Het bruto nationaal probleem van Maleisië

Maleisië werd door God gezegend met vruchtbare grond in overvloed, een tropisch klimaat zonder tyfoons, verdraagzame mensen in allerlei kleuren en met meer dan tien jaar spectaculaire economische groei. Zoveel bovennatuurlijk geluk vraagt om wat aardse correctie. Daaraan werd het afgelopen anderhalf jaar ruimschoots voldaan: de munt kelderde, de economie kwam in een diepe recessie terecht, de politieke onrust nam toe en de sociale relaties kwamen onder hoogspanning te staan.
Een reportage in de omgeving van Kuala Lumpur is vandaag een reis langs etnische diversiteit en sociale verschillen, langs bruisende winkelcentra en gesloten bedrijven, langs anonieme contactpersonen en uitgesproken meningen, langs nationale trots en gebroken dromen.

OVERWERK IS OVERBODIG

Kuala Lumpur, woensdagnamiddag. Elegante moslimmeisjes met kleurrijke tudungs (hoofddoeken) en fel geverfde lippen -liefst passend bij hoofddoek en modieus T-shirt- slenteren hand in hand met hun vriendjes langs de etalages. Alle reisgidsen voor Maleisië vertellen dat je, uit respect voor de moslimtradities van het land, beter geen fysiek contact kunt maken met mensen van het andere geslacht. De jongeren in Kuala Lumpur hebben zichtbaar lak aan reisgidsen. Zij leven hun eigen leven en dat draait duidelijk rond winkelen, bromfietsen en flirten. In strakke jeans of sarung kebaya (een combinatie van een lange tuniek met een lange rok, soms met een adembenemende split) staan de meisjes eindeloos en met veel plezier te telefoneren. Gele en blauwe openbare telefooncellen staan in bosjes langs de drukke lanen van de hoofdstad, elektronisch struikgewas waarin gegiecheld en geroddeld wordt. Ik heb me neergezet op de trappen van een winkelcentrum, want Syed Sharir, de vakbondsman met wie ik afgesproken heb, komt niet opdagen. Gelukkig kocht ik net ‘The challenges of turmoil’, een boekje van de hand van eerste minister Mahatir Mohamad. Hij schrijft: ‘Wie de drukte in de steden gadeslaat, heeft het knap lastig om te geloven dat het land in de economische problemen zit. De files zijn nog net zo lang als vroeger, de winkelcentra zitten vol consumenten, hijskranen zijn dag en nacht in de weer met bouwmaterialen en ook hotels en restaurants staan er niet verlaten bij. Is er dan wel een economische crisis?’

Kuala Lumpur, woensdagavond. Syed Sharir is dan toch gekomen. Een uurtje heeft hij en dat wil hij liefst gebruiken om een snelle hap te eten, enkele mobiele telefoontjes te plegen en tussendoor te antwoorden op de vraag die Mahatir stelde. ‘Natuurlijk voelen wij de economische crisis’, zegt hij. ‘Gastarbeiders werden massaal terug op de boot gezet, arbeiders verliezen hun baan, de middenklasse moet haar welvaartsdroom opgeven.’ Werkloosheid is een spook dat vooral ongeschoolde arbeiders bedreigt. Eind november meldde de regering dat de werkloosheidsgraad in 1998 verdubbeld was tot 4,9% en dat er 74.681 geregistreerde ontslagen gevallen waren. Vakbondskringen zijn geneigd om dat laatste cijfer alvast te verdubbelen. Sharir nodigt me uit om naar Shah Alam te komen, een industriële voorstad van Kuala Lumpur. ‘Dan word je niet zo verblind door al die flanerende meisjes in de winkelstraten’, grapt hij.

Shah Alam, donderdagmorgen. Syed Sharir had gelijk. Er zijn hier nauwelijks mensen op straat en ik zie bijna geen winkels. Dit is geen voorstad, dit is een industrieterrein, denk ik als de bus met levensgevaarlijke snelheid langs de brede lanen zoeft. Het gebrek aan opgesmukte consumptie wordt echter ruimschoots goedgemaakt door de aanwezigheid van industriële activiteit. Ik zie nog steeds de crisis niet. Trouwens, merk ik op tijdens een gesprek met enkele metaalarbeiders, vijf procent van de mensen werkloos, dat is niet weinig natuurlijk, maar in vergelijking met Zuid-Korea, Indonesië en Thailand komen de Maleisische arbeiders er toch goed vanaf. De vier mannen kijken me sprakeloos aan. Of ik dat nog eens wil herhalen? Traag, graag? De ongemakkelijke stilte wordt dan snel opgevuld met een stroom van verhalen en voorbeelden die moeten aantonen dat het leed in Maleisië misschien minder extreem is dan in Indonesië, maar dat de klap van de crisis toch zwaar aangekomen is. Gopal Sundramoorthy werkt bij Associated Motors Inc., een autoassemblagebedrijf waar onder andere wagens geproduceerd worden voor Ford, BMW, Landrover en Scania. Hij weet wat crisis betekent: ‘De afgelopen jaren moesten we dagelijks zo’n twee uren overwerken én alle zaterdagen werken. Dat is allemaal voorbij. Sinds de crisis in september 1997 begon, zijn 750 van de 1200 arbeiders ontslagen. Voor ons, die het geluk hebben nog steeds een baan te hebben, ligt het loon dat we vandaag werkelijk mee naar huis nemen zo’n veertig procent lager dan een jaar geleden. Tegelijk werden rijst, groente, olie, vis, uien en bloem flink duurder. Langs twee kanten worden er dus grote happen uit onze pas verworven welvaart genomen.’ Honger lijden deze arbeiders niet. Nog niet. Maar geld voor ontspannende activiteiten -naar de bioscoop of uit eten gaan, een glas drinken of een dagje winkelen- is er niet meer. Ze hebben het alle vier al knap lastig om de afbetalingen op hun bescheiden woningen maand na maand vol te houden. Mohamad moest zijn pensioenspaarrekening reeds aanspreken om dat probleem voorlopig op te lossen. John gaf zijn gsm op, Mahdi neemt een maaltijd per dag minder. Gopal slaagt er nog net in de eindjes aan elkaar te knopen omdat zijn vrouw voor een tweede inkomen zorgt. Heel wat arbeiders proberen trouwens zelf een tweede of derde inkomen te vinden, kwestie van de ingeleverde overuren te compenseren. Zo klust Mahdi bij als loodgieter en heeft Mohamad tijdens de weekends een eetstalletje langs de weg.

Petaling Jaya, vrijdagochtend. Ik logeer in een voorstad van Kuala Lumpur, ergens tussen het centrum van de stad en Shah Alam in. De munttelefoon van de broeders van La Salle is buiten werking. Ik schaf me dus een telefoonkaart aan van Uniphone én van Telekom, kwestie van zowel blauw als geel te kunnen bellen. Het duurt even voor ik Gopal opnieuw kan bereiken -telefoonkaarten zijn een handige uitvinding, maar ze blijken in Maleisië vaker niet dan wel te werken-, maar uiteindelijk krijg ik zijn zoontje aan de lijn. Hij roept zijn vader in een voor mij onverstaanbaar Tamil. Het is de bedoeling dat Gopal me meeneemt naar Associated Motors Inc., maar dat kan niet doorgaan, zegt hij: ‘De fabriek is helemaal dicht gegaan, ten minste tot februari 1999.’ Hij hoopt die drie maanden te overbruggen door een baantje hier of daar, bovenop het driekwartloon dat het bedrijf die periode zal uitbetalen. ‘Voor die overeenkomst hebben we hard moeten vechten’, zegt Gopal. Naast de schnabbels waarop hij hoopt, zal hij de volgende maanden nog meer tijd dan voorheen investeren in de vakbond, want ‘het is dankzij een stevige vakbondswerking dat we van de bedrijfsleiding collectieve arbeidsovereenkomsten en sociale begeleidingsmaatregelen kunnen afdwingen.’ Maar dat betekent ook dat hij de eerstkomende dagen geen tijd meer voor me heeft. Rijst, kip en vakbondswerk gaan voor.

DE LAATSTE MALEISIËR

Batang Berjuntai, zaterdagmiddag. ‘Met de autoproductie gaat het bar slecht, de rubber- en palmolieplantages daarentegen floreren als nooit tevoren. Hetzelfde kan niet gezegd worden van de rubbertappers en palmoliewerkers’, zegt Peter Rayappan. Het is zichtbaar weekend als ik met hem de plantages binnenrijd: geen vrachtwagens die af en aan rijden, nauwelijks mensen op de weg. Kilometer na kilometer ononderbroken rijen palmbomen, afgewisseld met rubberbomen. Dit zijn geen bossen, maar groene lopende banden. Openluchtfabrieken, maar voor iemand die recht uit Kuala Lumpur komt, zijn ze ook vol bekoorlijke rust. Peter is onderwijzer en drijvende kracht achter een vereniging van kredietcoöperaties. Hij kent God en klein Pierke op de plantages. Als ik samen met hem binnenstap bij Georges en Santhammeh Pushpannathin, is het eerste dat ik zie een dansende Indiër. Zijn ravenzwarte haren glimmen van de olie en zijn in golven gelegd. Hij zingt zijn liederen van liefde en verlangen en telkens wanneer hij zijn hoofd draait, draaien vijftig hoofden met hem mee. De danspasjes zijn perfect ingestudeerd. De kleuren van zijn zijden hemd zijn kunstmatig fel, net zoals de opgevoerde emoties. De familie Pushpannathin, die voor het tv-toestel zit, wordt volledig opgeslorpt door het verhaal en door de dansnummers van de weekendfilm. Geregeld vallen er stiltes in het gesprek over heden en toekomst: dan gaan de gebeurtenissen op televisie even voor op hun eigen verhaal. Het eerste loopt immers, ondanks alle hartverscheurende ontwikkelingen, goed af. Of de geschiedenis van hun eigen familie ook zo’n mooie afloop zal hebben, daaraan twijfelen ze wel eens. De Indiase plantage-arbeiders hebben altijd onderaan de Maleisische maatschappelijke ladder gestaan. De heilzame gevolgen van de bumiputra-politiek van de regering Mahatir zijn grotendeels aan de Indiase minderheid voorbijgegaan. De Pushpannathins probeerden toch gebruik te maken van de opmerkelijke kansen die de jaren negentig in Maleisië presenteerden. Georges verliet de plantage om in een nabijgelegen metaalbedrijfje meteen het dubbele te gaan verdienen. Santhammeh slaagde er in om als kleuterjuf aan de slag te gaan, in het kleuterschooltje op de Surgi Tinggi Plantage, waar ze ook wonen. Net toen het leek alsof alles alleen maar beter kon gaan, veranderde de Maleisische economische droom in een nachtmerrie. Het bedrijf van Georges sloot zijn deuren. Hij heeft nu de keuze om opnieuw als rubbertapper te gaan werken of om een baan te aanvaarden in Shah Alam. Maar dat is elke ochtend en elke avond twee uren bussen.

De filmhelden hebben weinig last van dergelijke besognes. Al worden er ook op het kleine scherm bittere tranen geweend. De pauze in het gesprek duurt echter niet lang genoeg voor mij om te begrijpen waar het filmverdriet vandaan komt. ‘We hebben er lange tijd aan gedacht om te verhuizen’, zegt Georges plots, ‘weg van het uitzichtloze bestaan op en rond de plantages. Voor ons, Indiërs, is immers alleen het vuile en onderbetaalde werk weggelegd. Maar de anonimiteit en de drukte van de stad spreken ons niet aan. En hier kunnen we onze eigen taal spreken, onze eigen gewoontes beleven, samen naar de film kijken.’ Waarop iedereen weer opgeslorpt wordt door het verhaal van de ontrouwe echtgenoot die zijn wanhopig dansende echtgenote koudweg negeert. ‘Gelukkig maar’, zegt Santhammeh een paar minuten later alsof het gesprek gewoon verder gaat, ‘zijn we hier blijven wonen. Iedereen heeft het tegenwoordig moeilijk om de eindjes aan elkaar te knopen en in heel wat gezinnen leidt dat tot serieuze spanningen tussen man en vrouw. Onder Indiërs is er echter veel onderlinge ondersteuning en dat zorgt ervoor dat er alles bij elkaar weinig huwelijken op de klippen lopen.’ Enkele uren later -Indiase films duren zéér lang- is iedereen op tv gelukkig en iedereen vóór tv ontroerd. De dagelijkse zorgen zijn weer eens even vergeten. En omdat het zaterdagnamiddag is, krijgen de kinderen extra frisdrank.

Batang Berjuntai, zondag. Ik breng het hele weekend door bij Peter Rayappan en zijn gezin. Dochter Jeyamaria zit aan de keukentafel te studeren voor haar eindexamen middelbaar onderwijs. De vijfjarige Jeyarubini heeft daar geen boodschap aan en jengelt alsof niemand zich moet concentreren. De vijftienjarige zoon -Jeyaruban- is ongeveer dezelfde overtuiging toegedaan: hij zet de Tamil popmuziek zo luid dat het al moeilijk is om je aandacht bij de strips in de krant te houden. Verder huisvest het bescheiden optrekje de zwijgzame binnen- en buitenlopende vader van Peter, een inwonende vriendin van Jeyamaria -die eigenlijk ook zou moeten studeren- én moeder des huizes, kern van alle dingen, toeverlaat van hongerigen en overwerkten: Jeyamary. Zij was als adolescente van plan om non te worden, uit verzet tegen haar zeer kastegevoelige ouders met hun dubbele moraal. Dat plan liep stuk op de liefde voor een seminarist: Peter. De twee trouwden met één voorwaarde in hun huwelijksovereenkomst: ze zouden allebei onverminderd verder gaan met hun inzet voor een meer rechtvaardige samenleving. ‘De laatsten zullen de eersten zijn’, is hun favoriete bijbelcitaat. Peter brengt zijn bergrede-spiritualiteit in de praktijk door de plantage-arbeiders te ondersteunen bij hun zelforganisatie, Jeyamary blijft haar keuze trouw door dagelijks naar Kuala Lumpur te gaan, waar ze mede een organisatie leidt die het opneemt voor de gastarbeiders. Ze kan mij geen sluitende cijfers geven over het aantal gastarbeiders die, aangetrokken door het verleidelijke lied van welvaart en vast werk, in Maleisië verblijven. Het meest geciteerde cijfer spreekt over 2 miljoen legale migranten en 1,3 miljoen illegale migranten in 1997. Op een bevolking van 22 miljoen Maleisiërs kan dat al tellen. Sinds het begin van de economische crisis heeft de regering haar migratiebeleid volkomen omgekeerd. Er worden nauwelijks nog toestemmingen gegeven voor contracten met buitenlandse arbeiders en iedereen zonder contract wordt verplicht om stante pede huiswaarts te keren.

EEN FOOI BRENGT REDDING

Kuala Lumpur, dinsdagavond. Shirad pikt me op in het restaurantje tegenover de kantoren van Tenaganita. Hij is afkomstig uit Bangladesh en zorgt in zijn vrije uren mee voor landgenoten die het moeilijk hebben. Shirad vraagt de taxi te stoppen voor een houten schutting in Jalan Chan Sow Lin, een volkomen onopvallende straat, aan de buitenkant van Kuala Lumpur. Bedrijfsgebouwen en anonieme woningen wisselen elkaar af. Auto’s en bussen laveren tussen de gaten in het wegdek. Achter de schutting ligt een metaalbedrijfje. Op het bedrijfsterrein staan enkele barakken waar zo’n vijftig Bengalezen blijken te wonen. De mannen zijn volop bezig zich te wassen. Enkelen staan hun potje te koken. De matrassen liggen in rijen van tien op houten platformen, het wasgoed droogt op kris kras gespannen draden. Het logement is gratis, zeggen ze, alsof het een gunst betreft. Hun schamele loon -zo’n 360 ringgit (1 ringgit is 9 BEF of 0,5 Gulden) per maand- volstaat om van te leven, aangezien ze toch geen tijd hebben om veel in de stad rond te hangen. Bovendien, zegt één van de mannen, ‘loop je toch altijd de politie tegen het lijf. En ook al heb je de nodige papieren, dan nog is het een vervelende ervaring.’ Deze groep arbeiders kwam in 1993 naar Maleisië met een vijfjarencontract. Dat loopt binnenkort af en ze weten nu al dat er geen kans bestaat op verlenging. Dat betekent dat ze zullen moeten terugkeren. Zonder de bergen goud en goederen waarvan ze droomden toen ze vijf jaar geleden de oversteek maakten. Zonder toekomstperspectief in eigen land. Ze beseffen dat zij de rekening van de economische crisis betalen, dat zij de schokdemper zijn die de Maleisische arbeiders behoeden voor massale werkloosheid. Maar ze zijn daar op een voor mij onbegrijpelijke wijze niet bitter om. Wie in Bangladesh groot geworden is, heeft geleerd het lot te aanvaarden zoals het komt. Dat is geen fatalisme. Dat is een rationele overlevingsstrategie. Al moet gezegd worden dat niet iedereen wiens verblijfsvergunning afloopt zonder mopperen het land verlaat.

Kampung Pandan, woensdagnamiddag. Fahami is een Indonesiër die al sinds 1976 in Kuala Lumpur woont. Hij behoort nog tot de generatie migranten die erin slaagden om een permanente verblijfsvergunning te krijgen. Als ik zijn huis in Kampung Pandan binnenkom, ben ik onder de indruk van de ruimte en het aantal kamers. Nochtans is de buurt allesbehalve riant: ze heeft meer weg van de klassieke krottenwijk dan van een stukje Maleisische ontwikkelingsdroom. In de loop van ons gesprek komt de ene na de andere vriend erbij zitten en wordt me duidelijk dat dit niet Fahami’s huis is, maar dat hij, net als al die anderen, hier een kamer huurt. ‘Het is erg rustig in huis’, zegt Fahami, ‘sinds de meeste bewoners gebruik maakten van de amnestie voor documentlozen. Daardoor konden ze tot 15 november zonder problemen het land uit.’ Niet alle achterblijvers hebben de nodige papieren en zelfs wie over alle mogelijke documenten beschikt, kan nog niet op twee oren slapen. Fahami: ‘Onlangs deed de politie een inval in de wijk. Ze zeiden dat ze op zoek waren naar illegalen, maar ook wie wel een contract en een verblijfsvergunning had, kreeg het zwaar te verduren. De immigratiedienst, de politie, het leger: met z’n allen omsingelden ze de wijk om twee uur ‘s nachts. Als arrogante beren stapten ze hier binnen, zelfs zonder hun laarzen uit te trekken -een onvergeeflijke onbeleefdheid. Iedereen werd buiten, onder de grote boom, verzameld. Wie papieren had, werd verweten dat ze niet helemaal in orde waren. Alleen een serieuze fooi redde je uit de problemen. Wie geen papieren kon tonen, werd meegenomen en via detentiekampen uit het land gezet. Die kregen zelfs niet meer de kans om hun spullen of spaargeld op te halen.’ Muchtar, een andere Indonesiër die intussen bij ons is komen zitten, zegt dat die hele inval deed denken aan de Japanse bezetting van Indonesië tijdens de Tweede Wereldoorlog. ‘Hoogzwangere vrouwen, kinderen en volwassen mannen: iedereen werd op dezelfde, brutale manier behandeld. Ik voelde me als mens diep gekwetst.’

DE HELD IS EEN LAFAARD

Kuala Lumpur, donderdagnamiddag. De Maleisische economie mag dan al in het slop zitten, de nationale vlag stelt het uitstekend. Niet alleen wappert een immens exemplaar van de ‘Jalur Gemilang’ aan de 100 meter hoge vlaggenmast op Merdeka Square en zijn alle openbare gebouwen bevlagd alsof het elke dag prinsjesdag is. Dat is in Maleisië dagelijkse kost. Bovendien lanceerde een Maleisische bedrijvengroep in november een ‘Raise our Flag’ campagne. In het centrum van Kuala Lumpur delen vrolijke jobstudenten zelfklevende vlaggenstokjes uit of plaatsen die zonder vragen op het dak of de motorkap van stilstaande auto’s. In de kranten verschijnen paginagrote advertenties en op tv lachen kinderen van de drie grote etnische groepen je toe in vlaggenzwaaiende spotjes. Al dat gesponsorde patriottisme is echter minder belangeloos dan het schijnt. De bedrijvengroep die zo hoog opgeeft van de nationale vlag zat namelijk met zware en onbetaalbare leningen na de financiële crash en de regering was zo voorkomend die -met het geld van de gewone belastingbetaler- over te nemen. Een mens zou voor minder met de vlag gaan zwaaien.

Petaling Jaya, donderdagavond. ‘Al dat gedoe met die vlaggetjes, dat geblaat over nationale trots en over de meerwaarde van de Aziatische cultuur, dat komt alleen voort uit een fundamenteel minderwaardigheidsgevoel’, zegt Rafique Rashid, een anti-establishment zanger. Hij is erg populair, maar heeft nog nooit een plaat opgenomen. De greep van de regering op de culturele sector is zo groot dat hij te veel inhoudelijke compromissen zou moeten sluiten om aan een platencontract te komen. We treffen elkaar aan de bar van de TGI Friday’s Club, waarbij TGI staat voor ‘Thank God It’s’. ‘De ontwikkeling van de afgelopen jaren wordt perfect samengevat in de Petronas-torens, met hun 451 meter de hoogste gebouwen ter wereld. De tweelingtorens zijn hoog en schitterend van buiten, maar leeg van binnen. We hebben ons BNP doen zwellen als de spieren van een bodybuilder, maar onze hersenen laten verschrompelen.’ De economische crisis legt de fundamentele, culturele problemen van Maleisië opnieuw op tafel, meent Rashid. Wat die fundamentele problemen zijn, illustreert hij met het verhaal van Hang Tuam, de nationale held van Maleisië. ‘Die legendarische figuur wordt vooral geroemd vanwege zijn onvoorwaardelijke trouw aan de heersende sultan van zijn tijd. Hij gehoorzaamde zelfs toen hij de opdracht kreeg om zijn boezemvriend te vermoorden. Ons grote voorbeeld is, met andere woorden, een hielenlikker. Geen wonder dat het hoofd van de politie een meer dan levensgroot portret van deze ‘held’ in zijn kantoor heeft hangen.’ Rashid vertelt het verhaal met een droefheid die veel dieper gaat dan de drie glazen Tiger Beer kunnen verklaren. ‘Maleiers zijn veel te veel geneigd om met z’n allen ja te knikken als de macht spreekt. Wij zijn dorpsbewoners gebleven die niet riskeren om de feodale afhankelijkheid van de heerser te doorbreken. De regering beslist dat vooruitgang uitgedrukt kan worden in de stijging van het Bruto Nationaal Product? We knikken met z’n allen. De premier zegt dat we trots moeten zijn op de Petronas-torens? Jawel, mijnheer de eerste minister.’

Ik werp tegen dat die neerslachtige cultuuranalyse juist vandaag niet meer opgaat. De hele wereld heeft toch gezien dat Maleisië op straat gekomen is voor ‘reformasi’ om de vrijheid te eisen van de gevangengenomen ex-vice-premier Anwar Ibrahim? Het is intussen echter middernacht en Rafique is niet meer in de stemming om de toekomst maakbaar en positief te zien. ‘Shut up’, murmelt hij. Dat blijkt de titel te zijn van een van zijn songs: ‘Iedereen die verdacht wordt van onreinheid / is voortaan een bedreiging voor onze nationale zekerheid / Let op je woorden, let op je woorden / Kijk uit wat je zegt / Als ze je toespraken niet lusten / komen ze en voeren je weg.’

DE DRIE ONDEUGDEN VAN MAHATIR

Vrijdagavond, Petaling Jaya. ‘Noem geen namen over de telefoon. Deze lijn wordt afgeluisterd. Kom gewoon tegen 21.30 uur naar de taxistandplaats tegenover het Hilton hotel. Ik zal je daar oppikken.’ De timing is perfect. Ik stap uit mijn taxi en nog voor ik de straat kan oversteken, stopt een kleine, gele auto naast me. De deur zwaait open, ik stap in. Het lijkt een goedkope zaterdagavondfilm, waarin ik de rol speel van bretellen-dragend speurder. Een week lang heb ik de actualiteit hier op de voet gevolgd en mij lijkt de vrijheid van meningsuiting in Maleisië niet overmatig bedreigd. Ik heb dan ook mijn bedenkingen bij de paranoia van iedereen die van ver of dichtbij te maken heeft met het straatprotest tegen de regering. Toch verzekert Maznah, zoals ik mijn anonieme contactpersoon noem, dat ze perfect gezond is. Geen last van achtervolgingswaanzin of van martelaarscomplex, dank u. ‘De schijnbare normaliteit van het dagelijkse leven in Maleisië is gebouwd op een cultuur van angst’, zegt ze. ‘De regering heeft de pers, de justitie, het leger, het onderwijs én de economie in handen. Dat is méér dan voldoende om verzet en protest te smoren. Het is dan ook een klein wonder dat er de afgelopen maanden geregeld gedemonstreerd is in Kuala Lumpur.’ Maznah is geen revolutionaire heldin, geen in het verzet gestaalde politica. Ze is een overwerkte moeder die meer taken heeft dan uren in een dag. Toch is ze opgeslorpt door het nevelige netwerk van groepen en individuen dat schuilgaat achter de algemene term ‘reformasi’. Ze heeft een baan die ze kan verliezen als haar betrokkenheid bij het anti-regeringsprotest uitlekt, maar ze heeft ook kinderen. En die verdienen een toekomst met meer vrijheid en met een duurzame economie. Daarom kan ze niet aan de kant blijven staan, vindt ze, nu er eindelijk een barstje gekomen is in de ondoordringbare muur waarachter rijke zakenmensen en hoge politieke verantwoordelijken de nationale pot onder elkaar verdelen.

Kampung Baru, zaterdagnamiddag. Op Maznah’s aanraden breng ik de dag door tegenover de Masjid Jamek moskee in Kampung Baru, een oude volkswijk in hartje Kuala Lumpur. Hier hebben de afgelopen weken de demonstraties plaatsgevonden voor ‘reformasi’. Daardoor heeft het politieke protest trouwens een duidelijke sociale kleur gekregen: de grotendeels arbeidende bevolking van Kampung Baru vecht ook tegen de dreigende onteigeningen ten gunste van weer een groots prestigeproject. Hun ‘reformasi’ is ook een kritiek op de ‘modernisasi’. Ik zit op een plastic stoeltje, onder een plastic zeiltje en mijn thee koelt, dankzij een tweede portie ijs, langzaam af. Alles is rustig in en rond de moskee. Er gebeurt niets en er hangt niets in de lucht. Ik voel me even een oorlogsverslaggever die zich van front vergist heeft, al heeft iedereen wiens naam ik niet mag noemen me verzekerd dat, indien er straatprotest zou plaatsvinden deze week, het hier en vandaag zou gebeuren. Stipt om vier uur verandert het plaatje. Negentien overvalwagens vol blauw en groen geüniformeerde ordehandhavers rijden de straten rond de moskee in, drie waterkanonnen parkeren aan de overkant van de drukke straat vlakbij en drie volle bussen met de gevreesde oproerpolitie worden aangevoerd. De kampung, zoals een wijk genoemd wordt in het Bahasa Malaysia- is vanaf nu bezet gebied.

Die bezetting belet niet dat de exemplaren van Harakah als zoete broodjes van de hand gaan. Harakah is de krant die gepubliceerd wordt door de islamitische oppositiepartij PAS en die wettelijk alleen aan leden verkocht mag worden. Dat deert de verkoper in Kampung Baru duidelijk niet. Hij verkoopt mij zonder problemen de jongste Harakah, al staat op mijn gezicht te lezen dat ik geen moslim ben, een voorwaarde om lid te worden van de partij. De bezettingsmacht schuilt onder het lover van de bomen en kijkt de andere kant op. Ik ga weer aan mijn tafeltje zitten en lees het Engelstalige katern, waarin een zekere K.P.Lee een korte bewerking publiceert van George Orwell’s 1984. Mahatir is Grote Broer, natuurlijk, maar het verhaal eindigt met een vonk van verzet in plaats van met de totale onderwerping aan De Partij. In de moskee wordt het bidden intussen afgewisseld met eindeloze ‘ceramahs’: korancommentaren verweven met moraliserende preken. Maznah vertaalt voor mij, waardoor de heerlijke wereld van islamitische beeldspraak voor mij opengaat. De voorganger heeft het over de Isra’ Mi’raj -de tocht van de profeet Mohammed tussen Mekka en Jeruzalem- en over de vele vreemde scènes die de profeet onderweg ziet. De predikant pikt er drie voorvallen uit. Zo zag Mohammed een groep mannen die hun tongen en lippen afsneden, waarna die opnieuw aangroeiden en het afsnijden opnieuw begon. Een tweede scène waarnaar de ulama verwijst, is die waarin een groep mannen zwemt in een poel van bloed, waarbij ze hun mond volstoppen met steentjes. De derde scène in de preek toont een groep mannen die in elkaars gezichten krassen met bronzen spijkers, waarbij ze het vlees dat van de gezichten komt, opeten. Het zijn voorbeelden van menselijke ondeugden, legt Maznah uit: in scène één veroordelen mensen andere mensen zonder reden, in scène twee buiten ze hun medemensen uit door rente te vragen, in scène drie bekladden ze de eer van de andere zonder hem de kans te geven zich te verdedigen. In de ‘ceramah’ vallen de namen Mahatir of Anwar niet. Er wordt niet gesproken over reformasi of demonstrasi. Toch is de boodschap duidelijk voor de toehoorders: premier Mahatir overtrad het onderricht van de koran door Anwar te beschuldigen van onnoembare misdaden. De opvallende steun voor Anwar vanuit islamitische hoek is een zware tegenvaller voor Mahatir. Met zijn homoseksualiteit-beschuldiging had die op het omgekeerde gerekend. Homoseksualiteit geldt in traditionele moslimkringen immers als een schande die zes generaties lang meegaat. Anwar had zich echter al heel wat jaren geprofileerd als de verdediger van de islam binnen de regering en die reputatie kon Mahatir blijkbaar niet breken.

Kampung Baru, zaterdagavond. Méér helmen, méér schilden, méér ‘Polis’. Een laag rondcirkelende politiehelikopter komt voor wat toegevoegde dramatiek zorgen. De stiltes tussen de -via luidsprekers over de hele kampung weergalmende- recitaties van de ulama wegen steeds zwaarder. Ik ben intussen verzeild geraakt in een groepje internationale verslaggevers. AP, AFP, Reuters en Wereldwijd/Bijeen staan klaar om de onvermijdelijke demonstratie nauwkeurig en objectief te verslaan. Ordehandhavers noemen ons in het voorbijgaan de ‘anti-Maleisische pers’. Motorrijders en wandelaars zijn ons duidelijk gunstiger gezind. Zij maken ons duidelijk dat het om zes uur zal gebeuren. Later wordt dat half acht, negen uur, half elf. Er gebeurt niets. ‘Misschien volgende week’, zegt Maznah. Om de afwezigheid van zichtbaar protest goed te maken, geeft ze me het telefoonnummer van Wan Azizah Wan Ismail, de vrouw van Anwar Ibrahim, die sinds Anwars arrestatie symbool staat voor de reformasi-beweging.

GOD IS RECHTVAARDIG

Bukit Damansara, woensdagnamiddag. Voor de villa-Anwar, gelegen in één van de chiquere wijken van Kuala Lumpur, fietst het jongste kind van Anwar tussen enkele geparkeerde auto’s. Wan Azizah ontvangt me in de ruime leefkamer. Uit een andere kamer -van een tienerdochter, zo blijkt- klinkt Maleise popmuziek. Wan Azizah zelf doet er alles aan om over te komen als een vrome moslimvrouw. Ze gaf haar praktijk als chirurg op om voor de vier kinderen te zorgen. Ze draagt een traditionele tudung en vertelt zacht en diplomatiek. Wan Azizah is moe, zegt ze aan het einde van het interview, emotioneel uitgeput van de dagelijkse zittingen op de rechtbank en van al de beschuldigingen die geuit worden aan het adres van Anwar: corruptie, homoseksuele relaties, overspel, landverraad. Maar ze wil haar innerlijke moeheid niet tonen. Ze wil sterk zijn. ‘Voor het welzijn van het land en van de komende generaties moet ik de vlam brandend houden die mij toevertrouwd werd. Net zolang tot ik de toorts terug kan geven aan Anwar.’ Waarover gaat die vlam van reformasi eigenlijk, vraag ik. ‘Reformasi, dat is het volk, dat is de uitbarsting van gevoelens die al langer leefden, maar waarvan nu duidelijk geworden is dat enorm veel mensen ze delen. Reformasi is de roep om een einde te maken aan de huidige regering die vooral bezig is het volk te muilkorven en gunsten uit te delen aan een kleine groep vrienden van Mahatir. Het is misschien de eerste keer in de geschiedenis van dit land dat een beweging de grenzen van de etnische gemeenschappen doorbreekt. Rechtvaardigheid is immers iets dat Maleiers, Chinezen én Indiërs aangaat. Tenslotte, als Anwar al geen andere mening mocht hebben dan Mahatir, welke ruimte is er dan voor de gewone man of vrouw in de straat?’

U spreekt over reformasi in politieke termen. Werd de breuk tussen Anwar en Mahathir ook veroorzaakt door verschillende visies op de economische crisis?

‘De economie speelde op meer dan één manier een belangrijke rol in de breuk. Toen de waarde van de ringgit -de Maleisische munt- gehalveerd werd, was er niet genoeg geld meer om verder te leven en te regeren als voorheen. De druppel die de emmer deed overlopen, was het voornemen om gemeenschapsgeld te gebruiken om privé-bedrijven uit de problemen te helpen. Anwar verzette zich daartegen, omdat hij niet wilde dat de rijke vrienden van de regering zouden profiteren van de spaarcenten van de gewone Maleisiërs. Daarom werd hij uit de regering gezet. Zodra hij weg was, werd het geld, dat van ieders loon afgehouden wordt om de pensioenen te verzekeren, toch aangesproken.’

Sommige mensen vrezen dat de reformasi-beweging er niet in zal slagen economische rechtvaardigheid te brengen, maar wel de islamitische krachten in de samenleving in de kaart zal spelen.

‘Er is sinds het uitbreken van dit conflict in Maleisië zeker een toename van de religiositeit. We voelen ons zo machteloos dat we onze toevlucht zoeken bij God. Veel mensen zeggen: ‘Maak je geen zorgen. God zal er wel voor zorgen, want God is rechtvaardig.’ Hetzelfde hoor ik van christenen. Zij bidden ook voor de gevangenen en voor Anwar. Daar is niets fout aan: je hebt religie nodig om van mensen goede mensen te maken. Maar dan gaat het over de fundamentele menselijkheid en goedheid in de mensen, niet over de verschillen tussen moslims, christenen, hindoes en boeddhisten. Anwar heeft altijd gesproken over de ‘Weg van het Midden’, een traditie die zowel bij Aristoteles, bij Confucius als in de koran gevonden wordt. Het gaat niet om veroveren, maar om respect. Niet om gelijk te hebben, maar om de waarheid te zoeken. Dat is van enorm belang in de multiculturele samenleving die Maleisië is. Als die zoektocht leidt naar een dieper en juister begrip van je eigen religie, dan zie ik daar geen probleem in. Iemand die meer religieus wordt, zal ook meer tolerant worden en vriendelijker voor zijn naaste.’

Bent u er zeker van dat conservatieve islamitische groepen zoals PAS dat ook zo zien?

‘Maar ik spreek niet over de politieke islam, net zomin als over de rituele kant van religie. Ik spreek over de humanistische kern van elke godsdienst, ook de islam. In het eerste zitten onze verschillen, in het tweede onze overeenkomsten. Ik benadruk liever wat ons bindt. Reformasi is er niet alleen voor moslims: rechtvaardigheid moet er zijn voor iedereen.’

Het met licht en mooie meubelen gevulde huis van de familie Anwar ligt letterlijk én figuurlijk mijlen ver van de kleine optrekjes van de plantage-arbeiders in Batang Berjuntai of van de metaalarbeiders in Shah Alam. Het mooie verhaal van Wan Azizah over verdwijnende grenzen tussen etnische gemeenschappen wordt tegengesproken door de Indiërs, Chinezen en Maleiers. Haar eigen, uitgesproken moslimprofiel spreekt tot de verbeelding van de Maleise meerderheid, maar zorgt juist voor wat afstand met de Chinese en Indiase minderheden. Toch verwoordt zij wat heel veel Maleisiërs voelen: ‘We moeten afkomen van de alles overheersende cultuur van angst. En ik geloof dat de hele reformasi-beweging daarin al heel goed geslaagd is.’

BUSJE KOMT ZO

Petaling Jaya, vrijdagavond. Enkele uren voordat ik verwacht word op de spiksplinternieuwe luchthaven van Kuala Lumpur, sta ik weer tegenover het Hilton-hotel. De kleine, gele wagen daagt echter niet op. Drie kwartier na het afgesproken uur, bel ik Maznah op. Het nummer ken ik intussen van buiten, maar ik krijg geen antwoord. Nog eens een kwartier later komt ze uit de bocht gescheurd, parkeert haar autootje dubbel en springt er snel even uit. Neen, het geplande afscheidsetentje kan niet doorgaan. Ze heeft daarnet haar zoontje in het ziekenhuis moeten achterlaten met een plotse koortsverhoging, die de arts herkend had als een bijzonder kwaadaardige malaria-aanval. De jongen riskeert uitdroging en zijn moeder een levensgroot schuldcomplex. ‘Ik ben het hele Anwar-gedoe zat’, flapt ze eruit. De moeder in haar haalt het vanavond op de activiste. De kritiek op de ondemocratische regering wijkt even voor de hoop dat de gezondheidszorg toch nog fatsoenlijk functioneert. We nemen dan maar afscheid zonder etentje. ‘Maar niet zonder kaarsen’, zegt ze. Ze voert me snel enkele straten verder. Daar zit een tiental mensen op de grond, in een bushokje tegenover een grote politiekazerne. Ze houden een wake voor Tian Chua, een etnisch-Chinese mensenrechtenactivist die veertien dagen eerder zonder duidelijke aanleiding gearresteerd werd en nog steeds opgesloten zit. Drie medestanders van Chua zingen een lied over ‘reformasi’, met z’n allen brengen ze een aandoenlijk valse versie van ‘We shall overcome’. Chua Thien See, de jongere zus van de gearresteerde, legt nog eens het verband tussen de economische crisis en de politieke onrust: ‘De taart is veel kleiner geworden en iedereen vecht voor zijn stuk. Mahatir en zijn kring doen dat, maar Anwar werd wellicht ook voor een deel door die overweging gedreven. Voor de regering zijn mensenrechtengroepen nu in elk geval uiterst vervelend. Ze lopen in de weg en noemen te veel namen. Daarom zit mijn broer nu achter de tralies.’ Elke sympathisant die langskomt, steekt een kaars aan. Voor Chua, voor reformasi, voor een rechtsstaat voor iedereen. Ik ontsteek twee kaarsen: één voor Maleisië en één voor een jongetje van vijf met hoge koorts.

BUMIPUTRA WAS EEN TOVERWOORD

Premier Mahatir publiceerde in 1970 ‘The Malay Dilemma’, een boek waarin hij het Maleise volk omschreef als ‘door de evolutie minder geselecteerd’ en dus minder ondernemend dan met name de Chinese landgenoten. Het is op basis van de analyse in dit boek dat Mahatir later zijn ‘bumiputra’ politiek ontwikkelde. Bumiputra betekent letterlijk de ‘zonen van de grond’. Mahatir gebruikt de term op de eerste plaats voor de Maleiers, maar rekent daar ook de verschillende inheemse volkeren uit Sabah en Sarawak bij. Deze bumiputra kregen voorrang in onderwijs, in overheidsbetrekkingen en bij het verdelen van de groeiende welvaart. Gecombineerd met de economische groeicijfers van de jaren tachtig en negentig, deed deze politiek van inkomensherverdeling wonderen. In 1970 leefde de helft van de Maleisische gezinnen onder de armoedegrens, tegen 1995 was dat teruggebracht tot 9 procent. De regering voorzag dan ook gedurende twee decennia dertig procent van haar budget voor sociale voorzieningen. Daardoor werden elektriciteit, drinkwater, gezondheidszorg en onderwijs beschikbaar voor de overgrote meerderheid van de bevolking, zowel in de stad als op het platteland. De crash van 1997 vernietigde de bumiputra-droom en tegelijk de vanzelfsprekende steun van die bumiputra voor de regering.

Een kleine kring Maleiers genoot tijdens de jaren van onstuitbare groei van geprivilegieerde contacten met de regering. Zij kregen belangrijke overheidsbestellingen of mochten -samen met of in opdracht van de overheid- visionaire en prestigieuze projecten uitvoeren. Deze Maleise bovenlaag was het eerste ‘slachtoffer’ van de economische crisis. De écht grote bumiputra-spelers hadden immers gigantische schulden gemaakt om al die hoogste gebouwen, nieuwste luchthavens en grootste stuwdammen te bouwen. De schulden in dollars verdubbelden plots met de devaluatie van de ringgit. De regering besliste om overheidsgelden te gebruiken om deze bevriende ondernemers uit de problemen te halen. ‘Mirza valt van de hoogste top en wij betalen de parachute’, zo vatten de Maleisiërs de situatie samen. De oudste zoon van premier Mahatir, Mirza, is één van de miljardairs die vreselijk diep in knoei raakten door de ineenstorting van de beurs.

REFORMASI: JONG EN KWETSBAAR

Aziaten zijn spaarzaam, hardwerkend, gericht op het gemeenschappelijke welzijn en op consensus en hebben dus minder behoefte aan politiek pluralisme dan aan sterk leiderschap. Zo ongeveer klinkt het verhaal over de ‘Aziatische Waarden’ dat premier Mahatir het voorbije decennium keer op keer verkondigde. Deze ‘Aziatische Waarden’ lagen volgens hem aan de basis van de Aziatische economische wonderen. De verschillen tussen confucianistische Chinezen en hindoeïstische Indiërs, islamitische Maleiers en boeddhistische migranten, animistische inheemse groepen en christelijke minderheden werden onder het tapijt geveegd van een politiek-culturele ideologie die uiteindelijk moest dienen om de hele bevolking achter de kar van de snelle industrialisering en van Mahatir’s eigen macht te spannen. Dat lukte. Voor veel Maleisiërs was het discours over ‘Aziatische Waarden’ een gedroomde revanche op de koloniale heersers uit het Westen. Dat daarvoor zowel de westerse realiteit als de eigen, diverse tradities op een karikaturale wijze voorgesteld moesten worden, dat nam iedereen er blijkbaar zonder problemen bij. Vandaag stijgt de werkloosheid in Maleisië naar Europese gemiddelden. De economie krimpt, de maatschappelijke consensus is zoek en de manier waarop het machtsconflict tussen Mahatir en Anwar wordt uitgevochten, past helemaal niet in het kader van de ‘Aziatische Waarden’.

In 1996 reeds schreef Anwar Ibrahim -toen nog gedoodverfde troonopvolger van Mahatir- zijn ‘Asian Renaissance’, waarin hij pleitte voor meer ruimte voor individuele verschillen en politiek pluralisme. Zijn pleidooi was niet pro-westers, maar gebaseerd op een meer diepgaande lezing van Confucius en andere Aziatische denkers. Na zijn ontslag als vice-premier probeerde hij een volksbeweging tegen Mahatir op de been te krijgen, vergelijkbaar met de ‘reformasi’-beweging die begin 1997 in buurland Indonesië Suharto op de knieën had gekregen. Deze beweging geraakte niet helemaal van de grond omdat Anwar al na enkele dagen gearresteerd werd. Toen de protestbeweging in Indonesië eind 1997 ontaardde in pogroms tegen Chinezen en christenen, probeerde de regering de Maleisische ‘reformasi’-beweging ook in diskrediet te brengen. In de kranten -bijna allemaal onder regeringscontrole- werden dagelijks grote kleurenfoto’s gepubliceerd van plunderingen en rellen in Indonesië. Die beelden werden gecombineerd met het steeds maar herhalen van de formule ‘gewelddadige straatdemonstraties’, ook al werd er in Maleisië het woelige najaar lang geen geweld gepleegd. Het resultaat is wel dat de Maleisische ‘reformasi’ grotendeels een Maleise zaak blijft en dat de grote meerderheid van de Chinezen zich achter de regering Mahatir lijkt te scharen. En dat is niet minder dan een omkering van de verhoudingen die twee decennia lang het maatschappelijke leven in Maleisië bepaald hebben.

EIGEN SCHULD, DIKKE BULT

De economische ellende begon voor Maleisië op 27 augustus 1997 met een massale speculatie tegen de lokale munt. Binnen enkele maanden verloor die ringgit zowat de helft van zijn waarde. Vandaag is één US dollar 3,80 ringgit waard. Die muntcrisis verdiepte zich langzaam tot een economische crisis en tegen augustus 1998 was de Kuala Lumpur beursindex van 1270 punten naar 264 punten getuimeld. De Maleisische economie, die een decennium lang met een jaarlijks gemiddelde van acht procent gegroeid was, is -volgens regeringscijfers- in 1998 met 4,8 procent gekrompen.

De politieke beroering in het anders zo rustige Maleisië heeft alles te maken met de vraag wie verantwoordelijk is voor deze slag in het gelaat van de trotse Maleisische economie. Volgens premier Mahatir is het de schuld van de westerse speculanten op de beurs. Van de joodse samenzwering tegen welvarende moslimlanden. Van het internationale kapitalisme. Van oude kolonisatoren in nieuwe kleren. Van de ongebreidelde globalisering. Het is dit soort ‘analyses’ dat hem tot de held van menig derdewereldactivist gemaakt heeft. De laatste leider uit het Zuiden die nog ongezouten zijn mening over het westerse imperialisme durft te geven. De vraag is echter of Mahatir met zijn krasse taal ook de waarheid spreekt. Is de huidige terugval van de Maleisische economie het gevolg van een bewuste aanval van het internationale speculatiekapitaal op een land dat uit de put van onderontwikkeling probeert te kruipen? ‘Gedeeltelijk wel’, zegt Charles Santiago, docent economie aan het Stamford College in Petaling Jaya. ‘Maar Mahatir oogstte de storm die hij zelf gezaaid had. De economische groei van de voorbije tien jaar was tenslotte gebaseerd op een toenemende inschakeling van de Maleisische economie in de wereld van het globale kapitaal. Het was Mahatir zelf die ervoor gezorgd heeft dat de watervoorziening, de elektriciteitsvoorziening, de hoofdwegen en de spoorwegen geprivatiseerd werden. Hij heeft de bevolking gestimuleerd om te investeren in aandelen. Hij was de drijvende kracht achter al die megaprojecten die miljarden ringgits opslorpten zonder dat ze nodig waren of winstgevend werden.’ Santiago’s collega Jomo K.S., professor economie aan de University of Malaya, voegt daar aan toe dat ‘de crisis veroorzaakt werd door het wegvallen van de regels die het internationale verkeer van kapitaal controleerden. De financiële liberalisering van de afgelopen jaren -een politiek die de huidige regering voerde onder druk van internationale instellingen als de Wereldhandelsorganisatie- ondergroef de mogelijkheden van de regering om effectief in te grijpen op ongunstige momenten. Daarbij komt echter dat de verwevenheid van politieke macht en zakelijke belangen zwaar gewogen heeft op de manier waarop de overheid gereageerd heeft op de aanval op de Maleisische munt.’ Met andere woorden: niet het belang van de nationale economie stond voorop, maar het privé-belang van enkele grote industriëlen.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 3190   proMO*’s steunen ons vandaag al. 

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur