Het sociale Europa

De Europese Unie laat het sociale luik in hoofdzaak aan de markt en de lidstaten over. Dat leidt tot een verdeeld bilan. Opvallend is dat de EU geen initiatieven neemt om de lidstaten te helpen hun arbeidsregels te doen naleven door werknemers uit andere lidstaten. Hoe sociaal is Europa eigenlijk? MO* stelt acht pertinente vragen.
Al jaren horen we dat Europa niet sociaal is en de race to the bottom organiseert. De redenering gaat daarbij doorgaans als volgt. De Europese Unie bevordert sterk de concurrentie, zowel intern door het organiseren van de Europese eenheidsmarkt, als extern door aan te sturen op vrijmaking van de wereldhandel –behalve voor landbouw.
Door bedrijven bloot te stellen aan concurrenten uit andere (lid)staten, staan ze voor de keuze: efficiënter worden of verdwijnen. Efficiënter worden, betekent dezelfde producten maken aan lagere kosten of betere producten maken aan dezelfde kosten –tenzij je nieuwe producten ontwikkelt waar concurrentie nog minder speelt.
Efficiëntie betekent dus druk op de kosten en een deel van die kosten zijn arbeidskosten. Logisch: als je België, Polen en Roemenië op één markt laat opereren, creëert dat druk op de hoge loonkosten in België. De EU vindt de interne druk van de eenheidsmarkt nodig om mondiaal competitief te zijn. Dat klopt voor een aantal sectoren maar het kan er tevens toe leiden dat lonen en sociale bescherming hier achteruitgaan.

1. Zijn de lonen in de EU gedaald?


Volgens de Europese statistieken zijn de uurlonen in geen enkele van de 27 lidstaten gedaald de voorbije 10 jaar. Ook na correctie voor inflatie daalde de vergoeding per werknemer –de koopkracht– in geen enkele lidstaat tussen 2000 en 2007. In Spanje, Duitsland, Oostenrijk, Portugal, Italië en België lag de koopkrachtstijging tussen de 0 en 5 procent.
In de nieuwe lidstaten met hun lagere lonen, steeg de koopkracht veel meer. In Litouwen en Estland met meer dan 70 procent, in Roemenië en Letland met 60 procent. Hongarije en Tsjechië zagen een toename van ruim 30 procent, Bulgarije met een kwart. In Slovakije en Slovenië was het nog geen 20 procent en in Polen slechts 10 procent.
De kloof tussen oude en nieuwe lidstaten wordt kleiner –de bodem stijgt sneller dan de top– maar blijft groot. In Luxemburg bedroeg het gemiddelde bruto jaarinkomen 43.621 euro in 2006, in Bulgarije was dat 2195 euro. Zelfs in koopkrachttermen bedraagt de verhouding tussen de twee landen een op zeven.
De competitie binnen en buiten de EU was tot 2007 dus niet van die aard dat ze zou vreten aan de koopkracht van de Europese werknemers. Of dat met de hoge voedsel- en energieprijzen ook zo blijft, zal moeten blijken. Bovendien gaat het hier om gemiddelden. Wie de toegenomen woonkosten verrekent, ziet –bijvoorbeeld in een land als België– aan de onderkant van de inkomensschaal een ander beeld ontstaan.

2. Ziet arbeid zijn deel in de koek dalen?


De competitie had wel een ander gevolg: de lonen volgen de productiviteitstoename niet meer. Volgens de EU steeg de productiviteit van de werknemers tussen 1995 en 2007 met 22 procent, terwijl de reële vergoeding slechts met 13 procent steeg.
Het gevolg is dat het zogenaamde loonaandeel –het deel van het nationaal inkomen dat naar lonen gaat– daalt in bijna alle lidstaten. De Duitse minister van Financiën Per Steinbrück verklaarde al dat dit de geloofwaardigheid van het systeem ondergraaft. Europees commissaris voor Financiën, Joaquin Almunia, noemde het onhoudbaar dat de werknemers hun deel niet krijgen. Toch zijn er geen maatregelen op Europees niveau gekomen.
Europarlementslid Anne Van Lancker (sp.a) erkent dat de EU daartoe momenteel niet bereid is of in staat is (zie kader). Het wordt aan de lidstaten overgelaten om het tij eventueel te keren. Dat kan door de inkomens uit vermogen, die het van de weeromstuit beter doen, meer te belasten. We zien echter het omgekeerde gebeuren: bijna overal daalt de vennootschapsbelasting omdat de lidstaten met elkaar om investeerders wedijveren. 
Dat een kleiner deel van het nationaal inkomen naar lonen gaat en een groter deel naar kapitaal, is een van de redenen waarom ook de ongelijkheid in de EU toeneemt. Vermogen zit zo ongelijk verdeeld dat een toename van de opbrengst van vermogen leidt tot meer inkomensongelijkheid. De uit de pan swingende vergoedingen voor toppersoneel dragen daar ook toe bij.

3. Blijft de sociale bescherming overeind?


Het deel van hun inkomen dat de EU-lidstaten aan sociale bescherming (pensioenen, werkloosheidsuitkeringen, gezondheidszorg en kinderbijslag) besteden, blijft nagenoeg stabiel, zowel bij de oude als de nieuwe lidstaten. De 15 oude lidstaten besteedden sinds 10 jaar gemiddeld zo’n 27 procent van hun inkomen aan sociale bescherming. De nieuwe lidstaten zaten daar in 2000 makkelijk 10 procent onder en daar is nog niks aan veranderd. In de Baltische staten daalde het aandeel voor sociale bescherming van gemiddeld 15 naar 12.5 procent van nationaal inkomen. In Slovakije ging het van 19.3 naar 16.9 procent. Kennelijk stimuleert de EU de nieuwe lidstaten niet om meer aan sociale zekerheid te besteden.

4. Welke kansen creëert het vrij verkeer van werknemers?


Voor de burgers van de nieuwe lidstaten kan de EU ook tot sociale vooruitgang leiden omdat ze toegang krijgen tot de arbeidsmarkten van de oude lidstaten, waar ze in principe meer kunnen verdienen dan in hun vaderland.
Zweden, Ierland en Groot-Brittannië openden hun arbeidsmarkt al op 1 mei 2004. Vooral in die laatste twee landen gaf dat aanleiding tot een grote migratiestroom.
De Britten spreken over de grootste inwijkingsgolf in decennia, met mogelijks 1 miljoen immigranten. In Ierland gaat het over minstens 150.000 immigranten. In die landen kunnen nieuwe Europeanen werken voor lokale bedrijven aan de lokale loon- en arbeidsvoorwaarden. Althans, dat is de theorie. In de praktijk kwamen heel wat immigranten terecht in allerlei grijze circuits, omdat ze hun rechten niet kennen, niet georganiseerd zijn en zo makkelijk misbruikt worden.
Andere oude lidstaten zoals België stelden het vrij verkeer uit. Daardoor konden werknemers uit de nieuwe lidstaten er alleen illegaal, als (schijn)zelfstandige of via de zogenaamde detachering, werken. Wat niet meteen een goeie zaak was voor hun arbeidsvoorwaarden en de doorzichtigheid van hun werksituatie. Stilaan zetten ook de andere lidstaten de stap naar het vrij verkeer.

5. Hoeveel werknemers uit de nieuwe lidstaten werken in knelpuntberoepen?


Op 1 mei 2006 werd de toegang tot de Belgische arbeidsmarkt vrijer gemaakt voor 190 knelpuntberoepen waarvoor op de Belgische arbeidsmarkt te weinig personeel voorhanden is. Sindsdien krijgen werknemers uit Slovenië, Slovakije, Polen, Tsjechië, Hongarije en de 3 Baltische staten op vraag van de werkgever binnen de vijf dagen een arbeidsvergunning, de arbeidskaart B. In 2006 werden 8742 arbeidskaarten B uitgereikt. In 2007 waren het er al 25.239 (uitgereikt aan 20.000 mensen). Vanaf 2007 komen ook Roemenen en Bulgaren voor die regeling in aanmerking. Ruim 16.000 van de uitgereikte arbeidskaarten B waren in 2007 bestemd voor seizoenarbeid in de land-en tuinbouw. Buiten de tuin-en landbouwsector werden maar 9000 arbeidskaarten B uitgereikt, waarvan 4000 in de bouw.
De arbeidskaart B maakt de werksituatie doorzichtiger. ‘Toch wordt zo’n kaart soms gebruikt als een soort scherm om de indruk te wekken dat alles oké is’, zegt Bogusia Mackaay, die bij het Algemeen Christelijk Vakverbond (ACV) Poolse werknemers begeleidt (zie kader).

6. Hoeveel werknemers werken via andere statuten in België?


Hoeveel buitenlandse werknemers in België in andere statuten werken, weten we nu beter omdat ons land op 1 april 2007 de meldingsplicht invoerde voor alle grensoverschrijdende tewerkstelling. De gegevens worden bijgehouden via het zogenaamde Limosa-systeem, het Landoverschrijdende Informatiesysteem ten behoeve van Migratieonderzoek bij de Sociale Administratie. Jona Ceuppens van de dienst Migrerende Werknemers van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid (RSZ): ‘In 2007 kwamen 160.000 meldingen binnen. De eerste anderhalve maand van 2008 waren het er al 36.000.’ Het volledig zwarte circuit, geschat op 100.000 mensen, blijft uiteraard onder de radar van Limosa.
Het is duidelijk dat Belgische werkgevers naast die 20.000 mensen in knelpuntberoepen nog heel wat andere buitenlandse werknemers, vooral uit de nieuwe lidstaten, via andere systemen tewerkstellen omdat dat goedkoper is. Detachering, het tijdelijk tewerkstellen van van hun personeel door buitenlandse bedrijven in België, is er een van. Detachering kan al jaren omdat het valt onder het dienstenverkeer voor bedrijven, dat al lang vrij is. Detachering laat toe dat een buitenlandse werknemer in België werkt met de sociale zekerheid van zijn vaderland; voor de rest zijn de Belgische loon- en arbeidsvoorwaarden wel van toepassing.
Jona Ceuppens van de RSZ: ‘In 2007 kregen we voor 106.000 werknemers zogenaamde E101-formulieren voor detachering binnen.’ Daarnaast zijn er wellicht nog een paar tienduizend buitenlanders die in België werken als (schijn)zelfstandigen. Sociaal inspecteur Jozef Heynen: ‘Werkgevers hebben ondertussen die andere systemen leren kennen. Het is niet evident dat ze dat zo maar inruilen voor de duurdere Belgische tewerkstelling die vasthangt aan de arbeidskaart B.’

7. Kan de Belgische staat de arbeidsregels doen naleven door buitenlandse werknemers?


De Belgische inspecties kunnen amper vaststellen of de voorwaarden voor het werk als gedetacheerde of als zelfstandige vervuld zijn. Door nieuwe Europese rechtspraak en nieuwe Belgische wetten, is het er de jongste tijd moeilijker op geworden. Detachering kan maar mits aan bepaalde voorwaarden is voldaan: de periode beslaat maximaal 12 maanden, de sociale zekerheid wordt in het uitzendland betaald, het bedrijf bestond al voor de detachering in het uitzendland, en tijdens de tewerkstelling in België blijft een “organische band” bestaan tussen het buitenlandse bedrijf en zijn werknemers. Voorwaarden die moeten beletten dat Belgische bedrijven fakebedrijven oprichten in pakweg Polen om hier aan lagere sociale voorwaarden te kunnen werken.
Groot probleem daarbij is de controle. De instantie die het E101-formulier toekent, is de sociale zekerheidsinstelling van het uitzendland. Zij moet nagaan of de voorwaarden vervuld zijn, maar doet en kan dat dikwijls niet. Ze is slecht geplaatst om die “organische band” te onderzoeken. Instanties in België kunnen dan weer niet weten of er wel sociale zekerheid wordt betaald, of het bedrijf in kwestie echt actief is in het uitzendland, en of de Belgische minimumlonen effectief worden betaald.
Bovendien bepaalt recente rechtspraak van het Europese Hof van Justitie dat instanties in het gastland –waaronder de rechtbank– de E101 niet kunnen intrekken, zelfs niet als ze regelrechte fraude ontdekken. Ze kunnen enkel overleg zoeken met de buitenlandse sociale zekerheidsinstelling in de hoop dat die de E101 intrekt. Als ze er niet uitkomen, moet de zogenaamde Administratieve Commissie voor de Sociale Zekerheid van Migrerende Werknemers de knoop doorhakken.
Om allerlei redenen neemt dit EU-orgaan die bemiddelende rol niet waar. Jona Ceuppens: ‘Wij hangen gewoon af van toevallige relaties met onze collega’s in het buitenland. Hebben we die mensen toevallig al eens ontmoet en klikt het, dan kunnen we vlot nagaan of de E101 terecht is. Is dat niet het geval, dan staan we nergens. De EU zelf neemt geen enkel initiatief.’
Herwig Verschueren, professor internationaal en sociaal recht aan de UA, beaamt: ‘De afwezigheid van effectieve controlemiddelen betekent dat wie handig gebruik maakt van de regels in grote mate zelf kan bepalen welke wetgeving op hem van toepassing is. Zo kunnen makkelijk werknemers aan “goedkopere” sociale voorwaarden worden tewerkgesteld in duurdere lidstaten.’
Ook de controle of iemand al dan niet een zelfstandige is –en dus of de Belgische loon- en arbeidsvoorwaarden al dan niet van toepassing zijn– is zo goed als onmogelijk geworden door recente uitspraken van het Belgische Hof van Cassatie en de Belgische wet van 2006 van minister Sabine Laruelle. Heynen: ‘Vroeger was het zo dat iemand in loondienst was als hij  kon aantonen dat hij onder gezag werkte, dat hij bijvoorbeeld een ziekenbriefje moest indienen, een boete kreeg als hij te laat kwam, en dergelijke. Nu volstaat dit niet meer. Als de betrokkenen zelf zeggen dat ze als zelfstandige werken, dan is het ook zo. Wij staan machteloos.’
Cruciaal in dat alles is ook dat buitenlandse werknemers de Belgische regels niet kennen en ook niet gesyndiceerd zijn, waardoor ook de vakbond de regels niet kan bewaken.  Het concrete gevolg is dat in België buitenlanders kunnen werken aan de arbeidsvoorwaarden die hun werkgevers verkiezen en dat de inspectie vrij machteloos staat. Dan nog zullen de betrokken werknemers hier wellicht meer verdienen dan in hun vaderland. Maar het zet wel druk op het Belgische sociale systeem.

8. Helpt de Commissie de welvaartstaat vooruit?


Met de Lissabonstrategie wil de Europese Commissie dat de Unie een competitieve kenniseconomie wordt met respect voor het milieu én een sterkere sociale cohesie. Voor die eerste twee objectieven –economie en ecologie– haalt de EU het grof geschut van harde richtlijnen boven. Voor de realisatie van de sociale cohesie rekent ze vooral op de werking van de markt. Richtlijnen en herverdeling spelen een mindere rol. Zo zijn er maar zes richtlijnen op sociaal gebied.
Daarnaast is er de Open Coordinatie Methode (OCM) voor tewerkstellingsbeleid en sociale inclusie. Het gaat om periodiek overleg tussen de ministers van de lidstaten over objectieven en methodes om die bereiken. Het verschil met directieven, is dat de OCM niet leidt tot afdwingbare afspraken. Maarten Keune van het Europees Vakbondsonderzoeksinstituut: ‘De OCM zorgt ervoor dat de nieuwe lidstaten wel het EU-discours overnemen maar niet dat hun beleid socialer wordt. Ze zijn wel voor sociale insluiting maar besteden geen groter deel van hun inkomen aan sociale bescherming.’
Keune stelt ook vast dat de Europese Commissie een onevenwichtige interpretatie geeft aan het modieuze begrip flexicurity. Flexicurity is een typisch compromis dat flexibiliteit voor de werkgevers  –makkelijk ontslaan van personeel–  combineert met zekerheid voor de werknemers in de vorm van hoge uitkeringen, goede opleidingen en actieve loopbaanbegeleiding. Keune: ‘In de invulling van dat begrip legt de Commissie vooral de nadruk op flexibiliteit. De veiligheid wordt gereduceerd tot activering en levenslang leren, de inkomenszekerheid verzwakt. Vraag is hoe linkse fracties in het parlement en de vakbonden op die invulling zullen reageren.’
Als we alles bij elkaar optellen, is het besluit duidelijk: als er in de EU sociale vooruitgang plaatsvindt, dan is dat vooral omdat de markt daarvoor zorgt  –in de vorm van loonstijging (vooral voor werknemers in en uit de nieuwe lidstaten)– of omdat de nationale staten hun sociale bescherming verdedigen. Niet omdat de EU aan die kar trekt. 

ACV helpt een “tsunami” van Polen
Een deel van de onderwereld komt boven water

‘Er is iets dat me dwarszit: de meubelfabriek waar ik werk, heeft me een opslag van 2 euro per uur gegeven maar mijn uitzendkantoor betaalt me daar niks van door. Hoe kan dat?’, vraagt een Poolse schrijnwerker. De ontmoeting in de refter van de meubelfabriek –door de vensters op de achtergrond het landschap van de Noorderkempen– toont dat er de voorbije jaren iets is veranderd. Aan de ene zitten kant zes Poolse mannen, aan de andere kant ACV-secretaris Bouw en Industrie, Ronny Matthysen en zijn Poolse medewerkster Bogusia Mackaay.

Matthysen en Mackaay zijn uitgenodigd door de Belgische ACV-delegués van de meubelfabriek en stellen vragen over de arbeidssituatie van de zes Polen. Ze werken als schrijnwerkers in een Belgische meubelfabriek maar hebben een contract met het Nederlandse uitzendkantoor Greenpol. Greenpol zorgt ook voor een woonplaats in een soort kampeerterrein –elk betaalt 50 euro per week voor verblijfskosten. De zes beschikken over een arbeidskaart B voor een Belgisch knelpuntberoep maar hebben kennelijk een Nederlandse loonfiche, wat eigenlijk niet kan. Het is onduidelijk of ze het Belgische minimumloon krijgen. Zeker is dat ze per maand ongeveer 1000 euro netto ontvangen. ‘Veel meer dan ze in Polen kunnen verdienen, maar minder dan hun Belgische collega’s’, zegt Matthysen.

Aanvankelijk zijn de Polen wat terughoudend, maar dat ze hier een Poolse madam te zien en te horen krijgen, doet het ijs smelten. Ze zijn duidelijk geïnteresseerd om te weten wat hun rechten zijn in België. Hebben ze recht op een eindejaarspremie? ‘Die hebben we evenmin gezien.’

Het Antwerpse kantoor van ACV-Bouw en Industrie is ondertussen een gekend adres onder Polen: van heinde en ver komen Poolse werknemers hier raad vragen. Wanneer ik er passeer, is er een zekere Maximiliaan die na 4 jaar zwartwerk nu wettelijk aan de slag kan in de woningrenovatie. Matthysen: ‘Twee jaar geleden zijn we begonnen een netwerk van Poolse vrijwilligers uit te bouwen. Die hebben laten weten dat Polen en anderen hier raad kunnen krijgen en soms ook geld: wij betalen immers de eindejaarspremie uit. Dat Sinterklaaseffect helpt natuurlijk ook om mensen aan te spreken.

Sindsdien zijn hier bijna 2000 Polen langs geweest, een ware tsunami, ook mensen van buiten de bouw zoals schoonmaaksters. We helpen hen met hun arbeidssituatie, hun huisvesting, hun Electrabelrekening… 500 Poolse werknemers zijn ondertussen lid van het ACV. De Polen kwamen op de duur ook uit Brussel, Gent of Brugge. Het werd teveel voor Bogusia –die mannen bellen vaak ’s avonds laat. Nu is ook in Brussel een Poolse vrijgestelde in dienst genomen.’

Bogusia Mackaay is tevreden: ‘We kunnen zeker een deel van de Polen uit het “gerommel” halen, zoals ik dat noem.’ Zo komt een deel van de onderwereld boven water. Een ander deel blijft eronder, weet Matthysen: ‘Mensen doorlopen een carrière van illegaal, gedetacheerde, schijnzelfstandige tot uiteindelijk werknemer met een arbeidskaart B. Het zijn vooral die laatsten die we bereiken.’ En die stap voor stap de Belgische welvaartstaat worden ingetrokken.


Interview – Europarlementslid Anne Van Lancker (sp.a):
‘De kloof binnen de EU wordt gedicht’

De lonen in de nieuwe EU-lidstaten stijgen sneller dan in de oude. Europa is dus interessanter voor de werknemers in de nieuwe lidstaten? De kloof wordt gedicht, al gaat het traag. Aan dit tempo duurt het nog twintig jaar vooraleer de Polen driekwart van het gemiddelde welvaartsniveau in de Unie halen. In Roemenië en Bulgarije duurt het nog dertig jaar. Dat hun lage lonen de lonen bij ons onder druk zetten, klopt maar de druk op die ketel zal jaar na jaar afnemen. Bovendien worstelen die landen net als wij met het feit dat het loonaandeel afneemt.

Doet de EU iets aan dat dalende loonaandeel?
Weinig. Je had wel de spaarrichtlijn die belastingen op opbrengsten van spaargeld harmoniseert. Daar staat tegenover dat de Europese Centrale Bank blijft oproepen tot loonmatiging. Als je dat dan tegenover de hoge lonen van CEO’s plaatst… De EU is momenteel niet in staat daar een antwoord op te geven. Zelfs in de socialistische fractie is er geen eensgezindheid over een Europees minimumtarief voor de vennootschapsbelasting: de Britten zijn tegen.

De nieuwe lidstaten besteden van hun inkomen tien procent minder aan sociale zekerheid dan de oude lidstaten. De toetreding heeft daaraan niks veranderd. In de Baltische staten en Slovakije daalt het aandeel zelfs. Zij hebben duidelijk niet gekozen voor het West-Europese sociale model. Ze investeren de opbrengst van de groei niet in sociale bescherming. Daar komt wel kritiek op maar voorlopig verandert het niet.

De situatie van werknemers uit de nieuwe lidstaten lijkt in België enigszins te verbeteren. Voor diegenen die hier wettelijk kunnen werken in een knelpuntberoep, klopt dat maar daaronder zit nog veel grijs en zwart werk.

Detachering blijft een puinhoop omdat de sociale inspecties nog altijd niet goed samenwerken in de EU.  Wij vroegen de Commissie om die samenwerking te verbeteren maar haar antwoord was veelzeggend: dat is onze bevoegdheid niet.

Maak MO* mee mogelijk.

Word proMO* net als 2790   andere lezers en maak MO* mee mogelijk. Zo blijven al onze verhalen gratis online beschikbaar voor iédereen.

Ik word proMO*    Ik doe liever een gift

Met de steun van

 2790  

Onze leden

11.11.1111.11.11 Search <em>for</em> Common GroundSearch for Common Ground Broederlijk delenBroederlijk Delen Rikolto (Vredeseilanden)Rikolto ZebrastraatZebrastraat Fair Trade BelgiumFairtrade Belgium 
MemisaMemisa Plan BelgiePlan WSM (Wereldsolidariteit)WSM Oxfam BelgiëOxfam België  Handicap InternationalHandicap International Artsen Zonder VakantieArtsen Zonder Vakantie FosFOS
 UnicefUnicef  Dokters van de WereldDokters van de wereld Caritas VlaanderenCaritas Vlaanderen

© Wereldmediahuis vzw — 2024.

De Vlaamse overheid is niet verantwoordelijk voor de inhoud van deze website.