Het beleid getest: decreet Gelijke Onderwijskansen werkt

In 2002 keurde het Vlaams parlement het decreet Gelijke Onderwijskansen (GOK) goed. De nieuwe wet was een initiatief van de toenmalige liberale Minister van Onderwijs Marleen Vanderpoorten. Het werd in 2005 door Frank Vandenbroucke verder verfijnd, voornamelijk op het vlak van het inschrijvingsrecht. Maar het decreet van 2002 bepaalde reeds een belangrijk speerpunt: scholen krijgen extra financiering naargelang het aantal leerlingen met een verhoogde kans op onderwijsarmoede (de zogenaamde GOK-leerlingen).

Die extra financiering is niet gering: voor de eerste GOK-cyclus van 2002 tot 2005 werd het totaal aantal voltijdse leerkrachten in het gewone basisonderwijs verhoogd met 4,6%. De vraag is dan eenvoudig: waren deze middelen effectief? Heeft het extra geld gelijkere kansen gecreëerd?

Dat is minder vanzelfsprekend dan op het eerste gezicht lijkt: onderzoek in andere landen leert ons dat dergelijke programma’s vaak geen effect hebben: vanaf een bepaald financieringsniveau -dat in Vlaanderen zeker gehaald wordt- is extra geld helemaal geen garantie voor succes. Het is dan ook de centrale vraag die professor Erwin Ooghe (KULeuven) zich gesteld heeft in zijn recent onderzoek. Hij baseerde zich op de SiBO-databank met daarin 4000 Vlaamse leerlingen die gevolgd en getest werden vanaf de derde kleuterklas tot en met het zesde leerjaar.

Gerandomiseerd gecontroleerd experiment 

Om de impact van een dergelijke financiering te onderzoeken zou men eigenlijk een gerandomiseerd gecontroleerd experiment moeten uitgevoerd hebben. Dat betekent dat men scholen willekeurig opdeelt zodat men twee groepen met gelijkaardige scholen krijgt: de ene groep krijgt de extra GOK-financiering en de andere groep, de controlegroep, krijgt niets extra. Vervolgens vergelijkt men de resultaten uit de twee groepen. Het GOK-decreet is dan effectief, indien de groep met GOK-financiering significant beter scoort dan de controlegroep. Maar een dergelijk opzet heeft men niet gevolgd: alle scholen die aan de criteria voldeden, kregen extra geld. Op die manier is het dus niet mogelijk om de effectiviteit van de GOK-financiering te meten.

Prof. Ooghe is er echter in geslaagd om een gerandomiseerd gecontroleerd experiment na te bootsen. De GOK-financiering van een school kent immers een drempel: een school krijgt pas financiering indien er minimum 10% GOK-leerlingen zijn. Dat betekent dat scholen die net iets minder dan 10% scoren helemaal geen GOK-financiering krijgen, terwijl scholen met net 10% of iets meer deze financiering wel krijgen. Of je net erboven of net eronder zit is toeval en dus zijn de scholen die net wel en net geen GOK-financiering krijgen gelijkaardig. Daardoor heb je de 10%-GOK-score dezelfde samenstelling van de twee groepen als bij een gerandomiseerd gecontroleerd experiment. Het nadeel is wel dat de twee groepen scholen relatief klein zijn, waardoor het moeilijker is om statistisch significante resultaten te bekomen, omdat de steekproeven klein zijn. 

Resultaten: GOK-financiering is effectief

De leerlingen werden getest voor wiskunde, lezen en spelling. Voor al deze testen waren de resultaten positief, maar enkel voor spelling zijn ze statistisch significant. Een GOK-leerling in een school die extra financiering gekregen heeft, doet het 0.34 standaarddeviaties beter dan een GOK-leerling die in school zit die geen extra financiering kreeg. Dat komt overeen met een vooruitgang van 10 plaatsen in een groep van 100 als de GOK-leerling initieel op de 85ste plaats stond (uitgaande van een Gauss-curve); een GOK-leerling die op de 50ste plaats staat, dus in het midden, boekt gemiddeld een vooruitgang van 13 plaatsen.

Dat zijn vrij spectaculaire verbeteringen. En deze winst gaat niet ten koste van de niet-GOK-leerlingen: deze doen het even goed in de scholen met GOK-financiering in vergelijking met gelijkaardige leerlingen in scholen zonder de extra financiering. Het GOK-decreet is expliciet gericht op GOK-leerlingen, maar ook andere types leerlingen zijn gebaat indien de school extra geld krijgt: kinderen uit een gezin met een lagere socio-economische status (SES) en initieel zwakke leerlingen doen het ook beter als de school extra financiering krijgt, hoewel het effect minder groot is dan als er enkel naar het GOK-statuut gekeken wordt. Dat is ook wel te verwachten, aangezien GOK-leerlingen vaak leerlingen zijn met een lage SES. 

Maar, en dat is toch niet onbelangrijk: GOK-leerlingen zijn niet vaker initieel zwakke leerlingen of toch maar zeer beperkt. Zo stelt prof Ooghe vast dat “de GOK-leerling-variabele slechts 9.5 % en 5.5% (kan) verklaren van de variantie in de initiële wiskunde- en taalvaardigheden”.

De vage aanpak werkt het best

Een andere opvallende bevinding uit het onderzoek gaat over welke aanpak het meest effectief is. De scholen kunnen immers autonoom beslissen waaraan de extra GOK-middelen worden besteed. Ze moeten daarbij wel kiezen tussen drie domeinen: (1) de cognitieve achterstand wegwerken, (2) de leesvaardigheid verbeteren of (3) de ‘socio-emotionele vaardigheden’ verbeteren, zoals het zelfbeeld en andere sociale vaardigheden.

Scholen die zich op het eerste domein richtten, deden het gemiddeld iets beter wat betreft wiskunde en spelling, maar slechter voor lezen. Scholen die kozen voor het tweede domein, de leesvaardigheid, deden het gemiddeld slechter dan de andere scholen, ook en verbazingwekkend genoeg op het vlak van lezen. Maar de echte verrassing is dat scholen die zich op het derde, eerder vage domein richtten, namelijk de socio-emotionele ontwikkeling, het gemiddeld op alle (cognitieve!) testen beter deden.

Verrassend, maar ook weer niet. Door ander onderzoek weten we immers dat het rechtstreeks verbeteren van cognitieve vaardigheden, zoals de eerste twee domeinen trachten te doen, zeer moeilijk is op de leeftijd dat kinderen naar school gaan: op die leeftijd is het eigenlijk al te laat. Het verbeteren van niet-cognitieve vaardigheden, daarentegen, zou nog redelijk gemakkelijk zijn als kinderen tussen zes en acht jaar oud zijn. En als het je lukt om kinderen uit een kansarm milieu een beter zelfbeeld, een grotere motivatie en meer doorzettingsvermogen aan te leren, dan is het plots evident dat dit wel moet leiden tot betere testresultaten.

Het onderzoek van prof. Ooghe (en vele anderen) is belangrijk voor twee zaken. Ten eerste tonen de resultaten dat het mogelijk is om de prestaties van kansarme kinderen te verbeteren. Fataliteit is dus niet op zijn plaats: de mens en de maatschappij zijn -tot op zekere hoogte- maakbaar. Ten tweede toont het aan dat de effectiviteit van de overheidsmiddelen getest kan worden. Akkoord, dat vraagt gevorderde statistiek en enige moeite om de resultaten correct te interpreteren, maar daarvoor lopen er genoeg knappe koppen rond in Vlaanderen. Het komt erop aan hen de middelen te geven om de effectiviteit van het beleid te testen en de politieke wil om de resultaten te gebruiken.

Andreas Tirez is voorzitter van de liberale, onafhankelijke denktank Liberales. Hij schrijft deze bijdrage in eigen naam.

Ik ben proMO*

Nu je hier toch bent

Om de journalistiek van MO* toekomst te geven, is de steun van elke lezer meer dan ooit nodig. Vind je dat in deze tijden van populisme en nepnieuws een medium als MO* absoluut nodig is om de waarheid boven te spitten? Word proMO*.

Wil je bijdragen tot de mondiale (onderzoeks)journalistiek in het Nederlandstalig taalgebied? Dat kan, als proMO*.

Wil je er mee voor zorgen dat de journalistiek van MO* mogelijk blijft en, ondanks de besparingspolitiek, verder uitgebouwd wordt? Dat doe je, als proMO*.

Je bent proMO* voor € 4/maand of € 50/jaar.

Word proMO* of Doe een gift