Het onnavolgbare Duitse model

Een oud sociaal conflict in een nieuw land

Dezer dagen wordt Duitsland geregeld voorgesteld als het na te volgen model: als België/Vlaanderen/X het sociaaleconomische beleid van Duitsland nabootst, komt het allemaal goed. MO* trok naar Duitsland om das Deutsche Modell beter te leren kennen en stelde vast dat deze kwestie mee zal beslissen over de toekomst van Europa.

  • Bart Lasuy Schütte nabij Keulen, producent van werktuigmachines, neemt elk jaar tien tot vijftien jongeren met een leercontract aan Bart Lasuy
  • Bart Lasuy Niedriglohnsektor: 6,5 miljoen werknemers in Duitsland zijn aan de sla in de lagelonensector Bart Lasuy
  • Bart Lasuy Made in Germany: Duitsland voerde in 2010 voor 124 miljard euro aan machines uit Bart Lasuy
  • Bart Lasuy 23 maart, voor het Duitse parlement in Berlijn: de Belgische socialistische vakbon ABVV voert actie voor het behoud van de Belgische loonindexering en voor een sociaal Europa Bart Lasuy

Wat bewonderaars van het Duitse model het meest de ogen uitsteekt, zijn de opmerkelijke handelscijfers die het land jaar na jaar neerzet. Sinds 2002 heeft Duitsland elk jaar een handelsoverschot van meer dan honderd miljard euro –tot vijf procent van zijn nationaal inkomen. In 2007 beliep het handelsoverschot bijna 200.000 miljard euro.

Vorig jaar voerde het land voor liefst 124 miljard euro aan machines uit, China was de grootste afnemer. De levering van Duitse machines aan het Middenrijk is tussen 2001 en 2010 bijna vervijfvoudigd, van 3,5 naar 15,5 miljard euro.

Dat alles wijst op competitiviteit in tijden van globalisering. De grote vraag is natuurlijk wat daar achter steekt. Meer nog dan andere landen kan je Duitsland niet begrijpen zonder naar zijn geschiedenis te kijken.

Wirtschaftswunder

Er was eens een land in het midden van Europa, een laatkomer onder de natiestaten van het continent. Laatkomer Duitsland ging al snel wedijveren met de grootmachten van de tijd: Groot-Brittannië, Frankrijk en de VS. Die machtsstrijd mondde uit in twee vreselijke wereldoorlogen, die de wereld verscheurden, maar boven alles ook Duitsland zelf.

Het land werd in de grote ideologische en politieke strijd tussen kapitalisme en communisme gesplitst in het kapitalistische West-Duitsland en het communistische Oost-Duitsland. Hoofdstad Berlijn werd verdeeld door de beruchte muur.

West-Duitsland stond op uit de ruïnes van de Tweede Wereldoorlog met het zogenaamde Wirtschaftswunder. Omdat het land totaal aan de grond zat en er amper lokale koopkracht was, was het voor snelle economische groei aangewezen op buitenlandse koopkracht. Export, dus. Net als de Japanse viel de West-Duitse economie daarom na de oorlog in een soort van exportplooi. En die plooi is er sindsdien eigenlijk nooit meer uitgeraakt.

Een ander kenmerk van West-Duitse bedrijven was de zogenaamde Mitbestimmung: veel nauwer dan elders werden vakbonden in de ondernemingsraden betrokken bij het beleid van de bedrijven.

Hereniging = keerpunt

De twee Duitse staten wedijverden met elkaar op allerlei terreinen, ook op sociaal gebied. Andreas Wiedemann van de dienstenvakbond Verdi: ‘Bij sociaal overleg in West-Duitsland zat naast werkgevers en werknemers altijd een derde mee aan tafel: Oost-Duitsland. De aanwezigheid van een communistische staat op Duits grondgebied gaf mee vorm aan de sociale markteconomie in het Westen.’

Toen het Oostblok instortte, veranderde de wereld dus iets meer dan we dachten. Ralph Wiechers van VDMA, de patronale organisatie van Duitse producenten van machines en technische installaties, zet op een rijtje hoe de West-Duitse industrie er in 1999 tegen aankeek: ‘Alles zat tegen. Onze oostelijke markten waren ingestort, en daarenboven had je de slechte conjunctuur, een dure Duitse mark en hoge belastingen, onder andere door de hereniging. De vraag rees of Duitsland nog wel competitief was.’

Karl Brenke van het toonaangevende en door de overheid gefinancierde Duitse Instituut voor Economisch Onderzoek (DIW) lacht die analyse weg: ‘Dat is ideologie, want sinds 1952 is Duitsland ononderbroken een exportland geweest. Men heeft de loonverschillen tussen Oost en West gebruikt om de lonen te matigen. Bovendien was er een ideologisch gedreven eis tot flexibele arbeid en lagere lonen.’

Wiechers gaat niet akkoord: ‘Zo ideologisch was het niet, want de tewerkstelling in onze branche daalde van 1,17 miljoen naar 900.000. Wij stelden vast dat de groei telkens maar enkele jaren duurde en dat er meer flexibiliteit in de tewerkstelling nodig was om als het ware mee te ademen met de grillige conjunctuur. Dat kon door de arbeidsrekening (waarbij werknemers hun uren over het jaar verspreidden al naargelang de bedrijfsnoden, jvd) en door uitzendarbeid.'

'Omdat de binnenlandse markt niet meer groeide,' vervolgt Wiechers, 'richtten we ons nog meer op de buitenlandse. Oost-Europa werd voor ons aantrekkelijk als productieplaats: er was een industriële traditie en de lonen lagen er veel lager.’

Wat er ook van zij: met de hereniging begon de erosie van de Duitse sociale markteconomie. Dierk Hirschel van dienstenvakbond Verdi: ‘De vakbonden hadden minder leden in de oostelijke deelstaten en de lonen lagen er lager. Al snel ontstond de neiging te zeggen dat de collectieve arbeidsovereenkomsten (cao’s) daar niet geldig konden zijn omdat die regio’s minder productief waren. Zo groeide ook de druk op de lonen in het westen.’

De “dekkingsgraad” van cao’s was in Duitsland altijd al lager dan in België of Frankrijk –75 procent tegenover bijna honderd procent– maar ondertussen is die al onder de zestig procent gezakt. Dat wil zeggen dat nu bijna de helft van de bedrijven de cao’s niet volgen en vrij hun lonen bepalen.

Dochters betalen slecht

Die evolutie ondergroef de mogelijkheid van de Duitse vakbonden om hun internationale afspraken te honoreren. Sinds 1997 proberen vakbonden uit België, Nederland, Duitsland, Frankrijk en Luxemburg immers de loonevolutie te coördineren. Ze spraken af om in hun respectievelijke cao’s het loon te laten stijgen met de inflatie plus de productiviteitsgroei. Duitsland bleef evenwel meer en meer achter: de reële lonen groeiden er amper. Uwe Fink van de metaalvakbond IG Metall: ‘Dat lag niet aan de cao’s die wij afsloten. In het Internationale Metaalverbond waren wij bij de beste leerlingen, die bijna elk jaar de cao-lonen optrokken met de inflatie en productiviteitstoename.’ Het probleem zat hem in het feit dat steeds meer bedrijven de cao’s niet onderschreven.

Ook in bedrijven met cao’s valt een groeiende groep werknemers niet langer onder het stelsel omdat ze worden tewerkgesteld als uitzendarbeider en dan aan veel lagere lonen werken. Meer en meer bedrijven richten daartoe speciale dochterondernemingen op. Verdi-afgevaarde Joaquin Hecht vertelt hoe dat gaat bij het bedrijf Globe Ground, dat bagage verwerkt op de Berlijnse luchthaven Tegel: ‘Het bedrijf richtte een dochteronderneming op, GSI, waar intussen het merendeel van de werknemers werkt. De oude werknemers verdienen zestien tot achttien euro per uur maar wie nu binnenkomt, krijgt 9,2 euro en blijft als uitzendarbeider op dat niveau. Velen van hen werken dertig uur per week en eindigen zo met een loon op de armoededrempel. Wij slagen er moeilijk in hen te organiseren. Ze zijn bang hun baan te verliezen en hun verwachtingen zijn al op jonge leeftijd erg laag: ze zijn al zoveel afgewezen op de arbeidsmarkt.’ Markus Kurth, woordvoerder sociale zaken van de Groenen in de Bondsdag: ‘BMW Leipzig richtte een dochterbedrijf voor uitzendarbeid op waar dezelfde arbeiders plots tot veertig procent minder verdienden.’

Uwe Fink (IG Metall) erkent dat ook in de metaalsector bedrijven nu dochters oprichten waar ze personeel voor hetzelfde werk dertig tot veertig procent minder betalen. ‘De vaste werknemer verdient als het ware vijftien euro om de linkerdeur van de auto te monteren, de uitzendarbeider 8,5 euro voor de rechterdeur.’

Lagelonensector

Andreas Wiedemann van Verdi legt uit hoe ook de privatisering en liberalisering van openbare diensten bijdragen tot loondruk: ‘Hier in Leipzig betaalt City Post de postbedelers 3,6 eurocent per brief. Na honderd brieven –en daar ben je dus een tijd mee bezig– hebben ze 3,6 euro verdiend. Ze moeten het werk ook met hun eigen fiets doen. Met dat soort bedrijven moet de Deutsche Post nu concurreren.’

Een belangrijk verschil met de buurlanden is dat Duitsland geen minimumloon heeft. Dat heeft volgens Marcus Kurth sinds de fameuze Hartz-hervormingen van de rood-groene regering in 2003-2005 meer gevolgen dan vroeger. Kurth: ‘Duitsland heeft nooit een algemeen minimumloon gehad maar tot 2005 fungeerde de werkloosheidsuitkering de facto als een soort ondergrens: mensen weigerden werk dat slechter werd betaald dan de uitkering. Hartz maakt dat veel moeilijker: wie weigert, riskeert een vermindering of zelfs schorsing van zijn uitkering.’ Hirschel van dienstenvakbond Verdi vult aan: ‘Je mag enkel een job weigeren als het loon dertig procent onder het gemiddelde van je regio zit. In Oost-Duitsland betekent dat dat je een job met een netto-uurloon van vier euro moet aanvaarden.’

Het gevolg van dat alles is een omvangrijke Niedriglohnsektor (lagelonensector). Reinhard Bispinck van de Hans Böcklerstichting: ‘Lage lonen zijn lonen onder de 9,06 euro bruto (twee derde van het middelste loon). Het gemiddelde lage loon in Oost-Duitsland is 5,18 euro en 7,09 euro in het westen. Netto komt dat ongeveer neer op respectievelijk 4,5 en 5,5 euro. Tussen 1998 en 2008 steeg het aandeel van die lage lonen van 14,2 procent naar 20,7 procent.’ Momenteel werken 6,5 miljoen werknemers in Duitsland aan netto-uurlonen van vier tot zes euro. Een taxichauffeur vertelt dat hij nog geen vier euro per uur verdient: ‘Reken het zelf uit. Ik werk 230 uur per maand en verdien 900 euro. Daarvan gaat er al 500 euro af voor de huur. Gelukkig werkt mijn vrouw.’ De man is blij met de vrijheid die de hereniging bracht maar sociaal ziet hij het als een achteruitgang. ‘Destijds betaalde ik tien procent van mijn loon aan huur, nu meer dan de helft.’

Dierk Hirschel bekent dat Verdi de controle op de loonontwikkeling heeft verloren in de dienstensector.

Opmerkelijk is dat de overheid in zekere zin die lagelonensector subsidieert: vorig jaar betaalde ze 700 miljoen euro aan meer dan anderhalf miljoen mensen wiens loon zo laag lag dat het onder de Hartz IV-drempel viel: 359 euro plus huur voor alleenstaanden (plus circa 250 euro per bijkomend kind). Die praktijk van het aufstocken (aanvullen) roept vanuit het oogpunt van eerlijke concurrentie vragen op: de werkgever die goede lonen betaalt, moet concurreren met slechte betalers die eigenlijk gesubsidieerd worden door de overheid.

Dat alles samen heeft ervoor gezorgd dat de reële lonen in Duitsland tussen 2001 en 2008 in totaal met 0,7 procent groeiden, veel minder dan in de andere Europese landen. Het heeft de typische Duitse uitvoerders van machines en ander hoogtechnologisch tuig geen windeieren gelegd: via de uitzendarbeid, de erosie van de cao’s en de uitbesteding van diensten aan allerlei lagelonenbedrijven konden ze hun loonkost drukken. Wiechers onderstreept dat de VDMA geen verandering in de Hartzwetgeving wil.

Maar ook in lowtech sectoren als vleesverwerking en groenten uit volle grond snoept Duitsland nu marktaandeel af van België, Nederland en Denemarken. ‘In de Duitse slachthuizen werken Roemenen nu aan bruto-uurlonen van zes tot zeven euro. In sommige slachthuizen bestaat tachtig procent uit toegeleverde arbeid uit Oost-Europa’, aldus Bernd Maiweg van de voedingsvakbond NGG.

Onderzoek en ontwikkeling

Die lage loonkost wordt gecombineerd met moderne technologie. Daardoor zakte de loonkost per eenheid van productie in Duitsland met bijna tien procent, terwijl hij in Zuid-Europa met vijftien tot 25 procent steeg. Het is die handicap die de Zuid-Europese landen weer moeten goedmaken.

De Duitse competitiviteit hangt samen met innovatie en die vloeit dan weer voort uit het feit dat Duitsland 2,82 procent van zijn inkomen aan onderzoek en ontwikkeling besteedt, bijna een volle procent meer dan België. Alleen Denemarken, Zweden en Finland doen beter in de EU.

Zowel Wiechers van de VDMA als Uwe Fink van IG Metall onderstrepen dat de scherpte van de Duitse bedrijven ook steunt op een lokaal netwerk van universiteiten, toeleveraars, klanten, en gekwalificeerde arbeiders. Fink: ‘Soms trokken bedrijven taken die ze eerst hadden uitbesteed terug naar Duitsland omdat hier betere kwaliteit kon worden geleverd.’

Het sociale conflict is de voorbije jaren bij momenten scherp geweest maar het eindresultaat is volgens Wiechers een betere Mitbestimmung. ‘Vroeger stonden arbeid en kapitaal lijnrecht tegenover elkaar op bedrijfsniveau: de arbeiders wilden er het maximum uithalen maar door de druk van de globalisering is de verhouding veranderd. De werknemers werden bedreigd met delokalisatie en soms is die ook uitgevoerd. Maar ook ondernemers ondervonden dat veel dingen makkelijker zijn als ze in Duitsland kunnen werken. Daardoor is men meer gaan samen zitten om te kijken hoe men tot de beste resultaten kan komen. Het is meer Mitbestimmung van onderuit.’ In die optiek past de toegeving van de vakbonden om het bedrijven mogelijk te maken de CAO’s maar gedeeltelijk uit te voeren –flexibiliteit die maximaal twee jaar duurt.

Fink benadrukt dat Duitse bedrijven dikwijls erg gespecialiseerde machines maken waar kwaliteit meer doorweegt dan prijs. ‘Putzmeister en Schwing zijn goed voor liefst tachtig procent van de wereldmarkt aan betonpompen waarmee op bouwwerven beton naar omhoog kan worden gepompt.’ Deze high road van innovatie en hooggeschoolde arbeid is de weg die vakbonden verkiezen.

Er is geen toekomst als de andere Eurolanden de Duitse aanpak volgen.

De Duitse vakman

De firma Schütte, nabij Keulen, maakt al bijna honderd jaar werktuigmachines –zeer complexe draaimachines die in een oogwenk zeer precieze metalen objecten uitspuwen: heupprotheses, knieschijven, bougies of onderdelen van dieselmotoren, kogellagers en vloeistofkranen. Schütte heeft maar een handvol concurrenten in de wereld. De machines vereisen dat de arbeiders tot op een duizendste van een millimeter nauwkeurig kunnen werken. Dat vergt vakmanschap. Elk jaar neemt Schütte tien tot vijftien jongeren met een leercontract aan. Die zogenaamde Lehre duurt ruim drie jaar en de leerling-arbeiders verdienen er 600 tot 900 euro per maand. Die verweving van onderwijs en werkvloer is in Duitsland een begrip. ‘Ik ben hier ook zo begonnen,’ vertelt Winfried Rupp, ‘en later ben ik doorgegroeid naar de marketingafdeling.’ De manier waarop Rupp spreekt over Facharbeiter en ingenieurs wekt de indruk dat het onderscheid tussen de twee in Duitsland minder groot is dan bij ons. ‘Het gebeurt vaak dat Facharbeiter doorstuderen aan de hogeschool of universiteit en uiteindelijk ingenieur worden.’ Ohne Facharbeiter geht nichts, erkent ook Wiechers. Op een of andere manier blijkt er in Duitsland meer respect te zijn voor beroeps- en technische opleidingen dan in België.

Grün

‘Abschalten, abschalten’, scanderen honderden mensen voor de imposante ambtswoning van kanselier Merkel. Ze willen dat de regering meteen alle atoomcentrales afzet. Op dat moment, eind maart, worden in 600 steden gelijkaardige maanwakes gehouden naar aanleiding van de kernramp in Japan.

Uwe Hicks, al 30 jaar actief in de beweging, probeert ons uit te leggen waarom de beweging in Duitsland zo sterk is: ‘De beweging ontstond, net als elders, uit de contestatiebeweging van de jaren zestig en zeventig. Het verschil is dat wij het gevoel hadden dat een eventuele atoomoorlog op Duits grondgebied zou worden uitgevochten. Dat heeft de anti-nucleaire beweging hier heel sterk gemaakt.’

Dat heeft niet enkel gevolgen voor de politiek maar ook voor de economie, vertelt Bernhard Fink van Enerco, Duitslands grootste windmolenproducent: ‘Waarom we zo succesvol zijn? Omdat ons ontwerp geniaal was én omdat de overheid al vroeg, begin jaren negentig, een gunstig beleid heeft uitgetekend, vooral in de vorm van goeie stroomprijzen. Dat heeft alles te maken met de sterke anti-nucleaire beweging. Dat beleid was erg stabiel en heeft ons laten groeien op de thuismarkt, een voorwaarde voor exportsucces. Sindsdien werden niet alleen onze molens uitgevoerd maar ook het Duitse overheidsbeleid.’

Frans Dieryck, afgevaardigd bestuurder van Essentia Vlaanderen, de Vlaamse chemiesector zeg maar, komt veel in contact met Duitse bedrijven en heeft vastgesteld dat het milieubewustzijn bij Duitse bedrijven sterk is ontwikkeld.

Met dat al hoeft het ons niet te verbazen dat Duitsland toonaangevende producenten van windmolens en zonnepanelen heeft. Die evenwel meer en meer onder druk staan van Chinese concurrenten. De zonnencellenbranche heeft er veel meer onder te lijden dan de windmolenbranche maar niemand durft uitsluiten dat daar hetzelfde gebeurt. Noch Q-cells, noch Enerco wensten met ons over dit thema te praten.

China

Is China een bedreiging? Het land ging niet alleen Duitsland voorbij als grootste exporteur in 2008, het is ondertussen ook ’s werelds belangrijkste machineproducent – hét type product waar Duitsland traditioneel sterk in staat. Wiechers van VDMA noemt China een dilemma: ‘Een bedrijf dat niet in China gaat produceren, mist een enorme markt en grote groeikansen, en blijft dus achter. Doe je het wel, dan dreig je je technologie te verliezen. Die Chinese dochters van onze grote bedrijven, dat zijn echte dinosauriërs die voortdurend aandringen op snellere groei. Kopiëren, je meester nabootsen, is bovendien goed in de Chinese cultuur. Het is dus een spel dat onze bedrijven moeten meespelen, maar het is een gevaarlijk spel.’

Over het algemeen hebben de grote Duitse bedrijven productievestigingen in China, voor de kleinere Duitse bedrijven ligt dat veel moeilijker. De risico’s overstijgen vaak hun mogelijkheden.

Sociale achteruitgang

Of de Hartzhervormingen en/of de lage lonen effectief de werkloosheid hebben verminderd, is omstreden. De werkloosheidscijfers daalden van 10,7 procent in 2005 naar 6,8 procent nu maar er was dan ook veel groei. Bovendien worden nogal wat mensen met een uitkering tegenwoordig niet meer meegeteld in de werkloosheidscijfers.

Wel duidelijk is dat de armoede in Duitsland volgens de officiële EU-cijfers op vijf jaar met een kwart is toegenomen: van 12.2 procent in 2005 naar 15.5 procent in 2009. Behalve het door een muntcrisis neergebliksemde Letland komt geen enkel ander Europees land in de buurt van zo’n snelle toename. Dat heeft te maken met de sterk toegenomen ongelijkheid: de groei ging vooral naar de topinkomens.

Onnavolgbaar

Karl Brenke (DIW) toonde in recent onderzoek aan dat er een nauwe band is tussen het sociale beleid en de exportafhankelijkheid. Brenke: ‘Het grootste deel van de groei tussen 2004 en 2010 ging niet naar lonen, maar naar winst en opbrengsten voor zelfstandigen en vermogenden. Het loonaandeel in het nationaal inkomen zakte van 73 procent in 2000 naar 66 procent in 2007. Er was een duidelijke herverdeling ten voordele van inkomens uit vermogen en de hoogste inkomens. Die hebben dat extra inkomen niet uitgegeven maar gespaard. Daardoor ging de heropleving van 2004 en 2008, anders dan normaal, niet gepaard met een toename van de binnenlandse consumptie. Duitsland was meer dan ooit afhankelijk van consumptie in andere landen, en dus van uitvoer.’

Dat was des te meer het geval omdat slechts een beperkt deel van het Duitse spaargeld in Duitsland geïnvesteerd werd. Eurotegenstander en bekend econoom Hans-Werner Sinn: ‘Duitsland had het laagste aandeel netto-investeringen van alle rijke landen, een direct gevolg van het feit dat 62 procent van het Duitse spaargeld werd uitgevoerd. Daardoor leed het land onder massawerkloosheid, wat de regering onder druk zette om pijnlijke hervormingen door te voeren die grote druk zetten op de Duitse samenleving.’

Het Duitse spaargeld zorgde mee voor het krediet waarmee de immobiliënzeepbellen in Spanje en Ierland werden aangeblazen, en waarmee de Zuid-Europese landen hun Duitse invoer betaalden. Duitse banken hebben 137 miljard euro aan krediet uitstaan bij de regeringen en banken van Portugal, Ierland, Griekenland en Spanje (de zogenaamde PIGS).

Dat doet sterk denken aan de verhouding tussen China en de VS. Met dat verschil dat de financiële markten aan de PIGS –in tegenstelling tot de VS– amper nog geld willen lenen, waardoor die hun schulden niet meer kunnen betalen en Duitse banken in problemen dreigen te komen. Tenzij de EU –en dus vooral Duitsland– hen bijstaat. Duitsland redt op dat moment ook zijn eigen banken. Het nationalistische verhaal van Bildzeitung, Europa’s grootste krant, over luie Grieken en ijverige Duitsers –dat kanselier Angela Merkel opjaagt naar een harde opstelling tegen de schuldenlanden– laat dus heel wat buiten beeld.

Brenke pleit onomwonden voor hogere lonen en meer publieke investeringen in Duitsland. ‘Er is geen toekomst als de andere Eurolanden de Duitse aanpak volgen. Je kan om morele of sociale redenen tegen de inkomensongelijkheid van dit Duitse model zijn, maar het probleem zit dieper dan dat: het kan gewoon niet werken als iedereen dat doet.’ Wie daarvoor pleit, pleit er immers voor dat alle landen streven naar een handelsoverschot –wat per definitie onmogelijk is– en een opdrogen van de binnenlandse consumptie door loonmatiging en averechtse herverdeling. Dat leidt tot een spiraal naar beneden. Tenzij de EU als blok erin zou slagen om een handelsoverschot met de rest van de wereld op te bouwen. Wat evenmin duurzaam is. Bovendien zal het voor de Zuid-Europese landen –nu de euro hun vroegere strategie van devaluatie onmogelijk maakt– sowieso bloed, zweet en tranen vergen om terug competitief te worden. En juist dat is een voorwaarde om het evenwicht binnen Europa te herstellen: Duitsland zou dat makkelijker maken als de lonen en binnenlandse consumptie er toenemen.

Warme Duitse herfst?

Er lijkt reactie op komst. De vakbonden sloten het voorbije jaar cao’s af met nogal wat loonopslag. Fink: ‘In de staalsector slaagden we er ook in gelijk loon af te dwingen voor de drieduizend uitzendarbeiders (op een totaal van 90.000). Maar daar staan we dan ook erg sterk met tachtig procent syndicalisering.’

Bovendien eisen de vakbonden nu, net als de partijen links van het centrum, de invoering van een algemeen minimumloon van 8,5 euro bruto, en gelijk loon voor gelijk werk. De bondsregering van christendemocraten en liberalen voerde een wet in die uitzendarbeiders hetzelfde loon als de vaste medewerkers garandeert indien ze de voorgaande zes maand voor hetzelfde bedrijf hebben gewerkt. In alle andere omstandigheden blijven grote loonverschillen mogelijk, met dien verstande dat er nu een minimumuurloon is van 7,79 euro is.

De wet overtuigt de vakbonden niet. Ook de Süddeutsche Zeitung had het over ‘kanker bestrijden met aspirine’. ‘De regering mist hier een kans. We willen geen tweede linie in de bedrijven,’ zegt Berthold Huber, voorzitter van IG Metall. Opinieonderzoek leert dat een meerderheid van Duitsers hem daarin volgen. Huber kondigde keiharde onderhandelingen aan in de herfst.

België en Frankrijk vonden zachtere weg

De Duitse socioloog Werner Eichhorst van het Instituut voor de Toekomst van Arbeid in Bonn gelooft dat het door de globalisering moeilijk is in Europa laagproductieve banen goed te betalen omdat je dat soort werk elders veel goedkoper kan laten doen. Maar wat betekent eigenlijk “laagproductief”? Iemand is laagproductief als de arbeidsmarkt voor het resultaat van zijn/haar arbeid maar weinig wenst te betalen, waardoor zijn of haar productie per uur uitgedrukt in geld laag is. Het is dus uiteindelijk de markt die bepaalt of iemand hoog productief is of niet. ‘Dat is nu eenmaal kapitalisme’, zegt professor internationale economie Paul De Grauwe (KU Leuven). ‘Het volstaat niet om hard of veel te werken om goed betaald te worden. Het drama van de globalisering is dat ze een enorme druk legt op de vergoeding van lager geschoolde mensen.’

