Dossier: 

Hoe Forrest de Kamoto-mijn verloor en Gertler de nieuwe sheriff werd

In 2006 publiceerde MO* een berucht dossier over twee grote mijncontracten in Congo. Die contracten sneden Gécamines-West – het mijncomplex waaraan de stad Kolwezi haar bestaan dankt – in tweeën: de ondergrondse mijn van Kamoto en de productie-installaties gingen naar Kinross Forrest Limited (KFL), de grote en zeer rijke open mijn van KOV naar Nikanor, het bedrijf van Dan Gertler, de zoon van de machtigste diamantfamilie van Israël.

  • Bloomberg/Simon Dawson Dan Gertler. Bloomberg/Simon Dawson

Waarom kregen deze relatief kleine bedrijven de kroonjuwelen? In 2004 en 2005 was de instabiliteit zo groot dat de multinationale mijnbedrijven zich nog niet in het land waagden. De enigen die dat wel deden, waren mensen als George Forrest, die al decennia in Congo actief was, en Dan Gertler, die een persoonlijke vriend was/werd van Joseph Kabila. Die eerste privatiseringsgolf voltrok zich in de aanloop naar de eerste presidentsverkiezingen. Het lijdt geen twijfel dat zowel Forrest als Gertler Kabila’s verkiezingskas stijfde. In ruil daarvoor stonden ze op de eerste rij toen de rijke mijnen werden uitgedeeld.

Dat waren niet meteen ondernemingen die over de kapitalen en kennis beschikten om de immense mijnrijkdommen te ontginnen. Dat besef je zodra je ter plaatse een kijkje neemt: alles heeft hier zo’n enorme schaal dat je niet in tientallen miljoenen euro’s maar in miljarden euro’s moet rekenen.

Zowel Forrest als Gertler kreeg de concessies zonder dat ze de Congolese staat daarvoor moesten betalen. Zeker, er zou volgens het contract huur worden betaald voor de installaties en dividenden op de 25 procent van Gécamines, maar wij voorspelden dat het lang zou duren voor dat echt gebeurde. Dat klopt ook: er is geen huur betaald en er zijn nog steeds geen dividenden betaald.

De tegenprestatie van Forrest en Gertler bestond erin dat ze middelen moesten verzamelen om de productie weer op gang te krijgen. De Forrestgroep toog in 2006 aan de slag met de Kamoto Copper Company (KCC), maar, aldus Pierre Philippart, directeur van de Entreprise Générale Malta Forrest (EGMF) te Kolwezi: ‘Wij wisten vanaf het begin dat we dit niet alleen zouden kunnen. Dit ging de financiële mogelijkheden van een familiebedrijf te boven.’

Degraderen uit eerste klasse

KFL veranderde zijn naam in Katanga Mining Limited (KML). Dat behield 75 procent van de KCC en Gécamines de rest. Probleem was wel dat de concessies van Forrest en Gertler een natuurlijke synergie hebben, maar nu dus gescheiden waren. Zo had KCC de koperfabriek in Luilu. Naar verluidt reageerde KML stug en stond het niet te springen om samen te werken met Gertler. In december 2007 produceerde KML zijn eerste koper, maar een maand eerder was de grondstoffenmultinational Glencore al met 150 miljoen dollar over de brug gekomen.

KML kwam in grote financiële moeilijkheden. Enerzijds was er de herziening van de contracten, waardoor niet duidelijk was of de oorspronkelijke voorwaarden behouden zouden blijven. Die onzekerheid dreef het KML-aandeel van vijftig naar minder dan één dollar. Anderzijds was er de financiële crisis. De banken piekerden er niet over om te investeren in Congo. Terwijl er dus pakken geld nodig waren om Kamoto te ontwikkelen. ‘Wij probeerden mensen ervan te overtuigen aandelen te kopen in ruil voor kapitaal, maar dat lukte niet’, aldus Pierre Chevalier, vicevoorzitter van de Groep Forrest Internationaal en ex-politicus.

Voor Glencore was geld kennelijk geen probleem. In januari 2009 stak het nog eens 100 miljoen dollar in KCC. Om zijn financiële positie aan te zuiveren en de geplande ontwikkeling door te zetten, had KML nog eens een kwart miljard dollar nodig. Het slaagde er niet in die bijeen te krijgen. Glencore kwam nogmaals over de brug en zette zijn leningen om in nieuw kapitaal, waardoor het aandeel van Forrest sterk verwaterde, van veertig naar een paar procent. Het was de groeiende invloed van Glencore die een fusie tussen KML en Nikanor wist door te drukken. Alleen zo kon een vestiging van wereldniveau ontstaan. Volgend jaar zou KCC met een productie van 300.000 ton het grootste koperbedrijf van Congo moeten worden.

Forrest heeft intussen de paar procenten die hij behield, verkocht. We weten niet hoeveel hij daaraan heeft verdiend. Bij de afwikkeling wist Forrest bij Glencore wel een groot dienstencontract te bedingen: EGMF neemt de exploitatie van de KOV-mijn voor haar rekening. Over de inhoud van het contract komen we niets te weten. Chevalier: ‘Natuurlijk was het mooi geweest indien we mee aan het roer van KCC hadden kunnen blijven. We hebben er geld en energie in gestopt, maar we bleken te klein. We spelen nu weer op ons niveau. Maar het heeft iets spijtigs: het is als Januzaj opleiden en dan zien dat een andere ploeg er beter van wordt.’

Andere spelregels

Ben Pirard van EGMF leidt ons rond in de KOV-mijn, met kopergehaltes van boven de vier procent een van de rijkste ter wereld. Er gaapt een put van 200 meter diep voor ons, maar hij moet nog tweehonderd meter dieper worden gemaakt. Pirard: ‘Eerst hebben we meer dan een jaar moeten pompen om het water uit de put te krijgen. Vergeet niet dat er een constante stuwing van grondwater is. Zodra je stopt met pompen, zinkt alles weg in het water. Er is dus constant stroom nodig.’

Forrest bekleedt niet langer de dominante positie die hij in 2006 had. Alsof hij uit de gratie is van bepaalde machthebbers. Het gedoe rond de Compagnie Minière du Sud-Katanga (CMSK) illustreert dat. Forrest wilde zijn aandeel in CMSK voor 15 miljoen dollar verkopen aan een andere onderneming van de groep. Gécamines oefende zijn voorkooprecht uit en eiste dat het zelf die aandelen voor 15 miljoen dollar kon kopen. Dat zag Forrest niet zitten. Vervolgens ontspon zich een juridisch conflict in Congo en bij het Internationaal Arbitragehof in Parijs. Uiteindelijk kreeg Forrest een pak meer geld dan de oorspronkelijke vijftien miljoen. Het feit dat Gécamines zich tegenover Forrest zo hard opstelt, terwijl het anderzijds de ene lucratieve overeenkomst na de andere met Dan Gertler sluit, geeft aan dat Forrest de goodwill van een bepaald deel van de elite kwijt is. ‘Als je niet meedoet met het spel, krijg je het moeilijk’, zucht Pierre Chevalier.

Dat Forrest, SN Brussels en Lufthansa jarenlang moesten touwtrekken eer Korongo de kans kreeg om in Congo te vliegen – terwijl er echt wel behoefte was aan degelijke luchtvaartbedrijven – wees ook al in die richting. Wellicht speelde mee dat Kabila mede-eigenaar is van de andere luchtvaartmaatschappij. Chevalier: ‘Wij respecteren de internationale en ethische regels. Dat vergt meer tijd. En politieke steun: de Belgische regering heeft hard voor ons gepleit. Het feit dat we ons dezer dagen met internationale spelers als Lufthansa of Heidelberg (cement) verbinden, maakt het ook makkelijker dingen gedaan te krijgen zonder ethische regels te overtreden.’

Het ontgaat Chevalier natuurlijk niet dat Gertler nu de centrale figuur is geworden: de new sheriff in town, grapt hij. Dat roept natuurlijk de vraag op wat Forrest ervoor moest doen om destijds de spilfiguur te zijn. ‘We waren toen de enige grote ondernemer in het land; het lag toen anders.’ De groep Forrest wil voortaan anders omgaan met kritiek, onderstreept Chevalier: ‘Meer de dialoog aangaan in plaats van te procederen.’

Ik ben proMO*

Nu je hier toch bent

Om de journalistiek van MO* toekomst te geven, is de steun van elke lezer meer dan ooit nodig. Vind je dat in deze tijden van populisme en nepnieuws een medium als MO* absoluut nodig is om de waarheid boven te spitten? Word proMO*.

Wil je bijdragen tot de mondiale (onderzoeks)journalistiek in het Nederlandstalig taalgebied? Dat kan, als proMO*.

Wil je er mee voor zorgen dat de journalistiek van MO* mogelijk blijft en, ondanks de besparingspolitiek, verder uitgebouwd wordt? Dat doe je, als proMO*.

Je bent proMO* voor € 4/maand of € 50/jaar.

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur