Het duurzaamheidsrapport van Paars

Hoe bracht de paarse regering het er van af inzake duurzame ontwikkeling? Voerde ze een samenhangend ontwikkelingsbeleid? Zorgde ze voor een ecologische omslag? Maakte ze ons land weerbaarder op de woelige zee van de mondialisering? MO* toetst het regeringswerk aan enkele cruciale doelen die Paars zichzelf had gesteld.
Eind november 2006. Vanuit het kabinet van premier Guy Verhofstadt vertrekt volgende mail naar de kabinetten van de liberale ministers De Gucht, Dewael, Verwilghen, Reynders, Laruelle, Vanquickenborne: ‘In de media doet men al alsof de DOEB een feit is maar we moeten op de rem gaan staan. Een bijkomende test voor de agendapunten op de ministerraad op basis van criteria van duurzame ontwikkeling is onaanvaardbaar en zal leiden tot het niet aanvaarden van liberale projecten want er zal altijd iets aan schelen.(sic)’
Deze e-mail, per ongeluk in de verkeerde computer beland, roept de betrokken ministers op naar de interkabinettenwerkgroep van 30 november te komen en zich samen te verzetten tegen de DOEB-test die staatssecretaris voor Duurzame Ontwikkeling Els Vanweert (Spirit) voorstelt. DOEB staat voor –en hou je nu even vast– Duurzame Ontwikkeling Effect Beoordeling, en de DOEB-test of duurzaamheidstest houdt in dat voor alle beslissingen van de ministerraad voortaan reglementair wordt afgewogen welke gevolgen ze hebben voor de duurzame ontwikkeling in België en het buitenland. Ondanks het liberale verzet werd de DOEB-test op 16 maart 2007 aanvaard.
De geciteerde mail is tekenend voor de gespletenheid van de paarse regering, en eigenlijk zelfs voor de gespletenheid… in de geest van onze premier. Verhofstadt riep immers op 26 september 2001 in zijn tweede brief aan de andersglobalisten zelf op tot zo’n test: ‘We hoeven niet op de G8 te wachten om met een ethische globalisering van start te gaan. We kunnen beginnen in onze eigen Europese tuin. Waarom zouden we elke beslissing die de Unie neemt niet steeds toetsen aan de impact ervan op de zwaksten van deze planeet? Vergroten ze de kloof tussen het rijke Noorden en het arme Zuiden? Wat is het gevolg van deze of gene beslissing voor de wereldwijde ecologische problemen?’ Vijf jaar later noemt deze zelfde premier, of toch zijn kabinet, zo’n test voor de Belgische regering onaanvaardbaar.
De mail illustreert tevens de gespletenheid van de regering. Liberalen en socialisten hadden op heel wat sociaal-economische terreinen tegengestelde instincten. Dat is normaal, maar het heeft uiteraard gevolgen voor de slagkracht van een regering. Zeker als het gaat om domeinen waarop verschillende ministers moeten samenwerken.

Geen ecologische omslag


Neem nu milieu. Om hier een trendbreuk te forceren, moet op verschillende domeinen worden gewerkt. Een paar activistische staatssecretarissen volstaan niet. Dat bewees paarsgroen al, dat er volgens WWF en Ecolife niet in slaagde om de ecologische voetafdruk van België te verkleinen. (zie grafiek).
Het probleem van Belgisch milieuminister Bruno Tobback was niet alleen dat de gewesten een groot deel van de milieubevoegdheden hebben, maar ook dat cruciale federale domeinen als financiën en energie in handen waren van ministers voor wie milieu amper meespeelde in hun beleid. Nochtans is groene belastinghervorming cruciaal voor een milieubeleid. Alleen door de reële milieukosten van producten in rekening te brengen, bijvoorbeeld via taksen, kan de markt in een duurzame richting gestuurd worden. In het regeerakkoord van paars stond dat ‘op meerdere terreinen vergroening van de fiscaliteit zal worden ingevoerd.’ De doorgaans erg diplomatische OESO merkt in zijn evaluatie (2007) van het Belgische milieubeleid op dat ‘België geen actie heeft gestart voor een groene belastinghervorming, zoals we nochtans hadden aanbevolen in de vorige evaluatie (van 1998).’ Ecologische taksen die gecompenseerd worden door lagere arbeidslasten, scheppen trouwens banen, stelt de OESO.
Didier Reynders (MR) was 8 jaar minister van Financiën, lang genoeg om te demonstreren dat een groene belastinghervorming hem niet interesseert. Er werd al wel eens een maatregeltje genomen zoals het afschaffen van de fiscale subsidiëring van 4x4’s, maar door de fiscale aftrek van bedrijfswagens bleven andere zware wagens en het rijden van heel veel kilometers toch nog gesubsidieerd. Reynders hanteerde daarbij zijn ondertussen gekende tactiek: in plaats van voorstellen expliciet te verwerpen, remde hij met allerlei subtiele manoeuvres zoveel mogelijk elke groene vooruitgang af. De ecotaks op drankverpakkingen is daarvan het gekendste voorbeeld. Toch was Reynders er als de kippen bij om aan te schuiven toen Al Gore op de koffie kwam bij premier Verhofstadt.
Ander belendend perceel van het milieubeleid is energie. Dat kwam in 2004 in handen van Marc Verwilghen (Open VLD). De BBL beweert dat paars op vier jaar tijd niets deed om de uitstap uit kernenergie voor te bereiden. Dat is misschien wat sterk uitgedrukt, maar geen enkele van de vijftien oude EU-lidstaten haalt een kleiner aandeel van zijn elektriciteit uit hernieuwbare bronnen dan België, dat met nog geen drie procent ver onder het gemiddelde van dertien procent ligt. In het regeerakkoord stond: ‘Tegen eind 2004 zal het eerste windmolenpark in de zone op en achter de Thorntonbank voor de Noordzeekust in een productiefase treden. Het afleveren van alle vergunningen, licenties en concessies zal versneld worden, door een gecoördineerde aanpak.’ Maar de versnelling van Verwilghen en minister van de zee Renaat Landuyt viel zwaar tegen: in 2007 staat er nog geen enkele molen, men moet zelfs nog beton beginnen gieten.
Niet dat er niets werd gepresteerd op milieugebied. Milieuminister Tobback en staatssecretaris voor Duurzame Ontwikkeling Els Vanweert weerden zich met de middelen die ze hadden. Klimaatvriendelijk (ver)bouwen wordt fiscaal meer gestimuleerd en in 2005 slaagde België er voor de eerste keer in ondanks de serieuze economische groei toch minder broeikasgassen uit te stoten dan in 1990. Met dank aan de hoge olieprijzen. Toch wachten België nog serieuze inspanningen om de Kyoto-doelstellingen te halen. Tobback en Vanweert slaagden er niet in om echt in te breken in het fiscale beleid en het energiebeleid en ze maakten daar niet eens veel kabaal over. Het gevolg was een regering die leek te wachten op Al Gore en het vertikte leiding te geven omdat dat stemmenverlies zou betekenen.

Ontwikkelingsbeleid


Een ontwikkelingsbeleid –een beleid dat rekening houdt met de ontwikkelingsnoden van de veel armere delen van de mensheid– houdt veel meer in dan ontwikkelingshulp. Bij zijn aantreden wekte minister van Ontwikkelingssamenwerking Armand De Decker de indruk dat hij zich daarvan bewust was, want hij noemde coherentie zijn topprioriteit. Het Center for Global Development (CGD), een ngo en denktank met hoofdkwartier in Washington, probeert al jaren in kaart te brengen welke landen hierin goed scoren.
De resultaten voor 2006 zijn duidelijk: als het gaat om hulp staat België op de zesde plaats, voor het algemene ontwikkelingsbeleid zakt het naar de 15de plaats, na de VS en mijlenver achter koploper Nederland. De cijfers van CGD zijn niet onfeilbaar, maar ze tonen wel dat België inzake coherentie zwak presteert. Het was dus goed nieuws toen Igor Haustrate, ambtenaar van het Directoraat-Generaal voor Ontwikkelingssamenwerking (DGOS) vrij snel na het aantreden van De Decker opdracht kreeg een nota te schrijven over hoe coherentie in praktijk zou worden gebracht. Toen we Haustrate onlangs opbelden, bleek de nota nog altijd niet af. Haustrate vond het zelf wat gênant dat de minister zijn plannen voor deze ”prioriteit” nog niet af had. Er was weerstand in de ministerraad, zo luidde het vage excuus.
Dat zal wel: coherent ontwikkelingsbeleid betekent per definitie dat de minister van Ontwikkelingssamenwerking zich met andere beleidsdomeinen bemoeit. Eigenlijk gaf Armand De Decker nooit de indruk dat hij die strijd wilde aangaan: hij is de man van de salonchic, een en al galanterie, dol op recepties liefst met veel vertegenwoordigers uit zijn welgestelde achterban. Tekenend is dat hij geen enkel uitstaans had met de DOEB-test, die nochtans een instrument is om die coherentie af te dwingen. De Deckers vertegenwoordigers bleven ook weg op de interdepartementale commissie voor duurzame ontwikkeling, waar Ontwikkelingssamenwerking wettelijk nochtans het vice-voorzitterschap van heeft. Die commissie, waar wordt onderzocht of het federaal plan voor duurzame ontwikkeling in praktijk wordt gebracht op alle mogelijke ministeries, is nochtans een interessante positie om te werken aan coherentie. Volgens de OESO is bijna de helft van de 622 aanbevelingen van het plan van de vorige regering nog niet opgevolgd.
Dat België slecht scoort inzake coherentie, betekent niet dat er onder deze regering niets is gebeurd. Door een betere parlementaire controle, in wisselwerking met actieve ngo’s, houdt de Delcrederedienst  bij het toekennen van een openbare exportverzekering aan Belgische bedrijven meer rekening met milieunormen. De regering heeft dat werk ondersteund door in de Raad van Bestuur een onafhankelijk academicus te plaatsen (Hans Bruyninckx) en door aan ondernemingen te vragen dat ze een aantal milieu- en arbeidsnormen en de mensenrechten eerbiedigen. Een echt harde wettelijke regeling is dat nog altijd niet.
Marc Verwilghen, één jaar lang minister van Ontwikkelingssamenwerking, plaatste een tweede attaché voor Ontwikkelingssamenwerking op de ambassade in Washington. Zo kan het departement beter inspelen op onze vertegenwoordiging in de Wereldbank en het IMF, die nog altijd geheel in handen is van Financiën. Naar verluidt zijn de contacten met de vertegenwoordigers van Financiën goed: er wordt veel informatie uitgewisseld en er wordt naar de attachés geluisterd. De Decker zelf was de eerste minister van Ontwikkelingssamenwerking die België vertegenwoordigde op de jaarvergadering van de Wereldbank. Het Belgische optreden in internationale instellingen als de Wereldbank, het IMF of de WTO wordt ook wat beter opgevolgd dankzij het werk van de commissie globalisering.

Wie een put graaft voor zichzelf…


België hoort bij de acht EU-landen die 0,33 procent van hun inkomen aan echte hulp besteden, een minimum dat in 2002 Europees werd afgesproken. De hoeveelheid ontwikkelingshulp en de kwaliteit ervan –het feit dat een groot deel naar minst ontwikkelde landen gaat en niet gebonden wordt aan leveringen door Belgische bedrijven– is volgens het Center for Global Development het sterkste punt van het Belgische ontwikkelingsbeleid.
Het regeerakkoord beloofde echter om tegen 2010 0,7 procent van ons inkomen aan hulp te geven. De wet van december 2002 verplicht de regering trouwens om dat doel volgens een “volgehouden jaarlijkse stijging” te realiseren. Die wet is in 2006 met voeten getreden: de hulp daalde dat jaar van 0,53 naar 0,50 procent. Bovendien weten we dat België dat cijfer slechts haalt door massieve schuldkwijtscheldingen. In MO*40 beschreven we al uitvoerig waarom dit ten onrechte de indruk wekt dat we veel meer echte hulp geven. Zonder schuldkwijtscheldingen besteedt België 0,39 procent van zijn nationaal inkomen aan ontwikkelingssamenwerking. Amper meer dan toen paars begon.
Johan Vande Lanotte, die nu als sp-a partijvoorzitter grote beloften doet over meer ontwikkelingshulp, draagt daar mee verantwoordelijkheid in. Als begrotingsminister legde hij alle departementen, ook ontwikkelingssamenwerking, in oktober telkens een uitgavenstop op waardoor maar tussen 90 en 95 procent van de begroting kon worden uitgegeven. Nu er amper nog grote schulden kwijt te schelden zijn, zal massaal veel echt geld –1.8 miljard euro– op tafel moeten komen om tegen 2010 de 0,7 procent te halen. Dat lijkt heel onwaarschijnlijk.

Buitenlands beleid


Ook het buitenlandse beleid leed bij wijlen onder gebrek aan samenhang. Neem nu Congo. Begin maart 2007 strijkt De Decker er neer om er, voor het eerst sinds 1990, een Indicatief Samenwerkings Programma af te sluiten, ter waarde van 195 miljoen euro voor de sectoren onderwijs, gezondheid, basisinfrastructuren, landbouw en goed bestuur. De Decker wordt door president Kabila met alle egards ontvangen. Een maand later moet Karel De Gucht, die zich veel kritischer opstelt tegenover Kabila, tot het allerlaatste moment wachten vooraleer de pas verkozen Congolese president zich verwaardigt hem te ontmoeten. Flahaut voert de politique de proximité ten top door Kabila een eredoctoraat aan te bieden. De gulheid van Flahaut en De Decker ondergraaft de vraag van De Gucht om goed bestuur te realiseren.
Op zich is de keuze voor Centraal-Afrika in het regeerakkoord én in de feiten een moedige zet. Ga er maar eens staan: twee straatarme landen, getekend door decennia van genocidaire verhoudingen tussen Hutu’s en Tutsi’s, en de failed state Congo. België heeft fors bijgedragen tot de Congolese overgangsfase en het wonder van de verkiezingen. Dat is geen geringe verdienste. Maar de uitdagingen zijn er zo groot dat meer samenhang in het beleid geen overbodige luxe is.
De Gucht maakte doorgaans indruk met zijn dossierkennis, al was hij voorzichtiger dan zijn voorganger Michel, vooral tegenover de VS. Natuurlijk is het dwaas om op een onproductieve manier tegen de VS ingaan, maar zeker inzake het Midden-Oosten is het van groot belang dat de EU afstand houdt van de pro-Israëlische lijn van de VS. De relatie met onze islamistische buren is immers een van de grote uitdagingen voor de EU. De Israëlkritische stem die België doorgaans laat horen in het concert van de Europese landen is dus waardevol. De Guchts bezoek aan de gemengde Hamas-Fatahregering, als eerste EU-lid, was een goed signaal.
Memorabel was het feit dat hij belet heeft dat de Belgische staat de modernisering van de Tanzaniaanse wapenfabriek van George Forrest zou steunen. Dubbelzinniger daarentegen was dat diezelfde Forrest adviseur buitenlandse handel bleef terwijl Mo* blootlegde dat de mijncontracten die Forrest en anderen afsloten, al te weinig overlaten voor de Congolezen. De benoeming van Pierre Chevalier, op het moment van die benoeming nog lid van de bestuursraad van de Forrest Group, tot speciaal gezant in de Veiligheidsraad was onverstandig, temeer omdat België zich daar wil profileren in het grondstoffendossier.
De Gucht verraadde minder dossierkennis en meer gevoel voor onze commerciële belangen  tijdens de top van de Wereldhandelsorganisatie in Hongkong. De intellectueel De Gucht die bijna altijd en volgaarne de inhoudelijke discussie aangaat, wenste niet in te gaan op vragen over de zin van het liberaliseren van de banksector in ontwikkelingslanden. Wat de onderhandelingen in de wereldhandelsorganisatie betreft vindt Marc Maes van 11.11.11 dat Annemie Neyts meer inspanningen deed om de ngo’s te betrekken bij het handelsdossier dan De Gucht. Toch slaagde België er onder De Gucht in water te schrappen uit het lijstje van sectoren die de EU graag wil geliberaliseerd zien in ontwikkelingslanden, een succesje voor de ngo’s. In het regeerakkoord stond dat België zou vragen om onderwijs en gezondheidszorg te vrijwaren van liberalisering in het kader van de WTO – en dus het wereldhandelsakkoord van 1994 te herschrijven - maar meer dan wat verbaasde blikken oogste België niet met dit verzoek in de EU.
Binnen de WTO werd de afgelopen jaren vooral gediscussieerd over landbouw. Al jaren pleit premier Verhofstadt voor het afschaffen van exportsubsidies voor landbouwproducten omdat ze schadelijk zijn voor ontwikkelingslanden. Uit zijn open brief van 17 oktober 2002: ‘Landbouw is de sleutel. In ontwikkelingslanden leeft 70 procent van de bevolking van landbouw. In het rijke Noorden is dat zelden meer dan 5 procent. Miljarden zijn voor hun overleven afhankelijk van landbouw, en toch heffen OESO-landen importbelastingen op landbouwproducten tot 40 procent. Subsidies, die destijds Europa hielpen om de eigen voedseltekorten weg te werken, verdrijven vandaag boeren in ontwikkelingslanden van hun land. ’ Die retoriek vertaalt zich echter niet in activisme op Europees niveau. ‘In de Europese politieke cenakels hoor ik de Belgen nooit over landbouwhervormingen praten. Het zijn de Britten, de Scandinavische landen en een beetje Nederland die de kar trekken. Ik zou wensen dat er een coalitie komt van regeringsleiders die hier het voortouw nemen,’ aldus het Nederlandse Europarlementslid Thijs Berman (PVDA), lid van de landbouwcommissie.  
Gert Engelen, landbouwspecialist van Vredeseilanden bevestigt: ‘België, dus Vlaanderen en Wallonië –want landbouw is deels regionale materie– houden zich gedeisd binnen de EU over landbouwsubsidies. Nochtans zou het erg wenselijk zijn mocht België met een goed standpunt zijn nek uitsteken in het lopende debat over hoeveel landbouwbudget er nog kan beschikbaar zijn na 2013, en dus hoeveel subsidies uitgedeeld kunnen worden.’
Intussen is er van de beloofde Europese landbouwhervorming niet veel in huis gekomen. Het aandeel van landbouw in de totale Europese begroting bedraagt tot 2013 zo’n 35 procent. Voor België levert dat jaarlijks ruim een miljard euro op. Uit de meest recente cijfers van de onderzoeksorganisatie Farmsubsidy.org blijkt dat 85 procent van de Europese landbouwsubsidies naar 18 procent van de grote agrobedrijven en voedselverwerkende industrie gaat; dat is ook zo in België.
Die verdeling van de landbouwsubsidies behoorde tot voor kort tot de ‘Europese staatsgeheimen’. Zelfs toen Vlaams minister-president Leterme de Vlaamse cijfers –gedeeltelijk– prijsgaf, omdat onderzoeksjournalisten van Knack een beroep deden op de wet openbaarheid van bestuur, weigerde federaal en liberaal landbouwminister Sabine Laruelle openbaarheid over de federale subsidiepot van 617 miljoen euro. Verhofstadt greep toen wel in en vorderde de cijfers op.

België en de mondialisering


Zoveel mogelijk mensen een degelijk inkomen bezorgen, is in deze tijden van mondialisering voor een rijk land als België dé socio-economische uitdaging. Duurzame ontwikkeling betekent onder andere dat we ondanks de mondiale competitie ervoor zorgen dat niet te veel mensen uit het arbeidsproces gestoten worden zodat de verhouding actieven/niet-actieven op peil blijft. Dan wordt het ook makkelijker om de sociale bescherming overeind te houden voor wie, om allerlei redenen, niet meer mee kan. Met de aanstormende vergrijzing vanaf 2010, blijft zo een groter deel van de bevolking op actieve leeftijd aan het werk zodat we de grotere groep 65+ers kunnen dragen.
België staat hier voor grote uitdagingen. Onlangs publiceerde het Centrum voor Sociaal Beleid (CSB) van Universiteit Antwerpen een studie waaruit blijkt dat België de voorbije tien jaar zijn positie bij de beste EU-landen verloor als het gaat om de strijd tegen armoede. De fundamentele oorzaak daarvan is het zeer hoge aantal uitkeringstrekkers in ons land, vooral in Wallonië, en dat gedurende de laatste 25 jaar. Ive Marx (CSB): ‘Sinds de jaren tachtig telt België 1 miljoen uitkeringstrekkers tegenover 4 miljoen actieven. Omdat er besparingen nodig waren en het aantal uitkeringen hoog bleef, werd ingewerkt op de enige factor die variabel was: de hoogte van de uitkering.’
De uitkeringen werden jarenlang niet meer aangepast, wat het risico op armoede vooral bij de uitkeringtrekkers verhoogt. Paars heeft de laagste uitkeringen wel verhoogd, maar niet voldoende om de opgelopen achterstand te dichten, onderstreept Katrien Deboyser van de UA. Er is een mechanisme ingesteld dat de welvaartvastheid van de uitkeringen moet bewaken. Een pluspunt, vindt Luc Voets, kabinetschef van ABVV-baas Rudy Deleeuw, die voorts sterk waardeert dat de regering een deel van de roerende voorheffing bestemde voor de sociale zekerheid.  Rudy Thomaes, afgevaardigd bestuurder van Verbond van Belgische Ondernemingen, ziet de duurzaamheid van het paarse beleid vooral in het begrotingsevenwicht dat de regering wist te behouden.
De duurzame uitdaging bestaat er, zoals gezegd, in om het aantal mensen dat leeft van uitkeringen te drukken. Zo’n hogere activiteitsgraad hangt van vele zaken af: een betere scholing, lagere loonkosten, een actief arbeidsmarktbeleid,… Verhofstadts 200.000 nieuwe banen waren in die optiek een juiste prioriteit en met 150.000 gerealiseerde nieuwe banen (op basis van cijfers van de Hoge Raad voor Werkgelegenheid) komt de regering in de buurt. Ze profiteerde hierbij van een wereldwijde, forse economische groei.
Blijkbaar gingen er ook heel wat jobs verloren, want de activiteitsgraad van de actieve bevolking steeg van 59,9 procent in 2002 naar slechts 61 procent in 2006, een heel eind onder de beoogde 65 procent die het regeerakkoord voorspelde met 200.000 nieuwe banen. Ook bij werknemers boven de 55 is de dalende trend omgebogen: de activiteitsgraad steeg van 26,6 naar 31,8 procent, eveneens ver onder het EU15-gemiddelde van 45,3 procent. De regering probeerde te snoeien in de brugpensioenen maar botste op sociale partners die allesbehalve enthousiast meewerkten.
Onderwijs is uiteraard gewestelijke materie maar ligt wel in de kern van de uitdaging. Hoewel we honderdduizenden werklozen tellen, raakt een pak vacatures niet ingevuld. Veel werklozen hebben niet de vereiste scholing. Lager geschoolden hebben het sowieso moeilijk en allochtonen zijn oververtegenwoordigd in die categorie. Eén op twee allochtonen maakt in Brussel het secundair onderwijs niet af. Het feit dat ons onderwijs prima scoort voor de top, maar zeer zwak voor de zwakste leerlingen is de kroniek van een aangekondigde dualisering. Het verschil in tewerkstelling tussen allochtonen en autochtonen is in België zowat het hoogste van alle rijke landen. Dat verklaart ook waarom de helft van mensen van Maghrebijnse oorsprong in armoede leeft. Zoiets legt niet alleen een hypotheek op onze sociaal-economische toekomst, maar ook op elke poging tot betere integratie. Het probleem werd onvoldoende onderkend in het regeerakkoord. Toen het erop aankwam, durfde de regering geen discriminatietest invoeren.
Dat de loonkloof voor laaggeschoold werk in België met 49 procent de hoogste blijft van de hele EU –10 procent boven het gemiddelde– maakt het moeilijker om die groep aan het werk te krijgen in het reguliere circuit. De regering creëerde met groot succes de dienstencheques (29.000 banen in 2006) en ook de sociale economie groeide verder door met 12.000 banen.
Professor Glenn Rayp van Universiteit Gent vindt dat er globaal gezien te veel middelen gingen naar de belastingverlaging. ‘Dat leidt tot hogere consumptie maar in een open economie als de Belgische sijpelt een groot deel daarvan weg naar het buitenland. Die middelen kan je duurzamer benutten door investeringen in menselijk en fysiek kapitaal.’
Wat dat laatste betreft, beloofde het regeerakkoord een stappenplan om tegen 2010 3 procent van het BNP aan “onderzoek en ontwikkeling” te besteden. Daar kwam niet veel van in huis want het cijfer daalde volgens Eurostat van 1,94 procent in 2002 naar 1,82 procent in 2005. Slotsom: de regering zette wel stappen in de goede richting maar op nogal wat cruciale punten werd weinig vooruitgang geboekt en bleven we achteraan het Europese peloton bengelen.
(Met Hans van Scharen over Landbouw)

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift

Word proMO* of Doe een gift