Hoe je rijk wordt in het arme Congo

Röntgenfoto van een roofdierstaat

De Congolees-Australische journalist Eric Mwamba zocht voor MO* naar het geheim van de rijkdom van de Congolese elite. Heel wat van zijn getuigen bleven liever anoniem uit angst voor hun leven –het lijkt wel een soort Congolese omerta. John Vandaele selecteerde Mwamba’s sterkste vaststellingen en bracht wat eigen elementen aan.

  • Erik Mwamba President Kabila in een prauw op zijn ranch in Kingakati. Erik Mwamba

‘Mijn salaris bedraagt nog geen 750 euro. Toch kan ik elke maand wel tot 225.000 euro verdienen’, vertelt een man van veertig in Kinshasa. Hij draagt een diamanten uurwerk en een bril van massief goud. De man was tussen 2006 en 2011 raadgever op het ministerie van Economie in de regeringen-Gizenga en -Muzito. Hij neemt ons in vertrouwen over hoe een mens rijk wordt bij de Congolese staat, op voorwaarde dat we hem niet in verlegenheid brengen. Als zijn naam wordt genoemd of zijn villa in beeld komt, riskeert hij zijn leven.

Hij bezit een marmeren villa met drie verdiepingen in Mont-Fleury, een van de betere wijken van Kin. De parking staat vol zware wagens. Een maand later ontmoeten we hem in Sandton, een chique wijk in Johannesburg, Zuid-Afrika, waar hij zijn gezin vijf jaar geleden heeft ondergebracht. Opnieuw: een prachtige villa, badend in een zee van groen. Zijn drie kinderen, die naar een dure Amerikaanse school gaan, liggen aan het zwembad. Dit is duidelijk een familie die mijlenver staat van de zorgen van de doorsnee Congolees. En ze is niet alleen: in Congo is er een kleine groep mensen die, ondanks de veralgemeende armoede in het land, enorme bedragen verbrast. Dat ligt des te gevoeliger omdat het gemiddelde Congolese jaarinkomen per hoofd nog geen 150 euro bedraagt –een van de laagste cijfers ter wereld in een land dat bovendien over zeer zwakke publieke voorzieningen beschikt waardoor mensen dus voor elke dienst moeten dokken. Er zijn verschillende manieren waarop de bestuurlijke elite zich kan verrijken.

Blokkeer hervormingen!

Een van de basismechanismen is het succesvol voorkomen van elke verbetering van het bestuur. Onze veertiger die met drie ministers van Economie werkte, stelt boudweg dat de meeste ministers en verantwoordelijken van staatsbedrijven geen hervormingen in de richting van goed bestuur wensen. Zelfs als de ministerraad, dikwijls onder druk van westerse partners, beslist om het bestuur in deze of gene zin te verbeteren, wordt die beslissing door omkoping tegengehouden. Een voorbeeld. Een Congolese verantwoordelijke van een Wereldbankproject legt uit dat zijn instelling, op voorstel van de regering, een informatiseringsproject van de publieke uitgaven had gestart om zo de corruptie te verminderen. Dat project kon evenwel nooit echt worden uitgevoerd omdat zij die van het huidige systeem profiteren dat niet wilden. Om zo’n project tegen te houden, zo legt de getuige uit, moeten de ministers die er niet van willen weten de collega omkopen die ervoor verantwoordelijk is. Het is aan dit type van “operaties” dat ook onze veertiger met de gouden bril veel geld heeft verdiend.

Hij vertelt dat medewerkers van andere ministers soms met sommen geld kwamen aandraven die hij onvoldoende vond. Hij drong dan aan op méér. ‘In een bepaald dossier bood de handlanger van een andere minister 110.000 euro. Dat bedrag heb ik laten optrekken tot 520.000 euro.’ Een deel daarvan hield hij uiteraard zelf.

Die gang van zaken is de reden waarom het in Congo moeilijk is te bepalen hoeveel mensen precies voor de verschillende ministeries werken –ondanks meerdere door het buitenland gefinancierde pogingen. Altijd slaagt iemand er wel in een waterdichte telling tegen te gaan teneinde van die onduidelijkheid te profiteren door een deel van de uitbetaalde salarissen voor zichzelf te houden.

Wie die realiteit kent, beseft dat het cynisch klinkt om Alphonse Muzito, tussen 2008 en 2011 Congolees premier, op 29 september 2011 te horen zeggen dat het probleem is dat ‘we niet genoeg geld hebben om de basisinfrastructuur te betalen die nodig is om private investeringen aan te trekken’.

Bradeer en incasseer onder tafel!

Het geld dat de bestuurlijke elite binnenrijft, komt van allerlei vormen van ontwikkelingshulp, van de wirwar van formele en informele belastingen die de vele overheidsdiensten heffen en van de geldstromen die de natuurlijke rijkdommen –die Congo in overvloed heeft– genereren. Vooral die laatste bieden Congo een unieke ontwikkelingskans indien het er verstandig mee omspringt. Het Initiatief voor meer Transparantie in de Extractieve Industrie (ITEI) wil daartoe bijdragen maar kampt in Congo met grote problemen. Het wil corruptie tegengaan door bedrijven ertoe aan te zetten de bedragen van de door hen betaalde belastingen bekend te maken, waarna ook de ontvangende overheidsinstanties publiceren wat zij hebben ontvangen. Uit het laatste ITEI-rapport blijkt dat er zowel voor 2008 als 2009 een belangrijk verschil was tussen wat beide kanten verklaarden: de bedrijven beweerden een veel hoger bedrag te hebben betaald dan wat de verschillende overheidsdiensten zegden ontvangen te hebben.

Het Congolese parlement publiceerde in de loop der jaren meerdere kritische rapporten over de materie. Zo kwam de senaat in september 2009 met een rapport over wanbeleid in de mijnsector. Het rapport betreurde dat het land maar 68 miljoen euro uit de mijnbouw haalde, terwijl het 337 miljoen euro misliep door onderfacturering, belastingontwijking, smokkelen, frauduleuze contracten en slecht boekhouden.

De voorzitter van die senaatscommissie, David Mutamba Dibwe, stelde dat het merendeel van de mijnexporten niet wordt aangegeven en dat de slecht uitgeruste belastingdiensten niet in staat zijn de handel op te sporen. In de Kivu’s zou tachtig procent van de uitgevoerde ertsen niet geregistreerd worden. Dergelijke kritische rapporten komen en gaan maar leiden niet tot grote veranderingen.

Eind 2011 klaagde het Britse parlementslid Eric Joyce aan dat de Congolese staat 3,75 miljard euro was misgelopen. Congo had vier mijnen flink onder de marktprijs verkocht aan vier op de Maagdeneilanden ingeschreven bedrijven in handen van de Israëlische zakenman Dan Gertler. Die was –en is– goed bevriend met de Congolese president Joseph Kabila en diens rechterhand, de ondertussen overleden Katumba Mwanke. Het spreekt voor zich dat Kabila en co onder tafel royaal vergoed worden voor het braderen van ’s lands rijkdommen. Die techniek is ongetwijfeld een van de meest lucratieve van het hele gamma. Een insider zegt dat ‘het nu minder voorkomt dan pakweg vijf jaar geleden maar er nog een lange weg is af te leggen’.

Eric Joyce vond in elk geval dat het Internationaal Muntfonds (IMF) Congo veel te weinig dwong de transparantievoorwaarden na te leven die het geacht werd te respecteren in ruil voor IMF-steun. In 2004 stelde het IMF zelf vast dat het overheidsinkomen uit de mijnsector maar 0,18 procent van het nationaal inkomen bedroeg; in Botswana lag die verhouding toen op 22 procent. ‘Er is dus nog ruimte voor verbetering’, concludeerde het IMF voorzichtig.

Sindsdien is er verbetering. ‘In 2011 bedroegen de publieke inkomsten bijeengebracht door de drie belangrijkste belastingdiensten bijna 2,3 procent van het bnp. De totale inkomsten uit alle vormen van natuurlijke rijkdommen (en dus ook hout en olie) beliepen vijf procent van het bnp’, zegt Oscar Melhado, de lokale vertegenwoordiger van het IMF in Congo aan MO*.

Dat betekent niet dat alles koek en ei is voor het IMF. Zo weigerde het Fonds in december 2012 om zijn kredietfaciliteit voor Congo te verlengen omdat de regering onvoldoende informatie publiceerde over de overdracht van activa van staatsmijnbedrijf Gécamines aan het bedrijf Comide. Melhado: ‘De autoriteiten zegden dat er geen echt contract is voor deze transactie. Maar wat ze bekend maakten, bevatte niet genoeg informatie over de transactie en dus nam het IMF niet de beslissing om zijn kredietfaciliteit te verlengen.’

Momenteel komt volgens Melhado 26,5 procent van de openbare inkomsten uit natuurlijke rijkdommen. Dat is, volgens een IMF-rapport minder dan Botswana (31,5 procent) en veel minder dan Nigeria (72 procent) en Congo-Brazzaville (88 procent).

Of Congo te weinig overheidsinkomsten uit zijn natuurlijke rijkdommen haalt, durft Melhado niet met zoveel woorden zeggen. Hij formuleert het liever positief: ‘Er bestaat potentieel om de mijninkomsten te verhogen. Er worden inspanningen gedaan om inkomstengaring in de mijnsector te verbeteren. Het IMF geeft technische assistentie om het beheer van de publieke financiën, de belastingadministratie en het belastingbeleid te versterken.’

Roof grond!

Een andere manier waarop bepaalde mensen zich weten te verrijken, is door grond en gebouwen van de staat op onregelmatige manier en aan veel te lage prijzen te verwerven.

‘Wij aanvaarden niet dat er huizen worden gebouwd op de terreinen van een ziekenhuis’, schreeuwt Pascal Nkelenge, omringd door andere bewoners van de wijk Kintambo in Kinshasa. Een tiental woningen van “onaantastbaren” bevindt zich op het terrein van het algemeen ziekenhuis van Kintambo, achter een omheining van golfplaten die bewaakt wordt door politieagenten met kalasjnikovs.

Het kadaster geeft de namen van de onregelmatige bouwheren niet vrij. ‘Ministers en hoge kaders van het leger bevinden zich onder diegenen die op dit terrein bouwen’, verklaarde Jacques Bakabi, van het inlichtingenbureau van de snelle interventiepolitie. ‘Uiteindelijk heeft de president zelf de bouw stilgelegd omdat de onophoudelijke protesten van de wijkbewoners gênant werden.’

Meestal loopt het evenwel niet zo af. Volgens Laurent Simon Ikenge, minister van Urbanisatie en Huisvesting in de regering-Gizenga tussen 2006 en 2008, ‘gaat er geen dag voorbij zonder dat onroerende goederen van de staat ondergewaardeerd worden doorverkocht aan particulieren, met minachting van de regels.’ De ex-minister betreurt dat alle aanbevelingen van verschillende onderzoeksrapporten geen effect hebben gehad.

‘De Israëlische zakenman Dan Gertler gaf ons geld. Veel geld. Duizend keer meer dan mijn salaris.’

SOS-Kinshasa, een vereniging zonder winstgevend doel, heeft met de slogan ‘Touche pas à mon école’ van de strijd tegen de roof van schoolterreinen zelfs haar waarmerk gemaakt.

 

Leny Ilondo Ye Nkoy, voorzitter van de vereniging, noemt het gerecht de weke onderbuik van de Congolese democratie. Sinds 2008 heeft de organisatie, alleen al in Kinshasa, een lijst van zeventig scholen opgesteld die slachtoffer werden van grondroof. Talloze klachten zijn ingediend bij het parket-generaal van Kinshasa maar ‘justitie heeft niet één onderzoek ingesteld’, aldus Ilondo.

Geeft de president het goede voorbeeld?

Iedereen die een tijdje in Congo verblijft, weet dat ambtenaren op allerlei niveaus proberen zich te verrijken. ‘Het kostte ons veertien maanden om waterbuizen van de haven Matadi tot in de Kasai te krijgen, gewoon omdat we niet voldoende bereid waren om allerlei mensen om te kopen’, getuigt iemand van de Belgische ontwikkelingssamenwerking. Dat lagere ambtenaren zich verrijken, is begrijpelijk omdat ze vaak slecht betaald zijn, maar het betekent niet dat het zonder gevolgen is. Er zijn in de wereld weinig landen waar de staat zo hard zijn best doet om initiatief van burgers –of het nu een visvijver of een ingevoerde container is– weg te belasten. Zo wordt de disfunctionele staat een roofdier als het gaat om ontwikkeling. Om daarin verandering te brengen, is de top erg belangrijk, en daar zien we weinig evolutie.

Een inspecteur van de economische politie licht de arbeidsomstandigheden op zijn dienst toe als het gaat om ondernemingen van vrienden van president Kabila. ‘Neem de groepen Beltexco en Marsavco van Mazar Rawji en zijn broers. Hoewel we over verschillende goed gestoffeerde dienstnota’s over onregelmatigheden beschikten, werd het ons formeel verboden om die ondernemingen te onderzoeken. Zelfs de kleinste politieagent van onze ploeg wist dat dit raakte aan de belangen van de president.’

Het minste dat men kan zeggen is dat president Joseph Kabila van ranches houdt. Hij bezit niet alleen een ultramoderne ranch in het dorp Kingakati op 130 kilometer van Kinshasa maar heeft er ook een in de periferie van Lubumbashi en in Noord-Kivu nabij Beni. ‘Indien de boerderijen vlees en voedsel zouden bieden aan de lokale bevolking, zouden Kabila en zijn entourage zich erg populair maken’, zegt iemand van het ministerie van Landbouw in Lubumbashi. ‘In plaats daarvan zijn die boerderijen niets meer dan vehikels om de miljoenen euro’s te recycleren die hij verworven heeft in louche operaties’.

De president verzamelt ook crossmotors en terreinwagens. Een bron bij het staatsprotocol voegt eraan toe dat de president tijdens officiële reizen ‘uitgeeft zonder te tellen’ omdat hij er op uittrekt met een gevolg van meer dan tweehonderd personen in het binnenland en de helft daarvan op internationale reizen. Tijdens de 67ste sessie van de Algemene Vergadering van de VN, eind september in New York, aarzelde Kabila niet om met zijn gevolg van een honderdtal personen zijn intrek te nemen in het Waldorf Astoria op de Park Avenue 301. Veel van de gehuurde kamers kosten tot 4000 euro per nacht.

De zowat 50 miljoen euro die het staatsbudget voorziet voor het presidentschap is maar een fractie van Kabila’s inkomsten, waarbij het braderen van ’s lands rijkdommen ongetwijfeld het meeste opbrengt. Daarnaast zijn er de vrienden van “Petit Joseph”. Om “vriend” te blijven, “te kunnen blijven eten” als directeur van een openbare dienst die inkomsten genereert, moet je Kabila geschenken geven. Als teken van loyauteit worden enveloppen aan de president gegeven en giften gedaan aan de politieke partij van de president, Parti du Peuple pour la Réconstruction et la Démocratie (PPRD). Wie dat niet doet, riskeert zijn baan.

In een brief van 20 september 2005 verheugt het bureau van de provinciale raad van de PPRD zich over de efficiënte bijdragen van de mandatarissen van Gécamines en de spoorwegmaatschappij SNCC. De betrokkenen worden in de brief vervolgens met naam en toenaam aanbevolen aan de hiërarchie van de partij. Private bedrijven blijven uiteraard niet achter. Zo staat in hetzelfde document te lezen dat de Belgische ondernemer ‘meneer George Arthur Forrest en zijn groep eruit springen omdat ze ons stap voor stap hebben gesteund in de geleidelijke inplanting van de partij’.

En dan is er het Soevereine Fonds van de republiek. Dat Fonds wordt uitgebreid besproken in een uitgelekt document van de hand van ambassadeur (en pastor) Théodore Mugalu. Hij staat aan het hoofd van het Civiele Huis van het staatshoofd en behoort tot de nauwste kring rond Kabila. In het document getiteld Veiligheidsinlichtingen ter attentie van zijn Excellentie, meneer de president van de republiek, opgesteld in augustus 2010, waarschuwt Mugalu ervoor dat Augustin Katumba Mwanke (AKM), de man die sinds vele jaren de grote economische dossiers beheert, Kabila wil opvolgen of vervangen.

Interessant is dat hij in het kader van dat rapport uitweidt over het zogenaamde Soevereine Fonds dat AKM zich crimineel zou willen toe-eigenen. De nota beschrijft in detail op welke banken Katumba Mwanke geld van het Fonds heeft geplaatst. Zo is er sprake van de Banque Générale de Luxembourg, rekeningnummer 0001-61-247-6 onder naam van de onderneming Katumabu-Transit. De rekening is geopend op 14 juni 2009 met een bedrag van om en bij de 30 miljoen euro, dat ‘AKM gebruikt om het parlement te controleren door middel van permanente omkoping’. Onder de “slachtoffers” van die omkoping bevindt zich Evariste Boshab, die later voorzitter van het parlement werd. Boshab zou vanaf juli 2009 liefst 256.000 euro geïncasseerd hebben –32.000 euro per maand– op zijn rekening LU930030846721570000 bij de Banque et Caisse d’Epargne de l’Etat, in Luxemburg-stad.

Verder worden in de nota ook de Bank van Kampala en Oeganda genoemd, de Credit Bank Limited van Hong Kong, de Ned Bank van Zuid-Afrika, de Bank Hapaolom in Panama en Tel-Aviv, en de Rossiyskiy Bank in Moskou.

Of al die gegevens waar zijn, weten we niet. Maar het vertelt wel iets over het soort bedragen dat zich in het Soevereine Fonds bevindt, over het omkopen van politici, en over hoe de Congolese elite zich als een vis in het water voelt in het internationale bankwezen. Het laat hen perfect toe hun cash in veiligheid te brengen. Of beter: hem te verstoppen als een naald in een hooiberg.

Vergaan in een waas van bankbiljetten

Of de beschuldigingen aan het adres van AKM kloppen, zullen we wellicht nooit weten. De man liet immers in februari 2012 het leven bij een vliegtuigongeval in Bukavu. Dat hij de Raspoetin van het regime was, lijdt geen twijfel. Hoewel hij geen minister was, beheerde hij alle grote economische dossiers. Dat zo’n functie loonde, kan je zien in Pweto, het geboortestadje van AKM, in Noord-Katanga aan de grens met Zambia.

Pweto draagt de sporen van ’s mans rijkdom en macht. Het stadje, dat vroeger moeilijk bereikbaar was, staat nu op de wereldkaart door de aanleg van een luchthaven die de naam van zijn weldoener Mwanke draagt. Hoewel het land lijdt onder een chronisch gebrek aan elektriciteit, wordt Pweto niet alleen bediend door een speciale lijn vanuit Zambia, maar tevens door een waterkrachtcentrale op de Congolese rivier Lulua. Vallen verder op: de vele private jets (grote cargo’s en kleine passagierstypes), de tientallen zeer luxueuze huizen, een viersterrenhotel, en… een villa à la Beverly Hills –de fameuze LESA-residentie van Katumba Mwanke met een grote centrale trap naar de salons binnen en buiten. De residentie heeft ook een tuin aan het strand van het Moeromeer. In Pweto is Katumba Mwanka alomtegenwoordig als barmhartige samaritaan. De bordjes met ‘Don de l’honorable Mwanke’ zijn niet van de lucht.

De Banque Internationale de Credit heeft in deze uithoek een agentschap geopend. ‘Dit kantoor is er niet voor de lokale inwoners, die erg arm blijven’, zegt de kantoorhouder. ‘Wel voor de gebruikers van bankkaarten die van overal ter wereld kwamen om te praten met Katumba Mwanke.’

Een van de zakenmensen die het meest naar Pweto afzakten, is de Israeliër Dan Gertler. Dat zegt een chauffeur van Katumba Mwanke in Pweto. ‘De patron noemde hem Dany. Zijn jet kwam meerdere keren per week. Ik ging hem telkens oppikken op de luchthaven. Zijn bezoeken waren niet geprogrammeerd. Hij was hier echt thuis. Hij gaf ons geld, veel geld, duizend keer meer dan mijn salaris.’

Over de dood van Katumba Mwanke doen wilde verhalen de ronde. Een versie die dikwijls terugkeert, gaat over de dollarbiljetten die in het rond vlogen op het moment van de vliegtuigcrash. Naar verluidt was AKM op weg om de farm van Bertrand Bisengimana te kopen op het eiland Idjwi in het Kivumeer. Een verkoop die kennelijk cash zou worden betaald. Het verhaal draagt bij tot de duistere mythevorming rond Katumba Mwanka. Zeker is dat na Katumba’s dood anderen zijn beginnen manoeuvreren om zijn schimmige maar lucratieve positie in te nemen. Er zijn immers weinig tekenen dat het systeem snel grondig zal veranderen.

Dit dossier kwam tot stand met de steun van het Fonds Pascal Decroos voor Bijzondere Journalistiek.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 2751   proMO*’s steunen ons vandaag al.

Word proMO* of Doe een gift