bij dat het vuurtje blijft branden’, schampert Nina. In haar aandoenlijk mooie Maglaj ga ik naar de tomaten kijken van Josip en Milenko, respectievelijk Kroaat en Serviër. Ze zijn samen aan de slag in enkele serres, gesponsord door Balkanactie. ‘In tegenstelling tot de politici willen wij hier vooral een normaal leven,’ zegt Milenko, ‘het komt er vooral op aan dat de groenten hier wat opbrengen.’ ‘En trouwens’, vraagt Jasenko -een moslim- ‘sinds wanneer moet je van elkaar houden om samen tomaten te kweken?’

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift

Word proMO* of Doe een gift