Dossier: 

Het is ONZE energie!

Duitsland is in de ban van de Energiewende. De lat ligt hoog. Of het land zijn doelen haalt, is onzeker. Maar veel Duiters werken mee: de financiële crisis heeft het enthousiasme vergroot om samen een lokale en hernieuwbare energieproductie op te zetten. Toch komt er ook kritiek op de oplopende kosten.

Kassel, 20 maart 2013, zes uur ’s avonds. In de hal van het stadhuis zoemt het van de activiteit: de zaal is volgelopen met 250 mensen voor de oprichting van de energiecoöperatie Bürger Energie Kassel. ‘Elk jaar betaalt onze regio 183 miljoen euro aan grote bedrijven en aan het buitenland voor haar energie. Door onze energie lokaal te produceren, scheppen we niet alleen lokale waarde en lokale banen, maar zorgen we ook voor de noodzakelijke ecologische heroriëntering van de streek’, zegt Harry Völler van de stichtersgroep die de oprichting van de coöperatie heeft voorbereid. Burgers kunnen lid worden en meteen een bepaald bedrag toezeggen: ze kunnen een of meer aandelen van 250 euro kopen, tot een maximum van 400.

De mensen weten waarvoor dat geld dient: er is immers al een concreet project. ‘Dit is de vergunning’ zegt Lars Rotzsche, een man met een staartje en de planningsingenieur van het Kasselse Stadtwerk, het stedelijke energiebedrijf, terwijl hij een pak papieren in de hoogte steekt. ‘We hebben de toelating om het windpark te bouwen.’

De Kasselse coöperatie zal de bouw financieren van zeven reusachtige windmolens – naafhoogte 140 meter met wieken van 60 meter, kostprijs om en bij de 30 miljoen euro. De burgers zullen minstens twintig procent van dat bedrag als kapitaal inbrengen. De rest kan via bankkrediet worden gefinancierd, zoals gebruikelijk in dit soort projecten: de Kasseler Sparkasse en de Kasseler Bank zitten ook in de zaal en deze lokale banken zullen partners zijn in dit project. ‘Ik heb voor 10.000 euro aandelen gekocht’, vertrouwt de Kasselse sociaaldemocratische burgemeester Bertram Hilgen me toe als hij de hal verlaat. ‘Ik denk dat er vanavond al een paar miljoen euro is binnengekomen.’

Mensen doen mee om verschillende redenen. ‘Ik zit hier niet uit idealisme’, zegt een oudere man tijdens het vragenmoment. ‘Kunt u me zeggen hoeveel mijn geld zal opbrengen?’ Het juiste rendement hangt af van de hoeveelheid wind en de windmetingen zijn nog niet klaar, antwoordt het Stadtwerk. Hoe dan ook, de oprichters maken duidelijk dat het om risicokapitaal gaat en rendement niet gegarandeerd is. Coöperaties keren niet meer dan zes procent uit, maar in deze tijden waarin een spaarboekje anderhalf procent opbrengt, is zelfs drie procent aantrekkelijk. Niet iedereen is vooral financieel geïnteresseerd: ‘Ik vind het fantastisch om spaargeld te investeren in iets positiefs’, zegt een vrouw op de drempel van het stadhuis.

Natuur of klimaat?

Kassel, pal in het midden van Duitsland, is opmerkelijk omdat deze energiecoöperatie op grote schaal in wind investeert. De meeste Duitse energiecoöperaties investeren tot nu toe in zonnepanelen en zijn relatief klein. Het gebrek aan technische kennis dat burgercoöperaties soms plaagt en ervan weerhoudt in windenergie te gaan, wordt in Kassel opgevangen door het stedelijke energiebedrijf. ‘Wij hebben 600.000 euro geïnvesteerd in de voorbereidende activiteiten voor het windpark,’ zegt Lars Rotzsche. Stadtwerk en coöperatie zullen samen eigenaar zijn van de windmolens, waarbij de coöperatie tot driekwart van het kapitaal kan verwerven.

Vijftig kilometer verderop, in het stadje Wolfhagen, begon de Energiewende toen het stadsbestuur in 2008 besloot tegen 2015 al zijn stroom lokaal en hernieuwbaar te produceren. Dat doel wil men bereiken via een samenwerking tussen het lokale Stadtwerk en een energiecoöperatie. In Wolfhagen, 20.000 inwoners, zamelde de coöperatie BürgerEnergieGenossenschaft Wolfhagen met ruim zeshonderd leden 2,3 miljoen euro in: die werden geïnvesteerd in het Stadtwerk voor water- en stroomdistributie. ‘Goed voor een kwart van de aandelen en twee zetels in onze raad van bestuur. Die van de coöperatie zeggen nu smalend dat ze mijn baas zijn’, zegt Martin Rühl, de directeur van het stadsbedrijf. Dat verse geld maakte vorig jaar de bouw van achttien hectaren zonnepanelen (10 megawatt) mogelijk. Als de vergunning er is, volgen nog vier windmolens. Rühl: ‘Dat alles plaatst de burgers van de coöperatie in een verantwoordelijke positie. Zij kunnen inderdaad mee beslissen over de stroomprijzen, maar moeten er ook voor zorgen dat het geïnvesteerde geld een zeker rendement heeft.’

Een aandeel van de coöperatie kost 500 euro, maar mensen kunnen afbetalen in schijven van twintig euro. Rühl: ‘Een studie geeft aan dat dit model leidt tot een lokale waardeschepping – inkomen uit werk, belastingen, rente op de kredieten en dividenden voor de coöperanten – van 1,7 miljoen euro, terwijl investeringen van buitenaf maar 270.000 euro zouden genereren in onze regio.’

Toch is niet alles rozengeur en maneschijn. Iris Degenhardt-Meister die in het bestuur van de coöperatie zit, vertelt hoe de windmolens tweedracht zaaien in haar dorp Nothfelden, waar ze op een beboste heuvelrug zullen worden gebouwd. ‘Aanvankelijk waren vooral de tegenstanders van de windmolens erg zichtbaar. Om ook diegenen die voor het plan waren een stem te geven, ben ik een actiegroep begonnen. Bij de gemeenteraadsverkiezingen bleek dat in heel Wolfhagen driekwart van de bevolking voor de molens is, maar hier in Nothfelden is driekwart tegen. Hier is zelfs een groene partij opgericht tegen de windmolens. Natuurbescherming tegen klimaatbescherming.’

Ambitieus

Deze voorbeelden uit de deelstaat Hessen zijn maar twee van de honderden energiecoöperaties die de voorbije jaren zijn opgericht. Alleen al in 2012 waren het er 150: drie per week. De regering-Merkel vertaalde die betrokkenheid van de gewone burger in haar energieconcept van september 2010 in een aantal concrete doelen. Ze legde daarbij de Duitse lat een stuk hoger dan de Europese. Duitsland wil dat zijn uitstoot van broeikasgassen in 2020 niet twintig maar veertig procent lager ligt dan in 1990. Tegen 2020 moet tevens achttien procent van zijn totale energiegebruik uit hernieuwbare energie komen. Het meest ambitieus is Duitsland inzake energiebesparing: het primaire energieverbruik moet in 2020 twintig procent lager liggen dan in 2008 en in 2050 de helft lager. De EU wil enkel twintig procent minder energie gebruiken dan het business as usual-scenario.

Voor de CO2-uitstoot kwam de lat nog een stuk hoger te liggen met de beslissing in juni 2011, na de kernramp in Fukushima, om in 2022 de laatste kerncentrale stil te leggen.

Dat het land in de greep is van een groot project, is eraan te zien. Geregeld zie je vrachtwagens onderweg met reuzenonderdelen van windmolens. Overal zie je hele stoeten windmolens, batterijen zonnepanelen en in iets mindere mate biogasinstallaties. Maar zit het land daarmee ook op koers?

‘Het eerste controlerapport leert dat we op schema zitten’, zegt professor Diethard Mager van het ministerie van Economie en Technologie. De cijfers lijken dit inderdaad te bevestigen (zie tabel). Toch houdt Mager een slag om de arm: ‘Over een paar jaar moet blijken of we inzake energiebesparing op schema zitten door onze inspanningen – of dankzij de economische crisis.’

Professor Claudia Kemfert van het Duitse Instituut voor Economisch Onderzoek is scherper: ‘Voor het aandeel van de hernieuwbare energie in de stroomproductie zitten we voor op het schema: van de beoogde 35 procent in 2020 haalden we in 2012 al 25 procent. Maar de energiebesparing loopt niet goed. Er zijn amper middelen voor.’

Kalkarkapitalisten

Of Duitsland zijn doelen haalt, zal moeten blijken: uitstootvermindering en energiebesparing worden grote uitdagingen. Inzake hernieuwbare energie zit Duitsland op schema. Dat dankt het niet zozeer aan de coöperatieve golf. Die is te recent om al veel impact te hebben. ‘De coöperaties staan voor minder dan één procent van de hernieuwbare energie’, beweert Benjamin Dannemann van het Agentschap voor Hernieuwbare Energie.

Vóór de coöperatieve golf was er een eerste golf, die in zekere zin ook aan het volk is ontsproten. Lars Rotzsche van het Stadtwerk Kassel: ‘Veel van de grote projectontwikkelaars komen uit de burgerbeweging.’

Johannes Lackmann is er het prototype van. ‘Velen van ons komen uit de beweging tegen kernenergie: Kalkar, Brockdorf. We vonden kernenergie gevaarlijk maar werden uitgelachen omdat we geen alternatief hadden. Als ingenieur elektrotechniek stak dat.’

Zonder het goed te beseffen, opende de conservatieve regering van Helmut Kohl in 1990 de deur voor hernieuwbare energie. Om een aantal kleine waterkrachtcentrales te laten overleven, voerde ze het zogenaamde teruglevertarief in: de stroomnetwerken werden verplicht de stroom van waterkrachtcentrales te kopen tegen een prijs die het overleven van die laatste mogelijk maakte. Lackmann: ‘Toen de eerste windmolens uit Nederland en Denemarken kwamen, hebben we daarvan gebruik gemaakt.’ Zo kwam er onverwacht een eerste windhausse: ondanks het relatief lage teruglevertarief werden windmolens in windrijke streken rendabel.

‘De impact van de energiecoöperaties is groot omdat ze laten zien dat er nog iets meer is dan individualisme in onze samenleving.’

In 1997 wilde de regering-Kohl de deur weer dichtdoen – de macht van de vier grote stroombedrijven was toen nog enorm, zegt Lackmann – maar de geest was al uit de fles. Lackmann: ‘Op een memorabele manifestatie betoogden technologiebedrijven, milieujongens, vakbonden, kerken en ontwikkelaars samen voor het behoud van de wet. De regering kon niet meer terug.’ De sector leerde zich politiek organiseren: Lackmann richtte zowel de beroepsvereniging voor producenten van windenergie op als de algemene koepel voor hernieuwbare energie. Hij leidde beide tussen 1999 en 2008. Hij gaf raad aan de vier parlementsleden – twee groenen en twee sociaaldemocraten – die onder de rood-groene regering-Schröder in 2000 de wet op de hernieuwbare energie schreven die de teruglevertarieven sterk verhoogde. Zon en biogas werden ook rendabel: de Energiewende ging echt van start.

Dat Duitsland zich ontpopt heeft als koploper in hernieuwbare energie, heeft veel te maken met deze activisten-ondernemers en hun overtuiging, die zovele Duitsers delen, dat het zonder Atomkraft moest. Het gevolg daarvan is dat de vier grote conventionele energiebedrijven, vaak de Grote Vier genoemd, tot nu toe nauwelijks een aandeel hebben in de hernieuwbare energie. ‘Dat was arrogant. Ze hebben te lang gedacht dat het altijd een niche zou blijven’, aldus Lackmann.

Wind schept kansen

In Duitsland werken momenteel 380.000 mensen in de sector van de hernieuwbare energie. In sommige regio’s van het voormalige Oost-Duitsland met hoge werkloosheid zorgt de Energiewende voor welkom werk en inkomen, ook al hebben de mensen er niet de middelen om financieel te participeren. In het dorpje Schlalach, vijftig kilometer ten zuidwesten van Berlijn, verdelen ze op een originele manier de baten van zestien grote windmolens. ‘We zijn veel armer dan jullie in België’, zegt Peter Hahn meermaals. ‘Wij kunnen geen aandeel kopen in de molens, maar we hebben geprobeerd om het pachtgeld eerlijk te verdelen.’

Hij vertelt omstandig hoe ze te werk zijn gegaan. ‘De deelstaat wees een gebied voor windmolens aan, waar 135 verschillende eigenaren een perceel van bezaten. Om te voorkomen dat de ene boer, op wiens perceel de molen kwam, alles binnenhaalde, en de andere niks, hebben we iedereen gevraagd om geen contracten met ontwikkelaars te sluiten.’ Vervolgens werd in een lang proces een verdeelsleutel afgesproken. Zo wordt de 500.000 euro pachtgeld die Schlalach jaarlijks int, verdeeld over alle grondeigenaars: wie meer grond heeft en echt een molen op zijn land heeft, krijgt meer, maar ook de andere eigenaren krijgen iets. Hahn: ‘Van 320 inwoners haalt de helft direct inkomen uit de molens – dat schommelt tussen 1000 en 30.000 euro per jaar. Bovendien financieren we uit de molens ook nog een stichting die zaken van algemeen nut financiert zoals een dorpsfeest of een voetbalveld. Ook als een familie in nood komt, helpt de stichting.’

FinanciËle crisis helpt

De financiële crisis heeft het draagvlak voor de Energiewende verbreed. Dat blijkt uit de explosie van de burgercoöperaties. Anita Erpel van de energiecoöperatie Neue Energiegenossenschaft in Potsdam getuigt: ‘De financiële crisis heeft ons gesteund omdat ze de opbrengstverwachting van de mensen heeft gedrukt. Met een rendement van vier procent kon je vroeger de mensen niet overtuigen. Nu wel.’

Het is een belangrijke vaststelling: terwijl vroeger vele mensen rekenden op de hoge rendementen die de financiële sector bood (al berustten die op zeepbellen), schept het ineenstorten van dat kaartenhuisje meer kansen om het geld van de burger opnieuw in de reële economie van de Energiewende te investeren.

De coöperaties zijn klein in geïnstalleerd vermogen, maar groot in maatschappelijke impact zegt Benjamin Dannemann: ‘Hun impact is groot omdat ze laten zien dat er nog iets meer is dan individualisme in onze samenleving. De Energiewende schept mogelijkheden voor mensen om dingen samen te doen. Voor mij is de cruciale vraag of ze naar wind kunnen doorstoten. Als dat gebeurt, worden ze een factor van belang. Daartoe moeten ze professionaliseren, meer worden dan theekransbedrijven.’

Dat is geen vanzelfsprekendheid, getuigt Anita Erpel. ‘We denken nu aan een derde installatie. Maar dat is niet makkelijk. Je moet groeien om mensen te kunnen betalen. Maar om te groeien moet je dan weer goeie mensen hebben die veel van hun tijd en energie aan het uitbouwen van de coöperatie besteden.’ Met die flessenhals krijgen veel coöperaties te maken.

De voorbeelden in het begin van dit artikel tonen aan hoe samenwerking met stadsbedrijven die stap makkelijker maakt. Ook de samenwerking met bedrijven die openstaan voor echte participatie van coöperaties biedt mogelijkheden. Met zijn bedrijf Westfalen GmbH richt Johannes Lackmann zogenaamde burgerwindparken op: daarbij kunnen burgers grote bedragen (via een commanditaire vennootschap) en kleine bedragen (via coöperaties) inbrengen. ‘De Energiewende is simpelweg onmogelijk als ze niet wordt aanvaard door de bevolking. Het lijkt me de logica zelf dat coöperaties ook inspraak hebben, al betekent dat dat de beslissingsstructuren complexer worden, en je veel meer zaken moet uitleggen. Al moet er ook een evenwicht zijn tussen inspraak en kennis van zaken. Sommige coöperanten kennen niet eens het verschil tussen kilowatt en kilowattuur.’

