Hoe de neo-conservatieven 11 september aan Irak linkten - analyse

Geen dagen, maar uren. Dat was de tijd die de
neo-conservatieve groep rond de Amerikaanse president, George Bush, nodig
had om de aanslagen van 11 september 2001 in de schoenen van de intussen
verdreven Irakese dictator Saddam Hoessein te schuiven. Waar nu al
aanwijzingen voor bestaan, dreigt met een grootschalig onderzoek naar de
mogelijke manipulatie van inlichtingen door de regering, straks bewezen te
worden: 11 september werd misbruikt als een excuus om Irak binnen te vallen.



“We moeten niet alleen UBL, maar ook SH bij de kraag vatten.” Deze
uitspraak, afkomstig van de Amerikaanse minister van Defensie, Donald
Rumsfeld, werd opgetekend door een medewerker, nauwelijks vijf uur nadat een
vliegtuig zich op de vroege ochtend van 11 september 2001 in een vleugel van
het Pentagon boorde. Met UBL bedoelde Rumsfeld – in de Engelse transcriptie
– “Usama bin Laden”. “SH” is Saddam Hoessein.

De naam van Ossama bin Laden kwam al gauw bovendrijven na de
terreuraanslagen met burgervliegtuigen. De link tussen 11 september en het
door Bin Laden geleide terreurnetwerk Al-Qaeda, kon ook snel worden
aangetoond. Maar de link met Saddam Hoessein werd nooit gevonden. Toch
hebben neo-conservatieve politici, waaronder Donald Rumsfeld, nooit
geaarzeld 11 september te noemen als een reden om Irak binnen te vallen. Het
gebrek aan een sluitende “casus belli” dreigt Rumsfeld en co nu zuur op te
breken.

Steeds meer prominente getuigen vertellen hoe ze van meet af aan door een invloedrijke groep rond de Amerikaanse president onder druk werden gezet om de terreurdaden te zien in een breder Irak-kader. Vorige maand vertelde generaal Wesley Clark voor het eerst aan een groot publiek hoe er in de herfst van 2001, onmiddellijk na de aanslagen, “een georganiseerde inspanning werd geleverd om de
terroristische dreiging vast te klinken aan het regime van Saddam Hoessein”.

“Ik was te gast bij CNN toen plots mijn gsm rinkelde”, vertelde Clark in het
populaire tv-programma “Meet the Press”. “De andere kant van de lijn zei:
‘Je moet zeggen dat dit verbonden is. Dit is terrorisme dat door een staat
wordt gesteund. Dit moet verbonden zijn met Saddam Hoessein’.” Clark wilde
niet zeggen wie hem belde, maar hij zei wel dat hij zowel telefoontjes kreeg
van mensen “binnen als buiten het Witte Huis”.

Af te leiden uit verklaringen van prominente vertegenwoordigers van de
neo-conservatieve denktanks in Washington gaat het waarschijnlijk om iemand
uit die kringen. “De aanslagen van vandaag zijn niet mogelijk geweest zonder
hulp van een of meer regeringen”, zei bijvoorbeeld de toenmalige voorzitter
van de denktank Defense Policy Board (DPB), Richard Perle, op 11 september
aan de krant The Washington Post. “Een staat heeft de terroristen opgeleid
om met burgervliegtuigen te vliegen.”

Volgens de nota’s van een medewerker van DPB-lid en minister van Defensie
Rumsfeld, zou Rumsfeld onmiddellijk hebben laten onderzoeken hoe en wanneer
Irak kon worden aangevallen, in afwachting van enig bewijs dat 11 september
aan Irak kon koppelen. Die strategie zou hem volgens de bekende journalisten
van de Washington Post, Bill Woodward en Dan Balz, in botsing hebben doen
komen met de minister van Buitenlandse Zaken, Colin Powell.

“Powell was tegen een actie in Irak”, zegt Bill Woodward, die dertig jaar
geleden beroemd werd door het bekendmaken van het Watergate-schandaal en
goed op de hoogte is van wat reilt en zeilt in het Witte Huis. “Powell wilde
eerst Afghanistan aanpakken en de Taliban opzijzetten. Hij wilde pas
nadenken over Irak als er een duidelijk bewijs was dat Saddam iets met de
aanslagen te maken had.”

Wat volgde was een haastige zoektocht naar “de missing link”. James Woolsey,
de voormalige baas van de CIA, werd naar Londen gestuurd om bewijzen te
verzamelen. Hij keerde met lege handen terug. Na een spoedvergadering van de
Defense Policy Board verscheen op 20 september 2001 een stilaan historisch
geworden open brief aan president Bush in The Washington Post.

“Ook al is niet bewezen dat de Irakese regering de terroristen van 11
september steunde, dan nog is het verdrijven van de macht van Saddam
Hoessein een van de opdrachten van de oorlog tegen het terrorisme.” De brief
werd ondertekend door 38 prominente “haviken” waaronder Perle en een lange
reeks invloedrijke figuren uit kringen rond de Amerikaanse regering.

Het begint er meer en meer op te lijken dat toen de leden van de DPB
beseften dat ze de link tussen 11 september en Irak niet zouden vinden, dat
ze het als een uitdaging beschouwden om het publiek er toch van te
overtuigen dat een oorlog in Irak nuttig was. In plaats van harde bewijzen,
werd vooral met retoriek gewerkt. Dat die strategie gelukt is, moge
duidelijk zijn. Toen in oktober 2002 het Huis van Afgevaardigden stemde over
de oorlogsplannen van president Bush in Irak, wees onderzoek uit dat twee
derde van de volwassen Amerikanen geloofde dat “Saddam Hoessein de
terroristen van 11 september 2001 hielp”.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 3153   proMO*’s steunen ons vandaag al. 

Word proMO* of Doe een gift