Duitsland heeft op die uitdaging gereageerd door effectief lagere lonen en een grotere loonkloof toe te laten. België en Frankrijk slaagden er volgens Eichhorst beter in banen voor laaggeschoolde mensen te scheppen zonder de ongelijkheid zo sterk te laten exploderen. Dat deden ze met relatief hoge minimumlonen en sterke cao’s. Bovendien komt in sectoren waar de markt node hoge lonen betaalt de staat tussen met subsidies (dienstencheques) of tegemoetkomingen (verlaging van sociale bijdragen). Opvallend is wel dat België met negen procent van de totale tewerkstelling veel meer zelfstandigen telt dan de buurlanden –daaronder liefst 42 procent mensen met een relatief lage scholing, wat er dikwijls op wijst dat ze veeleer uit noodzaak dan uit opportuniteit zelfstandig zijn.

Is een auto misschien een mensenrecht?

Georg Holländer is zelfstandig journalist en vertaler in Berlijn. En lid van de dienstenvakbond Verdi. ‘Ik blijf om politieke redenen lid van de vakbond, om de stem van wie werkt te laten horen, al had ik persoonlijk als zelfstandige nooit veel steun aan de vakbond. Zij zijn gekant tegen de Hartzhervormingen maar voor mij persoonlijk pakken die niet slecht uit. Vroeger moest je ofwel totaal niks doen om werkloosheidsgeld te kunnen ontvangen, ofwel werken en helemaal je plan trekken. Met Hartz kan ik werken, en als ik niet genoeg winst maak, legt de jobservice bij tot Hartz IV.’ Georg Holländer haalt een document boven waaruit blijkt dat Hartz IV voor hem betekent 359 euro steun voor hulpbehoevende actieve, en 490,83 voor erkende kosten voor huur en verwarming. Samen 849,83. ‘Ik weet het: dat is niet veel. Maar je kan ermee leven als je bescheiden leeft. Kunstenaars kunnen dat makkelijker dan proletariërs omdat ze een ander soort rijkdom hebben. Is een mens misschien geen mens als hij geen auto of TV heeft, of om de 10 jaar nieuwe meubelen? Is het een mensenrecht om al die dingen te hebben? Is die consumptiedwang echt zo natuurlijk?’ Holländer ziet voordelen aan het Hartzsysteem: ‘Toen ik onlangs naar Parijs ging op zoek naar vertaalopdrachten heeft de jobservice mijn kosten vergoed als investering. Nogal wat kunstenaars slagen erin om hun atelier door het Arbeitsamt te laten betalen. Als ze dan eens een schilderij verkopen, ontvangen ze minder geld. Mij persoonlijk komt Hartz IV goed uit. Het systeem stimuleert mensen om actief te blijven, ook als ze daarmee niet genoeg verdienen. Ik vind dat positief.’

Teveel om te sterven, te weinig om te leven

Hoe anders is het wedervaren van Karin Rotte in Leipzig waar 19.4 procent van de actieve bevolking HartzIV-steun ontvangt. ‘Ik ontvang 364 euro plus mijn huur. Ik moet dus alles betalen met die 364 euro. Het is teveel om te sterven maar te weinig om van te leven. Mijn woning mag niet groter zijn dan 45 m2. Ik ben ontgoocheld over de Hartzhervormingen. Ik had gehoopt dat er meer werk zou komen maar dat is niet gebeurd. De werkloosheid blijft huizenhoog. Daarom verplichten ze ons om 1 euro-jobs te doen. Bovenop onze uitkering krijgen we 1 euro per uur als we parken onderhouden of zelfs huizen renoveren – zo beconcurreren we gewone bedrijven. Met 20 uur per week kunnen we zo in een maand 100 euro bijverdienen. Mensen zijn daar in het begin soms blij mee tot ze vaststellen hoeveel ze daarvoor moeten werken. Maar als je het niet doet, verlies je eerst 10 procent van je uitkering. Bij een tweede weigering gaat er 30 procent af. De derde keer kan je alles verliezen.’

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift

Word proMO* of Doe een gift