Het zevenpuntenprogramma van de allochtonen

Het is de hoogste tijd, vonden de meeste mensen die we voor dit dossier contacteerden. Het wordt tijd dat er geluisterd wordt naar de dromen, verwachtingen en angsten van de allochtone medeburgers. Het resultaat van vijfentwintig uur gestructureerde groepsgesprekken ligt voor u. De Schreeuw van de allochtone Vlamingen.
Het samenleven van oude en nieuwe Vlamingen wordt onder druk gezet door de (internationale) actualiteit: aanslagen van Amsterdam tot Madrid, de aanhoudende bezetting van en het groeiende verzet in Irak, de gewelddadige impasse in het Midden-Oosten, de opvallende impact van de extremistische politieke islam binnen en buiten Europa… Binnenlandse uitspraken over minderwaardige culturen en integratie-onwil gieten olie op een smeulend vuur.
Maatschappelijke polarisering leidt meestal tot vragen als: waarom slagen allochtonen er niet in zich te integreren, of: moeten we schrik hebben voor de islam? Zelden hoor je een verhaal over de toekomstverwachting die jonge en oudere allochtonen op dit moment in Vlaanderen hebben. Zelden stelt men de vraag: hoe gelukkig voelen allochtonen zich? En hoe definiëren ze geluk? Hoe rooskleurig of zwartgallig zien ze de toekomst voor zichzelf en hun kinderen? Wat staat er in de weg om hun toekomstverwachtingen in te lossen? Wie of wat kan helpen om hun dromen ook werkelijk te realiseren? Wat kunnen of moeten ze daar zelf aan doen - individueel en/of met de gemeenschap? En wat verwachten ze van overheden, witte Vlamingen, buren, collega’s? Het zijn deze vragen die vijf MO*redacteurs voorlegden aan tien focusgroepen met allochtone Vlamingen (zie kader). De berg tapes en verslagen werd door ons samengevat in een zevenpuntenprogramma dat verplichte lectuur is voor elke overheid of burger die wil voorkomen dat België in Hollandse toestanden verzeilt. Willen de Vlaamse of Belgische politici die extra middelen of inspanningen willen leveren voor rustig geformuleerde verwachtingen nu opstaan. Of moet er eerst een steen door het raam?

1. Wij zijn gehecht aan waarden en normen


Gelukkig zijn. Gelukkig zijn. Daarvoor wil ik alles geven. Dat zingt Raymond, dat zeggen de deelnemers aan de focusgroepen. Hoe allochtonen geluk omschrijven? Een gezin, een thuis, een leuke job, wat geld en genoeg vrienden, niet te veel stress, op tijd en stond rust en een paar vierkante kilometers natuur. Vlaamse autochtonen en allochtonen putten voor hun basisnormen en -waarden uit hetzelfde, universele vaatje. De grote nadruk op het belang van familie, samenhorigheid en solidariteit zou wel eens een electorale kans van formaat kunnen zijn voor CD&V. Haar traditionele (gezins)waarden, die gebaseerd zijn op algemene religieuze overtuigingen, sluiten beter aan bij de waarden en normen van het allochtoon kiespubliek dan de libertijnse moraal van de progressieve groepen en partijen die vandaag knokken voor stemrecht en tegen racisme.
Als we onze gesprekspartners vragen zichzelf op een schaal van 0 tot 10 een gelukscijfer te geven, scoren velen van hen redelijk hoog als het gaat om persoonlijk geluk. Maar zodra gepolst wordt naar het maatschappelijk geluk, keldert de barometer. ‘Persoonlijk en maatschappelijk geluk zijn niet van elkaar los te koppelen’, klinkt het instemmend bij de jongeren. De oudere generatie van de vaders verbindt het eigen geluk ook aan het oplossen van de conflicten in Irak, Palestina en andere regio’s waar moslims betrokken partij zijn.
Het valt op hoeveel mensen rond onze gesprekstafels actief zijn als vrijwilliger in allerhande jeugd-, sport-, cultuur- en moskeeverenigingen. Natuurlijk zijn deze mensen gemakkelijker te motiveren en te bereiken voor een groepsdiscussie, maar toch. ‘In vrijwilligerswerk kanaliseer je alle frustraties en moeilijkheden. Andere mensen helpen, geeft ook voldoening. Maar vooraleer je anderen kan helpen, moet je je eerst en vooral zelf goed in je vel voelen. Inzet voor anderen zorgt ervoor dat je jezelf nuttig voelt,’ verklaart een Ford-arbeider. Ook het verantwoordelijkheidsbesef voor de volgende generatie is een constante: ‘Het is onze taak zaadjes te planten voor morgen,’ vult een Turkse vakbondsvrouw aan.
Toch wordt de algemene teneur in alle focusgroepen vrij pessimistisch, als het over de toekomst gaat. Zegt een van de vertegenwoordigers van de Marokkaanse gemeenschap: ‘Ik heb altijd in vooruitgang geloofd en die ook in - weliswaar hele kleine - stappen gezien rondom mij. Maar voor de eerste keer in mijn leven ben ik bekommerd om mijn toekomst en die van mijn kinderen. Ik ben bang. Het klimaat is omgeslagen naar antipathie. Ik herken veel symptomen en mechanismen van wat in de jaren dertig met de joden gebeurde. De huidige Europese anti-moslimwetten worden niet door extremisten, maar door democraten gemaakt. Ik ben er niet gerust in.’
De eerste generatie immigranten, die in de vroege jaren zestig arriveerde, sprak geen of slecht Nederlands, was blij dat ze werk had en hield de toekomstblik helemaal op het thuisland gericht. De tweede generatie spreekt Nederlands en begrijpt dus veel beter wat andere Vlamingen over hen zeggen, heeft al wat onderwijskansen gehad, telt zelfs al dokters en advocaten, ziet België evengoed als haar vaderland. De derde generatie wordt -zeker sinds 9/11- meer dan haar voorgangers geconfronteerd met een dagelijks voelbare racistische omgeving, onvoldoende kansen op degelijke scholing en weinig uitzicht op werk, laat staan carrière. Zegt een vrouw, achteraan in de twintig: ‘Onze ouders werden graag gezien, de eerste generatie heeft het goed gehad. Ik heb in een gemengde klas gezeten en het niet zo moeilijk gehad. Maar als ik naar de kinderen van mijn zus kijk, die hebben het veel zwaarder dan wij het ooit gehad hebben.’ Dat duistere beeld wordt er niet vrolijker op als de deelnemers vaststellen dat de eerste generatie sneller tevreden was en andere verwachtingen had van het leven hier. Al zijn de hogere verwachtingen en ambities van de jongeren tegelijk een uiting van toegenomen integratie.

2. Discussieer mét ons en niet over ons


Wie is verantwoordelijk voor dat negatieve toekomstbeeld? De lijst is lang en er figureren zowel autochtone als allochtone namen in, maar de media worden in bijna alle groepen spontaan tot probleem nummer één uitgeroepen. Een van de Turkse arbeidsters vat de gemeenschappelijke frustratie zo samen: ‘De kranten en televisiejournaals berichten voortdurend op een negatieve manier over ons. De media verkondigen gewoonweg leugens en fouten, en ze stellen ons op een sensationele manier voor als terroristen. Een viervoudige moord wordt: Turkse islamiet vermoordt gezin. Waarom is de dader van een gezinsdrama in een Turks gezin in de eerste plaats een islamiet en een extremist? Een week later wordt peuter Jansien door haar Belgische moeder vermoord. Dan spreekt men het plots van een depressieve vrouw. Een Turk kan toch ook depressief zijn? Een man die zijn gezin uitmoordt, daar is iets mis mee. Dat heeft niets met islamisme te maken.’ Dat kranten en televisie veel macht hebben, dat ze zowel beleidsmakers als de man in de straat beïnvloeden, beseffen de mensen aan deze discussietafels maar al te goed. Vandaar de oproep: ‘Discussieer alsjeblieft mét ons en niet over ons.’
Met name de manier waarop de media over islam berichten, zit de allochtonen dwars. De groep met imams en islamleerkrachten gaat dieper in op deze frustratie: ‘Journalisten laten niet de juiste of bevoegde personen aan het woord over de islam. Zo krijgt het publiek verkeerde informatie. Ik heb als imam en leraar Arabisch, oriëntatie en integratie voldoende kennis en bekwaamheid om over ons geloof te spreken. Bij een islamdiscussie moeten ze een deskundige vragen en niet de “man in de straat” interviewen.’ Een andere ergernis is dat de media het onderscheid niet weten te maken tussen geloof en traditie, of tussen de vele meningen en stromingen binnen de islam.
Ook politici discussiëren te vaak over een islam waarover ze weinig weten. ‘Als wij integratie- en oriëntatiecursussen moeten volgen om iets bij te leren over een andere cultuur, dan kunnen de Belgen misschien iets bijleren over de islamitische cultuur. Waarom niet meer islamlessen op scholen?’

3. Zorg ervoor dat wij ons hier thuis kunnen voelen


Op de vraag wie er dagdagelijks met racisme te maken heeft, gaan er veel ijverige jufjuf-vingers de lucht in. Iedereen heeft voorbeelden en verhalen over subjectief, subtiel of zeer objectief, expliciet racisme. Van aangestaard worden in de sportclub, over je scheef bekeken en minderwaardig voelen op straat tot geweigerd worden aan de ingang van cafés of dancings. Van racistische leerkrachten, over het verbod op je moedertaal spreken op de speelplaats of werkvloer, geen stageplaats vinden en ondanks de juiste kwalificaties niet uitgenodigd worden voor sollicitaties tot pure fysieke agressie. De derde generatie lijkt het nog het hardst te voelen. Moeders zitten met de handen in het haar als hun kinderen weer met pestverhalen thuiskomen. ‘Mijn kinderen vragen soms of we niet terug in Turkije gaan wonen. “Daar worden we niet gepest, daar zeggen ze niet dat we stinken.” Het wordt erger en erger op school. Een klimaat van intolerantie en discriminatie maakt de kans op ontsporing of mislukking bij onze jongeren groter.’ Het Vlaams Belang zou het als intimidatiestrategie niet beter hebben kunnen bedenken. Als de democratische partijen de racistische aanpak van het VB willen bestrijden, moeten ze misschien snel uit de comfortzone van hun zelf opgetrokken cordon komen om op het terrein een positieve samenlevingsboodschap uit te zaaien.
‘Op straat voel ik me absoluut niet thuis, alleen in mijn eigen huis voel ik me op mijn gemak. Ik hoop dat de volgende generatie zich hier thuis zal voelen,’ zucht een van de vaders. Jongeren weten het niet zo zeker of die hoop uitkomt. Ze omschrijven zich allemaal anders - Turk, Marokkaan, Belg, Genkenaar, Belgische moslim… - maar ze voelen zich wel thuis in twee culturen. ‘Onze afkomst blijft belangrijk. We zijn anders. Maar wanneer kan dat in Vlaanderen gewoon vanzelfsprekend zijn?’, zucht een Marokkaanse studente geneeskunde - met hoofddoek. ‘Wanneer ga ik me hier echt thuis voelen? Wanneer kan ik met fierheid zeggen dat ik een Belgische moslim ben?’, klinkt het ook in de groep van de jongens. Nog anderen beklemtonen dat het verschil tussen een Marokkaanse Vlaming en een Antwerpse Vlaming niet groter hoeft te zijn dan tussen Vlamingen onderling.
De reacties op het dagelijks racisme variëren: negeren, proberen onverschillig te blijven, je afsluiten, je gefrustreerd en machteloos voelen, dialoog zoeken… De meest radicale reactie - die meer dan eens geopperd wordt - is terugkeren. Zegt een van de Turkse moeders met tieners: ‘Ik ben naar hier gekomen toen ik één jaar was. Ik had nooit gedacht dat ik terug naar Turkije wilde, maar dat is de laatste jaren veranderd. Het is moeilijk je hier nog thuis te voelen.’ Diegenen die er zo over denken, wachten wel liever tot de kinderen groter zijn en een diploma hebben. Een andere Turkse moeder herkent dit gevoel: ‘Velen van ons hebben een vakantiehuis in ons thuisland dat elf maanden per jaar leegstaat. Als we hier een lepel kopen, kopen we er ook een voor daar. We moeten zorgen dat we terugkunnen, voor de dag dat we hier buiten worden gegooid.’
De hand wordt ook in eigen boezem gestoken. Een jong Marokkaans meisje met haar eigen zaak bevestigt: ‘Natuurlijk is er ook omgekeerd racisme van allochtonen tegenover autochtonen. Veel allochtonen geloven dat alle Belgen slecht, racistisch en schijnheilig zijn. En als een meisje zich te westers of modern kleedt, wordt haar verweten te veel onder westerse invloed te staan.’ Er moet ook paal en perk gesteld worden aan de cultuur van zelfmedelijden, vinden heel wat deelnemers aan de focusgroepen. We pikken de woorden van een van de moeders er uit: ‘Je mag de oorzaken van je problemen niet altijd bij de anderen of de samenleving leggen. Er is aan twee kanten gettovorming. De Turken van de eerste generatie zetten een grote stap van het Turkse platteland naar de Europese steden. Om zichzelf te beschermen tegen die al te vreemde, nieuwe wereld zijn ze zich gaan afsluiten. En het is blijkbaar moeilijk daar uit te geraken. Als je hier al vijftig jaar woont, moet je Nederlands spreken. Je kan te gemakkelijk blijven functioneren zonder Nederlands te leren: er is een Turkse slager, Turkse bakker, op het ACV-kantoor of school is er een brugfiguur die Turks spreekt…’

4. Meer van onze jongeren moeten naar het ASO


Onderwijs, hét pijnpunt, ligt op ieders lippen. De eerste generatie bestond uit arbeiders die niet konden lezen of schrijven, voor fysieke arbeid kozen en een beter leven voor hun kinderen als voornaamste levensdoel hadden. ‘Onze ouders hebben veel bereikt’, zegt een van de Ford-arbeiders die in zijn vrije tijd actief is als moskeegids en in een jeugdvereniging. ‘Ze kwamen als analfabeet naar een vreemd land, zochten hier werk. Ze zijn hier gebleven voor hun kinderen. Ik heb respect voor wat ze bereikt en gedaan hebben.’ De tweede generatie beseft dat ze al meer kansen heeft gekregen dan de vorige generatie, maar niet genoeg. Verwijten hoor je nochtans niet. Een heftruckchauffeur uit Genk vertelt: ‘Mijn moeder leerde me haar handtekening nabootsen zodat ik haar niet elke week moest lastig vallen met mijn schoolrapport. Dat was niet slecht bedoeld of uit desinteresse. Ze verstond daar gewoon niets van.’
Een andere anekdote, van een van de Turkse moeders: ‘Mijn ouders zagen het belang niet in van studies, dus heb ik zes jaar snit en naad gedaan, de traditionele keuze voor allochtone meisjes. Die foute keuze heb ik achteraf goed moeten maken door drie jaar te werken én te studeren, heel zwaar was dat. Mijn kinderen moeten de lat hoger leggen, aan een echt diploma geraken.’ Onderwijs staat centraal in de toekomstplannen en -dromen die ouders voor hun kinderen koesteren. Ze willen de volgende generatie alle kansen geven die zij niet hebben gehad of benut. ‘De tweede generatie heeft enorm slechte tijden meegemaakt die onuitwisbaar zijn. De volgende generatie moet het gewoon beter hebben. Daarom zetten ouders zich honderd procent in voor hun kinderen.’
Die goede voornemens worden al te vaak al in een beginstadium gefnuikt. Iedereen klaagt erover dat ze zelf of hun kinderen van jongs af aan in het technisch onderwijs en beroepsopleidingen worden geduwd. ‘Als je doorstroomt naar het ASO, ben je een uitzondering. Kinderen zijn te jong om zelf te beslissen, willen hun vriendjes naar het BSO volgen en hebben vaak te weinig zelfvertrouwen om te geloven dat ze ASO of hogere studies aankunnen’, aldus een scholier uit Antwerpen die ervan droomt arabistiek en journalistiek te gaan studeren.
Het Centrum Leerlingen Begeleiding (CLB, het vroegere PMS) wordt algemeen als een slechte raadgever gezien. De heftruckchauffeur, moeder van vier kinderen: ‘Onze kinderen zijn dom en worden in beroepsopleidingen gedumpt. Belgische kinderen met leerproblemen hebben dyslexie of adhd en krijgen begeleiding.’ Sommige ouders denken er zelfs over hun kinderen een diploma te laten halen in Marokko of Turkije, omdat ze daar wel alle kansen krijgen. Sommige jongeren zijn niet meer gemotiveerd om te studeren. ‘Het haalt toch allemaal niets uit!’, vloekt een Marokkaanse student die in tegenstelling tot zijn Vlaamse klasgenoten nog altijd geen stageplaats heeft gevonden.
Uitspraken als: ‘Er voltrekt zich een sociaal drama in het onderwijs’ en ‘Een nieuwe generatie zonder opleiding is een drama voor de hele maatschappij’ duiken telkens weer op. Maar wie draagt de verantwoordelijkheid hiervoor? Jongeren verwijten hun ouders niets. ‘Zij kenden de taal, het schoolsysteem en de regels niet. In de toekomst moeten wij als ouders natuurlijk wel onze verantwoordelijkheid opnemen,’ zegt een Turkse jongen uit Antwerpen die in een reisbureau werkt. De vaders zelf nemen wel een deel van de schuld op zich: ‘Als jongeren op straat rondhangen in plaats van op de schoolbanken te zitten, moeten de vaders hun verantwoordelijkheid opnemen en niet alleen de moeder voor de opvoeding laten zorgen. Naar de moskee gaan en bidden, is niet genoeg.’

5. Werk zorgt voor waardigheid


Ouders en jongeren beseffen dat onderwijs de enige manier is om vooruit te raken, maar weten tegelijk dat dit nog maar een eerste stap is. Daarna komt nog een heel hindernissenparcours van discriminatie bij de verdeling van stageplaatsen en bij vacatures, en eens dat gepasseerd, wacht het racisme op de werkvloer.
Een arbeidersdochter uit Genk vertelt: ‘Ik ben de enige allochtoon in een groot bedrijf. Ik nam deel aan een zware test, waarna ongeveer twintig bedienden werden aangenomen. Ik was geslaagd voor de test, maar plots was er zogenaamd geen vacature meer. Dankzij bemiddeling van een vereniging en de aanwervingsdirecteur ben ik toch nog aangenomen. Ik heb achteraf de resultaten kunnen inkijken, bleek dat ik een van de hoogste scores had op de test…’
Werk is cruciaal, daarover is iedereen het eens. In MO*19 bevestigde ook Vlaams minister van Werk, Frank Vandenbroucke, dat. Of de voorzichtige inspanningen van het beleid voldoende aarde aan de dijk brengen, wordt betwijfeld. Als een ambitieuze student handelswetenschappen zegt: ‘Door werken krijg je eigenwaarde en word je niet als last gezien door mensen om je heen. Je wil een functie uitoefenen en zo betrokken worden in de maatschappij’, dan wordt er instemmend geknikt.
‘Wij zijn nodig, maar we moeten ons economisch interessant weten maken’, vat de Turkse vakbondsvrouw samen. Een van de vaders voegt daaraan toe: ‘Onze kinderen zullen de opmerkingen van de baas en collega’s niet tolereren zoals wij dat zo lang hebben gedaan.’ Het is een terloopse opmerking die echter door heel wat uitspraken in andere focusgroepen bevestigd wordt: net nu in Vlaanderen met veel verve gepleit wordt voor eigen waarden en normen, vindt een spiegelbeeld van dat discours steeds meer aanhang bij de jongere allochtonen.
‘Veel Vlamingen slaagden er niet in om in de Marokkaanse buurjongen, de Turkse sollicitant of de Afrikaanse poetsvrouw een individu te zien. Ze zagen enkel Cultuur en Verschil. Sommige moslims hebben dat idee overgenomen: wij hebben onze waarden, daar begrijpen jullie toch niks van, laat ons met rust’, schrijft Tom Naegels in zijn vierdelig kerstessay in De Standaard. Les extrêmes se touchent, maar zoals meestal leidt die aanraking vooral tot vonken en uitbarstingen. Op de arbeidsmarkt is dat het allerlaatste wat jonge allochtonen nodig hebben. Hun eis om gelijkwaardig én rechtvaardig behandeld te worden, is echter een voorwaarde om de aansluiting opnieuw te kunnen maken.

6. Ik wil de vrijheid om mijn godsdienst te beleven


Gastarbeider, immigrant, allochtoon, nieuwe Belg, nieuwe Vlaming… terrorist. Dat is volgens de focusgroepen de evolutie van de afgelopen veertig jaar in een notendop. Een van de allochtone woordvoerders stelt vast: ‘Vlaanderen is sterk veranderd. De eerste generatie was graag gezien. De tweede generatie was nog exotisch -als je op een witte school zat. Nu heeft Vlaanderen gewoon schrik van ons. Moslim zijn is een stigma. Er is een gestructureerd negatief beeld rond moslims ontstaan.’ 11 september 2001 wordt algemeen als kantelpunt aangevoeld.
‘Op 12 september 2001 kwam ik op mijn werk en kreeg ik meteen de vraag: wat hebben jullie nu weer gedaan?’, vertelt een van de arbeiders. Sinds die aanslagen hebben moslims af te rekenen met nog meer vooroordelen en veroordelingen dan voordien. ‘Nu hebben we nog genoeg vrijheid om ons geloof en onze cultuur te beleven,’ waarschuwt een arbeider uit een chemisch bedrijf, ‘maar als het klimaat en de tendens niet veranderen, zal het in de toekomst een probleem zijn om de islam te belijden.’
Veel jongeren zijn het beu dat ze zich voortdurend moeten verdedigen en verantwoorden voor hun geloof. Elke moslim in België wordt aangesproken op de daden en gevolgen van islamistische terreurgroepen. ‘Alsof elke Belg zich moet verantwoorden voor Dutroux en elke katholiek voor het IRA’, klaagt een verpleegster in spe. Niet alleen verwacht de omgeving van moslims dat ze zich distantiëren van fundamentalisme en van wat gezien wordt als problematische kanten van de islam, bovendien wordt ‘elke daad die ik stel, elk woord dat ik zeg, gezien als typisch voor mijn gemeenschap.’ De Gentse secretaresse is er duidelijk niet mee gediend. Dat geeft een zware verantwoordelijkheid en legt een te zware last op de schouders van gewone gelovigen. Bovendien eigenen niet-moslims zich het recht toe te oordelen over wie echte moslims zijn en wie niet: ‘Als je niet voldoet aan hun stereotiepe beeld, ben je een uitzondering’, ervaart een medewerkster van het Steunpunt voor allochtone meisjes en vrouwen.
Jongeren -vaak meisjes- zoeken een evenwicht tussen hun geloof en tradities en hun eigen dromen en ambities. Ongetrouwde, werkende vrouwen die alleen willen wonen, kunnen in veel gevallen tegenkanting verwachten. Het verhaal van een jonge zaakvoerster: ‘Andere Marokkaanse meisjes vinden me te modern, te verwesterd, te spontaan, te arrogant. Maar ik ben gewoon mezelf. Toen ik een nieuwe zaak opende, werd ik geboycot door de plaatselijke Marokkaanse gemeenschap die me als indringer beschouwde. Mijn huidige vriend wil dat ik een hoofddoek draag, terwijl ik nog nooit van mijn leven een heb gedragen. En zelfs al vind ik een moderne man, dan nog is er de druk van de schoonfamilie waartegen hij niet zal kunnen optornen. Ik vrees dat ik zal moeten inbinden en veel rekening zal moeten houden met mijn toekomstige man en schoonouders. Op dit vlak kan de overheid niet veel doen. Het zijn de mannen die moeten veranderen, maar dat zal nog lang duren. Het gaat zelfs met grote stappen achteruit.’
Het verlangen naar reizen is groot bij de jonge vrouwen, onder andere omdat het vaak een (tijdelijke) vrijheid biedt en het juk van de ouders en de sociale controle wegneemt. Zonder zich tegen hun geloof te willen verzetten, willen ze wel bepaalde taboes bespreekbaar maken of doorbreken. Van de ouders en ouderen komt weinig begrip of openheid: het is nu eenmaal zo, punt. Ze voelen zich onbegrepen door hun omgeving en hebben het gevoel er alleen voor te staan in hun zoektocht naar “hun” islam. ‘Godsdienst wordt te eng geïnterpreteerd als een reeks geboden en verboden. Hoe verder van het thuisland, hoe extremer de interpretatie. Godsdienst moet meer een leidraad zijn, een ruimte waarbinnen je zelf grenzen kan bepalen zonder elkaar te oordelen en veroordelen’, wordt in de groep van de hoger opgeleiden aangekaart.

7. Participatie op basis van eigen kracht


Wie kan er voor zorgen dat onze toekomstverwachtingen gerealiseerd worden? Dat was de vraag die de slotronde in de groepsgesprekken inluidde. ‘Iedereen moet beginnen bij zichzelf.’ Er wordt vooral veel verwacht van de jongeren en de hoger opgeleiden. Zelfkritiek mag en moet, maar, zegt een van de allochtone politici: ‘We moeten onze eigen fouten ook niet uitvergroten. Dat wordt misbruikt door de politiek.’ De deelnemers beseffen dat ze zelf veel kunnen doen, veranderen en realiseren, maar weten tegelijk dat ze op een bepaald moment toch de overheid nodig hebben. Van de allochtone politici verwachten ze niet zo veel. ‘Ze zitten niet altijd op de juiste (ideologische) plaats en het zijn niet altijd de meest capabele mensen’, klinkt het heel eerlijk in de groep van de woordvoerders.
In het algemeen wordt er veel verwacht van de overheden, zeker als het gaat over onderwijs, werk en de strijd tegen racisme. Maar tot nu is het beleid een zaak van veel woorden en weinig daden, vindt men. De allochtonen voelen zich te weinig betrokken bij het beleid. Er wordt dan ook gepleit voor meer politieke en maatschappelijke participatie. Of dat moet via de bestaande structuren of eigen initiatieven, zorgt voor verdeelde reacties. Een student politieke wetenschappen en vurig verdediger van de AEL-standpunten werpt een balletje op: ‘Willen we -naar Nederlands voorbeeld- moslimscholen, een moslimpartij, een eigen jeugdbeweging en mediakanalen? Of moeten we ons juist beter integreren in de bestaande partijen en vakbonden?’
Een van de vaders brengt de vraag van de kip en het ei ter sprake: ‘Participeren is belangrijk, maar daarvoor hebben we niet de nodige vaardigheden. Maar als we niet participeren, bouwen we ook geen capaciteit op.’ Enerzijds is er het uitdrukkelijke verlangen deel uit te maken van de brede samenleving, anderzijds is er het besef dat mensen zich eerst goed moeten voelen in hun eigen vel en binnen hun eigen “gemeenschap” voordat ze ten volle kunnen participeren. Bij de allochtone woordvoerders wordt uitdrukkelijk gekeken naar de emancipatiestrijd van Vlamingen en arbeiders in de voorbije eeuw. Het einddoel was steeds en is ook nu volwaardig deel te nemen aan de maatschappij, maar de weg verliep telkens langs een eigen zuil, een eigen organisatie, een eigen identiteitsopbouw. Dat de huidige meerderheid daar niet enthousiast op zal reageren, dat beseffen de woordvoerders. Maar emancipatie begint nu eenmaal nooit met de instemming van degenen die macht zullen moeten delen of afstaan.
Waar iedereen het over eens is, is dat er meer samenwerking moet komen tussen de (zeer) verschillende moslimgemeenschappen. ‘Turken en Marokkanen leven naast elkaar. We moeten onze krachten en overeenkomsten bundelen, dan staan we sterker’, zegt een van de jongens. Een ander soort samenwerking ontstaat op straat- en wijkniveau, binnen het nieuwe middenveld van buurtgroepen, oudercomités en wijkvergaderingen. ‘Een uitstekend middel tegen de verzuring, zowel bij allochtonen als autochtonen’, vindt een allochtone politica.
Naast de opgebouwde frustraties, de teleurstellingen en de goede voornemens komt de factor tijd altijd weer bovendrijven. Een van de jongeren: ‘We zijn hier nog maar veertig jaar. Dat is politiek gezien niet lang. Intussen maken we wel deel uit van dit land en de Vlaamse cultuur. Dat is een feit.’ Daarom herhaalt iedereen ook steeds weer: ‘We willen blijven communiceren, praten.’ Als het aan de allochtone Vlamingen ligt, wordt dit het decennium van de dialoog. Is de andere kant er klaar voor?
Het kwalitatief onderzoek naar de toekomstverwachtingen van allochtone Vlamingen gebeurde via 10 focusgroepen, waarin de deelnemers telkens 2,5 uur van gedachten wisselden aan de hand van een zelfde draaiboek. De groepen werden samengesteld met mensen van Turkse en Marokkaanse afkomst, uit Gent, Antwerpen, Genk, Mechelen, Lokeren en tussenliggende gebieden. De selectie gebeurde aan de hand van duidelijke profielen: (1) Jonge, mannelijke moslims, (2) jonge meisjes in de stad, (3) moeders van jonge kinderen, (4) vaders van tieners, (5) hoogopgeleide jonge allochtonen, (6) imams of islamleerkrachten, (7) allochtone arbeiders, (8) allochtone ondernemers, (9) allochtone woordvoerders en (10) nieuwkomers. De begeleiding van de focusgroepen gebeurde door Samira Bendadi, Gie Goris, Alma De Walsche, Tine Danckaers, John Vandaele en Sara Frederix. Verslaggeving: Britt Dams.
Om de openheid tijdens de groepsgesprekken te bevorderen, spraken we af dat alle verhalen anoniem gebruikt en geciteerd worden.
MO* werd voor het opzetten en realiseren van dit onderzoek begeleid door tri.zone, een organisatie die gespecialiseerd is in duurzaamheid en participatieve processen. www.trizone.be

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur