Het woud is Congo’s grootste armoedebestrijder

Het Congolese regenwoud, de op één na grootste “long” van de planeet, staat onder druk. Miljoenen mensen zien in het kappen van zijn bomen de kortste weg naar een beter bestaan. Zolang hun geen alternatief wordt geboden, staat massale kap van het woud in de sterren geschreven. Nergens zijn ontwikkeling en milieubeleid meer synoniem dan hier, stelde John Vandaele vast.

Congo telt 1,4 miljoen vierkante kilometer bos, 46 keer België. Aan het eind van onze reis vragen we Abel Kalambayi, de secretaris-generaal van het ministerie van Milieu, of er tegen 2030 –als de Congolese bevolking zal zijn verdubbeld tot 120 miljoen– nog meer woud zal resteren dan de 25 miljoen hectare in de beschermde gebieden? Als dat al lukt, want in enkele natuurparken werd al drastisch gekapt. Kalambayi durft dat scenario niet ronduit te verwerpen: ‘We staan inderdaad voor enorme uitdagingen, maar we moeten alles doen om dat te voorkomen.’
Op het eerste gezicht oogt de ontbossing in Congo niet zo spectaculair: hier geen reusachtige sojavelden als in Brazilië of industriële kaalslag als in Maleisië. Wél het onophoudelijke knagen van miljoenen kleine boeren, houtskoolproducenten en ambachtelijke zagerijen op zoek naar meer inkomen. Juist dat maakt het moeilijk om er verandering in te brengen.
Het eiland Mbiye is slechts één voorbeeld. Het ligt 15 kilometer stroomopwaarts van Kisangani in de majestueuze Congostroom. Bioloog Sylvestre Hbalitimi van de universiteit van Kisangani toont ons, niet zonder trots, de 14 km² regenwoud die er nog overblijft op het eiland. ‘Nergens vind je zo dicht bij Kisangani zo’n intact regenwoud.’
En inderdaad, “radio krekel” springt meteen aan en de temperatuur daalt een paar graden als je het woud ingaat. ‘Zonder het universiteitsproject dat steun krijgt van de Belgische ngo’s SLDC en Kisangani, was ook dit woud verdwenen.’ Als we enkele uren later aan de dorpelingen van Puku vragen hoe men hen heeft overtuigd om dat woud te behouden, volgt evenwel de anticlimax: ‘We zijn eigenlijk niet overtuigd. We hebben geen werk, geen inkomen, ons leven is hard en we zouden de bomen willen kappen om er iets aan te verdienen. Als jullie ons geen werk geven, zullen we dat wellicht ook doen.’
De Congolezen hebben altijd van het woud geleefd. Alleen zijn ze met almaar meer en vielen ze zich door de oorlog en de ineenstorting van de Congolese staat en economie meer dan ooit terug op dit fantastische geschenk van de natuur.

Kap en brand

De traditionele kap-en-brandlandbouw is de grootste boosdoener inzake wouddestructie. Op een plek in de rimboe waar alle bomen en struiken omgehakt zijn, geeft professor Jean-Pierre Mate, decaan van de landbouwfaculteit van de universiteit van Kisangani, uitleg: ‘Dit is het eerste stadium van de techniek: een stuk woud wordt omgehakt zodat het kan drogen onder de evenaarszon. Daarna wordt alles in brand gestoken. Het voordeel is dat de as dienst doet als extra bemester, boven op de compost van vele lagen bladeren, en dat alle onkruidzaden vernietigd zijn door het vuur.’
Later zien we telkens weer velden die door vuur op het woud zijn veroverd: kaal en zwartgeblakerd. De techniek is een efficiënte manier om in het regenwoud, waar alles zo snel groeit, met een minimum aan werk, landbouwgewassen te bevoordelen tegenover andere gewassen. Die aanpak was rationeel toen er maar 10 of 20 miljoen Congolezen waren. Nu wordt het systeem disfunctioneel. Mate: ‘Vroeger kwamen landbouwers pas na vijftien jaar terug bij hetzelfde veld, dat zo goed kon herstellen. Door de bevolkingsgroei brandt men nu soms al na drie jaar hetzelfde perceel af. Zo raakt de grond uitgeput en wordt de oogst zwakker.’
Overal te lande vreet de landbouw steeds dieper in de wouden in. Zelfs ver van de steden, in het dorpje Yafunga, 185 km van Kisangani, zegt Moïse Bolimbo: ‘Vroeger was het woud vlak bij het dorp, nu zijn er veel meer velden.’ Alain Gallez, de attaché voor ontwikkelingssamenwerking op de Belgische ambassade in Kinshasa, getuigt: ‘Vanuit het vliegtuig zagen we hoe tussen Bumba en Lisala al heel veel woud is omgezet in velden.’ En er is dus nog veel meer op komst. Vele gezinnen tellen acht of tien kinderen, allemaal toekomstige boeren die nieuw land zullen ontginnen, tenzij ze ander werk vinden. Uitzonderingen zijn de zeer dunbevolkte streken, zoals die in en om het Salongonatuurpark, waarvan de toekomst ook op langere termijn verzekerd lijkt.

Hoe Virunga redden?

Het woud is in Congo ook de grootste energiebron. Elke dorpeling die zich na de regen wil verwarmen of wil koken gebruikt brandhout. Omdat de stroomproductie met de jaren is verzwakt, rest de ook sterk gezwollen steden alleen houtskool om te koken.
Elke stad wordt nu bevoorraad met houtskool uit de omliggende wouden. Overal zagen we de houtskoolzakken: diep in Zuid-Kivu, in Katanga, in en om Kisangani… Om Kinshasa te bevoorraden, is de provincie Neder-Congo zo goed als geheel ontbost. Voor veel dorpelingen is houtskool de belangrijkste geldbron geworden. De houtskoolprijs hangt af van de bosschaarste: in Kisangani 6 dollar per zak van 25 kg, in Goma ligt de prijs al op 30 dollar. Waardoor de houtskoolbusiness er jaarlijks 30 miljoen dollar omzet.
Daar zijn verschillende redenen voor. Ten eerste is de stad Goma door de Rwandese en Congolese vluchtelingenstromen enorm gegroeid. Ten tweede heeft het vlakbij gelegen Rwanda de productie van houtskool verboden. Gevolg: Rwanda voert massaal houtskool in uit Congo. Een derde reden is dat de bossen in en om Goma sterk zijn uitgedund, behalve dan in het Virungapark, Afrika’s oudste natuurpark, wereldberoemd door zijn berggorilla’s.
Het onvermijdelijke gevolg is dat Goma en Rwanda nu, volledig illegaal, hun houtskool uit het Virungapark halen, een productie die in handen is van het FDLR, de Rwandese volkenmoordenaars en hun nakomelingen, en andere militaire groepen, die de houtskoolproducenten een belasting opleggen. ‘De gezamenlijke actie van het Rwandese en Congolese leger heeft het FDLR niet uit het park verdreven’, verklaart Emmanuel de Merode, de Belgische directeur van het Virungapark. ‘Toch hebben we onlangs 250 houtskoolovens in het park vernietigd en 57 mensen gearresteerd. We kunnen het FDLR dus schade toebrengen, maar hen echt uit het park krijgen lukt niet. Er is trouwens geen alternatief voor houtskool: we kunnen de mensen toch niet verbieden om te koken. Als dit evenwel nog drie jaar zo doorgaat, zijn de bossen rond de actieve vulkanen vernietigd.’
De enige oplossing is dus om zo snel mogelijk een alternatief voor houtskool te ontwikkelen. Dat is wat het Virungapark en de ngo Wereldnatuurfonds (WWF), met onder meer Belgische steun, proberen.
De Merode zet voluit in op de zogenaamde briket uit biomassa. Die kost 18 dollar per zak, een stuk minder dan houtskool. Bovendien schept ze banen: De Merode probeert een heuse ambachtelijke dorpsindustrie uit de grond stampen. ‘Momenteel maken we hier in het hoofdkwartier van het park vijftien persen per dag en aangezien er per pers zes mensen nodig zijn om de briketten te maken, scheppen we 90 banen per dag. Tegen 2011 zullen er 34.000 banen zijn, met een productie van 120.000 zakken per maand, even veel als de huidige houtskoolproductie.’
In de dorpen zien we heel wat mensen briketten maken. Met primitieve middelen stampen ze organisch materiaal zoals landbouwafval en zaagmeel tot een vochtige pasta. Die wordt dan uitgeperst tot een cilindervormige briket en te drogen gelegd. ‘Hier verdienen we maar 1 tot 2 dollar per dag mee’, klagen nogal wat dorpelingen. De Merode maakt zich daar geen zorgen over: ‘Ze proberen altijd meer te krijgen, begrijpelijk.’
Het briketteninitiatief is een gedurfde onderneming. De huidige productie –4.000 zakken per maand– gaat via het WWF naar de vluchtelingenkampen in de regio –zodat die al geen bomen meer hoeven te kappen– maar  het blijft afwachten of de markt zal toehappen. ‘We twijfelen er niet aan’, zeggen de producenten, die erg tevreden zijn over hun briketten. ‘Het voordeel is ook dat we zo voor hout niet meer het woud in hoeven, waar we het risico lopen verkracht te worden’, zegt een vrouwelijke brikettenmaakster.
Het WWF probeert het Virungapark te redden door buiten het park snel groeiende bomen te planten. Bruno Hugel: ‘Het WWF werkt hier al 21 jaar. Toen we in 1990 over herbebossing spraken, keken de mensen ons vreemd aan. Nu zijn hout en houtskool zo schaars en duur dat veel boeren graag bomen planten op een deel van hun grond. We kunnen de vraag naar plantgoed niet bijhouden.’
We rijden met het WWF naar Kitshanga, het voormalige hoofdkwartier van krijgsheer Laurent Nkunda. We zien waar het miljoen Rwandese vluchtelingen in 1994 een enorme hap uit het Virungapark nam en hoe Nkunda Tutsi-immigranten en anderen het recht gaf de zuidwestelijke delen van het park als landbouwgrond te gebruiken. ’Het is hier nu al zes uur stappen voor je bij het bos komt,’ zegt een inwoner van Burungu op een plek waar ooit het park was.
‘De voorbije week zijn er een paar honderd Tutsi’s uit Rwanda teruggekeerd. Ze zitten in een hoek van het park bij Bwiza. Ik verwacht dat er nog vele tienduizenden Tutsi’s terugkeren naar Congo’, vertelt een lokale Tutsi. Dat zal de druk op het park (en de interetnische spanningen) alleen maar doen toenemen.
Het WWF slaagde erin om, ondanks de onveiligheid, in anderhalf jaar anderhalf miljoen (vooral eucalyptus)bomen te planten op 800 hectare. Hugel: ‘Eucalyptus is slecht voor de biodiversiteit en drinkt ook erg veel water, maar omdat hij zo onwaarschijnlijk snel groeit, kan hij helpen voorzien in de grote behoefte aan timmerhout en houtskool.’

Rupsen, wild en bosindustriëlen

Het woud zorgt ook voor het bouwmateriaal in Congo. Duizenden ambachtelijke houtzagerijen leveren planken en balken voor huizen en meubels. Ze zijn niet geregistreerd en er zijn geen regels voor wat ze wel of niet mogen doen. Abel Kalambayi bekent: ‘We moeten daar dringend werk van maken, want het is een belangrijke factor van ontbossing.’
In Kisangani verslindt ook de baksteenindustrie massa’s hout. Professor Mate: ‘Veel jongeren storten zich, bij gebrek aan ander werk, op de baksteenproductie met hout als brandstof. Dat neemt serieuze vormen aan: op de weg van de luchthaven naar het centrum alleen al telde ik 61 ovens.’ Ook deze sector is op geen enkele manier gereguleerd.
Het Congolese woud levert ook tropisch hardhout aan de rest van de wereld. Die industriële bosexploitatie wordt evenwel sinds de invoering van de nieuwe boscode in 2002 sterk gestuurd. Althans op papier. Een mijlpaal is dat het woud onder concessie sindsdien werd teruggebracht van 43 miljoen tot 10 miljoen hectare. Wie geen belastingen betaalde, of louter speculatief werkte, verloor zijn concessie. Zelfs Greenpeace vindt dat positief, maar wijst erop dat de staat niet bij machte is de bestaande exploitanten te controleren. Zeker is dat de milieuadministratie ontzettend zwak is.
René Ngongo van Greenpeace ziet een groot verschil tussen woord en daad: ‘De minister probeert nu een aantal van de verworpen concessies weer op te vissen, terwijl de wet daartoe geen mogelijkheid biedt. Het bedrijf Trans-M zag zijn concessie verworpen maar blijft hout kappen.’ Françoise Vandeven van de Federatie van Houtindustriëlen spreekt dat tegen: ‘Trans-M doet niet meer dan de al gehakte bomen evacueren. Dat mag. Greenpeace klaagt alleen maar en doet zelf niks positiefs.’ Kalambayi wil zich niet uitspreken over Trans-M.
De grote vraag is of de lokale bevolking beter wordt van de industriële exploitatie. Van de belofte om 40 procent van de belastingopbrengst naar de lokale gemeenschappen te sturen, is niets terechtgekomen. Kalambayi: ‘We moeten eerst de dorpsgemeenschappen leren om dat geld verstandig te gebruiken.’ Of dat geld dan opzij is gezet tot die gemeenschappen er klaar voor zijn? Kalambayi: ‘Je weet toch hoe arm Congo is: wij hebben dat geld veel te hard nodig om het opzij te kunnen zetten.’ Lees: de lokale gemeenschappen kunnen de opbrengst van de voorbije jaren vergeten.
In principe worden dorpen nog op een andere manier vergoed: de houtindustriëlen worden immers geacht sociale investeringen te doen. Dorpelingen kunnen evenwel weinig beginnen als de exploitant die beloften niet nakomt. In de concessie van Safbois, 50 km bezuiden Isangi, klagen de inwoners van Yafunga: ‘De scholen of gezondheidscentra die exploitant Blattner in 2005 beloofde, zijn er nog altijd niet.’ De kraaminrichting oogt inderdaad bedenkelijk: een stal met bedden als doodskisten…
Delphin Ningo Likula, secretaris van de ngo CAPDH: ‘Over Safbois zijn de mensen echt niet tevreden. Ten noorden van Isangi komt Forabora zijn beloften wel na: de scholen staan er en zijn van prima kwaliteit.’
De dorpelingen klagen vooral dat de ontginning knaagt aan hun voedselvoorziening. ‘Door het lawaai en de bedrijvigheid is het wild op de vlucht gegaan. Vroeger gaf ik een jager patronen en ’s anderendaags stond hij hier met een antilope. Nu duurt het al drie weken en hij is nog niet terug’, zegt Costin Bafundu, landbouwkundige en eigenaar van een kleine palmplantage in Inaloa.
‘De mensen klagen over honger: de rupsenbomen zijn geveld en rupsen waren een belangrijke bron van eiwitten’, vult Moïse Limbosi uit Yafunga aan.
Het woud draagt op allerlei –voor buitenstaanders vaak onzichtbare– manieren bij tot het welzijn van de Congolezen. Als leverancier van wild, medicijnen, rupsen, vruchten, prauwen… de auto van de Congolees staat in het bos.
In principe zullen de concessies ook de zwerflandbouw insnoeren: de exploitant heeft het bos gekocht en kan dus niet toestaan dat boeren bomen vernietigen om velden aan te leggen. Dat kan tot spanningen leiden.
Het werk van ngo’s als CAPDH om de bevolking bij te staan in de onderhandelingen met de exploitanten is belangrijk, omdat de bevolking vaak niet goed beseft wat de waarde van de bomen is en wat de gevolgen zijn van een exploitatie. Ook als binnenkort de “participatieve ruimtelijke planning” van start gaat, zullen ngo’s de stem van de bevolking moeten laten horen.

Wat te doen?

Op papier is de industriële bosexploitatie veruit het best gereguleerd. Kalambayi maakt zich sterk dat dat binnenkort ook te velde het geval zal zijn. ‘Ons ministerie krijgt de komende jaren 230 miljoen dollar steun. De controle van de naleving van de regels zal veel sterker worden. De exploitanten moeten beheersplannen indienen en de regering kan zo mee toezien op de ontginning.’ Daar schuilt een kans: indien de industriële exploitatie duurzaam wordt opgezet en rekening houdt met de lokale noden, hoeft het niet de schadelijkste vorm van bosgebruik te zijn.
In de bestrijding van de andere oorzaken van ontbossing staat de regering nog niet ver. In Congo is er geen geloofwaardig plan om de landbouw of de energievoorziening duurzamer te maken. Momenteel gaat nog geen 3 procent van de begroting naar landbouw. ‘En zelfs dat geld wordt niet uitgegeven’, zucht dr. Kalambayi. ‘We moeten onze politieke leiders doordringen van het belang van een landbouwbeleid.’
Projecten zijn er wel. Professor Mate probeert de boeren, in samenwerking met de Belgische ngo’s Kisangani en SLCD, te leren hoe ze dezelfde velden kunnen bewerken in plaats van elk jaar nieuw bos te kappen. ‘Met agrobosbouw gebruik je bomen die stikstof in de grond brengen en daartussen zet je dan je gewassen. Zo kun je de grond blijven bewerken en de bomen leveren ook houtskool of timmerhout op. De bodem kan verder ook nog verrijkt worden met compost.’ Costin Bafundu denkt dat de boeren makkelijker te overtuigen zijn met verbeterde zaden, meststoffen, goedkoop krediet…
Het is niet makkelijk boeren te bewegen tot agrobosbouw. Mate’s medewerker Emmanuel Kakoua toont ons in Ngenegene enkele recent gebouwde compostvakken van boeren die overtuigd zouden zijn van de nieuwe aanpak. Echt overtuigend is het niet: de vakken staan er wel, maar er wordt nog geen compost in gemaakt.
Wat verder toont Kakoua ons het stukje bos dat hij hier in eigendom heeft. Tot onze verbazing bekent hij ons dat hij het volgend jaar wellicht zal kappen, zodat hij nieuwe akkers heeft. Als we zijn bos intrekken, stoten we op een rupsenboom die hij onlangs heeft geveld. Emmanuel kijkt schuldbewust: ‘Ik weet het: het is verkeerd, maar met deze boom kan ik vijf zakken houtskool produceren, goed voor 15 dollar.’ Het geeft te denken: als deze werknemer van de universiteit al zijn bos kapt, hoe moeten anderen dan overtuigd worden?
Je kunt het bos niet redden als de mensen daar niet beter van worden. Emmanuel de Merode beseft dat: ‘We moeten de omwonenden vergoeden voor het feit dat ze de vruchtbare bodem van het Virungapark niet kunnen gebruiken. Als 50.000 mensen een baan hebben dankzij het park, is dat de best denkbare bescherming.’ De Merode wil de toeristische opbrengsten van het park gebruiken om de mensen stroom, drinkwater en gratis onderwijs te geven.
Een andere energievoorziening, een andere landbouw, een verstandig beheer van het woud: daarvoor is dus een krachtig ontwikkelingsbeleid nodig, en dat is er momenteel niet. Ook al zijn er hier en daar positieve signalen, op korte termijn lijkt het staatsapparaat daar niet toe in staat. Het waarschijnlijke scenario is dus dat de snel groeiende Congolese bevolking in haar zoektocht naar een beter bestaan de komende jaren grote delen van het Congolese woud zal kappen.

 

Klimaatakkoord heeft Congo weinig te bieden

Heeft Congo iets te verwachten van de klimaatonderhandelingen? Zal de wereld Congo belonen opdat het zijn bossen laat staan? Het ziet er niet naar uit. Christophe Vanorshoven, expert op het Belgische ministerie van Milieu: ‘Het proces richt zich vooral op regio’s waar grootschalige kaalslag plaatsvindt. Daar is de grootste klimaatwinst te boeken. Congo beschikt bovendien niet over de controlecapaciteit om bewijzen te leveren van elke ton CO2 die uit zijn bossen verdwijnt. Waardoor het niet in aanmerking komt voor de koolstofmarkt.’ Congo kan wel andere middelen genieten die helpen bij het scheppen van alternatieven voor houtskool of een beter beheer van de natuurparken. Tot beide draagt ons land bij.

Een slecht voorbeeld is het zogenaamde multidonorfonds (5,6 miljoen euro) waar België, de EU, Frankrijk,GB en Duitsland twee jaar geleden al de helft van stortten om het Congolese ministerie van Milieu te versterken. Tot grote ergernis van deze donoren heeft de Wereldbank met dat geld nog altijd niks aangevangen, terwijl bepaald was dat het programma in 2009 zou eindigen.

Duitsland en het Verenigd Koninkrijk hebben zich al teruggetrokken. Als verklaring gelden de loodzware procedures van de Wereldbank (het fonds werd onderworpen aan een tijdrovende… Milieueffectrapportage!) en het feit dat de Wereldbank al een eigen programma van 70 miljoen dollar heeft. Bij de Wereldbank is er discreet begrip voor de ergernis van de donoren te merken. Naar verluidt zou dit najaar alsnog een groot deel van de middelen besteed worden.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur