Helen Clark over ontwikkeling en millenniumdoelstellingen

In de aanloop naar de wereldtop over de Millenniumdoelstellingen (MDG’s) in New York op 20 september had MO* een exclusief gesprek met Helen Clark, hoofd van het VN-Ontwikkelingsprogramma (UNDP). ‘Als ik op werkbezoek ga in ontwikkelingslanden, wil ik niet rondgevoerd worden naar al die kleine projecten. Ik wil vooral kennismaken met zaken die vermenigvuldigbaar zijn, die voor echte verandering op nationaal niveau zorgen.’

  • Brecht Goris Helen Clark Brecht Goris

Helen Clark maakte naam als eerste minister van Nieuw-Zeeland (1999-2008). Haar beleid kenmerkte zich intern door investeringen in sociale inclusie –met bijzondere aandacht voor de inheemse Maori– en extern door inzet voor wereldvrede.

Op de internationale vredesindex eindigde Nieuw-Zeeland ook dit jaar weer op de eerste plaats als meest vredelievende natie en dat doet Helen Clark nog steeds plezier. Maar vandaag gaat haar aandacht vooral uit naar ontwikkeling en de versterking van kwetsbare landen en gemeenschappen.

Clark is een no-nonsense vrouw die het probleem van armoede en uitsluiting tot het centrale vraagstuk van de internationale gemeenschap wil maken. 

‘De Millenniumdoelen kunnen nog steeds gerealiseerd worden tegen 2015’, zei Helen Clark in juni tijdens een toespraak voor het Europees Parlement. Gezien de toestand van de wereldeconomie en de reacties daarop van de Europese regeringen, lijkt dat eerder op een wanhopige poging om de moed er in te houden dan op een stevig onderbouwde stelling. Clark geeft toe dat haar relatieve optimisme vooral gebaseerd is op globale cijfers, en dat die vooral fraai ogen dankzij de realisaties in landen als China, India en Brazilië.

‘Maar ook in landen waar de vooruitgang klein of zelfs onbestaande is, kan gedurende de volgende vijf jaar nog heel wat gerealiseerd worden. Op voorwaarde dat er voldoende politieke wil aanwezig is.’ Met die boodschap trekt Helen Clark vandaag de wereld rond, in de hoop regeringen in Noord en Zuid te overtuigen om dit jaar in New York vernieuwde en versterkte engagementen te nemen voor de MDG’s, zodat de eindafrekening in 2015 zo positief mogelijk zal zijn.

Hoe kunnen de meer kwetsbare landen, gebieden of groepen de Millenniumdoelen nog realiseren?
Helen Clark:
Economische groei is een noodzakelijke maar onvoldoende voorwaarde om mensen uit extreme armoede en honger te tillen. De meeste Afrikaanse landen kenden tussen 2000 en 2008 een opmerkelijk groei, maar de armoede van de bevolking nam helemaal niet af.

Een groeistrategie werkt pas echt armoedebestrijdend als ze gefocust wordt op de economische sectoren waarin de armen actief zijn. In de meeste ontwikkelingslanden betekent dat: investeer in landbouw.

Alleen hebben overheden uitgerekend hun landbouwsector vreselijk verwaarloosd. Het zou ook helpen als de Doha-onderhandelingen binnen de Wereldhandelsorganisatie een akkoord zouden opleveren dat in het voordeel is van de ontwikkelingslanden.

Gelooft u dat een WTO-akkoord een goede zaak zou zijn voor kleine boeren en hun familiale landbouw?
Helen Clark: Een akkoord dat goed is voor de exportlandbouw is op de eerste plaats goed voor groeilanden zoals Brazilië en Zuid-Afrika. Voor kleinere of armere ontwikkelingslanden biedt meer en makkelijkere wereldhandel in landbouwproducten toch ook mogelijkheden om zich op nicheproducten en -markten te profileren.

Mali bijvoorbeeld verhoogde zijn mango-export op korte tijd van bijna niets naar twaalfduizend ton, op basis van vrouwencoöperaties die overheidssteun kregen voor vorming. Een marktonderzoek voorspelt voor die sector trouwens een potentieel voor 200.000 ton per jaar.

r is, met andere woorden, ook buiten de agro-industrie heel wat voordeel te halen uit een wereldhandelsakkoord voor landbouw.

Dat veronderstelt wel een functionerende en stimulerende staat.
Helen Clark: Absoluut. Om boeren in staat te stellen hun oogst op de markt te krijgen, zijn wegen en vervoersinfrastructuur nodig. En veiligheid en rechtszekerheid. Maar anderzijds dienen wegen en havens nergens toe als er geen producten zijn die vervoerd moeten worden.

In een gesprek met Europees Commissaris voor Handel Karel De Gucht merkte die terecht op dat sommige landen zo weinig handel kennen, dat ze nauwelijks gemerkt hebben dat er een wereldwijde crisis is. Dat lijkt een voordeel. Het betekent dat ze vandaag te arm zijn om de internationale schokgolven te merken, maar ook om te ontwikkelen.

De versterking van de overheidscapaciteit is dan ook de grote prioriteit voor UNDP, al blijft dat vaak een onzichtbare investering. Waterputten en lagere scholen zijn voor communicatiemensen en media veel leuker om te tonen dan een adviseur van UNDP die ter beschikking gesteld wordt van de eerste minister of het ministerie van Landbouw of Planning. Ook al kan zo’n expert een veel grotere impact hebben door de capaciteit van het overheidsapparaat duurzaam te versterken.

Ook de Wereldbank en het Internationaal Muntfonds erkennen nu het belang van sterke overheden, maar ze zijn wel mee verantwoordelijk voor de afbouw van de staat gedurende de jaren tachtig en negentig.
Helen Clark: In veel landen waren de structurele aanpassingsprogramma’s destructief voor economieën, samenlevingen en gemeenschappen. Gelukkig zijn we intussen mijlenver verwijderd van de Washington Consensus, waarvan de aanpassingsprogramma’s een hoeksteen waren, en is de slinger teruggekeerd naar het besef dat een staat sterk genoeg moet zijn om fraude en corruptie te bestrijden en om de rechtsregels voor iedereen op gelijke manier af te dwingen.

Zonder die voorwaarden is het onmogelijk investeringen aan te trekken, terwijl ontwikkeling op gang brengen zonder een dynamische privésector niet lukt.

Volgens het Global Monitoring Report 2010 van Wereldbank en IMF zullen de volgende vijf jaar 1,2 miljoen kinderen sterven voor hun vijfde verjaardag, louter als gevolg van de mondiale economische crisis. Dat is een verpletterende verantwoordelijkheid voor de financiële sector die de crisis veroorzaakte.
Helen Clark: De consequenties van de onvoorstelbare lichtzinnigheid van de financiële sector zijn breder dan dat ene cijfer. We weten bijvoorbeeld dat een kind dat van school gehaald wordt omdat de ouders het schoolgeld niet meer kunnen betalen of omdat een extra inkomen nodig is om te overleven, in de meeste gevallen nooit meer terugkeert naar school. Ook niet als de economie opnieuw aantrekt.

Ik vrees dat de onevenwichten die tot de crisis geleid hebben nog steeds niet op een structurele manier aangepakt zijn.

Het gevolg is dat de ontwikkelingslanden hun Millenniumdoelstellingen veel moeilijker zullen realiseren, terwijl ook de officiële ontwikkelingshulp eerder zal krimpen dan stijgen naar de beloofde 0,7 procent van het bnp.
Helen Clark: Als de Europese Unie haar voortrekkersrol op het vlak van ontwikkeling, klimaat en financiële regulering blijft spelen, is er nog hoop. Anders ziet het er allemaal niet zo rooskleurig uit.

In 2010 zijn de reële ontwikkelingsuitgaven van de EU veertig procent minder dan het bedrag dat in 2005 beloofd werd.
Helen Clark: Er moeten inderdaad meer en betere verantwoordingsmechanismen komen, waardoor de Europese Commissie kan bijhouden én publiceren wie zijn beloften nakomt en wie niet. Natuurlijk zijn het voor iedereen moeilijke tijden, ook voor de rijke landen, maar we moeten eens heel duidelijk maken dat groeiende economieën in het Zuiden een goede zaak zijn voor het rijke Noorden. Grotere markten voor onze producten houden ook ons levenspeil op niveau.

Als het over ontwikkelinghulp gaat, spreken we de facto altijd over de uitgaven door landen die lid zijn van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling. De nieuwe donoren blijven zo onzichtbaar.

‘Groeiende economieën in het Zuiden zijn een goede zaak voor het rijke Noorden. Grotere markten voor onze producten houden ook ons levenspeil op niveau.’


Helen Clark: Het klopt dat de realiteit van de mondiale ontwikkelingshulp een stuk complexer is dan wat blijkt uit de cijfers van het ontwikkelingscomité van de OESO, die nu rond de 119 miljard dollar per jaar bedragen. De Zuid-Zuidsamenwerking wordt vandaag op zo’n 15 miljard dollar geraamd. Dat is weinig in vergelijking met de klassieke donoren, maar die bijdrage groeit wel exponentieel.

Vooral groeilanden als China en Brazilië vallen daarbij op, maar ook Zuid-Afrika, Turkije en Saoedi-Arabië mogen niet vergeten worden. Hun bijdrage wordt niet opgeteld bij de officieel erkende ontwikkelingshulp, omdat ze hun eigen aanpak willen ontwikkelen en zich niet willen onderwerpen aan de afspraken en criteria die binnen de OESO afgesproken zijn.

Is meer hulp wel het juiste antwoord op de mondiale armoede en uitsluiting?
Helen Clark: Hulp is belangrijk, maar we moeten vandaag vooral kijken op welke manier die maximaal ingezet kan worden –en dat is niet door geld te pompen in een eindloze reeks kleine projecten.

Dé vraag is: op welke manier kunnen we de machtsverhoudingen echt wijzigen? Wat doet de balans kantelen in het voordeel van de armen? Als ik op werkbezoek ga in ontwikkelingslanden, wil ik niet rondgevoerd worden naar al die kleine projecten. Dat interesseert me niet.

Ik wil vooral kennismaken met zaken die vermenigvuldigbaar zijn, die voor echte verandering op nationaal niveau zorgen. Wordt er naar gestreefd om samen te werken met de relevante overheden om de schaal en daardoor de impact van de aanpak te vergroten? Want als die waterput of basisschool van jou zo fantastisch zijn, waarom zijn er dan niet overal zulke putten of scholen?

Ontwikkelingshulp moet veel meer gezien worden als een katalysator van verandering in plaats van als een vervanging voor falend overheidsbeleid.

In toenemende mate zal het toekomstige geld voor ontwikkeling trouwens in de ontwikkelingslanden zelf gezocht moeten worden. Vroeger steunden regeringen daarvoor vaak op importheffingen, maar in een wereld met steeds meer vrijhandel is dat een snel aflopend verhaal.

In de toekomst zullen economische groei en efficiëntere belastingssystemen moeten zorgen voor de interne inkomsten om de eigen ontwikkeling te financieren.

U zegt dat ontwikkelingshulp een katalysator moet zijn voor nationale ontwikkeling. Waarom heeft de hulp van de voorbije halve eeuw dat effect niet gehad?
Helen Clark: De vorige piek van ontwikkelingshulp was tegen het einde van de jaren tachtig, toen ook de Koude Oorlog een hoogtepunt kende. Waarom denk je dat er toen zoveel geld naar het Zuiden ging? Voor ontwikkeling? Of omdat er een intense competetie was tussen Oost en West voor de gunsten van derdewereldlanden?

Vandaag zitten we terug op het juiste spoor en ditmaal, geloof ik, voor de juiste redenen. De zaak van ontwikkeling heeft immers overtuigende argumenten, die zelfs verder gaan dan het onomstotelijke morele argument dat elk mensenleven evenveel waard is. We beseffen vandaag meer dan vroeger dat we onze eigen levensstandaard maar kunnen behouden als de rest van de wereld ontwikkelt.

Onze producten hebben behoefte aan nieuwe markten, onze vergrijzende bevolking heeft steeds meer nood aan sociale dienstverlening, onze economie heeft actieve en geschoolde werkkrachten nodig… Bovendien zijn grenzen irrelevant voor de grote internationale uitdagingen die samenhangen met armoede, zoals onveiligheid en klimaatverandering.

Het leeuwendeel van de hulp van het voorbije decennium ging naar landen als Irak en Afghanistan. Kan je dan wel volhouden dat we vandaag een echt andere ontwikkelingsvisie hanteren dan tijdens de Koude Oorlog?
Helen Clark: Je hebt gelijk. De instabiele landen gaan met een veel te groot aandeel van de hulp aan de haal. Daarom pleit ik ervoor om tijdens de volgende vijf jaar, in de aanloop naar de eindmeet van de Millenniumdoelstellingen, veel meer te investeren in de arme maar stabielere staten. Het kan toch niet dat er eerst een opstand of een burgeroorlog moet uitbreken vooraleer de cheques van de rijke landen arriveren.

In de eindeloze stroom cijfers en indicatoren voor de millenniumdoelstellingen wordt bijna geen melding gemaakt van de impact die maatschappelijke ongelijkheid heeft.
Helen Clark: In middeninkomenslanden zijn we heel actief bezig om ongelijkheden op te sporen en overheden te helpen antwoorden op de vraag waarom niet iedereen mee profiteert van economische groei.

China heeft ons gevraagd mee te helpen bij het formuleren van een nieuwe strategie voor armoedebestrijding, waarbij heel specifiek gefocust zal worden op ongelijkheden. Ook in Latijns-Amerika zijn we daarmee bezig. Diepe ongelijkheden in een samenleving leiden immers altijd tot meer criminaliteit en onveiligheid. Steeds meer regeringen beseffen dat.

Iedereen pleit vandaag voor sociale vangnetten om de ergste gevallen van uitsluiting op te vangen. Maar moeten we niet verder gaan en streven naar echte sociale zekerheidssystemen?
Helen Clark: Er moet in elk geval een sociale vloer geïnstalleerd worden waaronder niemand mag zakken. Dat minimum moet iedereen in elk geval voldoende te eten garanderen en voldoende inkomen om deel te nemen aan de maatschappij. Dat is ook voor ontwikkelingslanden geen sciencefiction.

De ervaring bewijst namelijk dat een omvattend systeem van sociale bescherming de veerkracht van gezinnen, gemeenschappen en hele samenlevingen versterkt, zodat mensen hun verworvenheden niet verliezen bij de minste schok. Een aantal landen begon na de voedselcrisis van 2008, weliswaar laattijdig, te bouwen aan sociale bescherming.

Toen de economische recessie in 2009 toesloeg, waren die landen dan ook beter uitgerust om de schokken op te vangen.

Wij zien sociale bescherming niet als zware last op het budget van de staat, maar als een noodzakelijke investering in duurzame ontwikkeling. Daarom spreken wij ook nooit over sociale vangnetten, maar over omvattende sociale bescherming.

Het gaat immers niet om restgedachte, maar om het versterken van de capaciteit van groepen en gemeenschappen om te ontwikkelen, en om een fundamentele waardekeuze, namelijk dat ontwikkeling niemand mag achterlaten in een mensonwaardige situatie.

Hoe belangrijk is een klimaatakkoord voor ontwikkeling?
Helen Clark: Voor de ontwikkelingslanden is het basisprincipe “gezamenlijke maar gediversifieerde verantwoordelijk” essentieel. Het Noorden zal een veel groter deel van de kosten voor aanpassing en voorkoming van klimaatverandering op zich moeten blijven nemen, omdat het ook veel meer geprofiteerd heeft van de economie en de levensstijl die het probleem veroorzaakt hebben. De klimaatverandering is dan ook meer een ontwikkelingsprobleem dan een milieuprobleem.

Ik sympathiseer ook met de ijsbeer, maar klimaatverandering is toch op de eerste plaats een zaak van boeren die hun uitdrogende of overstroomde land moeten verlaten, van vissersgemeenschappen die verdreven worden uit hun kustdorpen of van kwetsbare gemeenschappen die hun cultuur en levenswijze vernietigd zien.

Als het Westen dus aan ontwikkelingssamenwerking wil doen, zal het ook werk moeten maken van een alternatief voor zijn olieverslaving. Anders is het niet geloofwaardig.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur