'Het is niet onze crisis'

Leonard Gentle voerde tijdens de Karel Van Miert-lezing een passioneel betoog over internationale solidariteit. Gentle is onderzoeker bij het Zuid-Afrikaanse ILRIG, partner van fos.

  • fos Leonard ?Lenny? Gentle (55) is directeur van de ngo International Research en Information Group (ILRIG) fos

Leonard ‘Lenny’ Gentle (55) is directeur van de ngo International Research en Information Group (ILRIG) die opleidingen, publicaties en onderzoek voorziet voor arbeiders- en sociale bewegingen in Zuidelijk Afrika. De voormalige hoogleraar in Economische Geschiedenis van de Universiteit van Kaapstad is recent ook actief in nieuwe, opkomende bewegingen in Zuid-Afrika.

Hij publiceerde tal van teksten over de arbeidersbeweging en apartheid in Zuid-Afrika. Als voormalig antiapartheidsactivist is hij een drijvende kracht binnen de Zuid-Afrikaanse arbeiders- en burgerbewegingen.

Zuid-Afrika lijkt wel een land van extremen. Enerzijds is het het meest ontwikkelde land van Zuidelijk Afrika, maar anderzijds is er nog steeds veel armoede. Hoe verklaart u dit?

Gentle: In overheidskringen heeft men het over ‘twee Zuid-Afrika’s’: het eerste ontwikkelde, succesvolle Zuid-Afrika en het andere Zuid-Afrika dat volgens hen een verziekte economie heeft. Er is dus volgens hen een eerste, en een tweede economie. De eerste is officieel, de tweede niet.

Hiermee vergoelijken ze huidige praktijken en beleidsmaatregelen door te zeggen dat ze hiermee de obstakels proberen weg te nemen die de tweede economie ervan weerhoudt om bij te benen met de eerste economie.

Mijn kritiek op deze tweedeling is dat het veronderstelt dat het twee parallelle paden zijn die niet verbonden zijn met elkaar. Het zogenaamde succes van de zogenaamde eerste economie is er net omdat het de tweede economie uitbuit. Ze lopen dus helemaal niet parallel met elkaar.

Er zijn dus geen ‘twee Zuid-Afrika’s’?

Er zijn wel ‘twee Zuid-Afrika’s’, maar in een andere betekenis dan deze die in overheidskringen gebruikt wordt. De buitenwereld ziet de kant van armoede, werkloosheid en onderontwikkeling. Mijn stelling is dat het neoliberale beleid de condities voor de meerderheid van de Zuid-Afrikanen verergerd hebben. Maar deze beleidsmaatregelen hebben anderzijds van bedrijven en de overheid wereldspelers gemaakt.

Op een opportunistische manier gebruikt de overheid soms zijn prestige in de wereld alsof ze de vertegenwoordigers van de armen zijn. Dit om morele standpunten te winnen terwijl ze tegelijkertijd de rijken en de elite promoten om redenen die niet vooruitstrevend zijn. Hiervoor wil ik het concept van de ‘twee Zuid-Afrika’s’ lenen.

Momenteel zijn er in elke stad protesten, activistengroepen en kritische demonstraties die allemaal roepen dat ze het niet aanvaarden dat hun levensstandaard er niet op vooruit gegaan is. De andere kant – de rijke elite – hebben de luxe om van alle voordelen van het beleid te genieten, maar ze kunnen als het hen uitkomt altijd de traditie van strijd oproepen van Zuid-Afrika die na de apartheid een democratisch land werd. Het is een soort van morele maatstaf die ze in de wereld uitspelen.

Tegen de armen zeggen ze dan dat het hun eigen fout is dat ze arm zijn, want alle opportuniteiten zijn er. Ze hebben er gewoon niet genoeg van geprofiteerd. Deze strijd aan de basis kan wel een bron van optimisme zijn en kan mensen elders ter wereld inspireren. Het toont dat ook in een situatie waar het lijkt alsof de strijd al verloren is, het nog mogelijk is om te blijven vechten voor sociale rechtvaardigheid.

U zei tijdens de Karel Van Miert-lezing dat internationale solidariteit de strijd tegen apartheid mogelijk gemaakt heeft, maar dat het ook een neveneffect had. 

Dat internationale solidariteit een belangrijke rol speelde in de strijd in Zuid-Afrika is iets dat moet gevierd worden en waardoor we ons moeten laten inspireren. Bij elke grote strijd die gevoerd werd de laatste tweehonderd jaar – zoals de strijd tegen slavernij en voor vrouwenstemrecht – was internationale solidariteit belangrijk.

Anderzijds bestaat het gevaar dat de leiding van de beweging bijna al zijn tijd doorbrengt ver weg van de mensen die ze vertegenwoordigen. Zo worden ze kwetsbaar en kunnen ze onderhevig raken aan invloeden die conservatiever zijn en niet meer over sociale rechtvaardigheid gaan. Dat is wat er gebeurde in Zuid-Afrika.

Succesvolle strijd voor sociale rechtvaardigheid combineert vormen van internationale solidariteit met lokale strijd. Succesvolle strijd combineert een leiderschap dat in staat is om zich te verplaatsen en verwantschap te vinden met anderen in de wereld, maar dat blijft verantwoording afleggen aan de basis.

Zijn er voorbeelden van waar men er wel in slaagde om deze combinatie te vinden?

Zeker! Kijk maar naar de succesvolle Afrikaanse onafhankelijkheidsstrijden na de Tweede Wereldoorlog zoals in Ghana, Zambia en Tanzania. De leiders van de bevrijdingsbewegingen verbleven vaak in het buitenland. Bijvoorbeeld in London, Parijs of Manchester. Als verbannen leiders leerden zij in het buitenland over sociale strijd.

Een groot deel van het succes van het pan-Afrikanisme werd bepaald door de ervaringen van deze leiders in het buitenland. Ze keken verder dan het idee ‘zij versus wij’ doordat ze de conflicten en de strijd leerden kennen binnen de eigen metropool. Frankrijk was dus niet enkel de onderdrukker, er waren ook progressieve krachten in Frankrijk en er was ook sociale strijd.

Deze successen mogen we niet vergeten. Hierna kwamen de koude oorlog, de structurele aanpassingsprogramma’s, enzovoort, die een deel van de geest van het gelijkheidsenken gesmoord hebben, maar we mogen niet vergeten dat zonder internationalisme er geen onafhankelijk Afrika zou bestaan.

Als je in eigen land met problemen geconfronteerd wordt, is internationale solidariteit toch niet evident? Bijvoorbeeld als je bedrijf op punt staat om te verhuizen naar een ander land.

Bedrijven zullen hoe dan ook verhuizen op basis van economische beslissingen. Vooruitdenkende vakbondsmensen zullen nooit om het even wat doen om hun eigen jobs te redden, want dan plaats je jezelf meteen al in een zwakke positie.

Als je dit toch belooft, verzeil je in situaties zoals bij General Motors in de VS waar de vakbond instemt met loondalingen en een antistakingsovereenkomst zodat het interessant blijft voor het bedrijf om te blijven. Je stelt dan als vakbond zodanige voorwaarden dat de leden geen reden meer hebben om je te steunen.

De kwaliteit van de jobs zijn zo onwaardig geworden dat het enerzijds geen zin meer heeft dat het bedrijf blijft. Anderzijds zijn de ondernemingen transnationaal en als we dus echt de jobs willen behouden, moeten we net solidair zijn met arbeiders in andere landen. In plaats van je eigen arbeid goedkoper te maken, moeten de arbeiders elders in de wereld aan waardig werk geholpen worden. Zo is het niet langer in het voordeel van het bedrijf om te verhuizen.

Velen zeggen dat we eerst de crisis moeten oplossen en dan moeten we strijden voor betere arbeidsomstandigheden. Een job hebben is beter dan geen job hebben.

Maar het is niet onze crisis! Het zijn niet wij, de normale mensen, die de crisis veroorzaakten. Het is de crisis van de bankiers en de speculanten. De oplichters die de wereld beheersen, brachten de wereld in een crisis. Zij hebben de crisis veroorzaakt door het geldverkeer zodanig te dereguleren en oplichterij en corruptie aan te moedigen.

Wat ze nu doen is de overheden aanspreken om hen uit de nood te helpen met publiek geld. En wat zien we dat de bankiers doen? Ze betalen zichzelf nog meer. Ik vind dat er geen poging zou moeten zijn om het systeem te helpen, want dat is tegennatuurlijk. Deze bedrijven zouden moeten instorten.

Als dit gebeurt zijn er toch een hele hoop mensen die hun job zouden verliezen?

Sommige banken zou je moeten kunnen laten instorten. Ze dienen geen enkele sociale functie meer. Ik denk dat we op vlak van autofabrieken radicaler mogen zijn. We moeten het bedrijf overnemen. In Argentinië gebeurde dit. Arbeiders namen bedrijven over en beheerden ze als coöperatieven. Waarom doen we dat niet?

Ik denk dat we met links hier een opportuniteit verliezen doordat we ons bankroet systeem proberen te redden. Neem nu het voorbeeld van Griekenland. Iedereen zegt dat we de Euro niet mogen laten instorten. Wel, misschien moeten ze de Euro laten instorten. Laten we geen cent van het publieke geld uitgeven aan bankiers. Zij zijn de corrupten.”

Zou dit geen enorme sociale gevolgen hebben?

Niet als je het als een opportuniteit neemt om het hele systeem te veranderen. Dit betekent dat je de autofabriek overneemt. We willen dat de overheid meer uitgeeft, niet aan de rijken, maar aan betere publieke dienstverlening. De socialistische beweging is heel zwak, want ze proberen al veel te lang het neoliberale systeem te redden. Daarom is het socialisme in diskrediet geraakt.

Ook hier is Griekenland weer een goed voorbeeld van. De bezuinigingen op vlak van sociale voorzieningen werden gemaakt door de socialistische overheid. In Groot-Brittannië gebeurde hetzelfde met de Labour Party die sociaal-democratisch is. Overal waar socialistische partijen aan de macht kwamen, waren zij diegene die de onpopulaire maatregelen troffen. Hoe verwacht je dan dat mensen voor hen gaan stemmen? Ik neem het hen niet kwalijk dat ze naar rechts vluchten, want links is nog erger. Dit moeten we doorbereken.

Wat moet er dan precies gebeuren? 

Het socialisme moet terugkeren naar het volk, naar de basis. De socialistische partijen hebben socialisme een slechte naam gegeven. Ze vertrekken van verkiezingen, wat er gebeurt in het parlement en welke allianties ze kunnen krijgen.

Voor er socialistische partijen bestonden, was het socialisme een beweging aan de basis. Nu is het omgekeerd; de beweging aan de basis wordt verlaten en we richten ons op politiek en wetgeving. Als je een visie op sociale rechtvaardigheid hebt, moet het er een zijn die door miljoenen normale mensen omarmd wordt omdat het is wat ze zelf willen.

 Een aspect daarvan is dat er een vertrouwen bestaat in dat wat mensen echt willen, goed is. In de geschiedenis van de mensheid zijn er heel veel voorbeelden die dit illustreren. Als ik dus zeg dat het socialisme terug een massabeweging moet worden, is dat om zijn positieve kanten te doen heropleven. De radicale, revolutionaire kant.

Bestaat er geen gevaar dat socialisme van en voor de basis ontaardt in rechts populisme?

De angst voor rechts populisme in de samenleving is reëel, maar dat komt omdat het socialisme de gewone mensen verlaten heeft. Neem nu het evidente voorbeeld van vreemdelingenhaat, racisme en het buitenzetten van buitenlanders.

Als je in een arme buurt in Amsterdam woont en niemand die progressief is komt naar je toe en toont je dat de immigranten die in dezelfde buurt wonen dezelfde problemen hebben als jij. Dat je allemaal zou moeten samenwerken om de samenleving te veranderen. Dan ben je een gemakkelijke prooi voor mensen die beweren dat de reden waarom jij arm bent, is dat die immigranten je job afgenomen hebben. Ik denk dat de angst voor rechts overdreven is. Ze hebben enkel zoveel aanhang omdat links het volk in de steek gelaten heeft.

Ben je hoopvol dat van de opportuniteit die de crisis biedt, gebruik zal gemaakt worden?

Ik denk niet dat we een andere keuze hebben. Het zal niet eensklaps afgerond worden, maar ik ben extreem optimistisch. Binnen de komende vijf tot tien jaar zal de wereld er helemaal anders uitzien dan vandaag. We zullen nog niet volledig op het juiste spoor zitten, maar de heroplevende geest van het radicalisme zal duidelijk zichtbaar zijn. We hebben gewoon geen keuze.

Voor het eerst in de menselijke geschiedenis worden we geconfronteerd met een combinatie van een energiecrisis, een economische crisis en de opwarming van de aarde. Dit zijn allemaal internationale kwesties. Ik ben optimistisch en geloof dat de mensen de juiste keuzes zullen maken.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 3190   proMO*’s steunen ons vandaag al. 

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur

  • Lisa Develtere is sinds 2018 redacteur bij Sociaal.Net. Voorheen was ze freelance journalist en fotograaf en leverde ze regelmatig bijdragen voor MO*.