Hoge bomen vangen veel wind

Hoge bomen vangen veel wind en over een gebrek aan tegenwind kan het Internationaal Monetair Fonds de voorbije jaren zeker niet klagen. Enkel de Wereldhandelsorganisatie kan nog met het fonds wedijveren om de titel van meest bekritiseerde internationale instelling ter wereld. De kritiek komt niet meer alleen van radicale actiegroepen, NGOs of vakbonden. Economen met een wereldreputatie hebben het fonds zelf of bepaalde aspecten van zijn werking onder vuur genomen. De bekendste onder hen is Joseph Stiglitz, tot voor kort hoofdeconoom bij de Wereldbank en Nobelprijswinnaar Economie in 2001.
Na deze inleiding volgen drie cases: Argentinië in 2000-2003, de Aziatische financiële crisis van 1997-1998 en de afwikkeling van de privatiseringen in Rusland in de jaren 1990.
Die analyses konden niet anders dan kort zijn en er is dus kritiek mogelijk op de selectie van de feiten. Maar ze illustreren wel de verschillende verwijten die aan het IMF gericht worden. We kunnen drie soorten kritieken onderscheiden. Ten eerste wordt het fonds verweten dat het een gesloten en ondemocratische instelling is die op autoritaire wijze economische hervormingen als voorwaarde stelt voor haar leningen, en die daarover enkel een pro forma dialoog aanvaardt. De titel van het cahier verwijst hiernaar en de bijdragen van Rudy De Meyer en Ronald Janssen maken duidelijk hoe het IMF communiceert met vakbonden en NGOs.
Ten tweede zouden de economische adviezen van het IMF een bijna fundamentalistisch geloof in de absoluut vrije markt verraden. Dikwijls worden het IMF en de Washington Consensus in één adem vernoemd. In dit cahier gaan we na welke betekenis de academische vader van de Washington Consensus oorspronkelijk voor ogen had en welke eenzijdige interpretatie het fonds (en andere neoliberale instellingen en economen) hieraan hebben gegeven.
En ten derde zou het fonds weinig of geen aandacht hebben voor de sociale gevolgen van zijn eisen en de armoede in de hand werken. In dit cahier blijft de rol van het IMF in de armoedebestrijding grotendeels onbesproken. Het fonds heeft wel zijn (gehate) Structurele Aanpassingsprogramma’s omgedoopt tot programma’s ter bestrijding van de armoede. In hoeverre dat ook leidt tot een andere praktijk, wordt in 2004 één van de thema’s van een NoordZuid Cahier over armoedebestrijding.
De artikelen in dit cahier gaan vooral over de twee andere aspecten, die overigens nauw met elkaar verbonden zijn. Een gebrek aan openheid en steun bij de bevolking van de hulpvragende landen doet veel economische hervormingen mislukken. En voor eenzijdige en betwistbare hervormingen zal weinig begrip te vinden zijn.
De kritieken op de economische grondslag van de adviezen van het IMF zijn legio. De steun aan de koppeling van de peso aan de dollar in Argentinië stuurde de rentevoeten de hoogte in en verstikte verbruik, investeringen en uitvoer. In Azië waren de beperking van de overheidsuitgaven (er waren vrijwel geen tekorten) en de openstelling van het financieel systeem voor buitenlands kapitaal overbodig en zelfs gevaarlijk. De privatiseringen in Rusland werden doorgevoerd zonder aangepaste regulerende overheidsinstellingen, met een grootschalige roof van de nationale rijkdommen tot gevolg. Danny Cassimon en Filip Meheus schetsen de rol van het fonds bij de keuze van wisselkoersregimes en bij de preventie van financiële crisissen.
De externe druk heeft geleid tot een zekere koerswijziging binnen het IMF. Uit interne evaluaties en rapporten van de eigen IMF-economen blijkt enige twijfel aan het eigen groot gelijk. Zij geven toe dat een rechtstreeks verband tussen het openstellen van de kapitaalmarkt en hogere economische groei niet bewezen is en dat liberalisering in ontwikkelingslanden kan leiden tot grotere economische instabiliteit. Het fonds spreekt nu over ‘eigenaarschap’ van de hervormingen, wat laat vermoeden dat het meer dialoog wil met regeringen en de bevolking. In 2001 werd een nieuwe aanpak van het voorwaardenbeleid op papier gezet. John Vandaele heeft de Belgische bestuurders bij IMF om commentaar gevraagd bij deze koerswijziging.
Leidt dat tot een nieuw IMF of gaat het alleen om oppervlakkige rimpelbestrijding? Het artikel van Vivien Collingwood is een eerste evaluatie van de ‘nieuwe conditionaliteit’. De praktijk van de volgende jaren zal uitwijzen in hoeverre het IMF veranderd is en meer oren heeft naar de buitenwereld. Het is zeker dat het IMF een beslissende invloed zal blijven hebben. Dit cahier wil de lezers de instrumenten aanreiken om het debat met kennis van zaken te volgen.

Argentinië - Hoe een sterke munt een land zwak kan maken (T4)


2003 is voor Argentinië het vijfde opeenvolgende crisisjaar. In 2002 kromp de economie met 16 procent en stegen de prijzen met 140 procent. Officieel is 18 procent van de bevolking werkloos en er zijn aanwijzingen dat de helft van de bevolking rond of onder de armoedegrens leeft. Het banksysteem is een ruïne. Door de inflatie smolt de waarde van het spaargeld weg als de spreekwoordelijke sneeuw voor de zon. De buitenlandse schuld bedraagt nu minstens 140 miljard dollar, dubbel zoveel als het bruto nationaal inkomen van één jaar. Twee derde van die schuld is publieke schuld. Hoe kon het zover komen?
In 1910 behoorde Argentinië tot de tien rijkste landen ter wereld, met een gemiddeld inkomen dat slechts twintig procent beneden dat in de Verenigde Staten lag. Maar vanaf de jaren 1930 speelden de Europese invoerbelastingen op graan en vlees het land parten. De terugval in de landbouwproductie werd niet gecompenseerd door industriële ontwikkeling. Het peronisme (1946-1955) was geen oplossing. Als gevolg van de massale en weinig doordachte nationalisering van buitenlandse bedrijven smolten de deviezenreserves weg en een veel te omvangrijk overheidsapparaat zorgde voor permanente begrotingstekorten. De militaire dictatuur van de jaren 1976-1983 bracht nog minder heil en veroorzaakte enkel nog meer inflatie en een groeiende buitenlandse schuld.
In het begin van de jaren 1990 leek het tij te keren. Met de steun van het IMF werd eerst de inflatie aangepakt. Argentinië koos in 1991 voor een muntraad: de pariteit van de peso tegenover de dollar (1 peso = 1 dollar) werd in de grondwet vastgelegd en de centrale bank moest voor elke peso in omloop één dollar in reserve houden. Argentinië gaf hierdoor de controle over zijn monetair beleid en over de wisselkoers van de peso op, en vertrouwde op de kracht van de dollar om zijn eigen inflatie te bedwingen.
Op deze radicale munthervorming volgde aanvankelijk een opmerkelijk economisch herstel. De inflatie daalde van 3.000 procent in 1989 tot minder dan tien procent in 1993. De productie steeg in 1992-1994 elk jaar met acht procent en het buitenlands kapitaal stroomde vlot binnen.
Maar er waren ook schaduwzijden. De overheid bleef begrotingstekorten opstapelen en de liberalisering van de handel werd halfslachtig doorgevoerd. De instroom van buitenlands kapitaal werd door het banksysteem in overdreven kredietverlening omgezet. Vanaf 1994 daalde in het buitenland het vertrouwen in de Argentijnse economie. Minder hoge groeivooruitzichten, de blijvende begrotingsperikelen en de stijging van de rentevoeten op de internationale kapitaalmarkt waren de voornaamste oorzaken. De koppeling van de peso aan de dollar had twee negatieve gevolgen De interesten stegen en dat verstikte de economie: investeringen en verbruik bleven achter. De peso steeg in waarde tegenover de munten van de Latijns-Amerikaanse handelspartners: een overgewaardeerde munt remt de uitvoer af. Dat alles leidde tot economische stagnatie, verdere tekorten op de begroting en op de betalingsbalans en een buitenlandse schuld die op langere termijn onhoudbaar werd. Een daling van de wisselkoers van de peso had de uitvoer kunnen bevorderen en aldus voor economische ademruimte kunnen zorgen. Maar dat was met de muntraad niet mogelijk.
In 1995 kwam het IMF met verschillende hulppakketten. Het bleef bij zijn eis om de begrotingstekorten te beperken en er werd ook niet openlijk aangestuurd op een waardedaling van de peso. Het vertrouwen van de ‘financiële markten’ werd natuurlijk nog kleiner na het begin van de financiële crisis in Azië in juli 1997. Men dacht dat na Azië ook Latijns-Amerika en Rusland zouden wankelen. Het bleek een selffullfilling prophecy: als iedereen denkt dat een land in de problemen gaat komen, de investeerders hun geld terugtrekken en de banken minder leningen toestaan of de rente verhogen, dan komt een land inderdaad in moeilijkheden. Op het einde van 2001 zegde het IMF zijn steun op. Argentinië moest de betaling van zijn buitenlandse schuld stopzetten en de muntraad opgeven. De waarde van de peso daalde spectaculair, het banksysteem kapseisde, inflatie en massale verarming volgden.
De kritiek op het beleid van het IMF tegenover Argentinië is vooral gericht op twee punten:
1.de koppeling van de peso aan de dollar, om via een sterke nationale munt de inflatie uit te bannen. Argentinië verloor hierdoor zijn concurrentievermogen. Een munt kan ook te sterk zijn! Het behoud van de koppeling was wel goed voor de buitenlandse investeerders. Hoe langer de pariteit peso/dollar behouden bleef, hoe kleiner het risico voor de buitenlandse beleggers. De tussenkomsten van het IMF dienden daardoor feitelijk de belangen van de ‘financiële markten’ en vooral van Wall Street en de Amerikaanse schatkist;
2. de sterke beperking van de overheidsuitgaven tijdens een economische crisis maakt de achteruitgang alleen maar erger en veroorzaakt uiteraard sociale ellende.
Het IMF verdedigde zich tegen deze kritiek door te zeggen dat Argentinië een jarenlange voorgeschiedenis van begrotingstekorten heeft en dat er geen ruimte meer was om de klassieke remedie tegen economische crisissen te gebruiken, namelijk een verhoging van de overheidsuitgaven.
Voornaamste bronnen:
Another IMF-crash  Argentina, The Nation magazine, 3 december 2001.
Latijns-Amerika  tussen hoop en wanhoop, KBC, Economisch-Financiële Berichten, oktober 2002.
Harvard University, Center for International Development.

De financiële crisis in Azië - Waarom een open kapitaalmarkt niet altijd een goed idee is (T4)


Op 2 juli 1997 leken de buitenlandse investeerders alle vertrouwen in de economie van Thailand verloren te hebben. Het land had veel schulden op korte termijn in het buitenland en er werd gevreesd voor een stopzetting van de betalingen. Er volgde een herhaling van wat eerder al in zoveel landen gebeurde: beleggers en speculanten verkochten de baht (de Thaise munt) en veroorzaakten een daling van de waarde met 25 procent op één dag. De crisis deinde snel uit naar andere landen van Zuidoost-Azië: Maleisië, Zuid-Korea, Indonesië en de Filipijnen. Overal daalde de nationale munt in waarde en kwamen bedrijven en banken in grote moeilijkheden. Hun schulden waren uitgedrukt in dollar en de terugbetaling daarvan werd met een gedevalueerde munt plotseling veel zwaarder. Banken begonnen te twijfelen aan het terugbetalingsvermogen van de bedrijven en beperkten hun leningen. Een terugval van de productie en een stijging van de werkloosheid waren niet te vermijden.
Het IMF snelde de getroffen landen ter hulp, maar stelde enkele klassieke voorwaarden: een verhoging van de interesten, een daling van de overheidsuitgaven en hogere belastingen. De gevolgen lieten niet op zich wachten. De productie daalde met 6 tot 15 procent, pas in 2001 werd opnieuw het niveau van 1977 bereikt. De verhoging van de interesten (in Zuid-Korea tot boven de 25 procent) bracht tal van bedrijven in moeilijkheden. In Thailand kon de helft van de bedrijven zijn schuldverplichtingen niet meer voldoen. Werkloosheid en armoede gingen snel de hoogte in.
Het IMF schoof de schuld op de landen zelf. De instellingen van die landen zouden niet goed gewerkt hebben, door corruptie zouden de banken te veel slechte leningen toegestaan hebben. Die beschuldigingen wekten wel verwondering. Diezelfde instellingen in diezelfde landen hadden de voorbije dertig jaar toch voor het ‘Aziatisch mirakel’ gezorgd! Het IMF bleef ook de liberalisering van de kapitaalmarkt verdedigen en eiste de openstelling van de banksector voor buitenlandse banken.
Joseph Stiglitz is één van de meest uitgesproken critici van dat beleid. Hij verwijt het IMF dat het blind een uniek model oplegt, met de focus op inflatiebestrijding en beperking van de tekorten op de begrotingen. Die twee problemen waren in Azië zo goed als onbestaande. Verder zijn de eisen van het IMF politiek-ideologisch geïnspireerd. Het klinkt goed wanneer men de centrale bank meer autonomie wil geven  maar is dat altijd beter voor groei en werkgelegenheid (een sneer naar de Europese Centrale Bank)? De opening van de kapitaalmarkt voor buitenlandse banken en ‘geavanceerde’ Japanse financiële producten was geen nationaal belang voor Zuid-Korea en ook niet voor de Verenigde Staten. Het was een privé-belang voor de bankiers van Wall Street. En ten slotte had het IMF helemaal geen oog voor het sociaal-politieke risico: werkloosheid, armoede en etnische onrust (Indonesië).
De recepten van het IMF waren volgens Stiglitz eens te meer contraproductief. De beperking van de vraag met hoge rentevoeten had weinig zin: er was bijna geen inflatie en veeleer te weinig vraag. De stijging van de rente was desastreus voor bedrijven met zware schulden en leidde tot een escalatie. Het IMF onderschatte ook de gevolgen van de beperking van de vraag op de handel in de regio. Landen beperkten de invoer om de tekorten op hun betalingsbalans kleiner te maken. Maar de invoer van land A is tegelijk de uitvoer van land B en de oplossing voor land A is dus de kwaal voor land B. Dit doorschuiven van de zwartepiet bracht de wereldeconomie in de jaren 1930 in een rampzalige neerwaartse spiraal.
Landen die het IMF niet slaafs volgden, raakten het snelst uit de crisis. Maleisië devalueerde zijn munt en beperkte de instroom van buitenlands korte termijnkapitaal. Zuid-Korea weigerde zijn banken en bedrijven failliet te laten gaan. Twee grote banken kregen van de staat nieuw kapitaal. China voert een open handelsbeleid maar behoudt controles op het kapitaalverkeer.
Stiglitz erkent dat het IMF later sommige fouten toegegeven heeft. Het heeft erkend dat de overdreven aandacht voor de beperking van de overheidsuitgaven, de onderschatting van het olievlekeffect op andere landen van de beperking van de vraag in één land en de al te brutale herstructurering van de banken in Indonesië verkeerd waren. Maar het IMF blijft elke kritiek op zijn monetaire beleid hooghartig afwijzen en blijft ook de liberalisering van het kapitaalverkeer (met onder andere de verkoop van sommige banken aan het buitenland) verdedigen. Dat is volgens Siglitz een vorm van aanmatiging. Hij gelooft niet in een complot, een doelbewuste poging om de Aziatische economieën te verzwakken en de dominantie door buitenlandse bedrijven te vestigen. Maar er is volgens hem wel sprake van een blind geloof in de marktkrachten. Het IMF reflecteert zo de belangen van de westerse financiële wereld.
Het IMF wijst het grootste deel van deze kritieken af. Het erkent wel dat de aanpak van landen met acute betalingsbalansproblemen kan verbeteren. Een concordaatsregeling (tijdelijke stopzetting van de betalingen tijdens een periode van herstructurering) wordt niet meer a priori verworpen. Maar het IMF blijft bij de stelling dat een land in acute betalingsnood en met een munt in vrije val dit probleem niet kan oplossen door nog meer schulden te maken of geld te drukken. Dat zal enkel de inflatie aanwakkeren en daarvan zijn volgens het IMF de armen het eerste slachtoffer.
Voornaamste bronnen:
J. STIGLITZ, Perverse globalisering, hoofdstuk 4.
K. ROGOFF, Director of Research IMF, An open letter to Joseph Stiglitz, 7 februari 2002.

Rusland - De uitverkoop van een land (T4)


In het begin van de jaren 1990 stond Rusland voor enorme overgangsproblemen. Het land had instellingen die namen droegen als gelijkaardige instellingen in een markteconomie, maar die helemaal anders werkten. Er waren banken die het spaargeld van de burgers ophaalden, maar over de besteding van dat sparen (aan wie uitlenen?) besliste het Plan. Er was geen economische controle op het efficiënte gebruik van het spaargeld. Er waren bedrijven, maar ze namen zelf geen beslissingen over hun productie. Ze waren dus niet verantwoordelijk voor de efficiënte aanwending van de productiefactoren arbeid en kapitaal. Ze kregen een bepaalde hoeveelheid productiefactoren toegewezen en moesten vastgestelde productiequota halen. De bedrijfsleiders gingen onderling ruilen om de quota te halen en voordelen voor zichzelf te verzekeren. Er waren prijzen, maar die werden bij decreet en niet door de markt vastgesteld. De bedrijven zorgden voor huisvesting voor hun werknemers, dus er was geen huisvestingsmarkt. Er was in de Sovjet-Unie officieel geen werkloosheid, dus ook geen werkloosheidsverzekering.
Bij het begin van de overgang naar een markteconomie (in het jargon: de transitie) volgde Rusland met steun van het IMF een schoktherapie. In 1992 werden de prijzen volledig vrijgemaakt. Het resultaat was hyperinflatie, waardoor het spaargeld van de gewone Russen waardeloos werd. Als remedie werden de rentevoeten verhoogd, maar daardoor werden het verbruik en de investeringen gewurgd, zodat er geen nieuwe bedrijven konden ontstaan. De nationale productie en de inkomens daalden, de armoede (twee procent in 1989) breidde zich uit tot een kwart van de bevolking, de inkomensongelijkheid nam walgelijke proporties aan.
De energieprijzen werden laag gehouden, maar dat werd voor de handigsten en slimsten een nieuwe bron van verrijking. Petroleum werd in Rusland goedkoop gekocht om in het buitenland duur te verkopen.
Het grootste schandaal was de privatisering van de overheidsbedrijven, vooral in de energiesector. Omdat hun spaargeld door de torenhoge inflatie zo goed als waardeloos geworden was, konden gewone Russen geen aandelen kopen. De bedrijven werden met geleend geld opgekocht door bedrijfsleiders en politieke leiders uit de communistische periode. Zij hadden de relaties die daarvoor nodig waren.
Ondanks alles kende de economie in 1996-1997 een zekere heropleving. Maar toen daalde de petroleumprijs en begon Rusland de gevolgen van de financiële crisis in Azië te voelen. In mei 1998 werd algemeen verwacht dat de roebel zou devalueren. Met de steun van het IMF werden de rentevoeten verhoogd: op staatsleningen in roebel van 60 naar 150 procent op enkele weken, op leningen in dollar van 10 naar 50 procent. Het IMF moedigde Rusland aan in dollars te lenen, om te profiteren van de lagere rente. In juli 1998 kende het IMF zelf een lening van 4,5 miljard dollar toe, later nog eens 11 miljard dollar, als deel van een steunprogramma waaraan ook de Wereldbank en de Japanse regering elk met 6 miljard dollar deelnamen.
Er kwam veel kritiek op die leningen. Er werd gewaarschuwd dat het geld niet zou gebruikt worden voor het beweerde doel (de stabilisering van de wisselkoers en van de economie), maar het land zou uitgevoerd worden (kapitaalvlucht). Vele economen stelden de vraag waarom Rusland een overgewaardeerde wisselkoers van de roebel moest verdedigen. Als het lukte, bleef het land met een overgewaardeerde munt zitten en werd de economie afgeremd (de uitvoer wordt te duur, de invoer te goedkoop). Als het niet lukte, moest toch gedevalueerd worden, waren de wisselreserves uitgeput en bleef het land met een buitenlandse schuld achter. En ten slotte: waarom lenen aan een land met een enorme grondstoffenrijkdom? Maar onder druk van de regering van Bill Clinton werden de leningen toch toegestaan.
Op 17 augustus 1998 moest Rusland zijn munt toch devalueren en de stopzetting van de betalingen aan het buitenland afkondigen. De crisis tastte ook het vertrouwen in de andere ‘opkomende economieën’ aan. Beleggers en investeerders twijfelden aan het vermogen van onder andere Argentinië en Brazilië om hun verplichtingen na te komen. Volgens Stiglitz dreigden hierdoor ook westerse investeringsfondsen over de kop te gaan en was een tussenkomst van de Federal Reserve Bank of New York nodig om het hefboomfonds Long Term Capital Management te redden. Het resultaat van de tussenkomst van het IMF was ook hier crisis en verzwaring van de schuldenlast. Maar de instelling weigerde elk debat over zijn beleid en werd hierin gesteund door de Amerikaanse schatkist.
De conclusies liggen voor de hand. Het IMF keek ook in Rusland enkel naar monetaire doelstellingen (zoals een lage inflatie) en het begrotingstekort. Maar landen zoals Polen hebben jarenlang met een inflatie van rond de twintig procent geleefd en ze hebben de transitie met veel lagere economische en sociale kosten gemaakt.
Ten tweede wilde het IMF een snelle privatisering en keek het enkel naar het aantal verkochte staatsbedrijven. Het had geen aandacht voor de opbouw van instellingen die nodig zijn voor de werking van een gecorrigeerde markteconomie: een goed werkend gerecht, contractzekerheid, bescherming van de concurrentie, controle op de banken zodat die op verantwoorde wijze met het spaargeld omgaan. De privatisering bracht niet meer efficiëntie en groei, wel de roof van de rijkdommen van het land. Privatisering zonder goede instellingen en overheidscontroles leidt tot chaos. Het IMF zegt wel dat de opbouw van deze instellingen in zijn plannen voorzien was, maar niet uitgevoerd werd. Maar waarom bleef Rusland dan verzekerd van de steun van het IMF, tenzij om politieke redenen?
Voornaamste bron:
J. STIGLITZ, Perverse globalisering, hoofdstuk 5.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 3093   proMO*’s steunen ons vandaag al. 

Word proMO* of Doe een gift