Het leven zoals het is in Khartoem

Verzet begint met een vraag en een glas witte wijn

Soedan staat bekend als schurkenstaat. President Omar al-Bashir wordt door het Internationaal Strafhof in Den Haag verdacht van genocide en vecht momenteel drie oorlogen uit in eigen land. Maar hoe kijken doorsnee Soedanezen aan tegen hun regime? We proeven de sfeer op een warme zomeravond aan de atletiekbaan van Khartoem.

Salim heeft een lauwwarme Sauvignon Blanc uit 2006 bij zich als hij me op komt halen en vraagt me de fles te openen. Het is negen uur ’s avonds. Salim, die bijziend is, rijdt brilloos met tachtig kilometer per uur door het centrum van Khartoem. Ik worstel met de fles wijn tussen mijn knieën, de kurk breekt af, de rest duw ik terug in de fles en ik vul de longdrinkglazen tot net onder de rand. Hij houdt één hand aan het stuur en klokt ondertussen het glas wijn weg. Alcohol is verboden in het streng islamitische Soedan. Salim en zijn vrienden drinken daarom om beurten bij elkaar thuis. Maar tijdens de ramadan drinken zijn vrienden niet en ontmoeten ze elkaar langs de atletiekbaan. ‘Veertig stokslagen als ze ons betrappen’, zegt hij lachend terwijl hij een tweede glas achterover gooit. ‘Maar wees niet bang, dit verwachten ze nooit.’

Salim is achter in de dertig. Hij is hoekig gebouwd, heeft een lichte huid en wenkbrauwen die in elkaar overlopen. Hij behoort tot de Soedanese bovenklasse en werkte jarenlang voor de VN. Maar hij is vooral geheim verbindingsofficier van de communistische partij, Soedans belangrijkste oppositiepartij, en brengt mensen in veiligheid als dat nodig is. Dat is niet ongevaarlijk; zijn voorganger werd in het hoofd geschoten, officieel voor het doorrijden bij een stopteken. Toch zou hij dit jongensboekleven voor geen goud willen missen. ‘Weggaan uit Soedan? Nooit.’

We naderen het parkeerterrein van de atletiekbaan. Salim klokt nog snel een derde glas weg. Bij de toegangspoort staan bewakers. ‘Misschien moet je de fles en de glazen even uit het zicht houden’, oppert hij.

Bloembakken scheiden het parkeerterrein van de gravelbaan. Om de paar meter staat er een vierkant stenen gebouwtje waar ijs, frisdrank, zoete thee en chips worden verkocht. We lopen de gravelbaan op. Het veld achter de baan is bezaaid met picknickende families. In de zomermaanden zakt het kwik in Khartoem pas na middernacht tot onder de dertig graden en zoeken families verkoeling op het gras. Een groepje jongens rent ons voorbij.

Een paar maanden geleden nam Salims oom hem hier voor het eerst mee naartoe. Ze kampen allebei met een te hoge cholestrol en hier konden ze mooi samen gaan hardlopen. Maar van hardlopen kwam het niet, al zag Salim meteen de mogelijkheden. De atletiekbaan is de ideale locatie om ongezien mensen te ontmoeten. Het terrein heeft vijf uitgangen, zodat je altijd weg kunt komen. En er komen vooral gezinnen, dus mannen van de geheime dienst vallen onmiddellijk op. Dat zijn meestal jongens van achter in de twintig, ze zijn altijd met zijn drieën – twee zitten voorin in de auto, de derde in het midden achterin. En ze kijken lang niet zo ontspannen.

Geen vrijheid

Salims vrienden Imad, Namir en Boelboel zijn er al en zitten op plastic kuipstoeltjes tussen twee kiosken. Een jonge vrouw in een zwarte abaja brengt glaasjes zoete thee. Andere vrienden komen aanlopen, schuiven een stoel aan om te praten, en gaan dan weer.

De vier vrienden leerden elkaar ruim twintig jaar geleden, in 1991 kennen, vlak voor hun studietijd. De islamitische dictator Omar al-Bashir had twee jaar eerder de macht gegrepen en stelde verplicht dat iedereen die ging studeren eerst veertig dagen naar een militair trainingskamp ging. Salim meldde zich in de winter van 1991 met zo’n 12.000 anderen bij het kamp Al Getaina, honderd kilometer onder Khartoem. Maar de dienstdoende officier pikte Salim met vijf anderen er al snel uit en hield hen apart. Op de dagen dat hij in het kamp was, deed de officier spelletjes met hen in de schaduw. Salim vroeg hem waarom hij hen apart hield. ‘Je verpest de rest alleen maar’, had de man gezegd.

Hij had gelijk. Salim had de andere jongens van zijn eenheid al zover gekregen dat ze stenen naar de nabijgelegen moskee gooiden. En op de tweede dag, tijdens zijn medische keuring, was de arts even achter het gordijn verdwenen en had Salim prompt een stuk of tien ziektebriefjes meegegrist. De briefjes waren gewild. Hij ruilde ze voor sigaretten, maar vaak ook maakte hij er zelf gebruik van. ’s Nachts sliep hij in een tent waar ze met zijn zessen in lagen. Naast hem lag Imad, die wel echt ziek was, en voor wie Salim overdag zorgde.

Tijdens één van de keren dat hij straftraining kreeg en in de kou door de modder moest rollen, ontmoette hij Namir. In de kantine leerde hij Boelboel kennen, die altijd grappen maakte. Toen ze in april van het jaar erop aan de universiteit van Khartoem begonnen, kwamen ze elkaar weer tegen. Boelboel studeerde Engels, Imad accountancy, Namir rechten en Salim politieke wetenschappen. Maar alle vier waren lid van de studentenorganisatie Het Nieuwe Democratische Front.

Eigenlijk was het niet meer dan logisch dat ze zich tegen het regime keerden. Het jaar voor hun komst had de universiteit besloten om de voertaal Engels te vervangen door Arabisch. De Engelse examinatoren van de Londense universiteit waaraan Khartoem tot die tijd gelieerd was geweest, werden voor hun diensten bedankt. Studenten voorzagen dat dat de kwaliteit van hun onderwijs zou aantasten en gingen de straat op. De politie sloeg de protesten hardhandig neer, waarbij een student om het leven kwam; anderen werden vastgezet en gemarteld.

Ze voerden debatten, demonstreerden. Salim, die een auto had, hielp studenten in nood om weg te komen. De strijd creëerde saamhorigheid. De studenten waren zo fel dat de regering-Bashir uiteindelijk besloot om de universiteit een jaar lang te sluiten.

Namir – die met zijn gladgeschoren gezicht nog steeds iets jongs uitstraalt, al verraadt zijn buik zijn leeftijd – werd uiteindelijk gepakt en vluchtte het land uit. Hij bouwde een nieuw leven op in de VS, waar hij nu werkt als taxichauffeur en in de avonden commercieel recht studeert. In de zomers keert hij terug naar Khartoem om zijn vrouw en kinderen te zien. Hij mist Khartoem, hij mist de warmte, de mensen, ’s avonds laat met vrienden buiten zitten. Maar hij wil zijn vrouw en kinderen naar de VS halen, Soedan is te instabiel.

Boelboel pakt een pluk pruimtabak uit een plastic zakje en stopt dat tussen zijn lip en gehemelte. Hij heeft een donkerder huidskleur dan de anderen en een grote neus, die alle aandacht trekt. Zijn gezicht is meer getekend door de jaren dan dat van zijn vrienden. Hij is afkomstig uit Zuid-Kordofan, een van de regio’s waar Khartoem oorlog mee voert (naast Darfoer en het Blauwe Nijl-gebied).

Een goede baan kan hij vanwege zijn afkomst en zijn verleden wel vergeten; de overheid zit in alle selectiecommissies, zelfs die van internationale ngo’s. Nu heeft hij drie baantjes als docent Engels. ‘In je paspoort staat tegenwoordig uit welke regio je komt’, beklaagt hij zich tegen de verdwaalde buitenlander die Salim heeft meegebracht – buitenlanders zijn hier nog zo schaars dat ze met grote Arabische gastvrijheid worden ontvangen. ‘We hebben geen vrijheid.’

Crisis

De mannen zijn al overgestapt op een ander onderwerp. De auto van een gezamenlijke vriend is stuk, vertelt Namir. ‘Alweer?’ vraagt Salim.

De mannen discussiëren. Salim zegt: ‘Het probleem is dat er geen reserve-onderdelen voor die auto te vinden zijn hier. Telkens als er iets stuk gaat, moeten er onderdelen worden ingevlogen uit Dubai. Maar hij is niet rijk genoeg voor een BMW.’ Ze knikken.

Aan de overkant van het grasveld is een kleine tribune met betonnen banken. Erboven hangt een portret van Omar al-Bashir. In 2005 sprak John Garang, de leider van de opstandige Zuid-Soedanezen en korte tijd vicepresident hier voor een vol stadion. Drie maanden later kwam hij om bij een mysterieus vliegtuigongeluk. De volkswoede die daarop volgde, maakte het land drie dagen onbestuurbaar.

Ook nu weer verkeert Soedan in crisis. Sinds vorig jaar het zuiden zich van Soedan afscheidde, droogden de olie-inkomsten, de kurk waar het land op drijft, grotendeels op. 75 procent van de olievoorraden ligt nu in het buurland. Het bruto binnenlands product schoot van plus 4,5 procent in 2010 naar min 3,9 procent in 2011. Het Soedanese pond halveerde in een jaar tijd in waarde. Maar nog steeds gaat driekwart van het budget naar het veiligheidsapparaat – en slechts twee procent naar onderwijs. Bashir is het eerste staatshoofd dat nog in functie is aangeklaagd door het ICC. Hij wordt verdacht van genocide. In juni ging een nieuwe generatie studenten de straat op. Misschien is het het begin van een nieuwe revolutie – maar vooralsnog zetten de protesten vooral het regime op scherp.

Salim vraagt Nadir of hij zin heeft in een wijntje. ‘Nee, ik drink niet tijdens de ramadan, echt niet’, zegt Namir. ‘We hebben een fles witte wijn in de auto staan.’ ‘Dat meen je niet?’ ‘Kom maar mee’, zegt Salim lachend. Ze lopen samen naar de auto.

Imad staat op en slentert naar de oranje thermoskan die hij heeft meegebracht en op het randje van een van de bloembakken heeft gezet. Hij tapt nog eens een koel glas water. De dame in de abaja brengt verse glaasjes zoete thee. Haar hoofddoek hangt losjes om haar hoofd. De abaja lijkt vooral bedoeld om ongewenste aandacht af te weren. Imad heeft haar de vorige avond gevraagd of hij haar omzet niet verpestte als hij zelf water meebracht, maar ze zei dat het geen probleem was.

Imad heeft een smal gezicht met een sikje, met zijn spierwitte djellaba en bijpassend wit hoedje ziet hij eruit als een succesvol zakenman. Hij is de enige zoon en heeft elf zussen. Zijn vader studeerde nog samen met de vader van Salim. Hun beide vaders werkten voor de overheid van het sinds 1956 onafhankelijk geworden Soedan en kregen een lapje grond in Khartoem, waar ze uiteindelijk hun huizen bouwden: grote huizen met daarin voor ieder getrouwd kind en diens gezin een eigen appartement. Maar toen in 1969 kolonel Noemeiri de macht greep, keerden ze zich beiden tegen het regime en weken uit naar Saoedi-Arabië.

Toen zijn vader stierf, nam Imad zijn accountancykantoor over en werd het nieuwe gezinshoofd. Het verzet liet hij voor wat het was. Het frustreerde hem; alles wat ze deden liep op niets uit. Van hun vieren is alleen Salim nog actief. Twintig jaar later bestaat hun gezamenlijke daad van verzet vooral uit samen drinken. Drinken omdat, met de woorden van Salims vrouw, ‘mensen het zat zijn dat het regime hen een geloof opdringt, en ondertussen zelf huizen bouwt in het buitenland’.

Een brommer van het regime

Nadir en Salim gaan weer zitten. Nadir heeft Salims iPhone bij zich en speelt een liedje af. ‘Aza’ heet het. Aza is een veel voorkomende vrouwennaam, in de koloniale tijd werd hij gebruikt om er Soedan mee aan te duiden. Een mannenstem zingt: ‘Aza, wordt wakker, je bent groot geworden.’ De zanger roept de Soedanezen op om zich te verzetten tegen de kolonisator. Nadir houdt vol dat de zanger van het nummer ook de schrijver van de songtekst is. Hij draait het nummer nog eens en nog eens. Imad knikt.

Salim schudt zijn hoofd. ‘Nee, het is geschreven door iemand van het Noeba-volk die vloeiend Arabisch sprak. De songtekst is in 1924 geschreven, het nummer is pas na 1939 opgenomen, door al-Kashif. Toen was de schrijver al overleden.’ Nadir: ‘Ik wed voor honderd dollar dat de schrijver en de zanger één en dezelfde zijn.’ ‘Zen’, zegt Salim, oké.

Soedan maakte in zijn korte postkoloniale geschiedenis al drie keer eerder een revolutie mee, telkens gevolgd door slechts een paar jaar democratie: in 1956, 1965 en 1985. De mannen refereren graag aan de standvastigheid van hun volk. En wie weet zijn de huidige protesten ook de voorbode van een vierde revolutie. Al is het nu te warm om de straat op te gaan en tijdens de ramadan ook te vermoeiend.

Bashirs kliek woont in het centrum van Khartoem – met zijn hoge gebouwen, dure auto’s en goed verzorgde straten het Las Vegas van de Arabische wereld – in een andere wereld dan het volk. Salim groeide zelf buiten de stad op. Zijn vader was een hoge ambtenaar die overal in het land werd aangesteld om staatsfabrieken te leiden. De meeste fabrieken bevonden zich op het platteland, in gebieden zonder elektriciteit of stromend water. In 1981 kreeg zijn vader een conflict met Numeiri en week hij uit naar Saoedi-Arabië om zich op het zakenleven te storten. Salim was pas acht, en zou pas negentien jaar later terugkeren. Het gezin bleef achter in het dorp, waar zijn vader via de fabriek wel voor elektriciteit had gezorgd.

Salim was een lastige puber. Hij was opstandig, hij rookte en dronk. Op zijn zeventiende nam zijn tante hem mee naar Khartoem. De politieke situatie was gespannen. Bashirs bondgenoot Saddam Hoessein viel Koeweit binnen. Jongens die voor het regime waren, kregen een brommer. Maar Salim bleef loyaal aan zijn dorp en koos tegen. Op zijn nieuwe school nam een leraar hem onder zijn hoede wiens broer kort ervoor door het regime was doodgeschoten. Er was weinig voor nodig om Salim politiek actief te krijgen.

Een moeder trakteert haar driejarige dochter op een grote roze suikerspin. Twee jongens aan een volgend tafeltje surfen met hun laptop en iPad naar Facebook.

Inmiddels klinkt een andere zanger op de iPhone: Khojali Osman. ‘Luister’, zegt Imad. Hij vertaalt: ‘Jij bent degene die de orders uitdeelt en de beslissingen neemt.’ Hij mompelt: ‘Wat heeft deze zanger me in de problemen gebracht.’

In 1995 trad de zanger op in buurland Ethiopië. Wat hij niet wist was dat moslimextremisten die streden voor een islamitische staat zijn muziekinstrumentkisten gebruikten om wapens in te smokkelen, met het doel om Egyptes president Moebarak te vermoorden. De gematigde Moebarak stond de vorming van één groot Arabië in de weg. Maar de aanslag mislukte. Toen de zanger erachter kwam dat zijn instrumentkisten gebruikt waren om de wapens het land in te smokkelen, liet de groep hem vermoorden. Imad: ‘Ik studeerde nog, mijn vader vroeg me om met hem mee te gaan op zakenreis naar Addis Abeba. Ik hoorde pas na terugkomst wat er was gebeurd. Na die verijdelde aanslag werden de verhoudingen tussen Ethiopië en Soedan bevroren. Toen ik weer thuis was, kwam een buurtgenoot naar me toe. Hij waarschuwde me dat de veiligheidsdienst, waar hij voor werkte, een dossier over me had aangelegd omdat ik in diezelfde tijd in Addis was. Gelukkig wist hij hen ervan te overtuigen dat ik maar een student was die mee was gegaan met zijn vader.’

Het begint steeds harder te waaien; fijn zand stuift op en striemt onze gezichten. Salim wrijft nog eens over zijn wenkbrauwen.

Imad is even stil en mijmert dan: ‘Mijn vader was tegen Numeiri. En velen met hem. Hij was blij toen Bashir het overnam – en ontdekte toen dat Bashir nog vele malen erger is.’ De lampen die aan hoge palen boven de baan hangen gaan uit, alleen de kiosken blijven nog verlicht. Het loopt tegen enen en de meeste gezinnen zijn al naar huis. Ook de vrienden nemen afscheid. Later die week raadplegen Salim en Nadir Salims vader. Salim wint de weddenschap.

Salim start de auto, draait de rondweg op en geeft gas. In de auto galmt de stem van de in Nederland opgegroeide Soedanese Nancy Ajaj. Ze zingt in het Arabisch: ‘De avond is voorbij. Ik trek mijn mooiste kleren aan en maak me gereed, in de hoop dat de langverwachte terugkomt.’ Het is halftwee ’s nachts en het kwik zakt eindelijk onder de dertig graden.

Maak MO* mee mogelijk.

Word proMO* net als 3249   andere lezers en maak MO* mee mogelijk. Zo blijven al onze verhalen gratis online beschikbaar voor iédereen.

Ik word proMO*    Ik doe liever een gift