Hoe omvangrijk is de braindrain?

Het is niet eenvoudig de juiste omvang van de braindrain in de wereld te ramen. Er zijn geen universele afspraken voor het registreren van internationale migraties. De landen van herkomst of bronlanden houden meestal wel de brutocijfers van het aantal vertrekkers bij, maar besteden weinig aandacht aan kenmerken zoals het opleidingsniveau. Sommige vestigingslanden of onthaallanden registreren die kenmerken wel, maar gebruiken dan weer uiteenlopende definities. Dat is vooral het geval in Europa en hierdoor kennen alle studies over Europa grote gebreken. De gegevens voor de Verenigde Staten zijn betrouwbaarder. En tenslotte zijn er slechts sinds een tiental jaren min of meer betrouwbare technieken om globale ramingen te maken van het opleidingsniveau van de beroepsbevolking in de ontwikkelingslanden.
In een studie voor het Internationaal Monetair Fonds(1) werd de omvang van de braindrain geschat. Het resultaat is zeker niet perfect maar vergroot wel aanzienlijk onze kennis over de braindrain. Men zou kunnen spreken over de ‘minst slechte raming’ die voorhanden is, zelfs al hebben de cijfers betrekking op 1990, en zijn het ramingen die slechts algemene tendensen aangeven. Enige uitleg bij de methodologie is verhelderend om de grenzen van deze studie aan te geven.

De auteurs onderzoeken de migraties uit 61 landen die samen 70 procent van de bevolking van de ontwikkelingslanden uitmaken. Het is spijtig dat o.a. Nigeria en Marokko ontbreken, evenals de stromen tussen de landen van het Zuiden zelf. Daardoor zijn er geen gegevens voor de migraties van Zuid-Azië naar de Golfstaten en naar het Midden- Oosten en voor de migraties naar enkele landen van Zuidoost-Azië. Zo zou Singapore 300.000 immigranten tellen, d.w.z. 20 procent van zijn beroepsbevolking, en is Thailand naast een belangrijk emigratieland ook een belangrijk gastland voor 600.000 migranten. Er is ook geen informatie over de braindrain uit de landen van de vroegere Sovjet-Unie en Midden- en Oost-Europa.

Er werd in twee stappen gewerkt. Eerst werden de resultaten van de volkstelling van 1990 gebruikt om de braindrain naar de Verenigde Staten te ramen. Daarna werden schattingen opgesteld van de braindrain naar de andere lidstaten van de OESO ( Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling). Daartoe gebruikte men de cijfers van het SOPEMI, het Système d’Observation Permanente des Migrations van de OESO. Deze cijfers zijn redelijk betrouwbaar voor de Verenigde Staten, d.w.z. voor 54 procent van de migraties naar de landen van de OESO vanuit de 61 ontwikkelingslanden. Voor de andere landen van de OESO zijn ze minder precies.

De gegevens van de volkstelling in de Verenigde Staten laten toe na te gaan of de persoon in het buitenland geboren is, en hoeveel jaren opleiding gevolgd werden. Men weet evenwel niet of deze opleiding geheel of gedeeltelijk in het bronland of land van herkomst gevolgd werd. Er werd enkel rekening gehouden met personen boven de 25 jaar en ouder. De migranten werden in drie opleidingscategorieën verdeeld: een primaire of basisopleiding, met 0 tot 8 jaar scholing; een secundaire opleiding, met 9 tot 12 jaar opleiding; een tertiaire of hogere opleiding, met 13 of meer jaren opleiding. Er werd geen rekening gehouden met personen die op het ogenblik van de telling nog hoger onderwijs in de Verenigde Staten volgden. Deze procedure geeft dus voor 61 landen het aantal migranten in de Verenigde Staten in 1990, verdeeld over de drie opleidingscategorieën. Deze aantallen kunnen dan voor elk land uit het Zuiden vergeleken worden met het totaal aantal (de stock of voorraad) inwoners in deze drie opleidingscategorieën. Deze techniek bestaat sinds een tiental jaren en maakt gebruik van de demografische jaarboeken van de Verenigde Naties. Men kan dan voor elk ontwikkelingsland het percentage hoogopgeleiden schatten dat in de Verenigde Staten verblijft.

In de Verenigde Staten levert de volkstelling informatie over het bereikte opleidingsniveau van de immigranten. In de andere lidstaten van de OESO is die informatie niet of nauwelijks beschikbaar. Daarom werd het opleidingsniveau dat in de Verenigde Staten vastgesteld werd, geëxtrapoleerd voor de ganse OESO. Dat leidt soms tot onwaarschijnlijke resultaten, omdat bv. het relatief hoge opleidingsniveau van de kleine aantallen immigranten uit Algerije of Turkije in de Verenigde Staten wordt toegepast op West-Europa, terwijl we uit ervaring weten dat immigranten uit die twee landen die in Europa verblijven, meestal lager geschoold zijn.

We moeten nog vermelden dat de aantallen uit de studie van het IMF ver afwijken van andere en meer globale schattingen van het aantal migranten op wereldvlak. In een recent boek voor de Internationale Arbeidsorganisatie geeft Peter Stalker (2) een getal van 120 miljoen, maar daarbij gaat het om migranten en vluchtelingen samen. Van die 120 miljoen bevinden er zich 54 miljoen in de geïndustrialiseerde landen en 66 miljoen in de ontwikkelingslanden. Het cijfer van 54 miljoen heeft betrekking op de lidstaten van de OESO en de landen van de vroegere Sovjet-Unie. De studie van het IMF identificeert 13 miljoen migranten in de landen van de OESO, en dat is heel wat minder dan de 54 miljoen van Stalker. Het verschil is zeker voor het grootste deel te verklaren door het ontbreken van cijfers voor belangrijke bronlanden (zie hoger) en door het feit dat enkel migranten boven de 25 jaar in aanmerking genomenworden om de braindrain te ramen. Dit alles bevestigt nogmaals dat de ramingen van het IMF een ondergrens aangeven.

DE HERSENVLUCHT NAAR DE VERENIGDE STATEN

In 1990 werden in de Verenigde Staten bijna 7 miljoen immigranten uit 61 ontwikkelingslanden geïdentificeerd.

Tabel 1:

regio van herkomst met een basisopleiding met een middelbare opleiding met tertiaire of hogere opleiding totaal in 1990
Azië en de Stille Oceaan 95.320 818.860 1.462.177 2.376.277
Afrika 2.060 30.640 95.153 127.853
Midden-Amerika en de Caraïben 436.420 2.677.420 647.244 3.761.084
Zuid-Amerika 16.320 314.780 284.904 614.004
Totaal in 1990 550.120 3.841.700 2.489.478 6.881.298
8% 56% 36% 100%



Een eerste vaststelling is, dat migranten met enkel een basisopleiding slechts acht procent van de migrantenbevolking in de Verenigde Staten uitmaken. De gebruikte methodologie leidde waarschijnlijk wel tot een onderschatting van deze groep: de volkstelling mist heel wat mensen die geen Engels spreken en vanzelfsprekend ook de illegalen, van wie wordt aangenomen dat er daaronder veel meer laagopgeleiden zijn. Maar zelfs als we daarmee rekening houden, maken de lagergeschoolden niet veel meer dan 10 procent van de migrantenbevolking uit. Dit is een aanwijzing dat het immigratiebeleid met een zeker succes de opgeleiden selecteert. Het rekruteringsgebied voor migranten met een basisopleiding ligt in Midden-Amerika en de Caraïben. De voornaamste bronlanden voor lagergeschoolden zijn Mexico (369.000), China (48.000), El Salvador (30.000) en de Dominicaanse Republiek (13.000).

Een tweede vaststelling is dat de 3,8 miljoen immigranten met een secundaire opleiding, 56 procent van de migrantenbevolking vormen. De vijf grootste bronlanden zijn Mexico met meer dan 2 miljoen, de Filippijnen met bijna 225.000 personen, China met 191.000 personen, El Salvador met 189.000 personen en Korea met 163.000 personen.

Een derde vaststelling is, dat er in de Verenigde Staten minstens 2,5 miljoen migranten met een hogere opleiding verblijven. Deze groep vormt meer dan één derde van alle migranten. De tien voornaamste bronlanden zijn: de Filippijnen (493.000), Mexico (347.000), India (228.000), Korea (201.000), China (166.000), Taiwan (118.000), Iran (106.000), Jamaica (67.000), Colombia (64.000) en El Salvador (44.000). Azië is zowel in absolute cijfers als relatief de voornaamste leverancier met bijna 1,5 miljoen hogeropgeleiden, d.i. 62 procent van alle migranten uit Azië. Het is opvallend dat Afrika voor de Verenigde Staten slechts een bescheiden bron van talent is, maar dat de immigranten uit dat continent wel voor 74 procent hoogopgeleiden zijn.

Bijlage 1 bevat een raming van het aantal immigranten boven de 25 jaar in de Verenigde Staten in 1990, volgens het land van herkomst (beperkt tot 61 ontwikkelingslanden).

HOE BELANGRIJK IS VOOR DE ONTWIKKELINGSLANDEN HET VERLIES VAN HOOGOPGELEIDEN AAN DE VERENIGDE STATEN?

Om de omvang van de hersenvlucht vanuit de ontwikkelingslanden naar de Verenigde Staten te beoordelen, moet op twee vragen geantwoord worden: hoe groot is de uitstroom van arbeidskrachten naar de Verenigde Staten, in vergelijking met het totale aantal arbeidskrachten in het ontwikkelingsland? Hoe groot is de uitstroom van hoger opgeleiden, in vergelijking met het aantal arbeidskrachten met een hogere opleiding?

Voor de meeste landen blijft de totale uitstroom van arbeidskrachten naar de Verenigde Staten beneden de 2 procent. Een uitzondering hierop vormen Mexico, dat bijna 8 procent van zijn arbeidskrachten in de Verenigde Staten heeft, alle landen van MiddenAmerika en de Caraïben (met uitschieters zoals El Salvador en Jamaica boven de tien procent!) en daarbuiten nog de Filippijnen en Guyana. Globaal genomen blijft het vertrek van arbeidskrachten in de meeste bronlanden dus beperkt. Voor de landen waar de uitstroom wel aanzienlijk is, betekent dit wellicht nog geen echte rem op de economische ontwikkeling, gezien de grote bevolkingsaantallen (Mexico en de Filippijnen) en het overschot aan laagproductieve arbeidskrachten in de landbouw in die landen. Maar misschien ligt de situatie anders in kleine landen zoals El Salvador, Jamaica en Guyana, waar meer dan 10 procent van het totaal aantal arbeidskrachten naar de Verenigde Staten vertrokken is.

We krijgen echter een heel ander beeld als we de uitstroom van hogeropgeleiden bekijken. Migranten naar de Verenigde Staten hebben een hoger opleidingsniveau dan het gemiddelde in het land van herkomst en de vertrekkers vertegenwoordigen in vele landen een aanzienlijk deel van de bevolking met een hogere opleiding. Vanuit landen zoals Colombia, de Filippijnen, Korea, Maleisië en Taiwan, vertrokken tussen de vijf en tien procent van de hogeropgeleiden in de Verenigde Staten. Voor Mexico, Iran, enkele Afrikaanse landen zoals Kenia en Oeganda en Midden-Amerikaanse landen zoals de Dominicaanse Republiek, Guatemala en Honduras ligt het overeenkomstig percentage tussen de tien en twintig. En voor andere Midden Amerikaanse landen zoals El Salvador, Nicaragua en Panama en voor Guyana en Jamaica ligt het aandeel zelfs boven de twintig procent.

Vooral voor kleinere landen is de migratie naar de Verenigde Staten een probleem. Grotere landen schijnen daaronder minder te lijden, zelfs als ze zoals India (minstens één procent van zijn beroepsbevolking) en Korea en de Filippijnen (6 tot 7 procent) een relatief belangrijke migratie naar de Verenigde Staten kennen. Het “verlies” van hogeropgeleiden wordt in deze landen blijkbaar gecompenseerd, hetzij omdat het onderwijssysteem genoeg hoger opgeleiden aflevert, hetzij omdat er andere compensatiemechanismen optreden.

Tabel 2: Percentage van de hogeropgeleiden dat permanent in de Verenigde Staten verblijft (ondergrens van de ramingen)

LAND PERCENTAGE
China, India, Indonesië, Thailand, Turkije, Tunesië, Argentinië, Brazilië en Venezuela minder dan 2%
Korea, Maleisië, Pakistan, Sri Lanka, Taiwan, Egypte, Kenia, Costa Rica, Chili, Colombia, Ecuador, Peru en Uruguay tussen 2 en 10%
Iran, Ghana, Oeganda, Dominicaanse Republiek, Guatemala, Honduras, Mexico, Nicaragua en Panama tussen 10 en 20%
Gambia (59%), El Salvador (26%), Jamaica (67%), Trinidad (57%) en Guyana (77%) meer dan 20%



BRAINDRAIN VANUIT DE ONTWIKKELINGSLANDEN NAAR DE ANDERE LIDSTATEN VAN DE OESO

Tekorten in het bestaande statistisch materiaal maken deze oefening moeilijker dan voor de Verenigde Staten. Zo bevat SOPEMI, het rapporteringssysteem van de OESO, geen informatie over het opleidingsniveau van de immigranten. Voor de Verenigde Staten haalt men die informatie uit de gegevens van de tienjaarlijkse volkstellingen. In de studie van het IMF werd daarom verondersteld dat het opleidingsniveau van de instroom in de Verenigde Staten en in de andere lidstaten van de OESO gelijk is. Deze veronderstelling is voor heel wat bronlanden aannemelijk, maar zeker niet voor alle landen. Zo bevat de (beperkte) stroom vanuit Senegal, Turkije en Tunesië naar de Verenigde Staten relatief veel hoogopgeleiden. Maar naar de andere landen van de OESO en vooral naar Europa is dat zeker niet het geval. Daarom hebben we de ramingen voor bepaalde landen niet overgenomen.

Een tweede probleem met de cijfers van de OESO, de Verenigde Staten uitgezonderd, ligt in de gebruikte definitie. Voor Australië, Canada en de Verenigde Staten is een migrant iemand die in het buitenland geboren is uit ouders die niet de nationaliteit van het vestigingsland hebben. De Europese lidstaten van de OESO baseren zich meer op de etnische afkomst van de ouders.

Een derde moeilijkheid is, dat de cijfers van SOPEMI geen onderscheid maken volgens de leeftijd, tussen min en plus vijfentwintigjarigen.

Tenslotte geeft SOPEMI voor de gastlanden slechts aantallen voor de vijf of tien belangrijkste bronlanden. Een voorbeeld: voor Canada zijn er wel cijfers voor het aantal migranten uit China of Mexico, twee landen die grote aantallen emigranten naar Canada zien vertrekken, en dus in de toptien zitten, maar er zijn geen cijfers voor het aantal migranten uit El Salvador of Jamaica, vanwaaruit kleinere aantallen mensen naar Canada trekken. Maar voor een klein land kan een beperkte uitstroom in absolute cijfers toch relatief belangrijk zijn. Het gevolg is dat de cijfers van SOPEMI voor kleinere bronlanden tot een serieuze onderschatting van het belang van de migratie in het algemeen en van de braindrain in het bijzonder leiden.

In 1990 verbleven er minstens 1,5 miljoen hooggeschoolde migranten in de lidstaten van de OESO, zonder de Verenigde Staten. In bijlage 2 vindt men ramingen voor een aantal belangrijke bronlanden. Het getal van 1,5 miljoen is om de eerder genoemde redenen een onderschatting. Azië is ook hier de belangrijkste leverancier, met meer dan één miljoen hogeropgeleiden. De zes voornaamste bronlanden zijn India met 291.000 personen, Korea met 210.000 personen, de Filippijnen met 196.000 personen, China met 153.000 personen, Iran met 101.000 personen en Pakistan met 67.000 personen.

Vanuit Azië vertrekt het intellect zowel naar Europa (het Verenigd Koninkrijk voor Indiërs en Filippino’s en Duitsland voor mensen uit Iran) als naar Australië en Canada. Vanuit Afrika is er nogal wat migratie van intellect vanuit Egypte, Ghana en Zuid-Afrika, en dit vermoedelijk voor een groot deel naar het Verenigd Koninkrijk. Er leven ook minstens 100.000 hoogopgeleide Latijns-Amerikanen in West-Europa, voornamelijk uit Argentinië, Brazilië en Chili, en nog een aanzienlijk aantal hoogopgeleide Jamaïcanen in Canada en het Verenigd Koninkrijk. Omdat enkele belangrijke Afrikaanse bronlanden niet in de studie van het IMF opgenomen zijn, verschijnt Frankrijk niet in beeld als gastland. In tabel 3 werd het ‘verlies’ aan intellect, uitgedrukt als een percentage van het aantal hoogopgeleiden in het bronland, weergegeven.

Tabel 3: Percentage van de hoogopgeleiden uit enkele ontwikkelingslanden dat in de lidstaten van de OESO verblijft, andere dan de Verenigde Staten (ondergrens van de ramingen).

LAND PERCENTAGE
China, India, Bangladesh, Argentinië, Brazilië, Uruguay 1 tot 2%
Pakistan, Filippijnen, Egypte, Chili 2 tot 5%
Iran (9%) en Korea (9,2%) 5 tot 10%



ENKELE BESLUITEN EN EEN VOORUITBLIK

Het leidt geen twijfel, dat er de voorbije 40/50 jaar een aanzienlijke migratie van intellect van de ontwikkelingslanden naar de hoge-inkomenslanden van de OESO geweest is. De raming van het IMF levert een totaal van minstens 4 miljoen personen in 1990: 2,5 miljoen in de Verenigde Staten en minstens 1,5 miljoen in de andere landen van de OESO. Aangezien het om een minimale schatting ging en we nu tien jaar verder zijn, is het niet onwaarschijnlijk dat we over vijf tot zes miljoen hoogopgeleide arbeidskrachten uit de ontwikkelingslanden mogen spreken, die nu in de landen van de OESO bijdragen tot de economische ontwikkeling en de vooruitgang van kennis en technologie.

In de literatuur wordt dikwijls de nadruk gelegd op de baten voor de hoogontwikkelde landen en de kosten voor de ontwikkelingslanden. De UNESCO raamt de kosten voor de opleiding van de 90.000 hooggeschoolden die in 1990 naar de Verenigde Staten kwamen, op 640 miljoen dollar. Dat zijn uitgaven die niet door de Verenigde Staten gedaan moesten worden. Dezelfde studie raamt het aantal arbeidskrachten in de Verenigde Staten met een wetenschappelijke opleiding of een ingenieursdiploma op 12 miljoen. Daarvan zijn er één miljoen geboren in een ontwikkelingsland en zijn er in totaal 1,4 miljoen van niet-Amerikaanse afkomst. Hoe hoger het opleidingsniveau van de arbeidskrachten in de Verenigde Staten, hoe hoger het percentage dat niet in de Verenigde Staten geboren is. Bij de arbeidskrachten met een doctoraatsdiploma is procent van vreemde afkomst, bij de hoogopgeleiden in engineering of informatietechnologie is dat zelfs 40 procent.

In het wetenschappelijk onderzoek en het ontwikkelingswerk (R&D) zouden in de ‘triade’ van de Verenigde Staten, Europa en Japan, ongeveer 400.000 onderzoekers uit de ontwikkelingslanden tewerkgesteld zijn, terwijl er in de ontwikkelingslanden zelfs slechts 1,2 miljoen aan het werk zijn. Noch steeds volgens de UNESCO is de productiviteit van deze ‘expatriates’ in de landen van de OESO veel hoger dan de productiviteit van de ‘achtergebleven’ onderzoekers in de ontwikkelingslanden. Omdat ze in de landen van de OESO over meer middelen en een groter netwerk beschikken, ligt de productiviteit 4,5 keer hoger in termen van publicaties en 10 keer hoger in termen van aangevraagde patenten (4).

Voor Europa wijst econometrisch onderzoek (5) uit, dat de migraties van geschoolde mensen uit Midden- en Oost-Europa naar West-Europa en voornamelijk naar Duitsland, voor de vestigingslanden een positief effect hadden.

Er zijn veel aanwijzingen voor de stelling dat in Afrika en de kleinere landen van Midden-Amerika en de Caraïben de negatieve effecten van migratie van het intellect groter zijn dan de baten. Afrika verliest jaarlijks minstens 20.000 professionals (dokters, ingenieurs, wetenschappelijk personeel enz), en in geldtermen wordt dat verlies geschat op 20.000 dollar per persoon. Ze moeten dikwijls vervangen worden door buitenlandse ‘ontwikkelingswerkers’. Daarvan werken er naar schatting 100.000 in Afrika en ze kosten in totaal ongeveer 4 miljard dollar per jaar, d.i. een derde van de totale publieke ontwikkelingshulp aan Afrika.

Wat mogen we de volgende jaren verwachten? Men moet zich om te beginnen realiseren dat de migraties naar de landen van de OESO niet stilgevallen zijn, niet naar de ‘klassieke’ immigratielanden zoals de Verenigde Staten, Australië en Canada, maar ook niet naar de Europese Unie, dat feitelijk wel een immigratiezone is, maar het niet wil gezegd hebben. Zie hiervoor tabel 3 (6).

Tabel 4: Migratiestromen naar de Verenigde Staten, Australië, Canada en de Europese Unie in de jaren 1990 - alle vormen van migratie, dus ook familiehereniging en vluchtelingen.

1991 1994 1997
Europese Unie 627.000 455.000 630.000
Canada n.b. 224.000 216.000
Australië 126.000 76.000 n.b.
Verenigde Staten 1.500.000 804.000 799.000



Verder probeert men het immigratiebeleid selectiever te maken en meer te richten op hoger geschoolden. In Australië waren in de jaren 1995/2000 tussen de 40 en de 50 procent van de nieuwkomers hooggeschoold, in Canada lag het overeenkomstig percentage tussen de 30 en 40. In de Verenigde Staten is het percentage hooggeschoolden onder de nieuwkomers met 20 tot 25 procent wel lager maar werden de voorbije jaren bijkomende quota voorzien voor hooggeschoolde professionals.

Ook in de lidstaten van de Europese Unie wordt voorgesteld om een einde te stellen aan de (theoretische!) migratiestop en geleidelijk over te gaan naar een selectief migratiebeleid, dat gericht is op het aantrekken van hogergeschoolden. In een persmededeling van de Europese Commissie (15 februari 2001) wordt gezegd dat Europa het slachtoffer is van zijn eigen succes. De hoge economische groei en de ontwikkeling van de kennismaatschappij vergroten de behoefte aan hoogopgeleide specialisten. In de informatie- en communicatietechnologie zou er een tekort dreigen van 1,7 miljoen arbeidskrachten.

Het secretariaat van de OESO (in het SOPEMI-rapport 2000) meent een algemene trend te bespeuren. Het aantal internationale migraties begon na 1997 weer te stijgen en het politiek debat over het migratiebeleid krijgt een bredere dimensie. Er wordt niet alleen meer gesproken over controle op de migratiestromen en strijd tegen de illegale migratie. Men ziet nu ook een rol voor de migraties in het matigen van de effecten van de vergrijzing van de bevolking en in het matigen of wegwerken van tekorten aan geschoolde en hooggeschoolde arbeidskrachten (7).

Ook in Vlaanderen merken we sinds 1997 een stijging van het aantal hooggeschoolde immigranten (8). Het aantal arbeidskaarten B evolueert min of meer gelijk opgaand met de economische conjunctuur, maar er worden meer arbeidskaarten toegekend aan twee groepen: hooggeschoolden en leidinggevend personeel en wetenschappelijk onderzoekers en gasthoogleraren. Het aantal evolueerde van 1.823 in 1997 over 2.126 in 1998 (plus 16 procent) tot 2.931 in 1999 (plus 37 procent). In 1999 ging 54 procent van het aantal afgeleverde arbeidskaarten B naar leidinggevenden (vooral uit Japan en de Verenigde Staten) en informatici (vooral uit India). De criteria om tot deze groepen gerekend te worden, zijn soepel: minstens een diploma van het secundair onderwijs en een bruto jaarloon van minstens 1.147.000 frank. De maximumverblijfsduur is vier jaar en de persoon bouwt geen rechten op voor een permanent verblijf (arbeidskaart A).

In het perspectief van deze nieuwe ontwikkelingen in de hoogontwikkelde landen, krijgt het vraagstuk van de braindrain een nieuw belang. In Europa was het migratiebeleid tot nu toe niet echt selectief, maar als dat in de toekomst zou veranderen, moet de vraag naar de effecten op de bronlanden (Oost-Europa en Rusland? welke ontwikkelingslanden?) en naar een redelijke verdeling van kosten en baten opnieuw gesteld worden.

Emiel Vervliet is hoofdredacteur van het NoordZuid Cahier.

LITERATUUR

1.WILLIAM J. CARRINGTON, ENRICA DETRAGIACHE, How big is the Brain Drain? International Monetary Fund, Working Paper WP/98/102 van juli 1998. Een samenvatting van deze studie verscheen in Finance & Development van juni 1999

2.PETER STALKER, Workers without frontiers - The impact of globalization on international migration, International Labour Office (Geneva) en Lynne Riener Publishers (Boulder-Colorado en Londen), 2000

3J. MEYER en M. BROWN, Scientific Diaspora - A new approach to the Brain Drain, UNESCO, Wereldconferentie over de wetenschap, Boedapest, juni 1999

4.XX, ‘Brain Gain’ - A cost-effective UNDP-Programma, The Courrier (Lomé Convention), september-october 1996, blz. 61-62

5.THOMAS STRAUBHAAR en MARTIN WOLBURG, Brain Drain and Brain Gain in Europe - An evaluation of the East European Migration to Germany, University of California (San Diego), februari 1998

6.geciteerd in PATRICK LOOBUYCK, Vreemdelingen over de werkvloer - het debat over arbeidsmigratie en de migratiestop in kaart, Academia Press, Gent, 2001, blz. 134-179

7.JOHAN LEMAN, Aanvullingsmigratie in België aanvang 21ste eeuw, Ward Leemans lezing, Katholieke Hogeschool Leuven, 26 april 2001

8.Zie het jaarverslag 2000 van de Vlaamse administratie voor werkgelegenheid m.n. voor wat betreft het afleveren van nieuwe arbeidskaarten aan buitenlanders.

Maak MO* mee mogelijk.

Word proMO* net als 3195   andere lezers en maak MO* mee mogelijk. Zo blijven al onze verhalen gratis online beschikbaar voor iédereen.

Ik word proMO*    Ik doe liever een gift