Het festival van alle landen

Zondagmiddag is in heel wat gezinnen met opgroeiende kinderen het moment om naar de radio te luisteren. Naar Studio Brussel, wel te verstaan. Knotsgekke radio (‘Het Leugenpaleis’), zwoele radio (‘De Lieve Lust’) of ongenietbare radio (‘Keineig’): de programma’s wijzigen met de seizoenen, maar de rust is zoek, zoveel is zeker. Dat is ooit anders geweest.
In de jaren zestig, bijvoorbeeld, moesten kinderen én opgroeiend grut stil zijn en luisteren naar ‘Opera en Belcanto’, terwijl de ouders met gesloten ogen, uitgestrekt op de bank lagen te genieten. Die zondagmiddagen van weleer zijn ervoor verantwoordelijk dat een groot deel van de huidige veertigers alles wat zweemt naar klassieke muziek heeft afgezworen. In de plaats daarvan gooiden ze zich op pop- en rockmuziek. Een minderheid verving Mozart door Makeba, Mendelssohn door Marisa Monte. Maar de tijden veranderen, steeds weer. Nu Bach weer mag -dixit Studio Brussel BV Chris Dusauchoit- is het moment gekomen om alle muzikale horizonten te verkennen. En zie: op de wereldkaart van de niet-commerciële muziek blijken Wenen, Granada en Bagdad niet eens zo ver uit elkaar te liggen.

De jongste tijd vervaagt de grens tussen popmuziek en wereldmuziek. De muzikale invloeden gaan ongestoord hun weg en de commercie zwaait op zowat elk domein de plak. Tegelijk ontstaat er een nieuwe onderverdeling in de wereld van de muziek: de commerciële (of gecommercialiseerde) muziek versus de niet-commerciële muziek. In deze laatste categorie horen dan zowel de klassieke, de etnische én de volksmuziek thuis. Een héél brede waaier van stijlen en tradities. Paul Rans, producer van het programma ‘Een Oor op de Wereld’ op Radio 3, voegt daaraan toe dat de onderlinge verschillen niet allemaal zo klaar zijn. Wat is bijvoorbeeld etnische muziek en wat volksmuziek? ‘Over het algemeen spreekt men over etnische muziek als men het heeft over niet-westerse volksmuziek die weinig in contact geweest is met de buitenwereld, terwijl volksmuziek meestal gebruikt wordt voor Europese muziek die niet in de traditie van de kunstmuziek valt. Betwistbare en onduidelijke categorieën, dus.’ De omschrijving van wat kunstmuziek is, is ook al niet sluitend. ‘Veel traditionele Afrikaanse muziek staat op een hoog artistiek niveau’, zegt Rans, ‘maar omdat de overlevering op mondelinge wijze gebeurt, blijft men die muziek onder de noemer ‘etnisch’ verkopen. Nochtans zijn de polyritmische structuren duizelingwekkend, wordt er volgens duidelijke regels gespeeld en zijn de scheppers van die muziek creatieve mensen die hun klare kijk op de wereld prachtig weten te verwoorden in hun muziek.’

Kunstmuziek -een betere term dan ‘klassieke muziek’, aangezien dit voor wat Europese muziek betreft enkel verwijst naar de kunstmuziek uit de late 18de en vroege 19de eeuw- hangt meestal samen met de vereiste van een hoge scholingsgraad voor de scheppers én voor de uitvoerders. Er zijn duidelijk afgesproken structuren en regels, al is er meestal veel ruimte voor improvisatie voor de uitvoerders. Wellicht is dat de link met de jazz en de flamenco, twee muziekgenres die al eens in de buurt van de ‘klassieke’ podia komen. Een ander kenmerk van veel kunstmuziek is het belang van leermeesters. Met name in de Indiase kunstmuziek is het de regel dat de knepen van het vak aangeleerd worden bij muzikale goeroes. De tijd die de leerlingen besteden aan het opdoen van hun muzikale en culturele kennis is daardoor veel groter dan momenteel het geval is in Europa. Vandaar de enorme virtuositeit en muzikale beheersing, ook bij Iraanse, Arabische en Chinese kunstmuzikanten.

Les Bourgeois

Muziek kent geen grenzen. Tenminste, het is makkelijker om muziek uit andere culturen en beschavingsgebieden te beluisteren dan om gesprekken te voeren met bergbewoners uit Thailand of hovelingen uit Lagos. Toch is een muzikale taal soms minder toegankelijk dan ze op het eerste gezicht lijkt. De eerste laag van een muziekstuk kan verleiden, de onderliggende muzikale lagen en betekenissen kunnen soms verrassend stug en weerbarstig zijn. ‘Elke muziek is draagster van ethische en esthetische waarden’, zegt muziekfilosoof Laurent Aubert. ‘Muziek wordt niet enkel gedefinieerd door haar akoestische structuren en door de technische middelen die nodig zijn om haar uit te voeren. Meer nog tellen haar inhoud en haar verwijzingen, met name naar een samenhangend geheel van betekenissen, naar een duidelijke spirituele functie, naar een psychologische en eventueel een rituele werking, naar de rol die traditioneel toebeeld wordt aan uitvoerders en luisteraars.’ Het probleem bij beluistering van muziek die niet uit de eigen culturele context komt, is dus dat er onvermijdelijk een berg betekenissen verloren gaat. En dat geldt niet enkel voor een Vlaming die Iraakse maqam-muziek wil beluisteren. ‘Het is opvallend’, zegt Paul Rans, ‘dat de echte Arabische kunstmuziek vaak weinig enthousiasme opwekt bij de migranten uit de Arabische wereld. Het is muziek die zij te moeilijk vinden. Zij komen meestal uit de bergen en uit de landbouwgemeenschappen. Zij hebben nooit geleerd hoe ze de complexe muziek uit de machtscentra moeten beluisteren.’

‘De kunstmuziek wordt bijna per definitie en overal ter wereld gemaakt voor de burgerij’, meent Tony Van der Eecken. Hij programmeert de niet-westerse muziek voor de Happening van het Festival van Vlaanderen (zie kader). ‘Er is gewoon een pak geld nodig om mensen op dat niveau te laten musiceren en creëren. En dus verwachten die hogere klassen ook altijd dat zij zich kunnen terugvinden in de muziek die gemaakt wordt. Waren het vroeger keizers of sultans die optraden als geldschieters voor de kunstenaars, vandaag zie je dat een Festival van Vlaanderen gesponsord wordt door banken, verzekeringen en een gsm-provider. Er is niets nieuws onder de zon.’

‘Toch’, zegt Van der Eecken, ‘bestaan er ook een boel muzikale tradities die niet-ingewijde luisteraars toelaten om de betekenis van de muziek te ervaren zonder alle culturele referenties te bezitten. Een goed gebracht concert van Perzische, Turkse of Arabische sufi-muziek is ervaarbaar, ook al begrijp je geen jota van de prachtige en poëtische teksten die gereciteerd worden. Het is in de sufi-muziek zelfs zo dat kracht van een muzikant niet enkel aan zijn of haar technisch kunnen gemeten wordt, maar vooral aan zijn aanvoelen om de juiste notenreeks te kiezen voor het juiste gedicht. Het uitvoeren van muziek vereist tegelijk virtuositeit, devotie en aanvoelen. Wie over die drie zaken beschikt, kan de diepste kern van de muziek overbrengen ongeacht op welk publiek.’ Muziek kent, met andere woorden, geen grenzen.

Genieten van het onbekende

Waar komt onze interesse voor muziek uit de vier windstreken eigenlijk vandaan? Tony Van der Eecken vertelt bijvoorbeeld over een moment dat hij bij de Chopi in Mozambique andere Afrikaanse muziek laat horen en alleen maar een schouderophalend ‘this is not Chopi music’ te horen krijgt. Niet-westerse muzikanten en publieken lijken makkelijker te motiveren om de diepte en de breedte van hun eigen tradities op te zoeken, dan om zich te laven aan de bronnen van verre en exotische culturen. ‘In Europa is zoveel welvaart aanwezig, dat we ons collectief kunnen veroorloven om bezig te zijn met andere zaken dan met het echte en culturele overleven van de groep’, zegt Van der Eecken. ‘Het is zoals met keizers van China die op een bepaald moment twee klassieke Chinese orkesten en vijf ‘barbaarse’ orkesten in dienst hadden. Die keizers wisten dat via de cultuur ook de kennis en de wereldbeschouwing van de anderen te benaderen was.’

Of het nu de materiële welvaart of de culturele leegheid is die ons openstelt voor de kunsten uit het Zuiden, in elk geval is de uitwisseling iets dat meer inspanning vraagt dan vandaag blijkbaar gevraagd mag worden aan westerse ‘consumenten’. De niet-westerse kunstmuziek geldt dus al snel als ‘elitair’. Té moeilijk. Intussen wordt er in kringen van wereldmuziek druk gesampeld en de fusievormen zijn niet bij te houden. Bulgaarse vrouwenkoren gecombineerd met Congolese stadsmuziek, Tuvaanse keelzang met Malgasische meerstemmige volkszang: alles kan. ‘Fusies zijn in de mode en iedereen gebruikt de truc om aandacht te krijgen’, zegt Paul Rans. ‘Maar men beseft te weinig hoeveel tijd en inspanning het vraagt van muzikanten om de hele culturele context van hun muzikale gesprekspartners te leren kennen. Als muzikale dialoog meer wil zijn dan een snelle gimmick, dan moet iedereen die ermee te maken heeft -muzikanten, producenten maar ook luisteraars- een serieuze inspanning doen. Om echt te genieten, moet een mens zich trouwens altijd inspannen. Dat is ook voor seks het geval. Waarom mag men dat dan niet meer vragen voor muziek?’

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 3190   proMO*’s steunen ons vandaag al. 

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur