‘Het klimaatbeleid bedreigt alle ontwikkelingsinspanningen.’

De wereld volgens Martin Khor

Hoe kijkt het Zuiden anno 2010 naar de wereld? Als iemand het kan weten, dan wel Martin Khor, de Maleisische directeur van South Centre, een intergouvernementele denktank van ontwikkelingslanden.

Wie op internationale bijeenkomsten zoals de ministerconferentie van de Wereldhandelsorganisatie (WTO) of de Klimaattoppen de pols van de ontwikkelingslanden wilde voelen, kon altijd bij Martin Khor terecht. Zijn ngo Third World Network maakte immers bijna elke dag een goed gedocumenteerd krantje waarin je kon lezen wat –in de ogen van het Zuiden– de betekenis was van de laatste voorstellen of amendementen. Sinds kort leidt Khor het South Centre, een intergouvernementele denktank die ontwikkelingslanden moet bijstaan in de verdediging van hun belangen op het internationale niveau en bij de studie van ontwikkelingsproblemen.

Het was dan ook niet verwonderlijk dat 11.11.11 uitgerekend Khor uitnodigde om deel te nemen aan het grote debat naar aanleiding van tien jaar millenniumdoelen (MDG’s). Zijn oordeel over die MDG’s is kritisch: ‘Ze zijn vooral een instrument dat de hulpmoeheid in de westerse landen moest tegengaan. Door de publieke opinie in de rijke landen zeer concrete ontwikkelingsdoelen voor ogen te houden, kon ze beter worden gemobiliseerd. Maar het kan natuurlijk niet de bedoeling zijn dat het rijke Noorden de sociale voorzieningen in de ontwikkelingslanden blijft betalen. De ontwikkelingslanden moeten hun economie ontwikkelen zodat hun bevolking werk heeft en zelf kan instaan voor onderwijs, gezondheidszorg en welvaart. Helaas zeggen de MDG’s weinig over hoe de rijke en arme landen kunnen samenwerken aan een wereldeconomie die de ontwikkelingslanden meer kansen geeft op zo’n ontwikkeling.’

Khor ontkent niet dat er vooruitgang is geboekt inzake schuldkwijtschelding en dat sommige landen –waaronder België– hun ontwikkelingshulp hebben verhoogd. Maar hij wijst tevens op de aspecten van ons beleid die ontwikkeling bemoeilijken. ‘Als de Europese Unie de landen van Afrika, de Cariben en de Stille Oceaan onder druk zet om vrijhandelsakkoorden te sluiten, dan is dat negatief voor de ontwikkeling van die landen want zo kunnen ze moeilijk hun eigen landbouw of industrie ontwikkelen.’

Gaat de wereld toch niet in de goeie richting? In steeds meer ontwikkelingslanden groeit de economie sneller dan in de rijke landen: de Noord-Zuidkloof wordt een beetje kleiner.
Martin Khor:
Dat klopt. De economische groei is momenteel zwak in de rijke landen. De landen van Oost-Azië zagen hun economieën met vijf tot acht procent groeien, sommige zelfs met tien procent. Afrika doet het ook beter dan voordien, en Latijns-Amerika onderzoekt op zijn eigen manier hoe het een betere deal kan maken met de rest van de wereld –onder meer door opnieuw te onderhandelen over de voorwaarden voor de ontginning van zijn natuurlijke rijkdommen.

Bewijst dat niet dat de globalisering werkt? Hebben de andersglobalisten zich vergist?
De landen die nu zo snel groeien, hebben nooit het beleid moeten toepassen dat de Wereldbank en het Internationaal Muntfonds (IMF) voorstonden. Ze werden niet verplicht hun invoertarieven op nul te zetten of hun openbare landbouwinstellingen af te schaffen. Ze zijn niet onder druk gezet om hun lokale industrie niet te ondersteunen. Ze hebben dus wél hun producenten kunnen steunen tot ze voldoende sterk waren om de buitenlandse competitie aan te kunnen. Vertegenwoordigers van de Wereldbank hebben wel geprobeerd te zeggen dat die landen het goed deden dankzij hun beleid, maar dat is nonsens. De bank had geen noemenswaardige invloed op het beleid van landen als China. Alleen tijdens de Aziatische crisis van 1997-98 hebben Thailand, Indonesië en Zuid-Korea een IMF-programma met veel voorwaarden moeten aanvaarden in ruil voor IMF-leningen. Die ervaring was zo negatief dat ze nooit meer naar het IMF willen. Om die reden hebben de meeste landen van de regio sindsdien enorme reserves aan buitenlandse valuta opgebouwd.

Tekent zich in Azië een andere visie op economie en ontwikkeling af?
In zekere zin wel. Japan liep voorop, dan kwamen Zuid-Korea en Taiwan, vervolgens Maleisië, Thailand en Indonesië. Tenslotte was het de beurt aan China en Vietnam. In elk van die landen speelde de staat een cruciale rol in het ontwikkelingsproces. Dat betekent niet dat de staat alles zelf bezit of produceert. De staat kan wel bedrijven oprichten of er een aandeel in hebben maar er is tevens veel ruimte voor private initiatieven. De staat zorgt er vooral voor dat het proces in de juiste richting gaat. In het Aziatische model was er ook veel aandacht voor sociale ontwikkeling: landbouw, onderwijs, gezondheidszorg, transport…

Dat klinkt niet zo heel anders dan de weg van landen in Europa en Latijns-Amerika.
Het gaat om een bepaalde mix van de publieke en private sectoren, waarbij de staat een belangrijke rol speelt. Dat is iets heel anders dan de Washington-consensus, waarin er amper een rol was voor de overheid: subsidiëring was uit den boze, openbare bedrijven moesten worden geprivatiseerd en de handel geliberaliseerd. In Oost-Azië werd in een eerste fase gemikt op een groei van de reële economie. Pas in een tweede fase kwam er een handelsbeleid dat de groei verder moest voeden. Buitenlandse investeerders waren welkom maar zij konden er niet de wet stellen. Dat wordt nu voorgesteld als de Beijing-consensus, maar dat is onzin. China is een laatkomer in dit hele proces.

Verwijst de opkomst van die landen de Washington-consensus naar de prullenbak van de geschiedenis?
Industrieel beleid waarbij de overheid de economische ontwikkeling mee stuurt, keert terug. Dat is in de neoliberale jaren weggelachen maar nu zie je dat zelfs een blad als The economist daarop terugkomt. Om verschillende redenen. De financiële crisis heeft de dogma’s doorbroken. Aan zichzelf overgelaten, leidt de financiële sector tot rampen. De Amerikaanse auto-industrie is met overheidssteun van de ineenstorting gered. De VS subsidiëren de productie van elektrische wagens bij GM. Eigenlijk is de hele klimaatproblematiek één groot marktfalen. Een antwoord is enkel mogelijk met een industrieel beleid: koolstofmarkten zijn een te zacht instrument.

‘België heeft de Europese president, de Commissaris voor Handel en is voorzitter van de EU. Het kan een verschil maken.’

Zal de Aziatische opgang niet leiden tot een andere dominante visie of minstens tot pluralisme?
Dat is niet zeker. Ik vrees dubbele standaarden: subsidies zijn goed als ze in het Westen worden toegekend. Elders heten ze “verstoring van de marktwerking”. De VS klaagden onlangs China aan omdat het zijn producenten van windmolens en zonnecellen subsidieert, terwijl de VS hetzelfde doen. Men moet weten wat men wil. Enerzijds zegt men op klimaatconferenties dat China niet genoeg doet om zijn uitstoot te verminderen. Anderzijds wordt het land bekritiseerd als het zijn sectoren van hernieuwbare energie subsidieert, en weigeren de rijke landen om hun groene technologie over te dragen aan de ontwikkelingslanden.

Zijn de opkomende landen in staat mee de koers van de wereld te bepalen?
Ze missen een beetje een forum waar ze samenkomen om hun visie uit te werken. Het South Centre zou die rol kunnen spelen, maar we moeten met zeven mensen alle thema’s opvolgen. Dat is moeilijk. Individuele landen hebben hun studiediensten maar het ontbreekt ons aan het soort politieke denktank van het niveau van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling.

Hebben grote ontwikkelingslanden nog wel dezelfde belangen als de kleintjes?
Als ik kijk naar het gedrag van vertegenwoordigers van India en China –het soort standpunten dat ze innemen en de manier waarop ze omgaan met de ontwikkelingslanden– dan besluit ik dat ze zich nog altijd deel voelen van de ontwikkelingslanden. De G77 en China coördineren nog altijd hun posities op internationale conferenties.

Is de G20 geen forum waarop de ontwikkelingslanden hun stempel kunnen drukken?
Het is een experiment in globaal bestuur, maar de regels en procedures zijn niet helder. Ook inzake legitimiteit laat de G20 te wensen over: wie mag erin en wie niet? Het is duidelijk dat de wereld momenteel in een overgangssituatie verkeert. Het kan verschillende richtingen uit. Iedereen moet nu zijn rol spelen, ook de civiele samenleving. Die kan inzake vernieuwend denken best haar mannetje staan tegenover veel internationale organisaties.

Is de civiele samenleving niet een erg westers gebeuren? Bestaat er zoiets in China?
Ze groeit ook daar. In klimaatonderhandelingen spelen Chinese academici een grote rol op een onafhankelijke of semi-onafhankelijke manier. Ik had onlangs contact met de federatie van Chinese vrouwen. De leiders daarvan zijn dynamische individuen met een eigen visie. Niets is helemaal zwart of wit. Er zijn veel vooroordelen over China. Ik begrijp dat: het is een groot land en ooit wordt het een grootmacht, maar nu probeert het ook maar zijn weg te vinden. Dat vergt tijd. Mijn vaderland Maleisië legde een lange weg af naar democratie en dat zal in China ook zo zijn.

Kunnen veel ontwikkelingslanden hun groeiende rijkdom niet beter verdelen dan ze in feite doen?
Dat is een zeer belangrijk thema in elke samenleving, niet enkel voor de civiele samenleving, maar ook voor regeringen. We hebben het de jongste tijd vanuit South Centre vooral opgeworpen in het kader van een nieuw ontwikkelingsmodel. Door de financiële crisis zullen de exportmarkten in de rijke landen minder groeien. Daarom wordt de creatie van meer binnenlandse vraag in de opkomende landen, en dus een betere verdeling van het inkomen, een noodzaak. Als de arbeiders hogere lonen krijgen, kunnen ze meer kopen wat ze zelf maken. Ook in China speelt dat nu echt. Naast de lonen is er de vraag hoe je het inkomen op het platteland kan verhogen. Ofwel via hun eigen inkomens, ofwel via subsidies –zoals dat in Brazilië met de kinderbijslag en in India via het recht op werk gebeurt.

Zijn dat vernieuwende methodes om binnenlandse vraag te genereren en de armoede te bestrijden?
Ja. In China willen ze vooral banen blijven scheppen, vandaar de noodzaak van economische groei. Die banen zijn nodig om meer mensen in de stad werk te kunnen geven, want op het platteland verdienen ze te weinig. De regering probeert die gigantische migratie van platteland naar stad enigszins goed te laten verlopen. De groei in China leverde een zeer grote bijdrage aan de realisatie van de MDG’s. Maar het blijft zeer moeilijk om de economische groei in zo’n gigantisch land zo te sturen dat hij sociaal en ecologisch verantwoord is. Dat is momenteel niet het geval en dat weten ze. Net als in India.

Wat kan de wereld leren uit de mislukte VN-Klimaattop eind 2009 in Kopenhagen?
Mijn belangrijkste boodschap is dat het huidige klimaatbeleid eigenlijk ongelooflijk is. Een jaar geleden had je een regelgevend systeem voor alle rijke landen uitgezonderd de VS. We dachten dat Kopenhagen de VS ook in dat systeem zou brengen en dat je dan op die basis de ontwikkelingslanden kon vragen om meer te doen. In Kopenhagen zegden de VS evenwel: ‘Ik wil me tot niets binden en doe allemaal zoals ons: bind je tot niets.’ Dat is het akkoord: elk land kan aankondigen wat het wil doen. Er is geen peer review en geen globaal cijfer. Het Kyotoprotocol is gewoon opgeheven. Dat is schokkend voor de ontwikkelingslanden. Het komt neer op min vijftig procent voor de zevende millenniumdoelstelling.

Waarom is dat gebeurd?
De economische competitie tussen landen verklaart veel. De VS zegden: ‘Wij doen niets bindend als China dat ook niet doet.’ En als de VS niets deden, wilden Japan en Australië ook niet meer. Het lobbywerk van industrieën die bang zijn voor verandering entte zich op die rivaliteit. Dat is erg spijtig. De EU wàs de leider. Toen ik de Duitse bondskanselier Merkel ontmoette, leek ze me erg gemotiveerd. Maar waar is de EU nu?

De EU houdt vast aan een reductie in de uitstoot van broeikasgassen met twintig procent.
Dat is oké, maar de EU was de kampioen van het Kyotoprotocol. Na Kopenhagen verloor ze dat leiderschap; ze werd buitenspel gezet. De EU wilde iedereen mee trekken, maar het waren de VS die iedereen mee trokken. Dat is spijtig want zo verlies je de morele autoriteit om de ontwikkelingslanden te vragen meer te doen. Op een moment dat ze al meer doen dan ze moeten. Natuurlijk, de economische crisis maakt de dingen moeilijk maar daarvan kan je herstellen. Soorten die verdwijnen, keren echter niet terug. Broeikasgassen die in de lucht zitten, krijg je er niet zomaar uit. De ecologische crisis is onomkeerbaar. België heeft de Europese president, is voorzitter van de EU en leverde de Europees Commissaris voor Handel –ik weet niet hoe jullie dat klaarspelen (lacht). België kan die positie benutten om een verschil te maken.

Maak MO* mee mogelijk.

Word proMO* net als 3196   andere lezers en maak MO* mee mogelijk. Zo blijven al onze verhalen gratis online beschikbaar voor iédereen.

Ik word proMO*    Ik doe liever een gift

Over de auteur