En het beleid?

Hoe de Energiewende verder evolueert, hangt ook af van het gevoerde beleid. Nog steeds staat, volgens opiniepeilingen, de meerderheid van de Duitsers erachter, maar er wordt wel meer over de kostprijs gesproken.

‘Weet je dat ik elke dag 60 euro voor mijn stroom betaal?’ klaagt een hotelbaas in Göttingen. ‘Let op, ik ben voor de Energiewende en tegen kernenergie, maar stroom is te duur.’

Professor Kemfert betoogt dat de Grote Vier een heuse campagne tegen de Energiewende begonnen zijn. ‘Deze regering is ook tegen, al zegt ze dat niet hardop. Gelukkig staat het Duitse volk erachter: één miljoen mensen heeft zich ervoor geëngageerd. Duitslands grootste krant, Bild, pakte uit met het beeld van een alleenstaande moeder die in het donker zat door de Energiewende. Pure volksverlakkerij. Zoiets is geen energieprobleem, maar een sociaal probleem.’ Hier raakt het sociale beleid in Duitsland – met een groeiende groep werkende armen, en meer armoede – aan de Energiewende, die een gemiddeld gezin ruim tien euro per maand zou kosten.

Het teruglevertarief wordt doorberekend aan de consument, die op zijn stroom momenteel een toeslag van 5,3 cent per Kwu betaalt – voor heel Duitsland kwam dat vorig jaar neer op 16 miljard euro. Milieuminister Peter Altmaier wil een Strompreisbremse invoeren door de toeslag op 5,3 cent te bevriezen. Altmaier waarschuwt dat de totale kosten van de Energiewende, inclusief het uitbouwen van het stroomnetwerk, tegen 2030 tot 1000 miljard euro kunnen oplopen als hij niet bijstuurt.

Zo’n stroomprijsrem zou betekenen dat de teruglevertarieven naar beneden moeten en/of dat voortaan meer bedrijven de toeslag moeten betalen. Nu worden energie-intensieve bedrijven die blootstaan aan internationale concurrentie vrijgesteld, maar dat laatste wordt heel ruim geïnterpreteerd: de Duitse spoorwegen, trammaatschappijen of slachthuizen betalen de toeslag niet. Dat zal bijna zeker veranderen.

Duitsland is bovendien geen eiland: de schaliegasgekte in de VS (zie blz. 32) heeft de mondiale vraag naar en dus de prijs van steenkool gedrukt. De Grote Vier bouwden voor 13 gigawatt aan nieuwe kolencentrales: de CO2-uitstoot steeg in 2012 voor het eerst in jaren weer. Er is algemene ontgoocheling over het feit dat de CO2-prijzen amper drie euro per ton bedragen. Het Europese emissiehandelssysteem mist zijn effect: het stuurt niet in de richting van minder uitstoot.

Hoezeer zal worden getornd aan de teruglevertarieven is onzeker. Die beslissing komt er pas na de verkiezingen in september. Fractieleider van de Grünen in de Bondsdag Jürgen Trittin: ‘We moeten praten met de industrie en zien wat er nodig is om de investeringen op peil te houden. Als je het huidige systeem te zwaar aanpakt, heeft dat meteen gevolgen.’

Johannes Lackmann ziet ruimte voor bijsturing. De man die jarenlang de lobby van de sector leidde, vindt dat sommigen in de branche te hoge winstmarges willen. ‘We moeten onze lobbykracht onder controle houden. Als het teruglevertarief naar beneden kan, moet dat ook gebeuren. Zo is te lang te veel betaald voor zonnepanelen, die kosten gaan we nu vijftien jaar meeslepen. Het systeem moet dus zeer soepel gestuurd worden.’ Lackmann vreest dat te hoge kosten niet alleen in Duitsland de omschakeling onder druk zetten, maar het Duitse model ook onaantrekkelijk maken in het buitenland. Want als het van hem afhangt, moet ook de Energiewende een Duits exportproduct worden.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur