Het vroegere Oostblok, op weg naar de zoveelste wereld

Kent Oost-Europa met Wladimir Poetin het begin van een economische en sociale heropleving en wordt daarmee een proces van ‘tiermondisering’ afgeremd of zelfs afgebroken? Poetin wekt tegenover zijn eigen bevolking en naar buitenuit graag die indruk. Maar vertonen Rusland en andere gewezen sovjetrepublieken inderdaad fundamentele kenmerken van een zogenaamde derdewereldmaatschappij, of maakt ook dat deel uit van een mystificatie die andere processen verhult?
Vooreerst: waar liggen Oost-Europa en de ‘Derde Wereld’?

Oost-Europa werd na 1948, beginjaar van de fameuze koude oorlog, een notie die niet veel meer te maken had met de klassieke geografische omschrijving, het werd een politiek sleutelbegrip in een gepolariseerde wereld van twee grote blokken. Naast die twee blokken, gekristalliseerd rond de westerse alliantie, de Navo, en de ‘oosterse‘, het Pact van Warschau, groeiden de ex-koloniale en koloniale gebieden uit tot een nieuwe vage entiteit, de ‘Derde Wereld’, die inzet werd van scherpe rivaliteit tussen de twee andere werelden: waarbij het nooit duidelijk werd wie of wat eerste en tweede wereld was. ‘Oost-Europa’ dekte een territorium van Berlijn tot Wladiwostok en behelsde in feite naast geografisch Oost-Europa ook een groot deel van Centraal-Europa en van de Balkan én een reuzenbrok van Azië. Door de implosie van het sovjetsysteem is Oost-Europa sinds 1989 niet langer een politiek begrip.

Wat is Oost-Europa dan in 2000? Het imago van het in tweeën verdeelde Europa zal nog een tijdje nawerken, analisten blijven vaak nog met de notie Oost-Europa van vóór 1989 werken. Dat is zinvol in zoverre het erom gaat duidelijk te maken dat de diverse delen van dat vroegere politieke Oost-Europa uiteenlopende evoluties kennen.Vanuit West-Europa worden die evoluties meestal geïnterpreteerd in functie van de criteria om tot de Europese Unie toe te treden. Met die criteria komt men tot een indeling in kandidaat-leden op kortere termijn en kandidaat-leden in de wachtzaal, met daarnaast de min of meer hopeloze gevallen - in grote lijnen samenvallend met geografisch Oost-Europa.

De criteria van de EU om de haalbaarheid van latere toetreding te bepalen zijn in de eerste plaats politiek-economisch. Bijvoorbeeld: in hoeverre zijn de structuren en de commerciële stromen westwaarts georiënteerd? Hoe groot is de armslag voor de privésector en voor privéinvesteerders uit de vroegere ‘Eerste Wereld’ - Noord-Amerika, West-Europa, Japan? Dat zijn uiteraard tegelijk ook politieke criteria, want het gaat tenslotte om de machtsstructuren. Op basis van die criteria is een indeling gemaakt in kandidaat-leden op korte termijn, hoofdzakelijk Centraal-Europese landen en één gewezen sovjetrepubliek (Estland), daarnaast de kandidaat-leden die nog lang in de wachtkamer zullen zitten en tenslotte de rest, die niet in aanmerking komt. Die indeling weerspiegelt wel een realiteit van diverse ontwikkelingen.

Oost-Europa was tijdens de koude oorlogsperiode dus vooral een politiek begrip, synoniem voor het blok van de Unie van Socialistische Sovjet Republieken (USSR) en haar partners. Met de implosie van die USSR, volgend op de implosie van het sovjetblok, verdween de politieke notie Oost-Europa. De poging om haar toch nog inhoud te geven in de vorm van het Gemenebest van Onafhankelijke Staten (GOS) haalde zeer weinig uit. Vandaag betwisten zelfs gewezen sovjetrepublieken als Oekraïne dat ze tot Oost-Europa behoren, waarbij zowel geografische als historische argumenten worden aangehaald.

De verschillende grote delen van gewezen ‘politiek Oost-Europa’ hebben om diverse oorzaken een zeer verschillende evolutie sinds de implosies van ‘89-‘91. Dat heeft onder meer te maken met een zeer uiteenlopende voorgeschiedenis. Waar bijvoorbeeld Tsjecho-Slowakije een generatie lang, tussen de twee wereldoorlogen, een democratische bestuursvorm had, kende geografisch Oost-Europa enkel autoritaire regeervormen.

In twee landen van Centraal-Europa was bovendien tijdens de sovjetperiode lang vóór de implosie een vorm van ‘société civile’ (‘middenveld’) gegroeid. In Hongarije had de partijleiding met het fiat van Moskou in schuifjes de economie geliberaliseerd, waardoor in sommige sectoren -diensten voorop- een middenstand groeide en binnen die middenstand een tamelijk grote laag van rijke ondernemers ontstond. In Polen zorgde vooral de invloed van de kerk als autonome instelling ervoor dat er een parallel georganiseerde samenleving ontstond. Die had niet alleen een grote invloed op het platteland met zijn grote privésector (de landbouw), maar ook onder de arbeidersklasse (zoals bij de stakingen van 1980 duidelijk werd). In de DDR (Oost-Duitsland) en Tsjecho-Slowakije was er door historische en geografische omstandigheden een sterke osmose met West-Europa, wat trouwens van grote invloed was op de snelle manier van imploderen van die regimes.

Die specifieke voorgeschiedenissen hebben tot resultaat dat die landen na de implosie redelijk goed geplaatst waren om zich op termijn te schikken naar de criteria van de EU. De fenomenen van sociale crisis in die landen (bij voorbeeld de lagere levensverwachting voor mannen) hebben vooral te maken met ziekten ten gevolge van de grote onzekerheden bij de overgang naar een regime van vrije markt, wat een groot verschil uitmaakt met de oorzaken die tot lage levensverwachting leiden in veel landen van de ‘Derde Wereld’.

Contrasten

De situatie was, in gradaties, erg verschillend in de rest van het sovjetimperium. De Balkanlanden die tot dat imperium behoorden, Roemenië en Bulgarije (Moldavië rekenen we bij de gewezen sovjetrepublieken), hebben het veel moeilijker dan de Centraal-Europese ex-partners en zelfs dan gewezen sovjetrepublieken als Estland, Letland en Litouwen, wat de meer welvarende gebieden van de Sovjet-Unie waren.

Het contrast is groot tussen de Baltische staten en de gewezen sovjetrepublieken van Centraal-Azië die veruit de meeste kenmerken vertonen van een klassiek geachte derdewereldeconomie. Centraal-Azië was door de tsaren onder meer veroverd ten gerieve van de textielbaronnen in Sint-Petersburg belust op de katoenvelden. Zowel onder de tsaren als onder Stalin en diens opvolgers, werd vooral in Oezbekistan een monocultuur van katoen opgelegd. De verhoudingen tussen het centrum, Moskou, en de republieken van Centraal-Azië vertoonden veel neokoloniale trekken – wat trouwens ook kan worden gezegd van delen van de Sovjet-Unie die nu nog tot de Russische Federatie behoren, vooral in de noordelijke Kaukasus. In Centraal-Azië kunnen we ongetwijfeld diverse fenomenen aanwijzen die grote gelijkenis vertonen met situaties in andere minder ontwikkelde delen van Azië die tot de Derde Wereld worden gerekend. Maar zoals de term het hier, deze keer terecht, zegt: Centraal-Azië behoort niet tot Oost-Europa.

Tussen de Baltische en de Centraal-Aziatische gewezen sovjetrepublieken liggen, geografisch en maatschappelijk gesproken, Rusland, Oekraïne en Wit-Rusland. In delen van de Russische Federatie -noordelijke Kaukasus en Midden-Wolga- stelt de nationale kwestie zich nog in neokoloniale termen, te vergelijken met situaties in landen van de ‘Derde Wereld’, maar niet alleen daar. Dit is op zichzelf inderdaad geen fenomeen van ‘Derde Wereld’.Zijn er dan andere fenomenen of processen die erop wijzen dat een belangrijk deel van Oost-Europa, vooral het gedeelte dat bij de Sovjet-Unie zat, afglijdt naar derdewereldtoestanden?

De werelden

Daarvoor moet eerst duidelijk zijn wat onder de termen Derde Wereld en tiermondisering wordt verstaan.

Wat mij betreft: de Derde Wereld bestaat niet als een duidelijk af te bakenen deel van de wereld. Het begrip groeide in een context van twee ‘werelden’ in het rijkere noorden, met als derde het arme zuiden dat vooral moest leven van zijn grondstoffen en daar te weinig voor kreeg. De beweging van neutrale en niet-gebonden landen groepeerde veel van die landen die zich niet tot een van de twee werelden rekenden, maar in die club zaten ook rijkere Europese landen. Het was en is ook niet altijd gemakkelijk een arm land te omschrijven.

Wat onder meer met enkele jongere Aziatische ‘tijgers’ en enkele Latijns-Amerikaanse economieën die in hun groei hoofdzakelijk worden afgeremd door corruptie en plundering door parasitaire lagen in eigen land? Spreken over ‘arme landen’ kan de verkeerde indruk wekken dat de bevolking van die landen in haar globaliteit arm is, de interne tegenstellingen worden door dergelijke termen verdoezeld. Oxfam International wees er onlangs op dat de kapitaalvlucht door fraudeurs uit de armste landen gelijk is met het wereldwijde budget voor ontwikkelingshulp (rond vijftig miljard dollar).

De tientallen landen verenigd in een G-7(7) van de armsten hebben wel talrijke gemeenschappelijke kenmerken die gelden als het typische beeld van een derdewereldland. Maar ook daar is het toch opletten geblazen. Niet alle ‘arme landen’ vertonen het beeld van lage levensverwachting en grote sociale tegenstellingen (denk alleen al maar aan Cuba dat nochtans een voortrekkersrol speelt in de alternatieve G-7). De sociale infrastructuur (onderwijs, gezondheidszorg…) is zeer uiteenlopend, van massaal analfabetisme tot even grote geletterdheid. De economische ontwikkeling is in die landen doorgaans wel afgeremd door scheefgetrokken verhoudingen op de wereldmarkt en door een grote buitenlandse schuldenlast, waardoor hun economische politiek onder druk staat van buitenlandse kredietverleners, waaronder IMF en Wereldbank de toon aangeven.

Hoe zit het daarmee in de landen van Oost-Europa -in de eerste plaats Rusland, Oekraïne en Wit-Rusland- waar diverse fenomenen opduiken die een beeld van ‘tiermondisering’ oproepen?

Uiterlijke kenmerken

De uiterlijke kenmerken zijn er. Een belangrijk deel van de bevolking, tussen een derde en de helft, ziet zwarte sneeuw. Het verbruik van aardappelen en brood is wel flink gestegen, maar dan omdat het verbruik van groenten, fruit, zuivelproducten, vis en vlees is gedaald. Het gaat hier om gemiddelden, want enkele percenten van de bevolking genieten van een rijke voeding. Dit uiteenlopend eetpatroon illustreert onder meer de sterk toegenomen sociale tegenstellingen. Met aan de ene kant bijvoorbeeld een dramatische gezondheidssituatie, waaronder allerlei epidemieën die weer de kop opsteken (zoals tbc, kroep…), aan de andere kant uitstekende maar dure ziekenhuizen. De gemiddelde levensverwachting van mannen zakte tot een niveau vergelijkbaar met vele landen uit het ‘arme zuiden’. De steden maken massaal kennis met het fenomeen van straatkinderen, het onderwijs is niet meer veralgemeend. Er zijn dus inderdaad uiterlijke kenmerken die aan tiermondisering doen denken.

Die sociale drama’s zijn wel het gevolg van negen jaar zeer specifieke privatiseringen die op massale roof neerkwamen. Tiermondisering, derdewereldtoestanden, is meestal het resultaat van plunderingen van de natuurlijke rijkdommen en uitbuiting van de arbeidskrachten door buitenlandse kapitaalgroepen, vaak met medeplichtigheid van compradores, lokale dienstverleners die soms maar niet altijd de ambitie hebben uit te groeien tot een nationale bourgeoisie.

In de gewezen Sovjet-Unie is de plundering het werk van lokale haaien, meestal topfiguren van de sovjetnomenklatura of hun kroost die in de sovjetperiode de ambitie koesterden ooit westerse kapitalisten te kunnen imiteren. Potentiële compradores, zoals Jeltsins eerste premier Jegor Gaidar die mikten op buitenlands kapitaal, werden snel opzij geschoven door individu’s die zelf eigenaar, in de volle betekenis van het woord, wilden worden van de enorme rijkdommen van het land. Ze slaagden daar met het grootste gemak in via nep-privatiseringen en pseudo-leningen aan de overheid die de rijkdommen als onderpand gaf en de leningen niet terugbetaalde. Op die manier zijn enkele tientallen, hooguit enkele honderden, eigenaar geworden van ongeveer de helft van Ruslands enorme rijkdommen tegen een prijs van hooguit één tot 3,5 procent van de eigenlijke waarde.

Geen precedent

Men heeft in het hier beschouwde deel van Oost-Europa om diverse redenen te maken met een situatie zonder voorgaande en zonder fundamentele gelijkenis met andere situaties in de wereld. Het gaat om een crisis sui generis.

Om die situatie te begrijpen is het noodzakelijk de voorgeschiedenis ervan in herinnering te brengen, een analyse te maken van de processen die tot de implosie en de daaropvolgende plunderingen leidden.Oost-Europa was tachtig jaar geleden nog zeer agrarisch, de bevolking was grotendeels analfabeet, het regime autocratisch. De ontwikkeling van economie en maatschappij gebeurde in het kader van een uiterst gecentraliseerde planeconomie waarin er voor een société civile, die er nauwelijks was, geen plaats was voorzien. De groei bleef groot zolang er ruimschoots arbeidskrachten, grondstoffen en energie kon worden toegevoegd. Dergelijke extensieve groei heeft zijn beperkingen, er kan niet oneindig uit nieuwe bronnen worden geput. Toen in de jaren zestig duidelijk werd dat er een ‘intensieve groei’ nodig was, bleek dat de eenzijdig verticale structuur van economie en samenleving een hinderpaal vormde. Hervormingen met het oog op meer efficiëntie haalden weinig uit omdat aan dat verticalisme niet werd geraakt, de samenleving bleef geatomiseerd.

Verscheidene processen van uitholling werkten vanaf dan op elkaar in en leidden tot de implosie van 1989-1991.

Economisch: het model van extensieve groei werd bij gebrek aan beter zo lang mogelijk aangehouden. Dat ging wel gepaard met een enorme verspilling aan arbeidskrachten, grondstoffen en energie. Pogingen om de arbeidsproductiviteit te verhogen door een beroep te doen op arbeidsethiek, door disciplinaire maatregelen en/of door beloningssystemen stuitten op passief verzet en grootscheepse vervalsingen. Het planstelsel voorzag in beloning voor bedrijven die de norm overtroffen. Zowel directies als personeel hadden er alle belang bij dat dit minstens op papier gebeurde en gingen samenzweren om de beoogde streefcijfers minstens te halen. De top van het planapparaat (en van partij en staat) bouwde voorts plannen uit op grond van valse gegevens en verloor zo meer en meer greep op de economische realiteit. De vaststelling van die realiteit in het begin van de jaren tachtig kwam voor de sovjetleiding als een zware ontnuchterende klap die haar deed beseffen dat er snel moest worden opgetreden. Vooral omdat de internationale context, de door Washington opgevoerde bewapeningswedloop, de sovjeteconomie onder zeer zware extra druk zette. De keuze in 1985 van Michail Gorbatsjov als sovjetleider was ingegeven door het besef dat er snel ingrijpende wijzigingen nodig waren. Maar daarvoor was het wel erg laat.
Er was tegelijk al lang een maatschappelijke crisis aan het sudderen. Het sovjetsysteem zwoer bij een verticaal gestructureerde maatschappij. Maar dat stond haaks op de grote ontwikkeling van onderwijs en cultuur, een van de grote verwezenlijkingen van het systeem. Daardoor werd de kloof steeds breder tussen de onmondigheid van een steeds ontwikkelder bevolking enerzijds, het machtsmonopolie van een zeer kleine groep mannen anderzijds verenigd in het Politiek Bureau van de Communistische Partij en het Secretariaat van het Centraal Comité. (Mannen, want in de politiek was geen sprake van emancipatie. Ook de emancipatieprocessen op andere terreinen bleken nadien zeer oppervlakkig te zijn geweest).
De ideologische crisis die daarmee gepaard ging, manifesteerde zich ook bij de sovjetleiding zelf. Sovjetleiders staken hun ongeloof in de eigen ‘ideologie’- die al lang was uitgehold en herleid tot holle frasen - niet onder stoelen of banken. Zij gebruikten het ideologische vernis om de realiteit te verhullen, namelijk het bestaan van een zeer geprivilegieerde sociale laag (met verschillende niveaus), de zogenaamde nomenklatura. Die privileges waren verbonden aan de functie en dus broos. Vandaar ook de aspiratie van de nomenklaturisten om de privileges een permanenter karakter te geven, met als uitloper de ambitie om zelf eigenaar te worden van de productiemiddelen.
Het gros van de bevolking deelde het cynisme van de leiding. Steeds meer mensen kregen inzicht in de reële maatschappelijke verhoudingen. Ze hadden weet van de privileges die onder meer bestonden uit kwalitatief hoogstaander onderwijs en gezondheidszorg.

De economische en ideologische crisisverschijnselen werden nog in de hand gewerkt door het wantrouwen van de leiding in de rest van de piramide, de bevolking. Dat werkte een crisis van het zo geroemde wetenschappelijk onderzoek in de hand. De leiding had schrik van een ‘kennismaatschappij’, zelfs in de vorm van een kopieermachine. De bewapeningswedloop dwong sectoren van de economie wel tot diepgaand wetenschappelijk onderzoek, maar dat bleef grotendeels geïsoleerd van de rest van de economie. Er werd bewust getracht de sectoren informatica in wetenschappelijke getto’s te houden. Het sovjetstelsel had dus wel een uitgebreide hoogstaande wetenschappelijke elite, maar de maatschappij in haar geheel had daar niet zoveel aan.
De Sovjet-Unie had daar nog bovenop een zwaar pakket nationaliteitenproblemen dat door de leiding was genegeerd, maar dat de andere crisisprocessen in de hand werkte.

Zware erfenis

Een deel van de nomenklatura trok vanaf 1985 andere conclusies uit de in het oog springende crisisverschijnselen: zij zag de kans om op termijn haar ambitie, kapitalist worden, waar te maken. Die factor verklaart mee de eenvoud waarmee een imperium en een systeem in enkele weken implodeerden. Er waren weinig maatschappelijke krachten om de nomenklaturisten iets in de weg te leggen. Hun keuze was snel gemaakt: geen illusoire ‘derde weg’, maar de vrije kapitalistische markt. Er waren geen kapitalisten voor dat kapitalisme. Sommigen dachten eraan voorlopig buitenlandse investeerders een grote rol te laten spelen, maar al snel werd een systeem bedacht, de nep-privatiseringen, om ook echte Russische kapitalisten voort te brengen.

Alexander Solzjenitsyn bestempelde hun operaties als de grootste plundering uit de geschiedenis van Europa, Jeffrey Sachs, de adviseur uit Harvard die Moskou in 1991-1992 adviseerde, sprak hem niet tegen. Amerikaanse Eurowatchers vergeleken de ‘oligarchen’, de nieuwe Russische kapitalisten, met de Amerikaanse robber barons uit de beginjaren van het Amerikaans kapitalisme en dus, in hun optiek, als een noodzakelijk kwaad. Met het grote verschil dat de Russische oligarchen de opbrengsten van hun plunderingen zeker niet in eigen land investeerden, maar gretig gebruik maakten van alle faciliteiten die offshore paradijzen te bieden hebben.

De gevolgen van die plundering en kapitaalvlucht zijn catastrofaal. De productie is tot vorig jaar onafgebroken ingestort. De greep van de georganiseerde misdaad is verbijsterend, de osmose tussen de ‘gewone’ zakenwereld en die van de maffiagroepen leidt tot een criminalisering van de economie zonder weerga in de continentale geschiedenis.

De hoop op weerwerk vanuit de samenleving is gering. Want er is nog steeds geen sprake van een société civile; de rol ervan is nu zelfs veel marginaler dan in de periode van Gorbatsjov (1985-1991). Dat maakt het Wladimir Poetin zoveel gemakkelijker een bonapartistisch regime in te voeren waarbij hij en zijn omgeving tronen boven de clans die van hem verwachten dat hij hun eigendomsposities consolideert.

De sociale gevolgen van de plunderingen uit de jaren negentig laten zich zeer zwaar voelen. Maar door de grote zwakte van de samenleving, versterkt dat alleen maar een situatie van ‘ieder voor zich’ waarin geen plaats is voor uitingen van solidariteit. Wat dan weer het ontstaan van een georganiseerde samenleving afremt en de gevoelens van weerloosheid versterkt.

Zoals veel derdewereldlanden heeft Rusland ook een grote buitenlandse schuld, al is die in verhouding tot Ruslands middelen niet zo aanzienlijk. Wat echter vooral opvalt is de milde soepele houding van het IMF tegenover het Kremlin, waarbij duidelijke politieke motieven spelen. Dat was bijvoorbeeld het geval in februari 1996 toen het IMF een enorm krediet (10,2 miljard dollar) toezegde aan de vooravond van Jeltsins campagne voor herverkiezing. Dat bleek ook uit het opvallende gebrek aan controle op het gebruik van de toegestane kredieten. De houding werd alleen strakker toen de buitenwereld weet kreeg van de verdwijning van 4,8 miljard dollar op offshore bankrekeningen.

Ondanks enkele parallellen met derdewereldlanden hebben veel gewezen sovjetrepublieken en vooral de Russische Federatie sterke troeven om uit het dal te geraken, waardoor ze grondig verschillen van klassieke derdewereldlanden. Ze hebben hun aanzienlijke grondstoffen en energiebronnen zelf in handen en zijn in Rusland onder Poetin van plan het zo te houden. Een machtige oligarch als Anatoly Tsjoebais krijgt als voornaamste verwijt dat hij een deel van de elektriciteit aan buitenlanders heeft verkocht.

Die landen hebben vooral, in tegenstelling tot derdewereldlanden, talrijke zeer geschoolde arbeidskrachten met onder meer een uitgebreid reservoir aan wetenschappelijke research. De infrastructuur is grotendeels wel verouderd, maar toch voldoende om een snelle relance mogelijk te maken. Voor een relance is er kapitaal nodig, maar een deel van het in Zwitserse en Amerikaanse banken opgeslagen Russische kapitaal zou daarvoor volstaan. Die situatie doet inderdaad denken aan de geroofde fortuinen die derdewerelddictators als Ferdinand Marcos (Filipijnen) en Soeharto (Indonesië) in het buitenland opstapelden. De oligarchen in Rusland hebben wel iets weg van de ‘cronies’ onder Marcos (en nu weer onder president Estrada). Die ‘boezemvrienden’ plunderen ook een groot deel van de nationale rijkdommen, maar dan wel in het kader van een onderontwikkelde economie en in nauwe samenwerking met buitenlandse kapitaalgroepen. In Rusland gaat het om bedrijven van wereldformaat in het kader van een zeer ontwikkelde economie.

De meest opvallende gelijkenis bestaat er tenslotte in dat zowel in Rusland als in verscheidene landen van het ‘zuiden’ een autoritair bewind naar voor wordt geschoven om de vrije marktmechanismen op te leggen. Dat was zo in Zuid-Korea, Singapore, Chili … Dat werd in de jaren tachtig ook al voorgestaan door medewerkers van Gorbatsjov die vonden dat glasnost en democratisering beter achteraf konden komen en die zich daarbij spiegelden aan voorgaande voorbeelden én aan China waar de invoering van de vrije marktmechanismen zeker niet gepaard gaat met enige politieke liberalisering.

Maar in het geval van de (ex-)Sovjet-Unie ging het om de overgang van een specifiek bureaucratisch systeem van geplande -maar ontwikkelde- economie naar een vrije markt, in plaats van een inspanning om van een onderontwikkelde neokoloniale kapitalistische economie naar een ontwikkelde kapitalistische economie te groeien. Vooral dit gegeven bepaalt dat er, ondanks enkele ogenschijnlijke gelijkenissen, in het betrokken gedeelte van Oost-Europa fundamentele verschillen zijn met de rest van de wereld. Daardoor hebben we hier te maken met een zeer specifieke en precedentloze situatie, die in geen enkel land van de zogenaamde Derde Wereld is terug te vinden.

Freddy De Pauw is redacteur buitenland bij ‘De Standaard’ (Oost-Europa, Azië, Italië). Auteur van onder meer ‘Volken zonder vaderland. Nationaliteitsvraagstukken in Centraal- en Oost-Europa’ en ‘De Russische mafija’.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 3181   proMO*’s steunen ons vandaag al. 

Word proMO* of Doe een gift